Zelfs als, dan nog

Het is zondagmiddag. De griep die zwaar heeft toegeslagen, heeft mijn zintuigen op scherp gezet. Mijn smaak is uitgekiend (kunstmatige zoetstoffen zijn niet te negeren), mijn reuk ook. Ik loop door de kamers van het huis. De slaapkamer ruikt lekker naar wasgoed en warmte en een klein vleugje van de soep die ik net in bed at.

Frustratie. Het was me wat de laatste weken. Ik ben al weken, maanden, op een sukkelspoor. Sinds de miskraam mentaal. Sinds de kerstvakantie fysiek. Het is eind januari en ik heb de voorbije maand geen volle dag kunnen werken. Omdat de kleine zoon ziek was en ziek bleef, omdat ik finaal onderuit ging met een van hem geërfde griep. Mijn lijf voelt moe van de koorts, ik weet dat het tijd zal kosten te herstellen.

Gisteren strompelde ik door een besneeuwd landschap. Voor het eerst op weekend met de Man. Amper anderhalve kilometer was een inspanning die ik niet redde, dus haalde hij de auto, bracht me naar het hotel, stopte me in bed, gunde me rust.

Ik hou van de manier waarop hij de dingen doet. Niets uitvergroot. In het verleden had ik moeite moeten doen om iemand als hem te zien. Vandaag, na de jaren met Dirk, zie ik heel goed hoe hij achter de schermen zorg draagt, sturing geeft, doet wat goed is voor het geheel, verstandige en eenvoudige keuzes maakt. En dat alles zonder dat er geprezen moet worden. Geen bloem op zijn kraag, geen pluim in zijn kont.

Hij neemt me telkens weer en telkens meer voor hem in, door zijn vanzelfsprekende engagement, zijn subtiele charme, zijn grapjes. Maar ook door de manier waarop hij met de jongens omgaat. Als een volwassene die betrouwbaar is, de leiding neemt, zorgt, maar ook speelt en geniet. Met zo iemand aan je zijde kan je je met een gerust hart overgeven aan de griep.

Intussen ben ik thuis en mijn maandelijks nachtje kinderloos. Ik ben beter, als in: ik kan mijn hoofd opheffen, ik kan de trap op en af, maar ik ben ook wankel, heb pijn en kan enkel zachte dingen eten. Soep to the rescue!

En de tijd staat stil. Ik ben alleen, niemand roept, huilt, wil wat. Niets moet. Ik kan mezelf voelen. Ik genees en ik laad op. Ik denk aan de voorbije frustrerende maanden waarin ongeveer alles tegen zat. Het is zo vervelend vooruit te willen en door zieke kinderen of gebrek aan energie of een babysit die afzegt aan handen en voeten gebonden te zijn en geen millimeter vooruit te komen. De berg van dingen die ik moet doen, groeit gestaag. En ik ben machteloos. Om in te halen, zou ik een opstoot van energie moeten hebben en minstens drie weken waarin alles perfect verloopt en er niets onverwachts gebeurt. De noden van mijn kinderen vreten mijn welzijn, mijn vermogens, mijn ambities op.

Maar de griep, de Man en het alleen zijn hebben de energie uit de paniek gehaald. De avond valt. Het huis is stil. Ik heb tijd en mentale ruimte. En vertrouwen. Vanaf nu zal het wel beter gaan. En zelfs als dat niet zo is, hoef ik het toch niet meer alleen te doen.

 

 

 

Advertenties

Ver weg

Dit stukje is geschreven in de winter. Ik besluit het na een gesprek met andere single moms te laten staan. Ik heb zelf geen troost of tips nodig, intussen is de situatie opgelost. Maar ik vind het nog wel een beetje mijn taak te getuigen van de onderbelichte zorgen van de ouder die er alleen voor staat met onze huidige maatschappelijke structuren, eisen en organisatie. Laten we alsjeblief een wereld creëren waarin deze wanhoop en uitputting niet meer nodig zijn! In Amsterdam zag ik laatst een soort huis voor alleenstaande ouders, waar ze kunnen verbinden. Blijkt in Nederland wel meer te bestaan. Mooi! Maar ik wil zo graag een samenleving waarin dit soort huizen en netwerken overbodig worden.

{Winter}

Het gaat niet al te best. Om eerlijk te zijn.

Het is winter. Het vriest. Het is koud.

De kleine zoon is ziek. Alweer weken. Of maanden. Hij gaat meer niet dan wel naar school. Hij is vermagerd en verzwakt. Deze week zat ik met hem in het ziekenhuis en werd hij in twee armen geprikt. Ik moest hem tegenhouden terwijl de druppels bloed in het buisje vielen. Ik probeerde wanhopig zijn aandacht naar het beduimelde boekje van Sneeuwwitje te verplaatsen.

Ik ben totaal out of control. Ik heb twee banen, een huishouden, twee kinderen, vier babysits en een lief. Ik krijg het niet meer geregeld. Mijn babysits laten het afweten. Voor mijn twee banen kom ik op vijf dagen tijd aan vijf werkuren. Vijf. Alles hoopt zich op. Ik ben in de vreemde combinatie van wilde paniek en totale uitputting.

Elke dag kijk ik uit naar de avond. Want dan drink ik drie koffies en neem ik een pilletje en kan ik vier uur werken. Of vijf! En het huishouden aan de kant! En de kleedjes en een brooddoosje voor morgen klaar!
Maar als ze dan eindelijk in bed liggen, ben ik leeg en op en moe en huil ik op de bank en ga dan slapen. Morgen beter, dacht ik een aantal avonden op rij. Nu denk ik zelfs dat niet meer.

De nachten breng ik door met teentjes in mijn neus. Twee kinderen die langs beide kanten zo dicht mogelijk willen liggen. Medicatie toedienen om drie uur of om vijf uur. Bekertjes water halen, slaapdronken. Eén keer, twee keer, drie keer per kind per nacht. Ik snak naar privacy, naar even niet ten dienste staan van. Ik wil alles en iedereen van me afmeppen, en weglopen. Ik ben zo oververzadigd van fysieke nabijheid. Ik wil alleen zijn, alleen, alleen. Ik wil gerust gelaten worden. Ik wil mezelf voelen. Ik wil voelen of er nog een mezelf bestaat.

Ik vind het ouderschap onmenselijk. Er blijft niets meer van me over. Ik ben iemand geworden die altijd moe is en geen energie en moed meer heeft. Ik ben iemand geworden die zeurt. Ik ben iemand geworden die geen afspraken meer nakomt, de boel laat versloffen, geen telefoontjes meer beantwoordt, geen mails leest, geen deadlines haalt. Ik heb een enorme drive voor mijn werk, om aan mezelf te werken, om dingen te lezen, doen, uit te zoeken die me boeien. Maar ik ben aan handen en voeten vastgebonden en ik ben woest gefrustreerd. Of ik volgende week naar kantoor kom? Wie zal het zeggen. Of ik nog eens iets ga afwerken? Wie weet. Ik ben zo kwaad, ik voel me vermorzeld.

Het werd tijd dat ik de berg eens te lijf kon gaan, maar in deze lege dagen met het zieke kind en de hele zooi, groeit de berg alleen maar. De berg met spullen, met taken, met mails, met verwaarloosde vrienden, met ongeopende post. Noem het maar. En ik? Ik word steeds kleiner. Alsmaar kleiner en kleiner. En ik krijg een hekel aan mezelf, want ik ben noch een lieve moeder, noch een fijn lief, noch een betrouwbare werknemer, noch een attente vriend. Ik ben niets meer van wat ik wil zijn.

Soms doe ik een poging om de berg te lijf te gaan. Dan maak ik plannen en voornemens. Maar de energie ontbreekt om ze uit te voeren en dan belanden de plannen en voornemens op de berg, bij al de rest. Nog meer mislukking. Plannen. Het is al niet mijn sterkste kant, maar het is ook zinloos. Elk plan dat ik de voorbije jaren heb gemaakt is gesneuveld door een ziek kind, een woedebui van een kind, een gebrek aan energie, een file, een idiote ex, … Leve de bullet journals, productiviteitsapps, zelfhulpboeken. Maar die zijn niet voor alleenstaande ouders gemaakt. Elke keer als ik weer een app heb geïnstalleerd waarmee het nu toch echt moet lukken, of een boek heb gelezen dat ik ga toepassen, voel ik me nog ellendiger omdat ik er weer niet in slaag.

Ik zie andere mensen. Met energie en levenslust en plannen en verwezenlijkingen. Ik heb een stapel boeken klaar gelegd die ik wil lezen om mezelf te voeden. Ik heb takenlijstjes. Ik heb schriftjes vol plannen en ideeën. Ik heb voornemens, soms nog een keer.

Als tip lees ik ergens elke avond het meest waardevolle moment van de dag te benoemen. Retrospectief leg ik mijn vinger elke keer op een moment met of van de jongens. Maar in de momenten zelf zijn mijn benen slap, voel ik me belabberd en wil ik alleen maar weg. Ver weg.

 

 

Niets

Femma is een eigentijdse en eigenzinnige vrouwenorganisatie met een duidelijke visie op mens & samenleving. Femma praat mee over wat vrouwen vandaag denken, voelen & beleven. Femma verdedigt de belangen van vrouwen met minder kansen en in het bijzonder alleenstaande vrouwen. De organisatie ijvert voor emancipatie van vrouwen en gendergelijkheid, o.a. via het informeren en sensibiliseren van vrouwen, beleidsmakers en andere actoren.

Onderstaand stukje is geschreven voor Femma en verschenen op hun website.
Meer over Femma? Neem hier een kijkje!

‘Het was niets.’

Het is een zinnetje dat je bijna zonder nadenken antwoordt als iemand je bedankt. En vaak is het ook niets. Omdat je mensen meestal helpt met iets waar je zelf niet zo ongelooflijk veel moeite voor moet doen. Laatst hielp ik iemand met de voorbereiding van een studiedag. Ik schud het zonder veel moeite uit mijn mouw, maar voor de persoon in kwestie was het een wereld van verschil. Ik verbeterde wat tekstjes van een collega. Voor mij was het niets, voor haar een oplossing voor een probleem waarmee ze zat. Grappig toch dat je een verschil kan maken met iets dat als niets voelt.

Ik vind het zelf nog steeds jammer dat ik de voorbije jaren niet vaak in staat ben geweest om iets voor anderen te doen. Een keer hulp nodig hebben is niet zo erg, maar als alleenstaande mama had ik de voorbije jaren meer hulp nodig dan ik zelf prettig vond. Andere mama’s hebben mijn kinderen ingestopt en klaar gemaakt voor school. Er werden tassen vol kleedjes gebracht. Er kwam wel eens een kaartje of een pakje met de post. Ik werd enkele keren thuis gebracht van een uitstapje in mijn pre-rijbewijstijdperk, waardoor ik geen wereldreis met het openbaar vervoer met mijn kinderen moest maken. Een lezer van mijn blog stortte me een tijd lang een maandelijks bedragje waar ik schuldgevoelvrij babysit kon nemen om eens iets voor mezelf te gaan doen en op vakantie kregen we ook eens een geschenkje uit de hemel. Vriendinnen kwamen eens aanzetten met een verwentas, waarin naast lekkers ook leuke leesvoer zat. Ik heb potten vol met-liefde-gemaakte confituur geconsumeerd en mijn kinderen slapen onder lakentjes en eten uit bordjes van vier andere leuke jongens die er wat te groot voor geworden zijn.

Random acts of kindness zijn een hype. Je doet iets liefs voor een willekeurig ander persoon, zoals je paraplu delen of een koffie betalen voor de volgende klant in een koffiebarretje. Leuk concept, maar ik besluit voor mezelf om de random weg te laten en aan acts of kindness te gaan doen. Met mijn ene been sta ik nog in het alleenstaande mama-bestaan, waar ik nog steeds in mijn upje een huishouden run, de rekeningen betaal (vloekend omdat de wasmachine het begeven heeft) en jonglerend werk en gezin in evenwicht probeer te houden. Met mijn andere been sta ik in een toekomst die langzaam vorm krijgt, waarin ik (zoals het er nu naar uit ziet) een mevrouw zal zijn met een leuke meneer in een mooie stad. Zo’n mevrouw die niet elke dag moet gaan werken, leuke uitstapjes kan maken met haar leuk stelletje kindertjes, naar de yoga gaat en uit eten kan met de leuke meneer.

Natuurlijk kan ik besluiten goede doelen te steunen, maar ik hoop dat ik enkele dingen kan doen die anderen ook voor mij hebben gedaan de voorbije jaren. Iets dat voor een ander een verschilletje kan maken. Hoe klein ook. En dat ik dan achteloos kan zeggen: ‘Het was niets.’

P.s. Doe je mee? Enkele aanknopingspunten:
– Geef dat drukbezette ouderpaar in je familie een kinderloos middagje cadeau door de kinderen eens mee uit te nemen.
– Sponsor een single parent voor ijsjes op vakantie of voor een maandelijks babysitmoment.
– Maak eens een verwentas voor de buurvrouw, je zus, wie het ook nodig heeft. Denk aan lekkers, een leuk tijdschrift, …
– Een ovenschotel is niet enkel welkom als kraamkost, maar ook als alleenstaande ouder-kost, overleef-je-drukke-week-kost of chaos-met-een-ziek-kind-kost.
– Ruil de strijkmand van je zoon/dochter eens met twee filmtickets die je hem/haar geeft.

 

This place is a shelter

Het was een omstreden blog om te delen, deze. De reacties druppelden binnen en gaven me een gevoel dat ik niet meer op deze plek wou zijn. Deze plek, mijn blog. Ik liet het even voor wat het was. Wrang gevoel.

Ik hoef me niet te verdedigen.

Het is makkelijk iets dat je niet kent in een categorie te plaatsen en er allerlei oordelen aan te knopen. Goed bedoeld, vast. Maar how eens even.

Ik ben geen willoos iemand die zich zeer heeft laten beetnemen door een foute man die me helemaal naar beneden trekt. Hoe komen jullie erbij? En hoe durf je zoiets te zeggen?

Ik ben erg moe en verdrietig geweest door een miskraam die volgde op jaren die te veel van me gevraagd hebben. Er zijn maanden geweest van me niet goed voelen, fysiek en mentaal. Ik ben een labyrint in gegaan, naar de kern gelopen met veel omwegen. Hoe dichter bij de kern, hoe lichter het werd. Dat licht heb ik mee naar buiten genomen. (Nee, dit is geen metafoor voor drugs gebruiken maar voor de weg die je aflegt in een bepaalde periode van je leven.) Intussen ben ik aan de uitgang en het gaat goed. Ik heb grote besluiten genomen, ik heb een liefdevolle, warme relatie met een goede man. Mijn kinderen zitten helemaal goed in hun velletjes en genieten van het contact met hem. We engageren ons naar elkaar toe. We praten, veel. We kiezen voor elkaar. Hij laat me heel, hij kijkt waar hij me kan helpen of steunen. En ik ben tegelijkertijd wijs en kalm en dartel.

In die periode hebben we twee keer mdma gebruikt. Op een moment dat de kinderen er niet waren. Op een moment dat we de volgende dag niet moesten werken. Met mandarijntjes en water bij ons. (Dus niet met andere medicatie en ook niet met alcohol.) Het is voor mij als het gebruik van ayahuasca, waar ik over gelezen heb en waar ik zelf geen ervaring mee heb. Niet iets dat je elke dag doet, laat staat elke week of elke maand. Een therapeutisch iets. Ik verzet behoorlijk wat werk als ik in die ervaring ben, en dat hoef ik niet te vaak te doen want het is intens. Ik weet waar het spul ligt, en ik heb geen enkele neiging (ook hij niet) om het te gebruiken. Ik verlang er niet naar, ik snak er niet naar. Ik ben op geen enkele manier verslaafd. Het is ook niet verslavend. Het is een middel dat we twee keer gebruikt hebben, niet misbruikt. Ik weet niet of en wanneer we het nog eens doen. We zullen wel zien, doesn’t matter.

Het is een middel dat door therapeuten (experimenteel) gebruikt is om mensen met ernstige trauma’s te helpen. (Ook slachtoffers van de holocaust/shoah bleken in de jaren na de oorlog baat te hebben bij therapie met lsd tot op zekere hoogte.) Doordat je mildheid en compassie ervaart en minder last hebt van angst, kan je dichter komen bij wat pijn doet en dat helen. Ik zie zelf geen enkele link met partydrugs, tieners die wiet roken, heroïne spuiten of wathever.

Ik ben heel en ok. Ik ben niet (en was nooit!) willoos. Ik ben niet meer gevoelig voor manipulatie. Ik ben sterk en heel. Ik heb een fijne, mooie, compassievolle man, die me liefheeft en waardeert, zoals ik hem. De kinderen floreren erbij. De laatste woedebui is hier intussen alweer maanden geleden. En ik ben voldaan door het leven met mijn mannen, door simpele dingen als naar zee fietsen en samen eten en met M. een kopje thee drinken op de bank nadat we de kinderen in bed hebben gestopt. Ik ben gezonder en sterker dan ik vroeger was.

En ik wens iedereen een open mind toe. Natuurlijk is niet alles zomaar goed. Maar er is zo veel grijs tussen het zwart en het wit. In dit geval is er een hemelsbreed verschil tussen gebruik en misbruik. Dingen in een categorie plaatsen en daar allerlei clichés en oordelen aan koppelen is zo jammer. Ik heb authentiek een heel bijzondere ervaring gedeeld die zonder meer goed was. Dat is alles. Calm down en laat deze plek een shelter blijven. Een plek waar alle tinten grijs mogen bestaan. Een plek van nuance en echte verhalen.

 

 

Trage dagen

Ik heb trage dagen nodig. Hoewel ik me tegen mezelf verzet daarin. Het is niet handig, het is niet praktisch. Behalve als ik alleen zou leven. Dan leiden de trage dagen tot gedachten, tot diep werk, tot creatie.

Maar ik leef niet alleen. Hoe romantisch sommigen ook over kinderen kunnen schrijven, de dagen met kinderen zijn niet traag en zelden uitgepuurd schoon. Ik zit op het grote bed en wil alleen maar even zitten en nadenken. Beneden hoor ik hen ruzie maken en schreeuwen. Ik wil even fijn douchen. Beneden hoor ik iets sneuvelen. Ik blader door de krant aan tafel. De oudste geeft de jongste een schop omdat hij iets fout deed, en ik niet reageerde.

Het gaat zo tegen mijn natuur in. In plaats van uit mijn schulp te komen, wat de situatie van mij vraagt, kruip ik alleen maar dieper. Ik verlang naar cocon, naar rust, naar stilte, naar een positieve energie, naar lezen, naar schrijven, naar ruimte in mijn hoofd om te denken. Ik heb een schrijnend tekort van jaren aan ruimte in mijn hoofd. Stilte. Traagheid.

Soms stem ik me af of hun tempo. Dan lukt het me, om vier keer het pontje over het IJ te nemen omdat ze dat willen. Om rustig te zoeken welke tram ze het leukste vinden. Om elke roltrap op onze weg op en af te gaan. Hun tempo. Hun dingen. Dat is mooi. Het schuurt dan minder. Maar mijn eigen honger is er niet mee gestild. Pun intented.

We zijn anderhalve week bij de Man. De eerste week doen we meer dan het voorbije half jaar. De Man blijkt ondernemend, mijn kinderen ook. Dus we wandelen door sprookjesparken, we zwemmen, we drinken koffie, we zien theater, we waaien uit in de duinen, en we kijken film met zijn allen op de bank.

Op het einde van de week ben ik gesloopt. Zo veel en zo veel samen. Maar ik ben ook heel dankbaar.

Na anderhalve week, bijna twee weken, zijn we weer thuis. Met drie. De eerste avond is al meteen een race, met twee overspannen kinderen, een opvoedingsondersteunster, geen eten in huis, janken, tranen. Name it. Vervolgens krijg ik het niet georganiseerd om opvang te vinden om naar mijn  werk te kunnen. Op enkele uren druipt alle opgebouwde energie van de afgelopen anderhalve week waarin ik niet alleen was, waarin we het samen deden, waarin ik niet hier was, waarin alles beter ging, weg. Ik realiseer me stomverbaasd dat ik al drie jaar het onmogelijke heb gedaan, met een ijzersterke garantie op schuldgevoel. Geen opvang vinden? Schuldgevoel naar werk toe. Gaan werken? Schuldgevoel naar thuis toe. Voor het eerst ben ik wat milder. Hoezo, ik had ook nog elke dag yoga moeten doen, het aanrecht schoon houden, vijf kilo afvallen, mails beantwoorden en mijn werk af hebben? Haha.

Van mijn werkgever moet ik een soort programma volgen. Een training. Omdat ik er even doorheen ging. Ik geloof er zelf niet in. Soms moeten de omstandigheden veranderen, waardoor je zelf ruimte krijgt om beter en anders te worden. Ik heb veerkracht opgebouwd. Misschien meer dan de jonge psychologe die me gaat vertellen dat ik positief moet denken en grenzen moet trekken. Daar ligt het niet aan. Als het daar aan lag, had ik het kunnen redden. Je kan iemand niet trainen om het onmogelijke te doen. Ik geloof best dat er single moms zijn die het goed doen, met twee kinderen. Maar ik niet, niet met deze kinderen, deze ex, deze combinatie van werk en gezin, dit energieniveau, dit beperkt netwerk, deze financiële situatie en mijn eigen persoon die een cocon nodig heeft en veiligheid en alleen zijn en rust.

I don’t belong here anymore. Ik ben klaar met alles alleen doen. Met de jaren van de lege bankrekening, van de eeuwigdurende stress, van pijn, van vermoeidheid, van conflict. De maanden die ik nodig heb om de overstap te maken, zijn er te veel aan. Alsof het niet meer kan, uithouden wat ik al drie jaar doe, voor die laatste maanden. Alsof ik niet meer weet hoe ik moet zwemmen nu de kust in zicht is.

Daar zal ik het lef moeten hebben een kamer in te palmen en er een cocon van te maken. Ik weet dat het geen rozengeur en maneschijn zal zijn. Er zal nog steeds vermoeidheid zijn, ik zal in een vreemde omgeving zijn, we zullen moeten wennen, aanpassen, veranderen, en de relatie met de Man zal ook het nodige onderhoud vragen.

Hij is geen reddingsboei. Hij is gewoon de juiste man op het juiste moment. Hij is verstandig, rustig, houdt het overzicht. Ik verbind me met hem, want dat heeft hij nodig denk ik. Verbinding. Hij heeft de plek, wij vullen de ruimte die anders een leegte is. We voegen de middelen samen. Niet letterlijk, maar figuurlijk. Samen hebben we voldoende tijd, zorg, geld, energie om het te laten werken. Fingers crossed.

 

 

Heel

[Winter]

Ik ben helemaal opgefokt. Mijn plannen veranderen, niet één keer, maar tien keer. Op een gegeven moment zit ik dan toch in de auto, rijd ik naar M. toe en voel ik me in stukken gescheurd. Ik luister een podcast over een vrouw die een zware periode van duisternis beschrijft en ik herken elk gevoel. Ben ik gek, word ik gek, krijg ik mezelf nog eens op de rails?

Zware jaren + nieuw geluk + verandering + een miskraam = ik wankeler dan ooit. Ik slinger. Ik kan niet werken, ik kan niet denken. Ik kan niet rusten. Ik ben opgefokt.

Bij M. Zal ik eerlijk zijn of doen alsof het goed gaat? Soms helpt het je normaal te gedragen, dan gaat het na een tijdje ook zo voelen. We gaan (alweer) uit eten. Hij zegt me dat hij niet snapt dat ik enerzijds zo wijs ben en anderzijds zo in de knoop met mezelf. Hij vraagt me waarom het me niet lukt gewoon te accepteren dat ik nu even wat moet rusten. Waarom ga ik daar zo van overkop?

Ik ben bang dat ik stuk ben. Ik ben bang dat ik verscheurd ben. Ik moet zo vaak dingen doen die niet kloppen. Dubbellevens opzetten. Ik heb dingen verborgen gehouden voor Dirk omwille van mijn veiligheid, maar dat gaf me veel stress. Ik heb een masker gedragen op het werk maar de kloof tussen mijn professionele en mijn echte ik voelde schizofreen. Soms hadden mijn buitenkant en functioneren niets meer met mijn binnenkant te maken. Volstrekt losgekoppeld. En er is Dirk. Ik weet dat Dirk gevaarlijk is. Hij is zielsdood en parasiteert op levende zielen om in leven te blijven. Dat hij tijdens mijn autorit in de schoolvoorstelling van de kleine zoon zit, en hem meeneemt naar huis maakt me bang. Wat doe ik hier, ver weg? Hoe kan ik wat mij zo lief is toevertrouwen aan iemand waarvan ik zeker ben dat die niets goeds te geven  heeft?

We komen thuis. M. stelt voor dat we mdma gebruiken. Ik twijfel. Ik ben zo labiel. Ik heb nooit gerookt, nooit gedronken. Het past niet bij me. Maar het intrigeert me. En ik zit toch op een soort dieptepunt. Dus wat maakt het uit? Ik lik het spul op. Voor de smaak moet je het niet doen.

De uren die volgen zijn magisch en helen me. Ik praat en praat en praat, ik zeg alles tien keer. Ik ben roezig blij en hyperhelder. Ik kijk en ik zie. Ik heb visioenen. Die maken me heel.

M. en ik kijken elkaar aan. Hij is zo zacht en zo mooi en zo nieuw als een kind. Dat zeg ik, telkens opnieuw. Hij kijkt me aan en zegt me dat ik zo ontspannen ben. Dat ik zo mooi ben zonder die vermoeidheid, zonder dat ik getekend ben door zorgen en pijn. Ik voel hoe mijn middenrif vrij wordt en de spieren rond mijn bekken zich ontspannen. Ik ben vrij van pijn. M. staat op en ik zie hoe anders hij beweegt, vloeiend. Ontspannen. We nemen foto’s van elkaar omdat ze zo verrukt zijn de ander in deze staat te zien. De dag daarop kijk ik verwonderd naar mijn ontspannen, zelfbewuste en stralende gezicht. Geen wallen, geen lijnen, geen frons. Het gezicht dat ik op de foto zie, doet me denken aan wie ik als kind van twee, drie moet geweest zijn. Ondeugend en ondernemend. Ik wou dat ik altijd zo stralend kon zijn.

Hij praat en wat hij zegt toont me wie hij is en ik hou van hem, ik hou zo veel van hem. Ik kan hem dingen vragen in liefde en zachtheid en hij geeft me antwoord in liefde en mildheid en niets is nog taboe of pijnlijk. Alles is bespreekbaar.

Ik vraag hem of hij kwaad is dat ik zijn kindje ben verloren. Hij aait me, en zegt ‘nee, nee, dacht je dat dan?’. Ik denk dat hij huilde. Of misschien huilde ik. Ik weet het niet.

Ik vertel hem dingen. Ik vertel hem alles wat uit de plooien van mijn zijn komt. Ik vertel hem voor het eerst over deze plek (mijn blog) en wat het betekent voor me en ik vertel hem over de keren dat Dirk me verkracht had en over toen ik om hulp schreeuwde. Dat ik mijn moeder om hulp geschreeuwd heb, en dat ze nooit kwam. Ik zie mezelf, beschaamd en vol pijn op de trein naar het werk, smekend om hulp die niet komt. En dan helemaal verloren als enige optie gewoon de knop omzetten. Gaan werken. Ik schaamde me zo voor wie ik was en wat mijn leven geworden was. Maar in de roes en de nacht kan ik kijken naar mezelf en zie ik dat ik dapper was en alleen. Ik omarm mezelf met mildheid. De tranen stromen over mijn wangen maar ik voel geen pijn, alleen maar opluchting en liefde en diep besef en inzicht.

Ik zie dingen. Ik zie licht en duisternis. Ik zie dat M. licht is. En gevoelig. En liefdevol. Ik zie dat hij komt als ik om hulp schreeuw. Dat hij veilig is. Dat hij voor ons zorgt. Ik zie dat ik zelf gemaakt ben van heel helder licht. Ik realiseer me dat ik niet stuk ben, alleen maar even heel moe. Ik zie de kinderen en die zijn licht. Ik zie Dirk en die is duister en donker. Ik heb een visioen van M. die op de bank ligt met ons kind op zijn borst en ik weet dat het zijn kind is. Dat ik het draag en koester en ondersteun en voed, maar dat het zijn kind is, dat het hem heel zal maken. Het kind en hij horen bij elkaar en dat is zo mooi. Het is een meisjeskind. Ik vertel M. dat ik met hem trouw. Dat hij mijn man is in goede en kwade dagen. In ziekte en gezondheid. In armoede en rijkdom. Dat ik hem wil liefhebben en waarderen. Alle dagen van mijn leven, tot de dood ons scheidt. Het zijn grote woorden, maar ze voelen klein en oprecht en alles is volstrekt zuiver tussen mij en deze man. Wij die voor elkaar kiezen, ondanks en dankzij alles.

De nacht vliegt voorbij. We vallen in slaap op de bank in de ochtend. De volgende dag heeft hij een leeg gevoel. Mijn hoofd is een krater, maar ik heb gezien dat ik heel ben en ik ben in verbinding geweest met mijn diepste weten en intuïtie. Ik heb mijn sensitiviteit beleefd op een manier die me in mildheid en opperste zachtheid veel gaf en veel toonde.

Ik ben heel. Ik ben gemaakt van helder licht.

[Later: de heelheid houdt aan. Ik ben niet van plan dit vaak te doen, maar ik ben heel blij om deze ervaring.]

 

 

 

De gouden wikkel

Grote broer en ik lezen van Sjakie en de Chocoladefabriek. Sjakie heeft op volledig onwaarschijnlijke manier in een zeer penibele situatie een tientje gevonden onder de sneeuw, daar twee repen chocolade mee gekocht en de vijfde en laatste gouden wikkel bemachtigd die hem uiteindelijk een fucking chocoladefabriek oplevert.

Het is avond. M. en ik brachten de dag door met elkaar en met een vriendin. We ontbeten, bezochten het MAS, dronken koffie.

We gaan vanavond de stad in
En we drinken een glas
Ik zal nooit meer vergeten
Hoe het zonder jou was
Ik leg mijn hart in jouw handen
Dus knijp ze niet dicht
We gaan dwars door de nacht
Naar het ochtendlicht

Het lied van Stef Bos kende ik al lang, maar ik was het vergeten. Tot het vanzelf terug kwam. Want nee, ik zal nooit meer vergeten hoe het zonder hem was. En ja, ik leg mijn hart in zijn handen en dat doe ik sneller en rustiger dan ik voor mogelijk had gehouden. Ik ben zot snel gehecht aan hem. Ik voel me veilig bij M., in de rustige wetenschap dat er gewerkt zal moeten worden. En dat ik ongeveer weet waaraan. Vooral aan mezelf, vrees ik.

Sinds de miskraam ben ik fysiek en mentaal wankel. Meer wankel dan ik mezelf en hem toewens. De pijn danst door mijn gewrichten, op het einde van de dag zijn mijn schouders net staalkabels, mijn onderrug seint pijnsignalen uit en om de haverklap heb ik het gevoel dat mijn benen in spaghetti veranderen en dan moet ik heel hard mijn best doen rechtop te blijven en niet volledig in paniek te geraken. Ik ben emotioneel een soort jojo en reageer onredelijk op ongeveer alles. Het ergert me zelf. Ik hoor hem rustig uitleggen dat ik te lang in een te hoge versnelling heb geleefd en dat de miskraam daar een einde aan gemaakt heeft. Ik wou dat ik zijn exacte woorden kende, want het was helder en logisch en volledig acceptabel. Ik denk dat hij glashelder kijkt en denkt. Dat is uitzonderlijk, maar hij voegt er nog een zeldzame compassie aan toe.

Na de ervaringen uit het verleden ben ik voorzichtiger in relatie. Ik stuur niet meer op scherp. Ik hoed me voor het invullen van wat hij denkt of voelt. Ik probeer hem lief te hebben en te waarderen. Lief te hebben en te waarderen. En dat kan, omdat het veilig is. Het is niet eens erg moeilijk. Het graag zien komt vanzelf, en dat vind ik best lief van mezelf.

We lopen in het MAS. Ik kijk naar hem, en hij ontroert me zo vaak. Een plukje haar aan zijn oor. Zijn geur. Een grapje. Een woord. Een aanraking. Een blik.

Ik kijk naar hem en het voelt heel de tijd alsof ik onverwacht een gouden wikkel vanuit een chocoladereep heb gepeuterd.

Een briefje aan M.

{Winter}

Dag M.,

Erg interessante tekst van Barbara: http://www.dewereldmorgen.be/long-read/2015/10/20/het-verlangen-te-kunnen-omdenken

Voor vanavond.

Hoewel ik zelf niet burn-out ben, ben ik wel aan het vervellen. Door wat was, wat komt, en vreemd genoeg ook door de val van de Kleuter en door de Baby die niet bleef. Die kleine verdomde Baby in haar grafje in je tuin.

Het spijt me dat je me vaak in de mist moet zoeken, zoals gisterenavond.
(Ik vind het zelf ook irritant.)

Maar ik kruip wel door het oog van die naald. Beloofd.

Liefs & kus,

P.

Prinses is niet ziek

Femma is een eigentijdse en eigenzinnige vrouwenorganisatie met een duidelijke visie op mens & samenleving. Femma praat mee over wat vrouwen vandaag denken, voelen & beleven. Femma verdedigt de belangen van vrouwen met minder kansen en in het bijzonder alleenstaande vrouwen. De organisatie ijvert voor emancipatie van vrouwen en gendergelijkheid, o.a. via het informeren en sensibiliseren van vrouwen, beleidsmakers en andere actoren.

Onderstaand stukje is geschreven voor Femma en verschenen op hun website.
Meer over Femma? Neem hier een kijkje!

Prinses is niet ziek

Ik ben niet ziek,’ dacht ik. ‘Misschien ben ik eindelijk weer gezond.’

Na een paar gebeurtenissen die te maken hadden  met mijn gezondheid en die van mijn kinderen, haakte ik niet meer aan op mijn werk zoals het voordien ging. Ik kwam in een periode van twijfel terecht. Maar misschien is bezinning een beter woord. Twee dingen waren duidelijk: ja, ik doe mijn werk met hart en ziel en heb geen intentie daarmee te stoppen. En nee, zoals het tot nu toe ging, doe ik het niet meer. Ik kan het niet meer opbrengen.

Ik kan het niet meer opbrengen om ’s ochtends om vijf uur weg te sluipen van naast die slapende kinderen, om alvast wat voorsprong te nemen op het werk dat gedaan moet worden, nadat ik ’s avonds om 12 uur met een vol hoofd naast de mannetjes gekropen ben.
Ik kan het niet meer opbrengen om elke week weer een onmogelijk puzzel te maken voor opvang van de kinderen. Om bij Jan en alleman hulp te vragen. Wanhopig een reeks zestienjarigen te sms-en om te vragen om kinderen op te halen en op te passen.
Ik kan het niet meer opbrengen in paniek te geraken bij het verschijnen van waterpokken, hoestjes, koorts of wat anders. Om vervolgens koortsachtig oplossingen te beginnen zoeken voor kinderen die ziek zijn en liefst een beetje bij mij op de bank willen liggen.
Ik kan het niet meer opbrengen om mezelf in gang te houden met goed getimede pepdrankjes en shots koffie en/of suiker, om dat document nog af te werken of om die presentatie nog eens voor te bereiden.
Ik kan het niet meer opbrengen tijd te besteden aan twintig e-mails van collega’s die in volledige democratie een beslissing willen nemen over een activiteit voor een personeelsuitje. Al die zinloze dingen waar we ons in verliezen en wat ons tijd en energie kost die we aan onszelf of onze geliefden kunnen besteden.

Als je niet meer meedoet, kom je heel snel in een soort mallemolen terecht. De huisdokter wil je dan regelmatig zien en stelt meteen een doosje antidepressiva voor (nee, dankje). Je moet naar de bedrijfsarts en je baas belt op vaste tijdstippen om te vragen hoe het gaat. Iedereen lijkt er op gericht je zo snel mogelijk op te lappen zodat alles weer het oude wordt.

Ik kwam deeltijds in ziekteverlof terecht, en toen dacht ik het: ik ben helemaal niet ziek. Ik ben net eindelijk wat gezonder geworden. Het gezond verstand wint het van de waanzin. Het respect voor mijn grenzen en die van mijn gezin wint het van de absurditeit. Want zelfs als ik geen alleenstaande moeder (met intussen een uitstekend doch niet inwonend lief) was, zou ik aan dit tempo tegen de muur knallen. Ik zou dan ook geen zeventig mails per dag naar behoren kunnen verwerken, naast al het andere dat verwacht wordt. Ik zou dan ook niet ’s ochtends om 9 uur op een vergadering kunnen zitten na een lange reistijd en ’s avonds om 21 uur nog voor een groep staan en een goede presentatie houden.

Nou. Ik ben alvast genezen. Nu mijn huisdokter, baas en collega’s nog besmetten.

De giraf en de jakhals

[Winter]

M. en ik hebben ruzie. En ik blijf kalm.

Op zo’n momenten denk ik dat ik liever geen relatie wil. Dan kruip ik liefst weg in een dikke trui onder de lakens. Verstopt. Laat me hier maar, laat me maar mijn leven zoals het was. Liever geen pijn zelfs als dat betekent dat er ook geen vreugde is.

Dat voel ik, maar dat zeg en doe ik niet meer.

Als ik iets heb gedaan wat bedreigend is voor M., in dit geval een keuze van hem in twijfel getrokken, wordt hij verbaal agressief. Hij scheldt niet, maar met enkele welgemikte opmerkingen valt hij aan. Het vervelende is dat de opmerkingen aan me blijven kleven. Maar ik hap niet meer terug. Ik probeer verbindend te communiceren. Niet jij tegenover ik. Ik probeer een giraf te zijn.

In de verbindende communicatie wordt het beeld van de jakhals en de giraf gebruikt. De jakhals bijt. De giraf stijgt er bovenuit, en heeft een enorm hart. Dat betekent niet dat de giraf zich maar wat laat doen, maar wel dat de giraf niet primair reageert op wat er gezegd wordt en op wat er gebeurt. De giraf probeert niet te oordelen, en te reageren op de behoefte die onder de stekelige woorden van de ander liggen.

Het leven met Dirk was er een met ups en downs, waar ik genadeloos in mee gesleept werd. Het was onveilig, destructief en schadelijk.

Het leven zonder de ups en downs is een pak veiliger maar ook erg rustig. Als je een relatie met hoge toppen en diepe dalen gewend bent met een soort oerman waar je nooit van wist hoe het uur dat volgde zou verlopen, is het best aanpassen om een beetje een voorspelbare man met structuur en regelmaat te hebben. Eentje die niet geïnteresseerd is in die hoge toppen en diepe dalen, maar het een beetje redelijk wil houden.

Met Dirk kon elk moment een diepe imprint maken in mijn ziel. Zowel in de zin van schade als in de zin van gevoel. Een kopje koffie met hem drinken op de stoep op een zomeravond kon een zeer intense zintuiglijke ervaring zijn. Dat mis ik wel eens.

Maar deze relatie nodigt me ook uit om volwassen te zijn. Ik voel aan dat er veiligheid is. Een basis. Ik kies voor jou, jij kiest voor mij. Niet op basis van een droombeeld of leugens of een masker, maar gewoon. Jij zoals ik kan zien hoe jij bent, ik zoals jij kan zien hoe jij bent. Ik weet nu al waar ik de komende jaren waarschijnlijk tegenaan ga lopen met M., maar ik apprecieer hem ook zoals hij is en om wie hij is.

Elkaar liefhebben en waarderen. Wat een ideaal. Vooral omdat je met jezelf moet dealen. Ik heb het vaak lastiger met mezelf dan met M. Hoe kan hij bij me zijn als ik zo in de knoop zit, vaak in een soort roetsjbaan met ups en downs beland met mezelf? Misschien neem ik mezelf het meest kwalijk dat ik ‘ok’ was toen ik de relatie aan ging en er ook van overtuigd was dat ik in mijn kracht stond en wat te geven had. Alles wat daarna kwam heeft me een genadeloze tik verkocht. Ik ben al weken zoekend en scharrelend, laverend tussen allerlei onvoorziene mogelijkheden waar ik niet mee kan omgaan en de gevolgen van jarenlang auto-verraad die ik moet oplossen en dan is er nog dat verdriet om het kind dat wegdroop uit mijn lijf en waar ik elke dag aan denk maar waar zo weinig over te zeggen valt. Onnozel hoeveel troost er kan zitten in een brandend kaarsje op een grafje doorheen een donkere nacht.

In deze relatie wil ik een giraf zijn.