Wachten

304ACBC3-9961-4D69-8D52-CA086579B779

De stilte hier betekent niet dat ik gelukzalig met de twee dametjes in bed lig. Of misschien wel, maar dan niet gelukzalig en ze zijn nog niet geboren.

Om hier wat informatie te voorzien zal ik af en toe een foto posten en iets vertellen, hoewel er dus niets te vertellen valt.

As we speak is de situatie dat ik ongewassen (douchen kost veel moeite, ik doe het straks nog wel), met een legging aan en een draagdoek rond mijn bekken geknoopt om het allemaal wat samen te houden, mijn dag vul met rusten. Een kwalijk ongelukje (uitgeschoven toen ik toch nog zelf eens een brood ging halen) zorgde er voor dat ik nog meer in de sukkelstraat terecht ben gekomen. Mijn bekken is namelijk behoorlijk verrokken en de trap op en af is plots nog moeilijker, net als mezelf omdraaien in bed, in bed gaan liggen of uit bed komen. De dag van de uitschuiver was trouwens een pechdag, want ik heb die dag ook een schaal uit mijn (al geruime tijd gevoelloze) handen laten vallen, met als resultaat dat mijn handen bloedden, het bloed alle kanten uit spatte, de grond vol glas lag en ik daar ook nog eens ingetrapt ben omdat ik het niet kon opruimen. Waardoor niet alleen het aanrecht, maar ook de houten vloer vol bloedvegen kwam te zitten. Spannend, jong. Zo alleen thuis zijn en hoogzwanger.

Eergisteren kwam het cadeautje dat je op de foto van zien, van één van de meterkes van de meisjes. Zelf gemaakt. Het concept ‘meter- en peterschap’ was trouwens voor mijn Man-van-boven-de-rivieren behoorlijk onbekend, dus ik heb hem een en ander kunnen vertellen over de eer die het meterschap inhoudt. Er zijn nog meer verschillen bij de geboorte van een kind. In Nederland is een geboortelijst leggen blijkbaar niet heel erg in (was ik overigens ook niet van plan) en het concept doopsuiker is ook niet uit te leggen aan mijn extreem nuchtere Nederlandse Man. Ik bedoel maar: je geeft geld uit en/of knutselt om suikerbonen te verpakken en die cadeau te geven aan bezoek?! Beschuit met muisjes zal het hier worden. Maar dan misschien cupcakes met muisjes, omdat zelfs mijn extreem nuchtere Man van-boven-de-rivieren niet van beschuit houdt.

Aan de meter in kwestie: duizend maal dank met hartjes. Al dat moois zit in het koffertje voor het ziekenhuis, want wat is mooier om aan te trekken dan iets dat met liefde gemaakt is? Ik hoop dat het gaat passen. Kan me niet voorstellen dat de kindjes zooo klein zullen zijn, als ik naar mijn buik kijk.

 

 

 

Advertenties

Nog eens in beeld

 

Ad 1. De buik is nu een tafeltje op zichzelf. Omdat weinig leuke dingen nog haalbaar zijn, is eten wel eens een troost. Meet chocomousse en sorbet. En een familieverpakking rennies natuurlijk voor na die zoete zondes. Ik heb intussen een apart bed op de babykamer, waar een soort van stelling van kussens gebouwd is, zodat ik enigszins comfortabel kan liggen. Het was bedoeld als overdag-bed, maar omdat ik de Man ’s nachts stoor met mijn wakker-liggen, lig ik daar nu ook ’s nachts. Hoe voelt enerzijds als een nest waar de slapeloze nachten minder eng zijn. En anderzijds maak ik me ook weer zorgen wat er van mij en de Man overblijft als ik nu ook nog apart slaap. Anyway. De iPad is een bron van vertier. Hoe deden mensen in de middelleeuwen dat, rusten zonder afleiding? Ik lees blogs, bekijk instagram-accounts, gebruik de NPO-app en Netflix.

Ad 2. Ik kreeg dit lieve boekje toegestuurd. De Prinses op de Erwt, die niet kan slapen door haar gevoeligheid en de erwt onder haar matras. ’s Ochtends zit te prinses huilend op haar berg kussens. ‘Zo gevoelig kon alleen een echte prinses zijn.’ Ik glimlach. Van niet slapen word je echt knettergek kan ik intussen uit ervaring vertellen. Ik denk dat ik blij mag zijn dat ik in dat knettergekke vooral heel passief ben. Ik kan en wil bijna niets meer. Lusteloosheid troef. (En nee, daar ben ik niet erg trots op.) Ik denk dat een scenario waarin ik gekke dingen zou beginnen doen, nog minder zou zijn. De psychiater staat klaar met een -pammetje (oxazepam of diazepam) als ik ja zeg, maar ik blijf koppig volhouden dat het niet goed is voor de baby’s en dat het echt de laatste weken zijn.
Op het eind van het boekje trouwt de prins met de prinses. Ik hoop maar voor haar dat daar geen tweeling van komt.

Ad 3. Controle bij 33 weken. De baby’s hebben de twee-kilo-grens overschreden! Iedereen happy happy. Complimentjes alom, omdat ze het beiden nog steeds op het niveau van een éénling doen (ook daar heb ik weinig verdienste aan – ik heb gewoon geluk en ik lig heel de dag lusteloos te zijn, helpt vast ook). Als het enigszins kan, hoop ik dat ik ze ergens tussen 36 en 37 weken aflever (en niet later, baby’s, echt niet veel later). Soms is dat even spannend. Er zijn momenten met voorweeën waar ik kreunend van over de bank hang. ’s Avonds heb ik één langgerekte harde buik. 33 weken lijkt goed, maar als ik dit lees ben ik toch weer heel bewust van het feit dat bevallen zou betekenen dat ik na een paar dagen zonder baby’s thuis zit. En dat is iets dat ik nog minder graag wil dan nog drie weken zwanger zijn. Benen toe houden, zegt de Man. En dan grapt hij er achter aan dat ik dat al die maanden geleden misschien ook beter had gedaan. Om vervolgens te vragen of ik het nog steeds gewild zou hebben als ik op voorhand wist hoe slecht het met mij zou gaan. En eerlijk gezegd? Op dat moment dacht ik: nee, ik zou het nooit meer durven. Weer een huilbui later besef ik dat ik daar radicaal anders over ga denken als de baby’s er zijn.

Ad 4. De baby’s. Aan mijn nest-bed heb ik twee jurkjes gehangen, die ik ook ’s nachts bij het licht van de straat kan zien. Kwestie van perspectief houden. Wordt vervolgd.

 

 

Intussen

Intussen tel ik de dagen af. Nog 24 denk ik. Of minder. Of meer. Ik kan er me niets bij voorstellen, ondanks alle voorbereidingen, de bewegingen van de meisjes, en bevallingsfilmpjes die ik stiekem (en meestal luid snikkend) kijk. (Echt jong, een porno-verslaving is waarschijnlijk gezonder.) En ik kijk hier en hier en hier af hoe het zou kunnen zijn.

Intussen heb ik een lijstje gemaakt van wat ik nog moet/wil doen in die 24 dagen. Luiertas, staat er. En jasjes. En kruikjes. En kapper. En nagels. En wees gerust, ook nog wat ‘echte’ dingen. De urgentie heft de stolp wat van de vermoeide dagen vol pijn.

Intussen heb ik misschien wel het slaapmiddel-bij-uitstek gevonden en het heet Jeroen Meus. Ik heb zowaar een nacht geslapen van 10 tot 1 en van 2 tot 5. (Met regelmatig wakker worden maar ook telkens weer inslapen.) Wat was anders dan de andere dagen/nachten? Aha, ik heb een filmpje van Jeroen Meus gekeken. Dagelijkse kost. Frambozenmousse. Blijkbaar kan je daar zoet van in slaap vallen :). Therapeutische dagelijkse kost.

Intussen komen er mensen langs van de crisisdienst om te kijken of ik niet gillend gek word. De vorige keer was ik te moe om te praten en lag ik op de bank. Straks komen ze terug. Eens kijken hoe dat zal gaan. Het breekt de lange dagen. Het heft de stolp wat op. Maar vooral: ik realiseer me door wat ze zeggen dat ik niet ben zoals ik nu ben. Lusteloos, eindeloos moe. Maar dat dat dus de ziekte is. En niet het gebrek aan wilskracht ofzo. En soms, soms durf ik denken aan de persoon die ik hierna (weer) kan zijn. Iemand met interesses en goesting en levenslust. En o ja, twee baby’s erbij.

Intussen lees ik over mensen die banen kwijt geraken en baby’s verliezen en ik voel zo veel compassie en vraag me elke keer af wat ik hier zo alweer zit te doen, met alles wat mijn hartje begeert, lusteloos op de bank.

 

 

 

De fuik

Binnen 27 dagen heb ik een afspraak met de baby’s. Ze kunnen ook later komen, maar ik heb ze uitgenodigd op de dag dat de maan vol is. Ze zijn immers ook ontstaan toen de maan vol was, en ik hou van cirkels die rond zijn.

De voorbije week was er geen om over te schrijven, dus ik twijfel of ik het doe of niet. Maar a. het gaat hier over het leven zoals het is, remember? en b. schrijven helpt het ook bij elkaar te puzzelen in mijn eigen hoofd.

Op vrijdag werd ik verwacht bij de poppoli. Het werd een lange zit waarbij de pijn heel snel het gesprek behoorlijk vertroebelde. Toen ik na allerlei vragenlijsten en onderzoekjes bij de psychiater kwam, was de diagnose ‘prenatale depressie’ een feit. Voor alle duidelijkheid: onder invloed van hormonen, pijn en slaaptekort is er iets mis gegaan in mijn hersenen. Het heeft niets te maken met niet blij zijn met de baby’s of ondankbaarheid. [Als ik hier iets van geleerd heb, is het dat het niet helpt om tegen iemand met een depressie te zeggen dat hij/zij maar eens wat leuks moet gaan doen, blij moet zijn met wat hij/zij heeft of dankbaarder in het leven te staan. Dat zijn nu net de dingen die niet lukken, omdat je hoofd gewoon even niet meer meedoet.]

Anyway. Het verbaasde me niets. ‘Die sluier die overal overheen ligt,’ zei de dokter, ‘dat is depressie’. Ja, denk ik. De sluier die over de dagen ligt, waar ik amper doorheen kom omdat ik pijn heb, moe ben, weinig energie heb, me beperkt voel, de slaapkamer mijn actieradius is geworden. En de sluier over de nachten. Jeetje, de nachten. Elke nacht strompel ik een keer naar de bank of het logeerbed om de Man niet wakker te maken. Meestal tussen 1 en 2. Uitzonderlijk een keer om 4 uur. Ik ben dan klaarwakker. Tegen de ochtend komt de slaap weer, maar dan begint de dag. [De voorbije nacht keek ik naar de mooie docu Verlaten op de NPO-app. Ik kijk ook vaak naar Jeroen Meus. Trage tv, mooi, dicht bij het leven.] [ Soms is het alsof mensen van de tv mijn vrienden zijn ofzo. Klinkt ziekelijk, maar als je heel de dag alleen bent en je kijkt naar een serie, heb je om den duur het gevoel dat die personages werkelijker zijn dan die hele wereld buiten de slaapkamer ofzo.]

Het weekend was extreem warm. Mijn voeten en handen zwollen nog meer op, ik voelde me zwaar beroerd. De slaap werd nog minder. Dus op maandag had ik een huilbui om u tegen te zeggen, belde ik het ziekenhuis en vertelde ik dat ik ongerust was (wijzen dat ellendige gevoel en die dikke enkels en handen niet op zwangerschapsvergiftiging?) en reed ik naar daar voor controle. Monitor, allerlei checks. Bloeddruk was laag in plaats van hoog. Baarmoeder was iets te actief, en baarmoederhals iets te ver verstreken.

Anyway. Ik sleepte me naar huis, kroop in bed. De Man kwam terug uit het werk. De telefoon ging. De psychiater van het ziekenhuis vroeg of ze mijn Man mocht spreken. Ik gaf verdwaasd de telefoon door. Het verzoek werd gedaan om me op spoed binnen te brengen. De combinatie van de diagnose op vrijdag en ellende op maandag had wat alarmbelletjes doen rinkelen.

Babysit gezocht, naar het ziekenhuis gereden. En toen werd de fuik opgezet. Ik was somber, toch? (ja) Wanneer had ik nog eens een nacht geslapen? (geen idee) Ik had wel eens wanhoopsgedachten gehad, toch? (ja, in maart – het hielp om te stoppen met werken) Het was fysiek zwaar, toch? (ja, maar 32 weken en twee baby’s zijn daar een prima excuus voor) Wist ik dat prenatale depressie een verraderlijk ziektebeeld is? Door de combinatie van hormonen en slaaptekort zou ik mezelf zomaar iets kunnen aandoen. (tegen die tijd snikte ik al)

Even later werd ik in een rolstoel naar een psychiatrische afdeling gereden. Als ik niet minder uitgeput zou geraken, zou het een drama zijn voor bevallen en kraamtijd. Ik werd in een kamertje gestopt. Er werd op me ingepraat over het nemen van slaapmedicatie. Ik weigerde, dat vonden ze dom. Twee dagen later vond ik op een website van de Nederlandse overheid dat de medicatie die ze me wilden geven absoluut uit den boze is in het derde trimester van een zwangerschap.

Het werd nacht. Ik hoorde andere patiënten huilen in andere kamertjes. Het werd weer dag. Ik werd gewekt, onderzocht en ging ontbijten. Ik zat aan tafel met huilende anorexia-patiënten met buisjes in hun neus, twee verpleegsters aan elke kant om hen te overtuigen een schepje corn flakes te eten.

Weer in bed probeerde ik mijn gedachten op een rijtje te zetten. Het was me duidelijk dat ik hier niet hoorde. Mijn Man was jarig. De omgeving nodigde niet echt uit tot tot rust komen of me beter voelen. Er was wel een heel lieve verpleegster die thee bracht en mijn kussensloopjes ververste omdat het zo warm was.

Na een paar uur zat ik voor een peloton van zes dokters. Dat ik naar huis ging. Dat daar zijn me niet hielp. Er werd gesproken over verraderlijke ziektebeelden en mezelf iets aandoen. Ik kreeg het gevoel dat alles wat ik zei of deed verdraaid kon worden. Als ik bijvoorbeeld vertelde dat ik geen plannen had mezelf iets aan te doen en wel gedachten heb over hoe het gaat zijn als de baby’s er zijn, werd er priemend naar me gekeken alsof ik in ontkenning was.

Anyway. De Man kwam. De dokters hadden een plan. Voor medicatie en hulp thuis. We gingen naar huis. Ik was even verdwaasd als geschrokken.

De volgende dag moesten we naar de psychiater van de crisisdienst. Tegen die tijd was ik kwaad, om drie dingen:

  1. Wie bedenkt het dat een zwangere vrouw (of wie-dan-ook!?) beter wordt in zo een omgeving?
  2. Wie bedenkt het om een slaappil op te dringen (niet genomen) die gevaarlijk is tijdens de zwangerschap?
  3. En wie bedenkt het om medicatie voor te schrijven waar baby’s postnataal afkickverschijnselen van krijgen?

De psychiater van de crisisdienst zei dat hij zich ook niet lekker zou voelen, als hij het huis amper uit kon, elke dag pijn zou hebben en niet zou kunnen slapen. Hij vond het allemaal niet zo vreemd, zei hij.

En nu. Nu komt er om de zoveel dagen iemand langs om te kijken hoe het gaat. We proberen hulp aan te vragen in het huishouden, zodat mijn frustratie van niets-meer-kunnen en heel-de-dag-alleen wat getemperd wordt. Ik probeer onder die sluier uit te komen, zonder pillen. En ik tel de dagen af, tot de geboorte. Uitkijkend naar de baby’s. En naar het achter mij laten van deze tijd waarin ik zo veel kwijt ben geraakt (werk, bijberoep, fysieke en mentale vermogens, zelfvertrouwen, …) en in verwachting ben van zo veel nieuws.