Prinses tipt nog meer podcasts

De hype hoef ik niet meer uit te leggen. En dat ik kan genieten van een goede podcast zo nu en dan weet u ook al.

Bij deze deel ik graag nog eens mijn laatste ontdekkingen, voor lekker lui luisteren deze zomer:

  1. ‘Het Smelt’ van Lize Spit komt integraal uit op podcast. Ik luisterde het eerste gedeelte, goed voor 37 minuten niet erg opbeurend maar erg intrigerend luisteren.
  2. Wel erg opbeurend is ‘De verwarde cavia’ van Paulien Cornelisse. Piepkleine (haha, cavia-kleine) hoofdstukjes over een cavia die troost vindt in haar lade met nietjes. Geniaal.
  3. En ik werd helemaal stil van ‘Mamma en Omma’, een zeer goede documentaire over een geadopteerd meisje, met pertinente vragen over wat dat het is moeder te zijn, dochter te zijn.

Ik luister mijn podcasts in mijn podcast-programma op mijn iPhone. Ik voeg hier telkens een linkje toe, maar je kan de podcasts dus rechtstreeks zoeken, en je abonneren.

Enjoy!

 

 

Advertenties

Prinses wordt verzwolgen door een boek

Het is 20u. Ik heb net mijn werk afgerond, alleen op kantoor, schoenen uitgeschopt, rennend tussen de kopieermachines en de tafel die ik ingepalmd heb. Ik vertrek naar de plek waar ik zal overnachten, realiseer me dat ik nog niet gegeten heb. Tot mijn schande stop ik bij Mc Donalds, die nu eenmaal langs de autosnelweg ligt en ook een vegetarische burger in het aanbod heeft (geen aanrader). Ik mis de kinderen zo hard dat het fysiek pijn doet, ik ben moe en ik heb het koud. Tijdens het eten pak ik mijn boek erbij. Tijdens het lezen, verdwijnt de hele omgeving.

Het is 23u. Ik lig in een B&B met koude voeten in een vreemd bed. Het was donker toen ik hier toe kwam, morgen zal de omgeving zich aan me openbaren als een open landschap waar mist optrekt over de weilanden waar paarden grazen in de ochtendkilte. Ik lees, obsessief. Het is alsof ik me schrap moet zetten om niet in het boek te verdwijnen. Het dreigende onheil in het boek zuigt me op. Ik wil me tegelijkertijd losrukken en verder lezen.

Het boek dat me in zijn macht had, was het nieuwe boek van Connie Palmen. ‘Jij zegt het’. Over de relatie tussen Sylvia Plath en Ted Hughes die eindigde met haar zelfmoord.

Het is lang geleden dat ik zo door elkaar geschud werd door een boek. Dat ik wou dat ik het uit had en dat het tegelijkertijd nooit op kon zijn.

Tijdens dit schrijven, frustreert het me dat ik geen woorden heb voor wat het boek met me doet. Alleszins werd ik heel erg hypomaan van het boek. Het boek scherpt mijn denken, mijn waarnemen. Het is een belevenis op zich, waar ik grenzen van tijd en ruimte doorbreek en me in een ander hoofd mag bevinden, in een andere tijd en op een andere plek.

Dit rake stukje. ‘Denken is een discipline en kost tijd, een heilige tijd die je – net als voor het kloosterlijke bidden van de metten, lauden en vespers – bewust moet vrijmaken door hem te beschermen tegen de intrusieve macht van het banale.’ (C. Palmen, Jij zegt het, p. 59).

Maar ook het absolute met mededogen geschreven beeld van de radeloosheid van de in de steek gelaten moeder, die achtergelaten is en voor zichzelf en haar kinderen moet zorgen. Die vooraleer zelfmoord te plegen een bordje pap klaarzet bij de kinderbedjes. Het raakte in mijn hoofd plekken die ik liever niet meer bezoek.

Connie heeft dit boek geschreven om Ted Hughes een stem te geven die de schuld kreeg van de zelfmoord van Sylvia Plath. In het boek van Palmen wordt veel nadruk gelegd op het moeizame samenleven met iemand die manisch-depressief is. En hoe Ted uit zijn huwelijk ontsnapt, leeg en moe door wat het van hem gevraagd heeft.

We zullen het niet weten. Zouden ze het zelf geweten hebben, hoe het zat, die complexe verhouding tussen hen? Ik denk niet dat het zo is dat de oorzaak ligt in dat zij labiel was OF hij een monster. Ik denk wel dat er nog iets subtielers speelt dan Connie heeft beschreven. En dat is het subtiele spel van hoe de zwakke plek in een persoon, de andere kan aantrekken en dat dit leidt tot een zeer destructief patroon. En een drama. In dat geval gaat het ook niet om een liefdesverhaal, zoals ik een extatische Hollandse om twee uur ’s nacht op tv in mijn B&B hoorde uitroepen, in mijn slapeloosheid zoekend naar afleiding. Ook dit raakt aan plekken in mijn hoofd die ik liever niet bezoek, maar die ik onder ogen moet zien van mezelf omdat dat mijn enige bescherming is.

Connie. Connie. Je hebt jezelf overtroffen. Kan je dit alsjeblief nog eens doen?

[Connie Palmen. Jij zegt het. Prometheus. 2015.]

Dingen die dwarrelen in een prinsessenhoofd

Een allegaartje van gedachten en belevenissen. Ik zou over elk van hen een post kunnen schrijven, maar ze even op een hoopje gooien kan natuurlijk ook.


Schaap
Peuterzoon zit niet zo lekker in zijn vel. Ik leg het schaapke in de watjes en doe hem vroeg onder de wol.

Bombardement
Een tijdje geleden zat ik op een bankje in het bos naast een oude zuster die apart in een huisje woonde. Door een bombardement in de oorlog was ze zo zwaar getraumatiseerd, dat ze niet meer kon samen wonen met mensen omdat elk (plots) geluid haar de stuipen op het lijf kon jagen. Ik sprak met een andere oude mevrouw, die vertelde hoe ze de lijken nog steeds ziet liggen aan de Naamsepoort in Leuven. Er komt zo veel over vluchtelingen binnen, en ik hoor weerklinken dat ze allemaal aan het werk moeten en liefst snel. Ik snap niets van deze wereld, echt absoluut niets.

Puzzelstukje (I)
In een gesprek wordt me een woord aangereikt: hypomanie. Ik heb het gevoel dat ik weer een puzzelstukje in handen heb gekregen in het begrijpen van mezelf. Het gaat om hyperactiviteit, overmatige vreugde, impulsiviteit en prikkelbaarheid, maar dan zonder het verliezen van het contact met de realiteit zoals bij problematische manische stoornissen. Zou het zo heten, dat gevoel dat ik krijg in de auto als de muziek me streelt, de hele wereld in elkaar lijkt te vloeien, alles klopt en ik één ben met het universum en alle deurtjes in mijn hoofd open staan? Is dat de naam voor het gevoel van die opperste staat van alertheid en het geen-grenzen-meer-hebben-in-denken als ik iets nieuws creëer op mijn werk?

Palmen
Connie. Ik weet niet goed wat ik met haar moet. Ik vond I.M. als puber prachtig, later vond ik het er ver over. Ik lees haar boeken en soms ben ik het beu, die voortdurende analyse van mensen, hoe ze in elkaar zitten, hun drijfveren, eigenaardigheden, denken, reacties. En toen ging ik op vakantie en las ik daar ‘Lucifer’ opnieuw en merkte ik dat die goede oude Connie onder mijn vel ging zitten en mij helemaal op scherp zette. Het boek bracht me letterlijk in een staat van alertheid, ik was zo geprikkeld. Misschien werd ik er zelfs wat hypomaan van.

Puzzelstukje (II)
Serviel. Nog een woord dat misschien een tot nu toe ontbrekend puzzelstukje was in het denken over en het snappen van mezelf. Connie Palmen gaf het me, in Lucifer. Ik denk dat ik serviel ben in relaties, partnerrelaties. Dat ik heel veel begrip voor de andere opbreng en die persoon over mijn grenzen laat marcheren. Dat ik het moeilijk vind om gewoon bij mezelf te blijven en mezelf trouw te zijn, als ik verliefd ben. Over Dirk hebben we het genoeg gehad. Waarom ik smekend naar mijn telefoon zat te kijken, wachtend op berichtjes die de ondeugdelijke man niet stuurde, is een ander verhaal. Ook van hem heb ik dingen genomen die absurd zijn. Ik heb er paal en perk aan gesteld, maar ik vraag me echt serieus af of ik wel in een relatie pas. Ik ben veel sterker en niet serviel als ik alleen ben. Kan ik ooit bij iemand zijn zonder mijzelf te verliezen?

Geld
Ik heb stress over geld. Ik weet niet hoe het komt, maar het is op – en de maand nog niet. Ik doe geen gekke dingen, denk ik. Ooit zocht ik op dat een gezin met twee kindjes 2400 euro per maand nodig heeft voor volwaardige participatie aan de maatschappij. Dat hebben we lang niet. In theorie heb ik een lijstje met uitgaven en inkomsten, en na aftrek van alle vaste kosten, heb ik ongeveer nog 60 euro per week over voor boodschappen. Alleen moet ik soms ook naar de dokter en hebben we wel eens iets nieuws nodig, … Dus lukt het gewoon nooit. Ik wil dat het een keer ophoudt want ik vind het vermoeiend zo.

Luxe
Twee dagen wandelen of fietsen op de Veluwe in de herfst. Daar verlang ik op dit moment heftig naar. Net als: een koffie gaan drinken in een koffiebar. Een keer zomaar iets kleins kopen.
Het is luxe en ik weet het. En tegelijkertijd is dat net wat het leven wat glans geeft, die dingen kunnen beleven met elkaar. Leuke dingen hoeven niet altijd geld te kosten, maar de leuke dingen die een beetje geld kosten, zijn net die dingen die het dagelijkse bestaan met zijn uitdagingen (haha, ik spreek niet meer over problemen, heb ik geleerd van een iets te vlotte interim-adviseur op het werk) even op een ander level tillen. Op de soepvakantie heb ik gezeten met een kopje koffie in de hand, naar mijn jongens gekeken en ik was even helemaal weg van alles. Ik teer nog steeds op die herinnering. (Zou ik toen hypomaan geweest zijn? :))
Ik weet dat enkele dagen wandelen en fietsen op de Veluwe, of mijn grote droom: naar Texel of Vlieland gaan, onbetaalbaar is, maar tegelijkertijd onbetaalbaar diep intens samen zijn zou genereren met mijn jongens en met mezelf.
Keep on dreaming, prinses.

Voorzienigheid (I)
Ik was al een tijdje aan het broeden op het eventuele kopen van een diepvriesje. Ik ben jammerlijk onbesluitvaardig als het op sommige dingen aankomt. Ik vergeleek diepvriesjes en bedacht ecologische voor- en nadelen. Het argument pro was dat ik minder eten zou weg gooien (ik maak vaak te veel soep) en me iets beter zou kunnen organiseren, met als winst: quality time voor jongens en mij, meer energie.
Ik schoof de beslissing op, omdat ik nu eenmaal niet zomaar 300 euro kan uitgeven. En toen kreeg ik een mailtje van iemand met de vraag of ik een diepvriesje dat ze nog ergens staan hebben en dat exact van het type was dat ik zocht (klein, zuinig), zou willen.

Voorzienigheid (II)
In mijn targets van het werk staat dat ik een cursus moet geven. Bij een bepaald aantal deelnemers kan de cursus doorgaan. Ik deed al het nodige, maar het aantal inschrijvingen bleef ondermaats. En plots regent het nieuwe namen en lijkt alles goed te komen.
Ik weet soms niet waar ik de dingen aan verdien.

Pijn
‘Moeke heeft de auto pijn gedaan.’
Ik schaam me dood. Het nieuwe karretje is zwaar gehavend. Ik ben al een tijdje te gejaagd, omdat ik stress heb. Voor mijn bijberoep, voor mijn werk. We gingen een oude mevrouw ophalen die geen familie heeft en hier een drietal keer per jaar op de koffie komt. Ik was later dan gepland en er was gedreins op de achterbank. Op haar oprit heb ik de bocht fout genomen. Er zit letterlijk een knoop in mijn maag. Omdat ik me schaam, omdat ik het op het werk moet zeggen, omdat het stom van me was, omdat er kosten aan verbonden zijn, omdat het me tijd en energie zal kosten en wat geregel. Ja, er zijn ergere dingen. Maar verdorie toch.

Huidhonger
Soms doet het gebrek aan aanrakingen – we tellen even een onstuimige kleuter en peuter niet mee – fysiek pijn. Mijn huid hongert. Het gaat niet eens om seks, al zou dat ook nog wel eens van pas komen. Laatste aanrakingen waren van de ondeugdelijke man. Ik herinner me de sterke armen met omhelzen, de achteloze aai zo nu en dan, het peinzend kneden van mijn voet tijdens het praten. Van de Dirk-aanrakingen weet ik al niets meer, al moeten die er wel geweest zijn. Het is eenzaam, niet aangeraakt worden. En tegelijkertijd is het zo moeilijk om het wel toe te laten. Ik ben niet iemand die vlotjes overstag gaat in fysiek contact. Soms denk ik er aan het te kopen. Zoals: een massage om de huidhonger te voeden. Maar ook dat is niet hetzelfde denk ik, en dat hoort weer onder een categorie van luxe die onbetaalbaar is. Dus blijft het even bij die plakkerige kinderhandjes, de knieën die me zwaar stompen als ik koppig blijf slapen en de mannen over me heen achter elkaar aan gaan ’s ochtends, babybroer zijn slapend hoofd dat zich in mijn buik boort midden in de nacht – hij schurkt altijd met zijn hoofd tegen me aan.

Over nooit meer de oude worden

Overrompeling
Het was een beetje een overrompeling hier, donderdag, nadat ik woensdagavond gepleit had voor meer vertrouwen. Basically, meer vertrouwen in onszelf en onze kracht, als vrouw, als moeder. En dat door ons te verbinden met onze eigen natuur (niet ‘de natuur’ an sich, alhoewel mijn eigen natuur me daar wel mee in verbinding stelt, zoals ik aantoonde in de voorbeelden die ik gaf over wanneer ik het dichtst ben bij mijn krachtige, intuïtieve ‘ik’).

Falen
Eén van de dingen die ons vaak in de weg staan om vertrouwen te vinden, is – denk ik – dat we zware periodes in ons leven zien als mislukkingen, falen, te vermijden, zo snel mogelijk op te lossen.

Voor vele vrouwen, zo bleek uit de reacties maar ook uit andere blogs en verhalen van mama’s, is de geboorte van een (eerste) kind het begin van zo’n periode waarin alles op zijn kop lijkt te staan en alle vertrouwen kwijt geraakt. Helemaal te begrijpen. Alles verandert met die (eerste?) hummel. Je relaties. Niet alleen met je partner, maar ook met je eigen ouders. Je schoonouders. Je eventueel oudere kind. Je hele omgeving. Jezelf. Je werk. Je dagritme verandert. Je nachtritme. Je tijdsbesteding. Je lijf is anders. Een bevalling is soms heftig en vaak moeilijk een plek te geven.

Ik denk dat die zware periodes in het leven er bij horen. Dat iedereen die heeft. Na de geboorte van een kind. Na het vertrek van een partner (wie, ik?). Na de verandering of misschien zelfs het verliezen van werk. Misschien zelfs zonder aanleiding. Misschien wijzen die periodes er ons soms gewoon op dat wie we waren niet meer past. Dat we moeten transformeren, evolueren, om terug beter te passen bij het leven dat we hebben, bij de situatie die anders is en andere dingen van ons vraagt.

Complexe pijn, meervoudige verandering
Mijn partner ging weg. Dat bracht een heel complexe pijn met zich mee. De pijn van verlaten zijn. De pijn van verloren dromen (nog kinderen, het samen fijn hebben, intact gezin zijn). Maar ook de pijn van moeten veranderen, omdat de nieuwe situatie nieuwe dingen van mij vroeg. Misschien was die pijn het heftigste. Ik zette me schrap. Maar ik moest wel. Dus moest ik anders leren denken. Moest ik manieren zien te vinden om mijn energielevel wat op de krikken. Moest ik voor mezelf zorgen, mezelf geven wat ik nodig had (byebye voetmassages en lekkere pasta’s van Dirk, hello kersenpitkussens en repen chocola). Moest ik zelfstandiger worden en volwassener (hallo rijbewijs, bloed-zweet-tranen, joh). Moest ik leren zelf beslissingen te nemen, niet meer altijd op iemand anders te leunen. Moest ik heel veel meer zorg voor mijn kinderen opnemen, want die liet ik vaak aan Dirk over die altijd wel een zot spelletje had of leuk verhaaltje vertelde, terwijl ik het huishouden deed en de rekeningen betaalde. Leuk was anders en ik baal nog veel te vaak als een stekker, maar eerlijkgezegd? Ik ben volwassen aan het worden. En dat is niet slecht.

Na regen komt kracht
Het is verschrikkelijk om alle fundamenten van onder je leven geblazen te zien. Om totaal uit je rol te vallen. Om niet te krijgen wat je verwachtte (bijvoorbeeld: een roze wolk, een intact gezin, … ).

Maar we kunnen proberen aanvaarden dat dit soort periodes er bij horen, het verzet staken, en in plaats van redding te zoeken bij anderen (wat ik lang deed) of te blijven kauwen op die pijn en het kwetsbare gevoel, naar binnen keren en de kracht zoeken in onszelf.

De kans dat je die kracht vindt op momenten dat je op de bodem zit, is niet zo heel onrealistisch. Bodem en fundament zijn een andere naam met een andere betekenislaag, voor hetzelfde. Als alles veranderd is en je lijkt alles kwijt te zijn, blijft over wat onverwoestbaar is in jezelf. En dan gaat alles niet meteen van een leien dakje, maar dan kan je wel vertrouwen opbrengen, leven vanuit je eigen overtuigingen, en de soms pijnlijke veranderingen die nodig zijn om de crisis te laten voorbij gaan, voltrekken. En als je daar hulp bij gebruikt, van vrienden, blogs, therapeuten, whatever, lijkt me dat alleen maar goed.

En zo geloof ik dat je na een heftige periode, bijvoorbeeld als je moeder geworden bent en je wereld staat op zijn kop, niet hoeft te blijven hangen in een gevoel van kwetsbaarheid. Er onderdoor gaan is geen garantie op ‘nooit meer sterk’ en ‘nooit meer er boven op’. Misschien is het zelfs een garantie op ‘sterker dan ooit’? Ik denk dat je mag vertrouwen in je kracht, en in die betekenisvolle veranderingen die je doorgemaakt hebt waardoor je beter toegerust bent voor het nieuwe leven dat aangebroken is. Bijvoorbeeld als mama, of als alleenstaande ouder, of … Ik denk niet dat je ooit nog de oude wordt, maar ik denk dat je een heel krachtige nieuwe kan zijn. Als je durft. En ik hoop stiekem dat we elkaar deze verhalen kunnen vertellen. Niet alleen het deel van nooit meer de oude worden, maar vooral het deel van een krachtige nieuwe zijn. (NB: krachtig en kwetsbaar zijn geen tegengestelden in dit verhaal, in je kwetsbaarheid staan is heel krachtig, zeker als je die als een deel van je nieuwe leven kan zien.)

Nogmaals hef ik het glas (allez ja, een blikje pepdrank actually). Op vertrouwen. Proost!

(En volgende keer post ik iets normaals. Ok? :))

P.s. In mijn vorige post had ik het over vertrouwen op je intuïtie, als je moeder gaat worden. Iemand reageerde daarop dat dat zou betekenen dat mensen vooral angstig zouden zijn. Ik denk dat angst net datgene is dat ons in de weg zit om bij onze intuïtie te komen.

Mijn intuïtie dreef me ertoe elke zwangere avond in bed te lezen, zodat ik zo veel mogelijk zou weten over wat er zich in me afspeelde, en wat ik kon verwachten van een bevalling. Dit waren mijn pareltjes:

1. ‘Veilig zwanger’, ‘Veilig bevallen’ en ‘Veilig doorheen de kraamtijd’. Boeken van Beatrijs Smulders. Beatrijs Smulders is een Nederlandse verloskundige. Werkelijk alles komt aan bod (ja, van aambeien tot kraamtranen), in korte hoofdstukjes, telkens opgefrist met verhalen van vrouwen. Ook wordt er normaal gedaan over alles, het hoort er allemaal bij, er wordt open en eerlijk over verteld. Precies wat ik nodig had.
2. ‘Bevallen en opstaan’ van Jetske Spanjer en anderen. Dit boek is al wat ouder, zeer informatief. Wat ik vooral telkens maar bleef lezen, waren de bevallingsverhalen van vrouwen. Zo staat er een verhaal in van een moeder die een kindje met het syndroom van Down krijgt, wat na enkele dagen sterft. Dat verhaal is zo prachtig dat ik het zelfs bij de vijftigste lezing niet droog hield.
3. ‘Bollebuikenboek’ en ‘Bolle Buiken in beweging’ van Leen Massy. Bevallingsverhalen. Het één na het ander. Alle scenario’s. Ontroerend mooi en intiem. Ik zou alleen al nog eens zwanger willen zijn om me weer terug te trekken in bed met die verhalen.
4. ‘Baren’ van Benedicte Vansina. Inzoomen op het proces dat baren is, toelichting bij de hormonen en welk werk ze doen. Geeft vertrouwen en handvaten om je voor te bereiden op je bevalling. En aan storminjehoofd: ze heeft ook een boek voor vaders geschreven :).

Prinses onthult haar geestelijk trainingsschema

Zomer 2014

Net alleen met twee jonge kindjes. Ik ga enerzijds totaal onderuit en blijf tegelijkertijd doorwerken, doorfunctioneren, doorbestaan, en doorschrijven. Hele uren en dagen uit die periode zijn verdwenen uit mijn geheugen. Ik had het gevoel dat ik doof en blind was.


Najaar 2014 – voorjaar 2015

Het is verdorie aanpoten, op je ééntje een gezin zijn met die energieke jongens die liever om vijf uur dan om zes uur opstaan. Ik voel me vaak alleen en doodmoe. Ik loop vast in mijn eigen denken, vind alles onmogelijk en vind het onverdraaglijk dat mijn lot als alleenstaande mama voor mij bepaald is (ik! heb! hier! niet! voor! gekozen!!!). Ik vind het zo lastig om de rekeningen betaald te krijgen, de paniek in toom te houden, niet te vaak in huilen uit te barsten met de jongens erbij, een goede manier te vinden om met de ex om te gaan, de langdurige onderhandelingen over de nieuwe baan te voeren, en te leren rijden.

Er zijn veel kwade dagen maar ook goede dagen. Of kwade uren en goede minuten.

Ik leer bij over het leven. Op dit moment zou ik het als volgt samenvatten:

1. Er zijn zo veel momenten van genade. Je moet ze alleen zien. Daarvoor moet je in het moment blijven, erbij zijn. Als je doof en blind bent van verdriet en vermoeidheid, hoor je dat liedje niet op de radio, zie je dat lieve gebaar van je kind niet en mis je dat veertje op de vensterbank.

2. Er is altijd iets om dankbaar om te zijn. Je kan ervoor kiezen om in dat gevoel te gaan staan. Recent was ik even op een drafje in de supermarkt terwijl de jongens een half uurtje bij een vriendin speelden, en ik hoorde mezelf denken hoeveel geluk ik had in mijn leven. Om mijn jongens die leuk aan het spelen waren, om die vriendin, om dat blinkende autootje op de parking van de supermarkt, om de gezonde voeding in mijn tas. Een half jaar geleden dacht ik meestal hoeveel pech ik had, omdat ik alleen ben, en moe, en …

3. Open je handen, laat gaan wat je niet dient en ontvang. Wat je nodig hebt, is er meestal al. Je kan het perfect doen met wat je hebt, als je wat creatief bent. En je kan er ook op vertrouwen dat je gegeven zal worden wat je nodig hebt. Zo kwamen het voorbije jaren altijd net op het goede moment vriendinnen langs met kleedjes voor de baby of de kleuter, potten confituur om de lege koelkast te vullen, … Ontvankelijk worden. ‘Ja!’ en ‘Dankje!’ durven zeggen. En zelf ook weer beginnen geven, aan anderen. Ik probeer gul te zijn, wat rationeel niet zo slim is, maar ergens heb ik een diep vertrouwen dat dat goed is.

4. Je bent niet verantwoordelijk voor wat er met je gebeurt, maar wel voor hoe je er mee omgaat. Dat kan ik niet verder uitleggen, maar het is wel waar. Tegelijkertijd zie ik ook weer wel dat ik de eerste periode na het vertrek van Dirk er zelfs niet voor had kunnen kiezen om zo zen te zijn als dat ik vandaag ben, ik was omver geblazen. Maar op een gegeven moment moet je er weer wat van maken, loslaten, een manier vinden om verder te gaan, dingen een plek te geven.

5. Je krijgt niet op je pad wat je verdiend hebt. Het leven (of één of andere hogere macht) richt haar pijlen niet op ons om ons te straffen of een lesje te leren. Je kan echter wel kiezen om te leren van wat er op je pad komt. Of je kan je verzetten, en dan wordt het niets.


Zomer 2015

De laatste maanden zijn bijzonder geweest. Min of meer automatisch is er daardoor een soortement van geestelijke/mentale/emotionele oefening in mijn leven geslopen.

De Jezuïeten wisten het al. Ook je geest moet oefenen, als je in goede geestelijke conditie wil blijven. Even serieus: hoe heb ik ooit kunnen denken dat je mentaal/geestelijk gezond kan blijven als je er niets voor doet? Als je een goede fysieke conditie wil, moet je toch ook trainen?

Ik ben mijn geest beginnen oefenen. Idealiter* gaat dat als volgt:

1. Na kinderbedtijd doe ik yoga met Adriene. Ook als ik hoofdpijn heb (net dan!), ook als ik kapot ben van vermoeidheid. Meestal start ik zonder zin, en als de les er bijna opzit wil ik niet ophouden.
2. Na de yoga, voed ik me met een hoofdstukje uit boeken die me inspireren. Daarvoor heb ik een zeteltje aan het raam, waar ik dan een kopje warm water met citroensap drink (dat wil Adriene) en een stukje lees. De boeken op het stapeltje inspirerende literatuur van nu zijn:

+ Pema ChödrönWaar je bang voor bent. Moed en mededogen in moeilijke tijden
De titel zegt genoeg. Stof tot nadenken. Over egoloosheid, over in je pijn durven gaan staan, over erbij blijven, over loslaten.

+ David Allen, Making it all work
Ik blijf een organisatorisch probleempje hebben. Alles gedaan krijgen op efficiënte manier is een uitdaging voor mij. Blijven gaan met David dus. Dat ik dus vrij zen ben anno nu, betekent niet dat mijn huis schoon is, mijn mails beantwoord en mijn to do lijstjes afgevinkt. Ik kan er wel steeds beter mee leven dat dat allemaal niet zo is.

+ Michio Kushi, The Macrobiotic Way
God, wat wou ik dat ik een volleerde macrobioot was! Dat ben ik niet, al staat er weer dagelijks miso op het menu en kies ik voor granen en gestoomde groenten als het kan. De macrobiotische leer is voor mij erg inspirerend omdat het gaat over vrede vinden met jezelf en met je omgeving, en ook over rechtvaardigheid.

+ Simon Brown, Macrobiotics for life
Nog een macrobiotenboek, maar meer op emotionele healing gericht dan op voedingsadvies.  

Na het lezen heb ik meestal een kalme energiestroom, ruim ik het huis nog op, doe ik nog wat voor het werk en ga ik in alle rust slapen. Het is bijna saai aan het worden :).

* De realistische lezer zal wel begrijpen dat het ideale scenario slechts weg gelegd is voor 1 avond op 4. De meeste avonden doe ik enkel de yoga, en soms ben ik niet eens in de gelegenheid om te ‘trainen’. Gek genoeg is dat bij elk mogelijk avondplan dat gemaakt wordt nu een afweging: kan ik er mijn geestelijke training voor laten of niet?

Paradoxen

De laatste dagen heb ik gelezen in het boek van Helene Etminan: ‘Crisis en spiritualiteit’. Een uitgangspunt van het boek is dat je door een crisis in je leven iets kan leren, dat de dingen anders worden, nooit meer zullen zijn zoals ze geweest zijn. En dat dat lijden veroorzaakt. Ze beschrijft heel treffend een aantal elementen die ik heb ervaren de laatste tijd: de ‘sociale dood’ (er niet meer bij horen, overal naast lijken te vallen, ik heb het ervaren als achter een glazen muur zitten in de werkelijkheid), het ongeduld dat mensen die ‘dicht’ bij je staan hebben met je crisis (je moet er maar eens over geraken, je wil vast niet, …) wat leidt tot conflicten. Maar ook de intense vermoeidheid (niet zozeer op fysiek vlak, maar op ‘zielsniveau’), de neiging je af te sluiten, de angst, en het lijden onder het lijden dat je vreest (en niet zozeer onder het lijden dat er hier en nu is). En het feit dat je leven zo piepklein wordt, dat je ook enkel (en vooral) oog hebt voor je eigen situatie, omdat het al je aandacht en energie opslokt daarmee om te gaan.

Twee gedachten in het boek lijken me sleutels tot het veranderen van hoe ik met mijn situatie om ga, maar ik kan ze moeilijk naast elkaar leggen. Ik geef ze eerst weer, en dan enkele gedachten erbij

1. Slachtoffer of dader?

In het boek wordt het onderscheid gemaakt tussen slachtoffertypen en dadertypen. Slachtoffers voelen zich afhankelijk van anderen (ik heb verdriet omdat jij mij geen aandacht geeft) en daders houden vast aan zichzelf, geven anderen geen macht over de eigen stemmingen en situaties. En zij gaan aan de slag met een situatie.

2. Aanvaarding

Een andere gedachte in het boek, wat op deze blog ook al vaker aan bod kwam in wat ik schreef of in de reacties van anderen, is het aanvaarden dat de situatie is zoals ze nu is. En daar rust in vinden. Het is niet anders. Niet meer vechten, schoppen, janken, brullen, trappen. Maar weten dat het nu is zoals het is. Hoewel je het graag anders had gehad.

Enkele gedachten daarbij:

1. Ik denk dat ik nogal de neiging heb een slachtoffertype te zijn. En goh, wat haat ik dat. Ik laat zo snel over mijn eigen grenzen walsen, ik stel me vaak te afhankelijk op van anderen. Maar tegelijk ‘ben’ ik in deze situatie ook min of meer een slachtoffer, want ik wou graag een intact gezinnetje en heb er veel, zo niet alles, aan gedaan om ons gezin te doen ‘draaien’. En Dirk heeft een hele hoop problemen veroorzaakt en is er dan tussenuit gepiept. Ik probeer mijn ogen te openen voor patronen, voor mijn eigen aandeel, voor Dirk zijn kant (het is me vrij duidelijk dat hij geen verantwoordelijkheid en stabiliteit kan verdragen, en ik weet ook wel hoe dat komt). Dus ik probeer vooral niet in het slachtofferhoekje te blijven zitten. Maar het is nu ook eenmaal zo dat de situatie waarin ik zit erg moeilijk ‘uit te houden’ is, voor mij. Er is schaarste op allerlei vlakken (tijd, energie, geld, rust, slaap, …). En er lijkt telkens ook weer iets nieuws te gebeuren waardoor ik al rechtkrabbelend weer neergemept word (bijvoorbeeld kind wordt ziek waardoor ik nachten op rij niet kan slapen). Dus zelfs al wil ik echt uit alle macht geen slachtoffer zijn, het lijkt ook erg moeilijk om het niet te zijn. Ik heb vaak het gevoel dat ik heel hard mijn best doe er wat van te maken, maar telkens weer tegen dingen aanloop.

2. Het maken van mijn masterplan, was een soort ‘klik’ in mijn hoofd. Van slachtoffer naar dader. Van treuren naar veranderen. Alleen zitten de omstandigheden niet altijd mee. De touwtjes in handen nemen, zoals ik nogal rigide probeer met mijn masterplan, is daarom gewoon niet makkelijk. Bijvoorbeeld: ik wil wel werken, maar door een aantal gebroken nachten op rij door de ziekte van Babybroer, vind ik het een waar gevecht om me te concentreren en mijn deadlines te halen. Zit ik dan weer aan de kant van het slachtoffer? Ik weet het niet. Ik kan ook geen ijzer met handen smeden. Mijn inkomen is bijvoorbeeld echt te krap op dit moment. Ik wil heel graag wat meer leuke dingen gaan doen, en ik weet dat dat mentaal ook gezond zou zijn voor me, maar eerlijkgezegd vind ik dat op dit moment ook erg stresserend omdat het vaak geld kost, net als de babysit die ik dan moet nemen. Zo vond ik bijvoorbeeld afgelopen weekend dat ik eindelijk maar eens op babybezoek moest bij een vriendin, en ik had dat afgesproken en keek er naar uit. Maar een cadeautje kopen, een treinticket, een hele reis maken met de twee kinderen… Was me eerlijk gezegd wat te veel stress. En toen bleek Babybroer ook nog ziek, dus kon het niet doorgaan. Waardoor we weer een heel weekend ‘thuis’ zaten, waarvan ik weet dat het niet goed is voor mij.

3. Ik vind aanvaarding van de situatie waar je nu in zit, op gespannen voet staan met de omslag maken van ‘slachtoffer’ naar ‘dader’. Het daderschap veronderstelt dat je meester wordt over een situatie. Maar als je ‘berust’ in wat is, ontbreekt toch de impuls om meesterschap te verwerven? Of moet je eerst door de aanvaarding heen, om tot daderschap te kunnen overgaan?

4. Door het boek heb ik ingezien dat starten als zelfstandige begeleider/coach op middellange termijn, een opbrengst zou kunnen zijn van deze crisis. Dat ik wat ik meegemaakt en doorgemaakt heb, daarin zou kunnen transformeren tot iets ‘vruchtbaars’, ook voor anderen. Maar het is best beangstigend om in een situatie waarin je ‘verzwakt’ bent, grote stappen te nemen.

5. Waar ligt de grens tussen een redelijke verwachting ten opzichte van anderen en daaruit voortkomende teleurstelling, en slachtofferschap? Dirk wist bijvoorbeeld dat Babybroer flink ziek was, dat er nachten lang gehuild werd, dat het moeilijk was. Hij heeft aangegeven meer betrokken te willen zijn, maar nadat ik hem op de hoogte bracht van de situatie, belde hij geen enkele keer om te horen of het al beter was, vroeg hij ook niet naar de precieze diagnose bij de dokter enzovoort. Ik was daar eerlijk gezegd flink van ontdaan. Ik vond het gebrek aan interesse voor de gezondheid van Babybroer onbegrijpelijk, en daarnaast vond ik het on het zacht uit te drukken vrij lullig van hem dat hij zijn gemakkelijke leventje verder zet en het maar normaal vind dat ik nachtenlang niet slaap, me naar de dokter spoed op zaterdag met twee kinderen, een halve dag met een ziek en jengelend kind op mijn heup loop terwijl ik zelf ook niet lekker ben enzovoort. Zijn dat nu slachtoffergedachten, of is het gerechtvaardigd dat ik dat niet ok vind? Waar zijn mijn grenzen ‘legitiem’, en waar zijn het slachtofferburchten?

6. Hoe verhouden daderschap en zelfzorg zich tot elkaar? Of misschien eerder: wat is zelfzorg? Is zelfzorg jezelf dat zetje geven om beter te doen, om een stap te zetten, om wat moeilijk is te overwinnen? Of is zelfzorg in een hoekje op de bank kruipen met een dekentje en maar even vinden dat je niets moet omdat je verdriet hebt?

Tot slot een citaat van Etty Hillesum. Het doet me glimlachen van herkenning:
‘Dat is je ziekte: je wilt het leven vangen in eigen formules. Je wilt alle verschijnselen van dit leven omvatten met je geest in plaats van je zelf te laten omvatten door het leven. Hoe was het ook nog maar: je hoofd in de hemel steken, dat gaat. Maar de hemel in je hoofd steken, dat gaat niet. Je wilt iedere keer zelf de wereld opnieuw scheppen, in plaats van de wereld te genieten zoals ze is. Daar zit iets dwingelandijachtigs in.’

[E. Hillesum, Dat onverwoestbare in mij, Balans, 2011.
En H. Etminan, Crisis en spiritualiteit. Gids voor zelfmanagement in moeilijke tijden, Lannoo, 2007.]

Retour afzender

Dirk.

Er ligt weer een brief klaar in de buurt van de voordeur. Elke dag komen er brieven voor je, al is je adres al lang veranderd. Dat heb ik nog eens gecheckt. Elke dag schrijf ik ‘retour afzender‘ en ‘bestemmeling woont niet meer op dit adres‘.

Elke dag.

Ook deze brief is een soort retour afzender. Ik heb besloten dat het beter voor me is afstand te houden. Dat het beter met me gaat als ik je niet meer spreek, zie, bel. Als ik niet meer mail. Als we niet telkens die dans terug opvoeren, van toenadering, poging tot het maken van afspraken, proberen te praten met elkaar, proberen een weg samen te zoeken, en dan toch weer die vertrouwensbreuk. Dus deze brief schrijf ik niet aan je. Of wel. Maar ik stuur ‘m je niet.

Ik schrijf veel de laatste tijd. Ik heb het nodig. Vreemd hé? Je moedigde me altijd aan om te schrijven. Wat ik niet kon. En nu plots is er geen stoppen meer aan.

Op de eerste verjaardag van Babybroer dachten vrienden met me mee, omdat het crisis was. Diepe crisis. Eén van hem zei voorzichtig dat jij er toch nooit helemaal was. Dat je jezelf buiten het gezin plaatste. Dat je afstand nam, altijd al. Dat je liever alleen was dan met ons samen. Dat je elke avond in de tuinkamer zat, in plaats van bij ons in het huis. Dat je je verschanste, zelfs als er kraamvisite was. En inderdaad, Dirk, ik denk aan zo veel momenten waarop je plots van het toneel verdween. En dat ik je in de tuinkamer vond. In de garage. Bij de abdij. Weg.

Je was er niet.

Maar die eerste maanden, Dirk. Die eerste maanden. Die eerste maanden van ‘ons’ voelde ik me eindelijk gezien door iemand. Je zag me, je sprak met me, je drong door tot me, je kon niet genoeg van me krijgen, je wou drie keer per nacht met me naar bed, je schreef kaarten, brieven, verstopte cadeautjes.

Ik heb lang gedacht dat dat de echte Dirk was. Dat dat waar was. En dat wat later kwam… Een foutje was. Maar misschien was wat later kwam, het terugtrekken, het niet in staat zijn verantwoordelijkheid te nemen, nabij te zijn, beloftes na te komen… Misschien was dat waar. Of misschien was alles waar.

Ooit las ik ‘I.M.’ van Connie Palmen. Toen vond ik het goed. Daarna hield ik een tijdje niet meer van haar werk, en toen weer even opnieuw wel. In een boekenwinkel stootte ik ooit op het boek ‘Ischa’ van Gijs Groenteman. Over dezelfde Ischa van Connie. Hij laat vrienden, verwanten en vrouwen aan het woord over dezelfde man, en op die manier kan je vanuit verschillende hoeken naar alle kanten van één en hetzelfde mens kijken, wat ik – hoewel ik Ischa verder niet kende – enorm fascinerend vind.

Ischa reeg relaties aan elkaar. Periodes van hevige verliefdheid en alles-alles-alles, wisselden zich af met interesse verliezen, ruzie maken, de benen nemen.

Dit las ik.

Jenny Arean: ‘Als de woede zakte, kon je alleen maar denken: ach jongen, wat een lijdensweg is dit. Hij haakte zo vreselijk naar van alles. Naar stabiliteit, naar houden van, naar zich durven overgeven, aan iemand of aan een situatie. En hij geloofde dat hij tijd en wijle ook, maar kon het nooit vasthouden. Dan was het weer weg. Daarom was het ook zo slopend: je probeert iemand constant te bewijzen dat het niet nodig zou hoeven te zijn, dat eeuwige vluchten. Maar het patroon heeft zich voortgezet.’ 

(Ischa, Gijs Groenteman, Prometheus, p. 97)

En dit stukje, van de vrouw die hij in de steek liet toen ze zes maanden zwanger was…

Thea Cohen: ‘[…] Hoe hij in wezen een gekwetst kind was en vanuit zijn machteloosheid tiranniek kon zijn. Dat verband legde ik, toen we bij elkaar waren, nog niet. Hoe alles wat intiem en dichtbij was, weer kapot moest. En hoe onder die destructie het gekwetste kind zat. Ik heb daaronder geleden.’

Ik lees. En herken één en ander.

Dirk. Ik vrees dat je nooit vrij zal zijn van het fladderen van partner naar partner, van huis naar huis en van geen job naar even een job en terug. Waar ik een verpletterende angst voelde toen je plots deze week je tweepersoonsdons moest ophalen, voel ik nu vooral een soort van medelijden. Wat was het vreemd die dons klaar te leggen, dat overblijfsel van een nest van samen, dicht en naakt. En te weten dat het een nieuw nest wordt, voor een nieuwe vrouw. En dan denk ik aan hoe vermoeiend het moet zijn haar het hof te maken. Haar te overladen met alle aandacht, alle cadeautjes, alle woorden, … die je hebt. En hoe vermoeiend het moet zijn weer uit te komen op de dag dat je interesse plots weg is. Dat het wrang wordt. Dat ze vragen begint te stellen, dat ze dingen begint te willen die jij niet meer wil geven. Dat je nog even probeert, maar zo zielloos. Dat zij dat te laat doorheeft of niet wil zien. Dat het zo veel pijn brengt. En dat het opnieuw zal beginnen. En opnieuw. En opnieuw. Hoe is het om elke keer weer bij de scherven te staan van wat je stuk maakt, en ze niet op te ruimen, maar je om te draaien en weg te gaan?

Dirk. Dirk. Ik hoop dat je ooit een keer rust vind. Misschien kan je dat alleen met jezelf, en ontvluchtte je daarom zo veel. Misschien  kom je op een dag dat gekwetste kind tegen, en kan je het helen.

Als je maar weet dat ik er alles aan zal doen om van mijn jongens geen gekwetste kinderen te maken. Daarom vecht ik nu om beter te worden.

Net aan de afwas dacht ik aan mijn naam, die ‘Strijdster’ betekent. En ik vervloekte mijn ouders even, omdat ze hem gekozen hebben. En toch zal ik strijden, Dirk. Om twee gezonde kinderen af te leveren aan de poorten van het volwassen leven. En om mezelf een nieuwe kans te geven. Een kans op beter.

En daarbij denk ik vaak dat ‘beter’ betekent dat ik alleen zal blijven, omdat ik wel rust kan vinden met mezelf en mezelf trouw blijf. Maar tegelijk verlang ik ook zo naar huid, naar samen, naar een aai, naar iemand die in mijn ogen kijkt en bij me wil zijn. We’ll see.

Slaap zacht, Dirk. Waar ook, met wie ook. Ik ga naast Babyzoon liggen, en zijn handje vasthouden. Maar eerst kijk ik nog even bij Kleuterzoon, want die is ziek. Goede nacht.

 

Een soort van tijd voor mezelf

Pendelen is nooit erg leuk, maar ik probeer er altijd een draai aan te geven. Dan zie ik het als ‘tijd voor mezelf’, luister ik naar Nils Frahm of Olafúr Arnalds met mijn prehistorisch muziekdingetje, soms trakteer ik mezelf op een onderwegkoffie, en altijd zorg ik voor een boek.

(Zo idyllisch als dit klinkt is het vaak niet, hoor. Vaak erger ik me aan andere treinreizigers, ben ik woest om de zoveelste vertraging of kan ik niet tegen de mensen- of etensgeuren die in zo een trein hangen. Toen ik zwanger was, werd mijn bekken zo gammel van het geschud van de trein dat ik vaak niet meer kon lopen nadat ik afgestapt was, en dan de Onwillige moest bellen om me op te halen. Het alternatief was blijven staan of kruipend naar huis. Ook nu nog heb ik vaak veel bekkenlast en een treinreis is een trigger.)

Toevallig heb ik recent een boek gekocht van Vonne Van der Meer: Het smalle pad van de liefde. Het boek ging over een koppel met een groot verdriet (het overlijden van hun kind) die een draai hadden gegeven aan hun bestaan en op een gegeven moment een sterke vriendschap hadden uitgebouwd met een ander koppel. Tijdens een vakantie samen voelt de echtgenoot van het ene koppel zich aangetrokken tot de echtgenote van het andere koppel, hoewel er eigenlijk geen sprake is van bijvoorbeeld diepliggende onvervulde verlangens in de respectievelijke huwelijken. Ze hebben een korte affaire, die lang doorwerkt in de levens van allen, waar ook een stukje rouwverwerking en innerlijke worsteling met een zeker religieuze zoektocht bij komt.

Ik vond het boek zo empathisch en sensitief geschreven. Mooi ook dat er geen ‘goeden en slechten’ zijn: het leven neemt zijn loop en daarin gebeuren dingen die pijn doen en verdriet teweegbrengen, daarin worden fouten gemaakt en fouten vergeven, en eigenlijk kan je voor iedereen in het boek een diepe sympathie opbrengen, wat ik uniek en heel mooi vind.

Het is ook een echt verhaal-verhaal (met hoofdpersonages en een plot en een begin en een einde), en daar hou ik altijd het meest van.

Intussen ben ik Eilandgasten aan het lezen, eveneens van Vonne van der Meer. Het boek is zo mooi dat ik verbaasd opkijk als ik mijn bestemming met de trein heb bereikt. Alsof ik even helemaal van de wereld ben geweest (en geloof me, dat doet me wel even deugd!). Alsof alleen dat boekje en ik nog bestonden, en verder even niemand of niets.

Eilandgasten bestaat uit verschilende korte verhalen, zoals het verhaal van een ongepland zwanger meisje en een vriendin van haar moeder die samen in een vakantiehuis aan zee zijn. Of het verhaal van een koppel met een zoontje, in hetzelfde vakantiehuis, waarvan de man een misstap heeft begaan (ontrouw) wat heel hun onderlinge verhouding ontwricht, terwijl beide partners zo graag bij elkaar willen zijn en beiden willen dat het beter gaat. Zij doet haar best om te vergeven, hij doet zijn best om het goed te maken. Voor beiden kan je zo veel begrip opbrengen door de lieve, mooie en sensitieve manier waarop het boek is geschreven, en je hoopt krampachtig dat het goed komt.

Mij raakte het ook heel erg dat de innerlijke worsteling van mensen, om te vergeven, om iets moeilijk een plek te geven, … heel realistisch en heel mild beschreven staat, in elk verhaal opnieuw.

Vooruit dan maar, enkele fragmentjes die me getroffen hebben:

‘Ze strekte zich op het bed uit. Ze was doodmoe, meer nog door haar rellerige gedachten dan door het gekruip over het bed, Ze staarde naar het plafond van lichtgeel zachtboard, zag een vochtplek recht boven haar. Je kon er een land in zien met rivieren, maar ook een gezicht.
‘Help me,’ hoorde ze zichzelf mompelen, en ze wist niet tegen wie ze het zei, maar ze zei het, hardop: ‘help me, help me.’
Ze bleef liggen en luisterde naar het ruisen van de branding. Ik heb hem die vrouw vergeven. Of niet? Wat doet dat boek er dan nog toe? Laat dat kleinzielige gezeur in mijn hoofd ophouden. Zo ben ik niet. Ze bleef liggen en luisterde, net zolang tot haar hoofd schoon was, leeggeblazen, tot ze niets anders meer hoorde dan het ruisen in de verte. Ze luisterde tot het was alsof zij zelf zo ruiste, alsof ze een aangespoelde schelp was, of de zee.’

En:

‘(…) In het begin had ze het zich laten aanleunen, uit gemakzucht want hij deed meer dan ooit in huis en met Floris. Als Floris ’s nachts wakker werd, kroop Chiel over haar heen om hem wat te drinken te geven. Misschien was het onvermijdelijk, had hij dit nodig, was het allemaal een soort boetedoening, moest hij op zijn knieën de berg op. Maar zo langzamerhand begon zijn nederige houding haar te irriteren. Ze wilde deze macht niet. De macht om hem terug te sturen naar het dorp omdat hij iets vergeten was, iets onnozels, waar ze heel goed zonder konden.’

Uit: Eilandgasten, Vonne van der Meer.

Tot slot: de Living Room Songs van Olafúr Arnalds. Kippevelmuziek. Heerlijk voor een moment ‘tijd voor jezelf’. Met een boek, met een kopje koffie.

Voeding

Ik ben verrukt over het nieuwe decor, maar ik kom slechts langzaam aan vooruit in deze bergachtige streek. Na acht uur lopen ben ik slechts achttien kilometer naar het oosten opgeschoven. Het is niet belangrijk. Het lopen gaat gemakkelijk op de steile wegen. De schoonheid van de omgeving draagt me.
Deze schoonheid is van wezenlijk belang voor het moreel. Ze voedt en inspireert me, ze zorgt ervoor dat ik me altijd richt op het huidige moment en op alles wat dat inhoudt.’

Uit S. De Fooz, Te voet naar Jeruzalem. Een solotocht van 184 dagen, Lannoo, 2006, p. 53.

– Vroege ochtend, treinrit. Donker vanbinnen doet terug grijpen naar bronnen, zoals dit boek uit het selecte clubje boeken dat ik al een tijdje met me meedraag. Het lezen verandert iets in mijn hoofd. Muziek die ik beluister, komt heel duidelijk ‘binnen’. Ik voel het donker wat plaats maken voor het mooie. Op momenten als deze besef ik dat het ‘helen’ een proces is dat tijd vraagt en me nog wel vaker door dalen zal sturen. En voor heel even kan ik dat aanvaarden. – 

Vakantiemijmering: dag 5 (slot)

Op de laatste dag van de vakantie, herinner ik me plots dat ik meestal tegen mijn collega’s zeg na een vakantie dat ik blij ben terug te komen werken. En ik weet meteen ook weer waarom.

Vakantiedagen zijn enerzijds heerlijk, anderzijds nogal structuurloos. Ik doe amper iets en ben toch moe. Ik kook, eet en leef in wat andere omstandigheden dan thuis (zelfs in een leuk huisje in Zeeland mis je toch het park voor Babybroer en zoek je je te pletter naar de kaasschaaf). Ik realiseer me weer dat ik ruimte voor mezelf nodig heb, en hoeveel. En dat dat met ouders en kinderen op de helft van de vierkante meters van thuis moeilijk te realiseren is. Er zit ongeveer overal zeezand in, ik ben aan mijn laatste ondergoed toe en Babybroer is door zijn bodietjes heen.
(En met verdriet ben je misschien nog best bij jezelf, bleek gisterenavond.)

Maar wat fijn is: ik heb weer zin om er thuis en op het werk wat meer van te maken.

Thuis: de laatste tijd voelde ik me vaak letterlijk gevangen zitten thuis met twee kinderen, zonder auto en met weinig geld, waardoor weekenddagen zich vaak voorbij sleepten met duplo en time-outs. Ik neem me nu plechtig voor wat meer dingen te verzinnen die ons deugd gaan doen en die ik zonder rijbewijs en zonder geld voor elkaar krijg. Tips zijn welkom :).

Op het werk: de komende drie weken ga ik proberen eens een boost te geven aan een lang aanslepend project. In het jaar is elke dag anders wat locatie, planning en activiteiten betreft, maar in het putje van de zomer als iedereen op reis is, heb ik eens ruimte om meters te gaan maken op kantoor. Wie weet zelfs ongestoord. Vanaf maandag, structuurrrr! 🙂

Ik had een hele tas vol boeken bij, waarvan ik er welgeteld 2,5 heb uitgelezen de voorbije vakantiedagen. Het boek van Joke J. Hermsen heb ik intussen uit en ik weet nog steeds niet wat ik ervan moet vinden (ik voelde me wel heel verweesd na de laatste bladzijde, het was leuk even in het parallel-universum van het boek te verkeren). Het leek soms op een soort soap met een hoop clichés, maar het slot was dan weer wel mooi en er zat wel vaart in het boek en ik had wel altijd zin om verder te lezen. Het bleef wel irritant dat de hoofdpersonages filosofische discussies voerden waarbij ze auteurverwijzingen deden. Ik weet niet of jullie met voetnoten praten bij vrienden, maar ik alleszins niet :).
Alleszins hebben het denken over het boek én een blogpost op Tales from te Crib er voor gezorgd dat ik een leesclub wil starten. Iets nieuws, iets dat bij me past, en mijn leven wordt er vast weer wat groter van.

Morgen opruimen en terugreizen, en dan zeg ik maandag tegen de koffiezet op het werk (wegens afwezigheid van collega’s) dat vakantie leuk is, maar dat ik toch blij ben weer te kunnen komen werken.