Over zij die weet en zij die nog niet weet

De man en ik gaan naar de film. Het is altijd twijfelen. Enerzijds ben je er een hele avond aan kwijt (o help, niets ‘nuttigs’ doen?!), anderzijds is het altijd wel stof tot nadenken.

We zagen deze. Over een vrouw die te horen krijgt dat haar vader haar vader niet is en dat haar moeder stervende is. Maar daar gaat het niet eens echt over. Het is een kluwen van lijntjes door elkaar, waarbij je de vrouw ziet worstelen met haar huwelijk en niet-zo-deugdelijke echtgenoot, het moederschap, het beroep dat haar labiele vader op haar doet, de strijd met haar moeder, haar ambitie om te schrijven, de nood om brood op de plank te krijgen, een halfzusje dat op haar bank beland, haar eigen emoties, de aantrekkingskracht tot een andere man.

Het is een kluwen. In het kluwen zit veel codetaal verborgen omtrent vrouw-zijn. Op een bepaald moment wordt verwezen naar de moeder als zij die niet weet, wat natuurlijk een knipoog is naar Pinkola Estes, ‘zij die weet’. Vaak genoeg geeft het hoofdpersonage blijk van intelligentie. Ze is mooi. Haar intuïtie werkt goed. Ze ‘weet’. Maar ze is verstrikt in een kluwen en daar is ze zelf ook debet aan, door haar ambities op te bergen en daarover kwaad te zijn op de ander, en dan met name haar wat luizige echtgenoot en haar moeder.

De Man (de mijne) en ik hadden een gesprek achteraf. Hij vond de film chaotisch. Te veel thema’s door elkaar. Ik dacht dat de chaos net bedoeld was om net als de vrouw zelf ergens wel te weten waar het naar toe moest, maar die draad heel de tijd te verliezen in het appel van de 1001 dingen die voorbij komen. Scherp je ambities maar eens aan, zet je man maar eens buiten als terwijl je moeder sterft, je dochters puberen en de rekeningen betaald moeten worden. En dan nog, wat is het alternatief?

De Man vond de man uit de film fout begrepen. En inderdaad, hij deed vaak zijn best. En de  vrouw onthield hem seks (logisch om dan vreemd te gaan? …), en erkende zijn inspanningen voor het gezin niet echt. Maar dan stel ik me de vraag naar gelijkwaardigheid. Elkaar zien en erkennen is belangrijk, maar als zij zijn slordige pogingen wat verantwoordelijkheid op te nemen thuis moest honoreren, krijg je toch nog steeds een zeer asymmetrische relatie.

De film was enerzijds erg herkenbaar, en anderzijds totaal niet. Het gedeelte totaal niet gaat over onze thuissituatie. Mijn Man doet meer dan zijn deel in het huishouden, genereert een goed inkomen, biedt bedding en stabiliteit. We hebben eigenlijk nooit man/vrouw-issues in onze relatie, als in: wat is een taak van de man, wat is een taak van de vrouw. Hij werkt meer dan ik, maar dat zal voor hem nooit een reden zijn om bijvoorbeeld de kinderen niet in bad te doen of het afval niet weg te brengen.

Tegelijkertijd is er het element herkenbaarheid. Namelijk: zelf beschikken over een vorm van (jong) talent en enige ambitie, en dat ondergesneeuwd zien worden in de duizend dingen van elke dag. Werken aan een verhaal waarvan ik nog niet eens heel goed weet wat ik er dan mee moet als ik het echt opschrijf, verbleekt bij boodschappen doen en avondmaal koken voor het gezin en vervolgens honderd e-mails beantwoorden en op tijd in bed want morgen weer vroeg dag. Het ontwikkelen van een eigen praktijkje waarvoor ik nu een schamel stappenplannetje heb, krijgt de lakmoesproef wie-wacht-er-op-en-wat-brengt-het-op-dus-moet-ik-het-wel-doen-en-me-niet-gewoon-richten-op-hier-nu-de-dingen-die-ik-al-doe. Ik schrijf mijn plannen op, kom uit de flow en vraag me dan weer af of ik mezelf niet wat wijs maak. Zoiets.

Ik heb al weken ‘Playing big’ van Tara Mohr op mijn bureau. ‘Vind je stem, je missie en kom in actie!’. Een boek voor vrouwen die wat kunnen en willen en ondergesneeuwd geraken, niet alleen door alles rondom, maar ook door hun eigen innerlijke twijfels. (Ladies out there, KOOP DAT BOEK). Ik leer het onderscheid maken tussen mijn innerlijke criticus en mijn innerlijke mentor. Bij een visualisatie-oefening ontmoet ik mijn zelf, binnen twintig jaar, hier in dit huis, nog steeds balancerend tussen werk en kinderen met een doos vol opgeborgen plannen onder het stof. Dat, dat gaan we dus niet doen, denk ik. En nu weer over tot het kluwen van de dag.

 

 

 

Advertenties

Een dag in het leven van prinses & co: februari 2017

Ik pik de draad weer op met een dag uit ons leven. Het is een ketting (af en toe onderbroken) van banale dagen. Maar door maandelijks een ‘banale’ dag bij te houden, zie je mooi hoe alles altijd in beweging is. Dit is een dag uit februari. Mijn blog en mijn leven lopen niet meer simultaan, en dat is prima zo.

07u30
Kindervoetjes op zolder. Ik lig naast M. Ochtenden, het is niets voor mij. De jongens willen dat we komen kijken naar het spoor dat ze gebouwd hebben. We bewonderen het uitgebreid. Onderweg naar beneden duik ik stiekem weer in bed terwijl M. cappuccino gaat maken. Zo horen de taken verdeeld te zijn.

11u00
Ik heb brood gehaald. Ik vind het moeilijk om me voor te stellen dat ik hier ga wonen, maar elke keer als ik de ochtend trotseer in deze stad, en vanuit het steegje van M. naar de bakker loop als een local, zonder bh en ongewassen, kriebelt het. Het lijkt vaak zelfs moeilijk te geloven dat mijn leven hier zou kunnen verder gaan, omdat het een context was waar ik zelf nooit van gedroomd zou hebben omdat het onbereikbaar was: een mooi huis midden in een mooie stad. Een leuke buurt. Alles op wandelafstand. Een geweldige gedeelde tuin achter het huis. Ik had het zelf niet mooier kunnen verzinnen en ik vind het soms nog steeds moeilijk te geloven dat het binnen bereik is.
We hebben samen ontbeten. De jongens hebben gespeeld en tv gekeken, ik heb soep gemaakt, we hebben gedoucht en nu gaan we op pad.

12u30
We hebben wat gewinkeld en zitten in een kindercafeetje waar de jongens leuk kunnen spelen. We lunchen tussen andere ouders en ander grut. Waarom het concept kindercafé in België nog onontgonnen lijkt is me volstrekt onduidelijk. Er is gewoon niets dat je je liever kan wensen als ouder dan lekker te kunnen praten met je lief, de krant te lezen of een boek, fijn koffie te drinken, terwijl de kinderen met zijn allen in het centrum van het café spelen met al het leuks dat er voor handen is. Je ziet ze enkel terug als ze een sipje van hun drankje komen nemen. Wat een luxe.

15u00
Ik loop chagrijnig van de H&M naar het huis van M. Ik heb kleding gekocht om te sporten en ik heb een soort diepgewortelde afkeer ten opzichte van sporten. Maar ik ben het ook eens met M. dat mijn conditie helemaal niet goed is. Ik heb elke dag pijn en ben niet bepaald in topvorm voor een vrouw van 32. Dus ja, daar moet ik wat aan doen. Maar nee, daar heb ik geen zin in. En ik hou ook al niet van de H&M, ik ben er jaren niet geweest en heb veel bedenkingen bij de herkomst en prijzen van de kleding. Ik heb een soort ideaalbeeld van mezelf, en in dat beeld ben ik inderdaad wat slanker en sportief en fit en energiek, maar het is best moeilijk om daar ook daadwerkelijk naar toe te werken.

15u30
Zwemmen met de jongens. Het is iets dat M. en ik vaak doen. De jongens vinden het geweldig en M. ook. Ik hou er minder van. Koud en nat. Maar ik zie ook in dat het een goede activiteit is voor mijn twee energiebommetjes. M. heeft me veel geleerd over mijn ouderschap. Zoals jullie hier hebben kunnen lezen, is er lang een situatie van schaarste geweest die gepaard gaat met het alleenstaand ouderschap. Schaarste van geld is één ding en misschien nog wel het meest relatief, maar ook tijd en energie  waren schaars. Het besef viel koud op mijn dak toen ik een tijdje terug van een opdracht naar M. reed en hem vanuit de auto belde dat ik een voorstel met offerte de deur uit moest doen en dat ik dus niet zou koken zoals ik eerder had aangekondigd. Ik werkte, daarna gingen we uit eten. En ik besefte dat dat voorstel dat belangrijk was en voor stress zorgde vroeger iets zou geweest zijn dat ik dan moest doen na het ophalen van de kinderen, koken, eten, bedrituelen. Meestal moest ik mezelf dan doodmoe nog proberen vooruit te branden, wat altijd een neiging tot uitstellen gaf en waarmee ik in de problemen ben geraakt.
Schaarste dus. Door die schaarste in tijd en energie zag mijn ouderschap er vaak zo uit: ik liet de kinderen een activiteit doen (bv een film kijken) zodat ik zelf wat anders kon gaan doen. Of: ik verwachtte van de kinderen dat ze leuk speelden terwijl ik uitgeput op de bank de krant las. Beide scenario’s zijn niet erg verbindend. Met M. is de tijd en energie drastisch toegenomen (hoewel we beiden ook niet zo’n sprankelende en energieke mensen zijn), en doen we ook echt activiteiten met de kinderen. Samen. Niet: jij neemt ze mee zodat ik kan werken en daarna doe ik wat zodat jij tijd voor jezelf hebt. Maar: echt met zijn viertjes. Dat is zo verbindend en gezellig en ik sta er nog steeds verbaasd van dat M. dat ook echt wil en er zelf van geniet.

18u00
Ik draag een vermoeid klein jongetje het huis in. De grote zoon schrijft in een schriftje dat hij van me gekregen heeft. Erg leuk om te zien hoe hij zich uit: hij maakt lijstjes van de namen van de kindjes van zijn klas, schrijft op wat we vandaag gedaan hebben, maakt sommetjes. Heerlijk. De kleine zoon kliert er een beetje tussendoor. Ik kook. We eten samen en gaan dan op de bank, met donsjes en ook weer met zijn vieren, naar een film kijken. De jongens liggen heerlijk tegen ons aan. Als ik ze na de film naar bed breng, zijn ze doodmoe en zielsgelukkig. Het is alsof ze alles gekregen hebben wat ze nodig hebben aan tijd, energie, liefde, uitdaging. Hoewel de grote zoon nog wel eens kwaad wordt (bij veranderingen of bij grapjes of als de kleine zoon hem een beetje in de weg zit), loopt het niet meer zo uit de hand. De kleine zoon haalt kattenkwaad uit, genre sleutels van kasten halen, maar is ook ‘los’ van me en vrij. Hij slaapt moeiteloos alleen en heeft het naar zijn zin.

21u30
Een dag met de kinderen is intens. M. en ik genieten nog even van tijd met ons tweetjes. We maken grapjes over zijn family-man-gehalte. Hoe je het ook draait of keert: ik vind het gek dat deze man die zo geniet van de tijd met de kinderen en er ook zo naturel goed in is op zijn eigen bescheiden manier, nog geen gezin met twintig kinderen had. Lucky us.

22u30
Van zodra mijn hoofd het kussen raakt, slaap ik. Ik merk amper dat M. naast me komt liggen. Ook ik ben erg voldaan. Alsof ik alles krijg wat ik nodig heb op deze mooie plek. Het ellendige gevoel van door mijn energie heen zitten waar ik al jaren mee vecht, is hier vervangen door een gevoel van totale vermoeidheid op het einde van de dag. Maar wel een gezonde, lekkere vermoeidheid na veel verbondenheid, liefs en actie. Heel anders dan het gevoel mijn energie verloren te hebben aan frustratie en vechten met mezelf. Lucky me Lucky uszzzzzzzz.

 

Ver weg

Dit stukje is geschreven in de winter. Ik besluit het na een gesprek met andere single moms te laten staan. Ik heb zelf geen troost of tips nodig, intussen is de situatie opgelost. Maar ik vind het nog wel een beetje mijn taak te getuigen van de onderbelichte zorgen van de ouder die er alleen voor staat met onze huidige maatschappelijke structuren, eisen en organisatie. Laten we alsjeblief een wereld creëren waarin deze wanhoop en uitputting niet meer nodig zijn! In Amsterdam zag ik laatst een soort huis voor alleenstaande ouders, waar ze kunnen verbinden. Blijkt in Nederland wel meer te bestaan. Mooi! Maar ik wil zo graag een samenleving waarin dit soort huizen en netwerken overbodig worden.

{Winter}

Het gaat niet al te best. Om eerlijk te zijn.

Het is winter. Het vriest. Het is koud.

De kleine zoon is ziek. Alweer weken. Of maanden. Hij gaat meer niet dan wel naar school. Hij is vermagerd en verzwakt. Deze week zat ik met hem in het ziekenhuis en werd hij in twee armen geprikt. Ik moest hem tegenhouden terwijl de druppels bloed in het buisje vielen. Ik probeerde wanhopig zijn aandacht naar het beduimelde boekje van Sneeuwwitje te verplaatsen.

Ik ben totaal out of control. Ik heb twee banen, een huishouden, twee kinderen, vier babysits en een lief. Ik krijg het niet meer geregeld. Mijn babysits laten het afweten. Voor mijn twee banen kom ik op vijf dagen tijd aan vijf werkuren. Vijf. Alles hoopt zich op. Ik ben in de vreemde combinatie van wilde paniek en totale uitputting.

Elke dag kijk ik uit naar de avond. Want dan drink ik drie koffies en neem ik een pilletje en kan ik vier uur werken. Of vijf! En het huishouden aan de kant! En de kleedjes en een brooddoosje voor morgen klaar!
Maar als ze dan eindelijk in bed liggen, ben ik leeg en op en moe en huil ik op de bank en ga dan slapen. Morgen beter, dacht ik een aantal avonden op rij. Nu denk ik zelfs dat niet meer.

De nachten breng ik door met teentjes in mijn neus. Twee kinderen die langs beide kanten zo dicht mogelijk willen liggen. Medicatie toedienen om drie uur of om vijf uur. Bekertjes water halen, slaapdronken. Eén keer, twee keer, drie keer per kind per nacht. Ik snak naar privacy, naar even niet ten dienste staan van. Ik wil alles en iedereen van me afmeppen, en weglopen. Ik ben zo oververzadigd van fysieke nabijheid. Ik wil alleen zijn, alleen, alleen. Ik wil gerust gelaten worden. Ik wil mezelf voelen. Ik wil voelen of er nog een mezelf bestaat.

Ik vind het ouderschap onmenselijk. Er blijft niets meer van me over. Ik ben iemand geworden die altijd moe is en geen energie en moed meer heeft. Ik ben iemand geworden die zeurt. Ik ben iemand geworden die geen afspraken meer nakomt, de boel laat versloffen, geen telefoontjes meer beantwoordt, geen mails leest, geen deadlines haalt. Ik heb een enorme drive voor mijn werk, om aan mezelf te werken, om dingen te lezen, doen, uit te zoeken die me boeien. Maar ik ben aan handen en voeten vastgebonden en ik ben woest gefrustreerd. Of ik volgende week naar kantoor kom? Wie zal het zeggen. Of ik nog eens iets ga afwerken? Wie weet. Ik ben zo kwaad, ik voel me vermorzeld.

Het werd tijd dat ik de berg eens te lijf kon gaan, maar in deze lege dagen met het zieke kind en de hele zooi, groeit de berg alleen maar. De berg met spullen, met taken, met mails, met verwaarloosde vrienden, met ongeopende post. Noem het maar. En ik? Ik word steeds kleiner. Alsmaar kleiner en kleiner. En ik krijg een hekel aan mezelf, want ik ben noch een lieve moeder, noch een fijn lief, noch een betrouwbare werknemer, noch een attente vriend. Ik ben niets meer van wat ik wil zijn.

Soms doe ik een poging om de berg te lijf te gaan. Dan maak ik plannen en voornemens. Maar de energie ontbreekt om ze uit te voeren en dan belanden de plannen en voornemens op de berg, bij al de rest. Nog meer mislukking. Plannen. Het is al niet mijn sterkste kant, maar het is ook zinloos. Elk plan dat ik de voorbije jaren heb gemaakt is gesneuveld door een ziek kind, een woedebui van een kind, een gebrek aan energie, een file, een idiote ex, … Leve de bullet journals, productiviteitsapps, zelfhulpboeken. Maar die zijn niet voor alleenstaande ouders gemaakt. Elke keer als ik weer een app heb geïnstalleerd waarmee het nu toch echt moet lukken, of een boek heb gelezen dat ik ga toepassen, voel ik me nog ellendiger omdat ik er weer niet in slaag.

Ik zie andere mensen. Met energie en levenslust en plannen en verwezenlijkingen. Ik heb een stapel boeken klaar gelegd die ik wil lezen om mezelf te voeden. Ik heb takenlijstjes. Ik heb schriftjes vol plannen en ideeën. Ik heb voornemens, soms nog een keer.

Als tip lees ik ergens elke avond het meest waardevolle moment van de dag te benoemen. Retrospectief leg ik mijn vinger elke keer op een moment met of van de jongens. Maar in de momenten zelf zijn mijn benen slap, voel ik me belabberd en wil ik alleen maar weg. Ver weg.

 

 

Trage dagen

Ik heb trage dagen nodig. Hoewel ik me tegen mezelf verzet daarin. Het is niet handig, het is niet praktisch. Behalve als ik alleen zou leven. Dan leiden de trage dagen tot gedachten, tot diep werk, tot creatie.

Maar ik leef niet alleen. Hoe romantisch sommigen ook over kinderen kunnen schrijven, de dagen met kinderen zijn niet traag en zelden uitgepuurd schoon. Ik zit op het grote bed en wil alleen maar even zitten en nadenken. Beneden hoor ik hen ruzie maken en schreeuwen. Ik wil even fijn douchen. Beneden hoor ik iets sneuvelen. Ik blader door de krant aan tafel. De oudste geeft de jongste een schop omdat hij iets fout deed, en ik niet reageerde.

Het gaat zo tegen mijn natuur in. In plaats van uit mijn schulp te komen, wat de situatie van mij vraagt, kruip ik alleen maar dieper. Ik verlang naar cocon, naar rust, naar stilte, naar een positieve energie, naar lezen, naar schrijven, naar ruimte in mijn hoofd om te denken. Ik heb een schrijnend tekort van jaren aan ruimte in mijn hoofd. Stilte. Traagheid.

Soms stem ik me af of hun tempo. Dan lukt het me, om vier keer het pontje over het IJ te nemen omdat ze dat willen. Om rustig te zoeken welke tram ze het leukste vinden. Om elke roltrap op onze weg op en af te gaan. Hun tempo. Hun dingen. Dat is mooi. Het schuurt dan minder. Maar mijn eigen honger is er niet mee gestild. Pun intented.

We zijn anderhalve week bij de Man. De eerste week doen we meer dan het voorbije half jaar. De Man blijkt ondernemend, mijn kinderen ook. Dus we wandelen door sprookjesparken, we zwemmen, we drinken koffie, we zien theater, we waaien uit in de duinen, en we kijken film met zijn allen op de bank.

Op het einde van de week ben ik gesloopt. Zo veel en zo veel samen. Maar ik ben ook heel dankbaar.

Na anderhalve week, bijna twee weken, zijn we weer thuis. Met drie. De eerste avond is al meteen een race, met twee overspannen kinderen, een opvoedingsondersteunster, geen eten in huis, janken, tranen. Name it. Vervolgens krijg ik het niet georganiseerd om opvang te vinden om naar mijn  werk te kunnen. Op enkele uren druipt alle opgebouwde energie van de afgelopen anderhalve week waarin ik niet alleen was, waarin we het samen deden, waarin ik niet hier was, waarin alles beter ging, weg. Ik realiseer me stomverbaasd dat ik al drie jaar het onmogelijke heb gedaan, met een ijzersterke garantie op schuldgevoel. Geen opvang vinden? Schuldgevoel naar werk toe. Gaan werken? Schuldgevoel naar thuis toe. Voor het eerst ben ik wat milder. Hoezo, ik had ook nog elke dag yoga moeten doen, het aanrecht schoon houden, vijf kilo afvallen, mails beantwoorden en mijn werk af hebben? Haha.

Van mijn werkgever moet ik een soort programma volgen. Een training. Omdat ik er even doorheen ging. Ik geloof er zelf niet in. Soms moeten de omstandigheden veranderen, waardoor je zelf ruimte krijgt om beter en anders te worden. Ik heb veerkracht opgebouwd. Misschien meer dan de jonge psychologe die me gaat vertellen dat ik positief moet denken en grenzen moet trekken. Daar ligt het niet aan. Als het daar aan lag, had ik het kunnen redden. Je kan iemand niet trainen om het onmogelijke te doen. Ik geloof best dat er single moms zijn die het goed doen, met twee kinderen. Maar ik niet, niet met deze kinderen, deze ex, deze combinatie van werk en gezin, dit energieniveau, dit beperkt netwerk, deze financiële situatie en mijn eigen persoon die een cocon nodig heeft en veiligheid en alleen zijn en rust.

I don’t belong here anymore. Ik ben klaar met alles alleen doen. Met de jaren van de lege bankrekening, van de eeuwigdurende stress, van pijn, van vermoeidheid, van conflict. De maanden die ik nodig heb om de overstap te maken, zijn er te veel aan. Alsof het niet meer kan, uithouden wat ik al drie jaar doe, voor die laatste maanden. Alsof ik niet meer weet hoe ik moet zwemmen nu de kust in zicht is.

Daar zal ik het lef moeten hebben een kamer in te palmen en er een cocon van te maken. Ik weet dat het geen rozengeur en maneschijn zal zijn. Er zal nog steeds vermoeidheid zijn, ik zal in een vreemde omgeving zijn, we zullen moeten wennen, aanpassen, veranderen, en de relatie met de Man zal ook het nodige onderhoud vragen.

Hij is geen reddingsboei. Hij is gewoon de juiste man op het juiste moment. Hij is verstandig, rustig, houdt het overzicht. Ik verbind me met hem, want dat heeft hij nodig denk ik. Verbinding. Hij heeft de plek, wij vullen de ruimte die anders een leegte is. We voegen de middelen samen. Niet letterlijk, maar figuurlijk. Samen hebben we voldoende tijd, zorg, geld, energie om het te laten werken. Fingers crossed.

 

 

Prinses is niet ziek

Femma is een eigentijdse en eigenzinnige vrouwenorganisatie met een duidelijke visie op mens & samenleving. Femma praat mee over wat vrouwen vandaag denken, voelen & beleven. Femma verdedigt de belangen van vrouwen met minder kansen en in het bijzonder alleenstaande vrouwen. De organisatie ijvert voor emancipatie van vrouwen en gendergelijkheid, o.a. via het informeren en sensibiliseren van vrouwen, beleidsmakers en andere actoren.

Onderstaand stukje is geschreven voor Femma en verschenen op hun website.
Meer over Femma? Neem hier een kijkje!

Prinses is niet ziek

Ik ben niet ziek,’ dacht ik. ‘Misschien ben ik eindelijk weer gezond.’

Na een paar gebeurtenissen die te maken hadden  met mijn gezondheid en die van mijn kinderen, haakte ik niet meer aan op mijn werk zoals het voordien ging. Ik kwam in een periode van twijfel terecht. Maar misschien is bezinning een beter woord. Twee dingen waren duidelijk: ja, ik doe mijn werk met hart en ziel en heb geen intentie daarmee te stoppen. En nee, zoals het tot nu toe ging, doe ik het niet meer. Ik kan het niet meer opbrengen.

Ik kan het niet meer opbrengen om ’s ochtends om vijf uur weg te sluipen van naast die slapende kinderen, om alvast wat voorsprong te nemen op het werk dat gedaan moet worden, nadat ik ’s avonds om 12 uur met een vol hoofd naast de mannetjes gekropen ben.
Ik kan het niet meer opbrengen om elke week weer een onmogelijk puzzel te maken voor opvang van de kinderen. Om bij Jan en alleman hulp te vragen. Wanhopig een reeks zestienjarigen te sms-en om te vragen om kinderen op te halen en op te passen.
Ik kan het niet meer opbrengen in paniek te geraken bij het verschijnen van waterpokken, hoestjes, koorts of wat anders. Om vervolgens koortsachtig oplossingen te beginnen zoeken voor kinderen die ziek zijn en liefst een beetje bij mij op de bank willen liggen.
Ik kan het niet meer opbrengen om mezelf in gang te houden met goed getimede pepdrankjes en shots koffie en/of suiker, om dat document nog af te werken of om die presentatie nog eens voor te bereiden.
Ik kan het niet meer opbrengen tijd te besteden aan twintig e-mails van collega’s die in volledige democratie een beslissing willen nemen over een activiteit voor een personeelsuitje. Al die zinloze dingen waar we ons in verliezen en wat ons tijd en energie kost die we aan onszelf of onze geliefden kunnen besteden.

Als je niet meer meedoet, kom je heel snel in een soort mallemolen terecht. De huisdokter wil je dan regelmatig zien en stelt meteen een doosje antidepressiva voor (nee, dankje). Je moet naar de bedrijfsarts en je baas belt op vaste tijdstippen om te vragen hoe het gaat. Iedereen lijkt er op gericht je zo snel mogelijk op te lappen zodat alles weer het oude wordt.

Ik kwam deeltijds in ziekteverlof terecht, en toen dacht ik het: ik ben helemaal niet ziek. Ik ben net eindelijk wat gezonder geworden. Het gezond verstand wint het van de waanzin. Het respect voor mijn grenzen en die van mijn gezin wint het van de absurditeit. Want zelfs als ik geen alleenstaande moeder (met intussen een uitstekend doch niet inwonend lief) was, zou ik aan dit tempo tegen de muur knallen. Ik zou dan ook geen zeventig mails per dag naar behoren kunnen verwerken, naast al het andere dat verwacht wordt. Ik zou dan ook niet ’s ochtends om 9 uur op een vergadering kunnen zitten na een lange reistijd en ’s avonds om 21 uur nog voor een groep staan en een goede presentatie houden.

Nou. Ik ben alvast genezen. Nu mijn huisdokter, baas en collega’s nog besmetten.

Het minder werken-dilemma

Het is november. Een donkere avond. Ik haal de jongens op van school. Mijn werkdag heeft exact van 9u10 tot 15u10 geduurd. Dat zijn zes uren, waarvan ik minstens een veertig minuten heb besteed aan naar toilet gaan, lunchen, en koffie zetten.  Het gaat zoals zo vaak weer eens mis. De opvoedingsondersteunster is er, de oudste zoon krijgt weer eens een crisis waarin hij allemaal verschrikkelijke dingen tegen me zegt. De avond wordt weer eens wrang. Tijd om te koken is er niet, crises kosten tijd. Ik heb niet gegeten. De jongens hebben een croque gekregen. In opdracht van de opvoedingsondersteunster doe ik nu aparte bedrituelen voor beide kinderen waardoor ik dubbel zo veel tijd kwijt ben. Ik merk dat ik mentaal op ben, dat ik niets meer te geven heb. Dat ik koud en afstandelijk word naar de jongens toe. Ik sluit me af na de rotdingen die de oudste heeft gezegd. Geen goed plan volgens de opvoedingsondersteunster, maar ik ben ook maar een mens.

Ik moet nog werken. Uiteraard. Ik moet de was doen en de afwas. Ik moet twee studiedagen voorbereiden voor respectievelijk morgen en overmorgen. Mijn mails tikken aan. Ik heb al drie maanden geen uren meer kunnen doorgeven voor mijn projecten en verschillende organisaties wachten op een afspraak, verslag of voorstel. Ik moet nog zes mensen bellen in een poging de opvang van de kinderen de komende dagen te verzekeren. Dat gesmeek en geregel, ik word er gek van. Moet bijna kotsen als ik er aan denk.

Het lief, M., krijgt de volle lading via app. Als ik even heel eerlijk ben, maar dat zeg ik hem niet, kost een nieuwe relatie me vooral tijd op dit moment. Met de afstand tussen ons is het nog steeds zo dat ik mijn eigen huishouden draai en elke dag mijn eigen problemen moet oplossen. Terwijl hij gaat sporten.

Als ik moet doen wat iedereen vindt, moet ik nog meer en beter. Maar ik ben al lang voorbij het punt dat meer en beter een optie is. Ik verzuip al. Aparte avondrituelen kosten me tijd en energie die ik nergens vandaan kan schrapen. Met de oudste zoon aparte activiteiten ondernemen kost me nog meer planning, geregel, geld, babysit betalen voor de jongste. Het water staat me al aan de lippen met al het geregel en geplan om mijn werk te kunnen doen. Laat staan dat ik het kan opbrengen om het ook nog eens geregeld te krijgen dat ik de jongste ergens achterlaat om met de oudste wat te gaan doen, op een moment dat ik ook wel even de krant zou willen lezen of de was van de week wil wegwerken. Overdag of ’s avonds alvast koken zodat het niet moet in kinderspitsuur is nog zoiets. Ja, een slimme moeder zou dat doen. Maar moet ik van mijn te krappe werktijd nog eens een half uur afpitsen om ook dat nog voor elkaar te krijgen? Of moet ik niet alleen om 1 uur gaan slapen maar ook nog om 5 uur opstaan? Mogen er ook grenzen zijn aan wat mogelijk is voor me?

Het lief en ik praten veel over minder werken. Maar verdomme, ik wil niet minder werken. De voorbije jaren heb ik niet één dag acht uren kunnen werken zonder geregel, gedoe, zooi, tijdsdruk, schoolpoortgedoe. Mijn bijberoep interfereert met mijn vaste baan. Het zou goed zijn dat helder te scheiden en beter te balanceren, maar met wat ik verdien op de echte baan kan ik niet rondkomen dus moet dat geschipper met dat bijberoep er ook nog bij. Schuldgevoelens gegarandeerd.

Ik wil niet minder werken. Ik wil meer werken. Ik wil ongestoord en met een vrije kop meer werken zonder al die combinatiestress. En daarvoor heb ik structurele, betrouwbare en betaalbare oplossingen nodig. Die ik nog altijd niet gevonden heb.

Mysteries of life

In de herfst verloor ik een kindje. Dit is de vijfde en laatste post over de zwangerschap en miskraam.

Soundtrack

Ook een miskraam kan een soundtrack hebben. Tijdens de lange rit van het ziekenhuis naar het huis van M., toen alle hoop in de kille witte gangen achtergebleven was, draaide dit liedje van Coldplay in mijn hoofd. Op repeat.
The day after kocht ik het laatste boek van Claudel. Het was geen toeval dat het boek op mijn pad kwam. Het begint met een verhaal over dode kinderen die in bomen ten ruste worden gelegd. De boom voedt zich met het kind en groeit. Claudel reikte me een troostrijke soundtrack voor de herinnering aan de dagen van verlies aan. En over toeval en de mysteries of life: in het weekend dat ik het kindje verloor namen twee vrienden die ik al een jaar niet meer had gehoord spontaan contact met me op.

Meer verliezen dan er was

Het kindje was klein. Acht weken, kleiner dan de papieren vogel waarmee we het begraven hebben.

Een miskraam is iets van niets verliezen.

Het kindje dat ik verloren ben stelde nog niets voor, maar voor mij was het de baby waarmee ik deze zomer in het hofje achter het huis van M. zou zitten lezen. Het was een klein meisje dat ik vooraan bij M. op de fiets zag zitten. Het was het kindje waarvoor ik gezonder at. Het was mijn klein verstekelingetje dat ik verborg. Het was iemand die M. en mij voor eeuwig verbond als ouders van hetzelfde kind. Het was een reden om het roer om te gooien, onmiddellijk minder te gaan werken en M. en mezelf in hetzelfde schuitje te plaatsen waarin we de taken zouden verdelen op een zeer legitieme basis.

Oog

Ik heb me in de zomer na het vertrek van Dirk verdiept in het begrip bodhicitta wat erg onbevattelijk voor me is. De miskraam gaf me een soort ervaring die daarmee te maken heeft. Het was zondagavond. Ik lag met gespreide benen in een ziekenhuis, helemaal zwak en misselijk. De gynaecologe zei dat mijn baarmoeder ‘mooi leeg’ was, waarmee ze bedoelde dat er geen stukje meer was achtergebleven van het kindje waarvan ik het hartje nog gezien had op een ander scherm, de dag voordien. Ik had het koud, ik huilde, ik bloedde, ik snotterde. Ik was in het oog van de storm die de pijn was. Het daar uithouden en niet verharden in gedachtes of verwijten maakte dat ik me in een zachtheid en kwetsbaarheid compassievol verbonden kon voelen met iedereen die pijn of verlies ervaart in de wereld. Het was een grootse en heel diepe en pure ervaring en op die manier ook een soort diep geluk.

Eerlijk

Ik deel het nieuws. Met vrienden. Gewoon eerlijk. Dit is gebeurd en ik ben verdrietig. Vanuit het ziekenhuis appte ik mijn baas. Hij appte zijn standaard antwoord terug, zijnde: ‘dat vind ik vervelend voor je’. Buikgriep? Dat vind ik vervelend voor je. Kind in het ziekenhuis? Dat vind ik vervelend voor je. Miskraam? Idem dus. Ik vind dat een beetje een lauwe reactie, stel me altijd voor dat hij dat in een managementcursus heeft geleerd. Enkele dagen nadien appte hij me omdat hij vaak aan me dacht. En ik vertelde hem hoe het echt ging. Dat ik net het gevoel had dat het leven weer aan mijn kant stond. Dat ik zo blij was geweest en dus ook zo verdrietig. Dat het fysiek zwaar was en dat het heel belangrijk was om het kindje te begraven.
Enkele opdrachtgevers smsten me omdat een afgezegde afspraak en een afwezigheidsassistent voor een volledige week vragen oproept. Ik had geen zin in de complexiteit van er doekjes om winden. Aan J. die vroeg of hij bezorgd moest zijn, smste ik terug dat ik een kindje verloren had (ik ben dus niet burn out, haha). Ik kreeg een heel lief antwoord waarin hij vertelde dat hij en zijn vrouw ook ooit in die situatie waren. Zo zie je maar. Een collega wiens belangrijke presentatie ik mis, krijgt ook de waarheid. Ze vertelt me dat ze voor haar eerste kind twee kindjes verloor en mijn hart breekt, maar ik heb me nooit zo verbonden gevoeld met haar dan nu.
Er zijn vast redenen om vaag te doen en je pijnplek te verdoezelen, maar dat past niet bij me.

Tot slot

Blij om dit te lezen. En dit.
Wat ik graag had geweten voor het mij overkwam? Dat het vaak gebeurt maar er weinig over gesproken wordt.
Wat ik geleerd heb? (Alsof je overal iets van moet leren – zucht!) Dat het fysiek zwaarder is dan ik dacht. Het is meer dan even ongesteld zijn. Het is twee weken lang ongesteld tot de tweede macht. Met zwangerschapsmisselijkheid, want een vruchtje in een doosje betekent niet dat al dat hcg uit je lijf is. Helaas.

De dokters zeiden vrolijk dat ik binnen twee maanden alweer mag beginnen proberen, maar de lust ontbreekt op dit moment, pun intented. Gisteren lag ik naast M. in bed en omdat ik van hem hou vind ik het heerlijk om zijn lichaam te voelen, maar ik kan me voorlopig even niets voorstellen bij seks, omdat ik me een soort open wonde voel. Ik kan me niet voorstellen dat ik me binnen een afzienbare tijd minder kwetsbaar ga voelen en lustig nieuwe kindertjes ga proberen maken. Gelukkig is hij galant, wat vaak heel grappig is, maar in deze een zeer welkome eigenschap. Anyway, de helft van de mensen gaat ervan uit dat ik snel weer kan proberen of snel weer zwanger wil of kan of zal worden, maar dat is voor mij even niet aan de orde. De andere helft van de mensen suggereert dat er dan iets mis geweest is met het kindje en dat het beter is zo. Dat wil ik ook niet horen. Enkelen zeggen gewoon ‘wat erg’ of ‘wat naar’ (nog beter!) en dat is volgens mij het enige dat je kan zeggen.

En wat nog? Rituelen zijn belangrijk. Het kindje begraven en dat met zorg doen, er woorden aan geven, enkele elementen uitzoeken of maken, zoals een sterretje, het juiste kaarsje, een briefje en een zacht doekje, is troostrijk en helpt letterlijk en figuurlijk om alles een plek te geven. Wij konden het samen zelf en de kleine manier waarop we dat hebben gedaan was erg puur een paste bij ons en de situatie. Als het om iets gaat wat ik zelf niet kan, zou ik hier gaan aankloppen. Het kindje heeft me zo geleerd dat ik allemaal losse eindjes in mijn leven heb die ik heb veronachtzaamd. Dingen afsluiten en een plek geven maakt vrij om verder te gaan.

Post scriptum
Vrij om verder te gaan. Het klinkt nogal ‘tralalaaa’. Het kindje, ze heeft overigens ook een naampje, heeft een plekje in ons leven. Een klein, gepast plekje. Op oudjaar ontstaken we een sterretjesvuurwerkstokje op haar grafje. Ik moest lachen, en wist absoluut zeker dat het kindje een zieltje is die dat geknetter wel kon appreciëren.

 

 

 

Bloedmaan

De reden van mijn winterslaap was dat ik onverwacht en ongepland zwanger was geworden. Voor de toeters en bellen bovengehaald worden: ik heb het kindje verloren op acht weken. Ik weet dat veel vrouwen miskramen krijgen. Ik niet, dacht ik. Ik had geen idee hoe erg het is. Tot ik het meemaakte. 

Vrijdagnacht. Ik droom onrustig, ik heb het kou. Ik droom dat ik het kindje verlies.

Zaterdag ochtend. Ik ontbijt met de jongens. Ik lees de krant. Straks komt M. samen met vrienden. Fijn! Ik ga naar de wc en merk dat ik bloed verlies. Een uur later heb ik een bestemming voor mijn kinderen gevonden en ons alle drie aangekleed en zit ik op spoed, alleen. Hoe hallucinant is het dat er een vrolijk jobstudentje binnen stapt met een enquête terwijl je ligt te wachten op de gynaecoloog in het bangste uur van je leven. Hoe raar is het als je in een wachtzaal vol posters van Anne Geddes wordt gezet en dat de gynaecologe met twee blakende dochters komt aanlopen. Ze kijkt, de dochters spelen op de achtergrond. Er is een hartje, maar het kindje is kleiner dan ze verwacht. Ze schrijft me rust voor.

Zaterdagmiddag. Ik heb een hartje gezien, dus ik ben gerust gesteld. Het bloeden wordt erger. Ik heb geen pijn.

Zaterdagavond. M. en ik gaan wat doen, om onze gedachten te verzetten. Tegen half 12 ben ik ellendig, het bloed stroomt er uit. Ik ben zwak en misselijk. We rijden zwijgend terug.

Zaterdagnacht. Ik heb een hele nacht pijnlijke contracties. Ik voel het bloed lopen. Ik verlies mijn kindje. Tegen de ochtend is er een vruchtzakje waarin ik het kindje zie. Ik wikkel het in een zacht doekje en doe het samen met een papieren vogel in een klein doosje. Ik blijf in bed en huil. Maar de timing is slecht. Er zijn twee kinderen waar ik even niet van kan bedenken waar die naar toe kunnen. Er zijn vrienden op bezoek. Ik moet opstaan, douchen, aan de dag beginnen. Ik schraap al mijn moed bij elkaar om naar beneden te gaan, maar als ik uit de onderste la een zakdoek wil nemen ga ik moedeloos op de grond zitten en begint het huilen weer. Godsamme, ik ben niet eens in de gelegenheid om rustig een miskraam te krijgen.

Zondag. De jongens worden balorig van de dag. Hoe meer je rust nodig hebt als ouder, hoe bonter kinderen het maken. We besluiten naar een binnenspeeltuin te gaan. Het is te veel voor me. Ik bloed veel, ben doodmoe. Moeizaam ploegen we ons door de dag.

Zondagavond. Ik moet naar de spoed van de vroedvrouw omdat ik niet meer op mijn benen kan staan en omdat ik een spuit nodig heb omdat ik resus negatief ben. Op de spoed word ik in een rolstoel gezet. Even later lig ik op een bed omdat het niet gaat. Ik heb een ander ziekenhuis gekozen dan gisteren. Geen behoefte aan Anne Geddes-posters en ook geen behoefte aan de blonde kleuters van de gynaecologe around. De dokter die ik nu heb is heel begripvol en lief. Ze doet een echo, ik jank mijn ogen uit mijn kop als blijkt wat ik wist. Leeg, het vruchtje zit niet in mijn buik maar in een doekje in een doosje in mijn handtas. Er moeten nog onderzoeken gebeuren, er wordt bloed genomen en een spuit gegeven. M. neemt me mee. We hebben even ruzie in de auto. Alle zenuwen staan strak gespannen, ik ben kapot.

Maandag. De maan in vol. Het afscheid van het kindje gaat heel woordeloos. M. heeft een kartonnen doosje klaar gezet. Ik zie het liggen en weet meteen wat het is, de tranen lopen over mijn wangen. Mijn handen trillen als ik het kindje in het doekje vanuit het plastieken doosje in het kartonnen doosje doe. Ik tril te erg om ook de papieren vogel erbij te stoppen. M. helpt me, zijn wangen zijn nat. We kijken elkaar niet aan. Of hij ook een briefje wil schrijven, vraag ik. Beiden schrijven we een klein briefje. Ik schrijf hoe blij ik was met haar en dat ik graag haar moeke had willen zijn. Ik vraag M. of ik zijn briefje mag zien. Dat mag niet en dat is ok. We vouwen beiden de briefjes op en ik doe ze onder in het doosje. Daarop het doekje met het kindje en daarop de vogel. We sluiten het doosje. We huilen. Of hij een schepje heeft, vraag ik. Hij heeft al een kuiltje gegraven. (Wat banaal en praktisch klinkt dat, maar zo is het gewoon op dat moment.) Ik stop het doosje in het kuiltje, hij dekt het toe. Ik zet een kaars op het grafje en hang een sterretje in de boom er boven. We gaan naar binnen. Ik ben opgelucht, het was heel belangrijk om het kindje te begraven. Het kindje heeft letterlijk een plek gekregen. Vanuit het bed kan ik het kaarslicht zien beneden. Het troost me.

Zo veel soorten van verdriet. In de douche zondagochtend verbaasde ik me er over dat dit een heel nieuwe portie vers nieuw en andersoortig verdriet is dan het verdriet van de afgelopen jaren. Het  verdriet van alleen zijn, van in de steek gelaten zijn, van moeten groeien, van moe zijn en toch verder moeten, van ploeteren… Dit verdriet is erg fysiek, het gaat gepaard met pijn en zwakte en een lege plek in mijn buik en veel bloed. Het is gek hoe een kindje dat in een doekje in een doosje kan heel mijn toekomst al had bepaald en de motor was onder zo veel plannen en ideeën. Plannen om minder te werken, plannen om anders te gaan leven, plannen om te verhuizen. Plots ligt alles weer open, de noodzaak onder de plannen is een beetje weg. Het is stil.
Er brandt een lichtje in de tuin.

 

Het kikkererwtje

De reden van mijn winterslaap was dat ik onverwacht en ongepland zwanger was geworden. Voor de toeters en bellen bovengehaald worden: ik heb het kindje verloren op acht weken. Bij deze toch het verhaal van het kindje dat niet mocht zijn in enkele blogs die ik geschreven en gepland had voor het mis ging. 

Het is herfst als ik dit schrijf.

Je kan niet een beetje zwanger zijn. Je bent zwanger, of je bent het niet.

Ik besef dat Het Kind op dit moment een kikkererwtje is. Eén met een hartje, hoop ik. Als u dit leest, hoop ik het al te voelen schoppen.

Tot mijn grote verbazing voel ik me heel krachtig als vrouw. Ik ben heel levenslustig en heb zelfs zin in seks. Ik draag het leven! De misselijkheid komt in vlaagjes, en ik kan het prima aan. Ik ben minder moe dan ik verdien te zijn met dit leven. Alleen mijn bekkenpijn katapulteert me terug in de tijd, naar slechtere tijden toen ik beschaamd, me vies voelend, ellendig, zwak en misselijk, zwanger was.

M. en ik hebben een avond en een half dagje samen. Het is heel gewoon en tegelijkertijd heel warm en bijzonder. Samen wakker worden. Hij gaat twee uur lopen (!), ik neem tijd om te douchen, me op te maken, een ochtendwandeling te maken en croissants te halen. Als hij terug thuis komt zit ik net tomaten met tabasco te eten als ontbijt. Je bent zwanger of je bent het niet.

We lezen en praten, zijn lijf voelt erg vertrouwd en fijn. We gaan de stad in, wat eten. Als het tijd is om naar huis te rijden, komt er een flinke vlaag misselijkheid voorbij. Goed zo, Baby, zegt hij. Ik beaam. Het is een goed teken.

De Baby zet ons heel toekomstplan op scherp. Waar we eerst binnen het jaar en dan met name in de grote vakantie samen zijn nest wilden betrekken, moet dat nu plots al binnen afzienbare tijd en liefst als ik nog fit genoeg ben om te verhuizen. Als ik het voor mezelf een beetje haalbaar wil, zwanger zijn, moet ik ook echt minder werken. We regelen één en ander. Prikken een gewenst verhuismoment. We rekenen uit hoeveel ik minder verdien als ik maar drie dagen werk in plaats van vier en half. Hij past het verschil bij voor de maanden die komen tot we samen wonen en mijn vaste lasten daarmee meer dan halveren.

Het gaat loeihard, alles. Maar ik weet dat we twee volwassen mensen zijn. Hij is geen prins op het witte paard, en ik ben geen prinses op een kikkererwt. Het zal zoeken zijn en hard werken en mijn hele hebben en houden verhuizen tijdens een zwangerschap is misschien ook niet het strakste plan ooit (veranderingen doseren, dat soort dingen) (we hebben het over emigreren!). Maar ik ben rustig en hij is rustig. Het kan niet anders dan dat we dit samen doen, en dat doen we.

Long days, short nights

De reden van mijn winterslaap was dat ik onverwacht en ongepland zwanger was geworden. Voor de toeters en bellen bovengehaald worden: ik heb het kindje verloren op acht weken. Bij deze toch het verhaal van het kindje dat niet mocht zijn in enkele blogs die ik geschreven en gepland had voor het mis ging. 

Herfst 2016.
Mijn blog is in winterslaap. Ik schrijf voor de lente die zal komen. Ik gok op vroeg dit jaar.

Ik zit in bed. Naast me ligt een koalabeertje. Hij is ziek en heeft me nodig en wil liefst in me kruipen. Ik geef er aan toe. De afwas blijft staan, de was blijft liggen, het werk ook weer eens. Ik realiseer me nu nog meer dat ik alle echte wezenlijke dingen, zoals de verplichtingen voor mijn werk, in de marge moet doen. Snel snel. Dat dat een enorme afkeer heeft tot stand gebracht ten opzichte van werken en van mezelf. Ik realiseer me ook dat mijn hele leven kreunt onder achterstallig onderhoud. En dat de relatie met M. (van Man) me zowel bodem geeft en perspectief, als dat het ook tijd kost die ik niet heb.

Ik denk na over de afgelopen week. Acht dagen van pieken en dalen.

Donderdag. Ik ben bij mijn therapeut. Of ik zwanger ben, vraagt hij. Ik haal mijn schouders op. Vorige week lag ik hier, met die vaste overtuiging. Maandag deed ik een negatieve test. Ik ben niet ongesteld, maar die test had maandag toch echt positief moeten zijn, één dag na mijn verwachte regels. Hoe dan ook, het zou te gek zijn om waar te zijn in deze extreem prille fase van mijn nieuwe relatie. Na de sessie ga ik langs de Delhaize voor lunch en lekkers voor vanavond. Ik neem een test mee. Die ik weer vergeet tot ik de boodschappentas leeg maak. O ja. Ik plas in een beker, zet de stick er in, ga wat anders doen, vergeet bijna te kijken. Als ik kijk zie ik twee streepjes en valt de hemel op mijn dak.

Donderdagnacht. Ik ben alleen. M. had aangeboden naar me toe te komen, maar we zien elkaar morgen dus wou ik dat niet van hem vragen. Het is alsof ik in de loop van een geweer kijk, geladen met alle pijn, angst en trauma van de voorbije jaren. Van het alleen zijn, van het alleen gelaten worden terwijl ik zwanger was, van het alleen voor kinderen zorgen, van meer verantwoordelijkheid dan ik wil en kan dragen. De zwangerschap heeft de vinger op de trigger. De nacht is gevuld met mijn eigen duisternis. Ik hou me vast aan lezen bij Coeur. Helemaal op kruip ik naast de kleine jongen in bed. Hij richt zich op. Moeke, zegt hij. Moeke. Wil je mijn hand even strelen?

Vrijdag. Ik rijd naar M. met de jongens op de achterbank. 230 km, in één ruk. We komen toe in zijn huis. Ik blokkeer volledig, wil weg lopen. Het idee een kind te dragen van deze man die ik net ken als partner… Het lijkt alsof niets nog klopt. Ik zie me plots met de jongens in dit huis bij deze man wonen, en wat me maandag nog het heerlijkste ooit leek, lijkt nu een afgrijselijke nachtmerrie. Liefst zou ik ze oppakken en meenemen en nooit meer terug komen. Ik ga trillend zitten. Hij legt een hand in mijn hals.

Zaterdag. Ik ben moe. Hij leest de krant, de jongens spelen, ik slaap op de bank. De dag is zo idyllisch als de pest, met buiten lunchen, tijd doorbrengen in zijn verrukkelijke tuin, zelf pizza maken met de jongens, een geweldige wandeling. Tussendoor slaap ik veel.

Zondag. Hij gaat even vijftien kilometer lopen. De jongens en ik halen ontbijt. Absurd genoeg denk ik er niet aan een croissant voor M. mee te nemen. Als hij terug is, krijg ik een huilbui. Hoe kan ik dit kind krijgen, hoe kan ik me verbonden voelen met deze man die zo vreemd en ver lijkt? Hij blijft rustig, praat met me. Hij is hier behoorlijk goed in. En ik zie dat hij zijn best doet. Loeihard. De dag wordt nog idyllischer dan de vorige, met een wandeling in de duinen, het prachtige herfstlicht, uit eten op het strand. De jongens die de golven uitdagen. En dan weer terug. Ik en drie kinderen. 230 km. Verdomme, wat ben ik sterk geworden.

Maandag. Een gesprek bij Fara. Over zwangerschapskeuzes. Voorstel om in gesprek te gaan bij het abortuscentrum. No way, no way. Ik oordeel niet over abortus, maar ik kan dit kind niet laten weg nemen. Ik krijg het, alleen of samen. Ook al zet dit mijn hele leven op zijn kop.

Dinsdag. Om half zes de deur uit. Om 12u ’s nachts de pc dicht geklapt. Misselijk, heel de dag misselijk.

Woensdag. Een vriendin komt langs. We spreken over een keuze die geen keuze meer is voor me. Die eigenlijk ook nooit een keuze was. Ik krijg ruzie met M. over iets stoms dat hij zegt. Onderliggend: hij heeft mijn weigering abortus te overwegen als irrationeel bestempeld. Ik ben kwaad dat hij dat geweer niet ziet dat op me gericht staat. Dat hij niet ziet dat al mijn angst, pijn en trauma in mijn gezicht gaan ontploffen. Dat kiezen om geen abortus te ondergaan veel meer moed vraagt dan de keuze om er wel één te nemen. Ik wil daarin erkend worden. Ik wil dat hij snapt wat dit me kost.

Donderdag. De ruzie escaleert. Tussen het werken door bel ik hem op. Mijn grootste angst is dat hij me in de steek laat. Maar die angst regeert me zo dat het bijna een self fulfilling prophecy wordt omdat ik hem wegduw. Ik moet me realiseren dat hij mijn vijand niet is, maar mijn partner. Dat hij dit kind nu niet wil en dat ik niet kan kiezen om het weg te doen, is een strop rond onze hals. Ik word een soort wolvin, en mobiliseer mijn kracht om mezelf en mijn jong te beschermen. Desnoods zonder je, ik kan het ook alleen. Deze vertoning van kracht is te agressief voor hem. Ik krijg hem bijna zover dat hij me inderdaad in de steek laat. Uren later zijn we deemoedig. ‘Ik wil het graag samen maar weet niet hoe.’ ‘Ik wil het nu niet maar respecteer je keuze en wil er het beste van maken.’

Vrijdag. Ik neem maatregelen. Ik heb een afspraak met een vroedvrouw die als een soort van therapeut psychisch zware zwangerschappen begeleidt. Ik maak een afspraak met mijn vaste vroedvrouw voor de medische opvolging. Ik bel een gynaecologe en leg de echo’s vast. Ik ga naar de huisarts om mijn bloedtest te bespreken. Het is niet goed. De zwangerschap wordt bevestigd maar de HcG-waarde is zwak. Nieuwe bloedname. Als het niet aanzienlijk gestegen is moet ik me voorbereiden op een miskraam. Ik realiseer me dat ik ook al verwonderd was dat ik me fysiek vrij goed voel, in plaats van hondsziek zoals de vorige keer. … M. leeft mee, is oprecht bang, bezorgd. We supporteren samen voor het kind, alsof het een marathonloopster is (het moet een meisje zijn, dat spreekt vanzelf). Als we na uren het bericht krijgen dat de zwangerschap progressief is, zijn we allebei opgelucht. ‘En nu doorpakken, Baby!’ appt hij. Mijn hart, mijn hart.