Blogverlof

Niet echt natuurlijk.

Maar.
Het is donker.
Koud.
Alles kost meer moeite.
En dus merk ik dat het schrijven even niet meer komt.

Het komt wel terug. Het komt altijd terug.

Ik heb een baan en een bijberoep die doorgedreven planning en organisatie vragen. Ik kan dat nog steeds niet, in die mate dat ik denk dat ik het nu one more chance geef, en anders ontslag ga nemen. Omdat het me zuur opbreekt, de onregelmaat, het om vijf uur opstaan om mails te beantwoorden die ik niet kan beantwoorden als ik een hele dag op afspraken en in de auto zit. Anyway. Heb laatst zelfs een kwaad mailtje gestuurd aan iemand die zeurde dat ik iets nog niet doorgestuurd had en dat ze het ‘zeker op zondag verwachtte’. Heb haar op haar plek gezet. Wat denken mensen eigenlijk wel? Ik doe wat ik kan in de tijd die ik heb en ik kies zelf wel of ik in het weekend wil werken.

Bloggen is iets dat volledig buiten planning en organisatie moet blijven. Als ik goesting heb, schrijf ik. Soms drie stukjes na elkaar, soms één stukje op drie weken. Ik programmeer de publicatie alternerend op zondag en woensdag waardoor er toch een ritme in lijkt te zitten, en zodoende.
Maar als de inspiratie even op is, dan valt er dus een gaatje. Blogverlof.

De laatste tijd wou ik schrijven over BdP. Maar hier was alles al gezegd! (Ik sta ZO achter dat stuk he.) Alleen heb ik geen dochter, maar twee zonen. Hoe voed ik hen op tot respectvolle mannen, als ze nu al rijmpjes zingen over meisjes met rokjes aan en de-mannen-zijn-sterker-en-de-meisjes-slapper?

De laatste tijd wou ik ook schrijven over de wonderbaarlijke return van de papieren agenda met weekoverzicht, om de dagen echt uit te tekenen. Al dat digitale is zo vluchtig soms. Dus nam ik mijn toevlucht tot papier en zowaar kwam ik dagenlang overal op tijd en voorbereid aan.

Ik zou ook schrijven over het mooie boek Thuiskomen van Dorien en het goede boek van Eva Brumagne.

Maar dit alles dus wordt vervolgd.

Eerst de regen en de kou trotseren en zorgen dat ik vandaag op tijd op school en op het werk ben. Met een beetje een humeur dat toonbaar is.

 

 

Advertenties

Prinses heeft hét gedaan

Het ging zo. De Man en ik gingen naar de film. We wandelden terug door Amsterdam. Het was koud, de grachten waren mooi verlicht. De stad was levend en bruisend. Wij blij. En toen is het gebeurd.

Ik heb en kroket uit de muur gehaald.

Het was een vegetarische. Ze was gloeiend heet, krokant van buiten en zacht vanbinnen. Ze was een beetje pikant en overheerlijk. Leve de Febo. Echt. Sinds 2009 ben ik wekelijks in Nederland, en sinds een half jaar woon ik er. En nu pas, nu pas, nu pas heb ik de geneugte ontdekt waar alle Belgen hun neus voor ophalen. Ze weten niet wat ze missen. Ik nu wel :).

Kroket

 

 

Overschot

Het is avond. De Man en ik hebben een nieuw bed. Enerzijds was zijn matras zo hard dat mijn tepels er pijn van deden als ik op mijn buik sliep, anderzijds was een energetisch zuiver bed ook wel fijn. Dat is een beetje een grapje, maar ik had menig voorgangster. Waar ik niet zo hard over nagedacht had, tot er een keer een stukje ondergoed van onder het bed tevoorschijn kwam in een soort lade waar een vacuüm getrokken dons in verpakt zat. Er gingen minstens drie namen door mijn hoofd van wie het had kunnen zijn, en toen keek ik naar het bed met verschrikte ogen en heb ik de rest van de avond buikpijn gehad en een iel stemmetje. Ok, onnozel, I know. Maar nu hebben we een nieuw bed, helemaal van ons, met een matras die uitgekozen is op tepelcomfort. Het bed is groter dan ons vorige en het lijkt wel een eiland in de kamer en dat is schoon.

Ik lig met mijn hoofd op de Man zijn buik op het eilandbed. De jongens smoezen nog wat in de kamer ernaast.

Ik denk aan het wandelingetje met de buurvrouw/vriendin waar ik even soep bracht (gemaakt naar een geweldig recept uit Thuiskomen, waarover later meer. Dorien, het boek is geweldig. Dank, dank, dank, pluimen en confetti!).

Ik dacht aan de buurman die oppas had aangeboden zodat de Man en ik eens naar de film kunnen waar hij wildenthousiast over is. Hij is de buurman, niet de Man. Zou die het vermogen tot wildenthousiast hebben?

Ik denk aan het voorlezen net, met vier in het eilandbed. Ik had ‘Heidi’ van onder het stof gehaald, het boek dat ik als jong meisje keer en keer verslonden heb over Heidi in de bergen. En hoe leuk het is als je je kinderen iets kan geven van wat je zelf vroeger leuk vond. (Ze moesten er vooral mee lachen, terwijl het natuurlijk een heel serieus verhaal is. Anyway. Niets voor jongens.)

Ik denk aan de Man die vanmiddag naar de film ging met de mannen zodat ik even kon werken.

Ik denk aan het goede eten dat ik vandaag gemaakt heb. Voedzaam en gezond. De soep van Dorien, alles uit de oven van Mme en gebakken patatjes en vegetarische ballekes en perfect gegaarde wortelkes. Niets speciaal, wel gewoon goed.

Ik denk aan de vriend in trouble die ik nog moet bellen, en dat ik me geen uitgewrongen vod voel maar gewoon in staat ben dadelijk de telefoon te nemen en het niet zo leuke gesprek te voeren.

Ik loop door het huis en er staan bloemen op mijn werkkamer en bloemen op de eettafel en een roos naast het nieuwe bed.

En dan denk ik: ik ben erdoor. Door alle vermoeidheid en eenzaamheid en armoede en pijn. Een vrouw die goed eten kan maken en bloemen in huis zet, die heeft overschot.

 

Aan Mar

Mar vroeg me in een reactie op een vorig blogje hoe dat zit, met de Man en mijn kinderen. Want hoe kan je je kostbare energie besteden aan kinderen die niet van jou zijn? En is een gewenst derde kindje dan geen superslecht plan? Daarover, een blogje.

Hoi Mar,

Goede vragen, die je stelde. Toen je aankondigde dat je vragen zou stellen die je niet durfde stellen, hield ik mijn bureau al vast. Maar eigenlijk zijn het prima vragen en kan ik me heel goed voorstellen dat je ze stelt.

De Man heeft zelf geen kinderen en ik heb twee stuks. De Man heeft 47 jaar min of meer zonder kinderen geleefd. Ok, dit soort zinnen zijn altijd stom. Want een deel van die 47 jaren was hij zelf kind, en een ander deel heeft hij gehoopt met een eerdere partner een kindje te krijgen, wat medisch gezien niet mogelijk was. Dus. Alle tinten grijs.

Toen ik in de zomer voor het eerst met de kinderen bij hem op bezoek ging, zag ik mijn kinderen vooral als een handicap. Ze gedroegen zich dan ook nogal verschrikkelijk (lees: de oudste was dwars, de jongste fladderig, en de oudste heeft ook nog de deur van de kinderboerderij tegen de jongste zijn hoofd geslagen). De Man bakte pannenkoeken, zette netflix op (de eerste ervaring van mijn jongens met netflix!), duwde een schommel en probeerde tussendoor ook wat met de moeder te praten. We reden weg (ik uitgeput), ik heb gehuild in de auto en ik ging er vanuit dat de Man blij was dat hij weer door kon met zijn Grote Mensenbestaan.

Enkele weken later waren we een koppel en geraakte de kleinste in het ziekenhuis en kwam de Man helpen en moest ik echt werken (een sessie gaan geven), dus ik heb hen zonder enige voorbereiding met drie achter gelaten bij mij thuis. De babysit moest de oudste gaan ophalen omdat ik anders de weg naar de school moest uitleggen en ik a. niet wist of de Man het juiste kind zou uitkiezen en b. niet wist of de school de zoon mee zou geven met een onbekende. Anyway, hij bracht het er prima vanaf en de kinderen ook. Vuurdoop, dat wel. Ik ging met hem uit eten daarna omdat ik het gevoel had dat ik moest bewijzen dat ik gewoon een grotemensenleven had en hem dat ook kon bieden, terwijl ik natuurlijk stiekem een soortement moederkloek was die altijd moe was en al eeuwen niet meer uit eten was geweest.

De weken volgden elkaar op. We ging een weekend bij de Man logeren, en ik vond het erg schattig dat hij speelgoed had aangeschaft en bedjes had voor de kinderen. Ik ging eens op weekend en de mannen hadden mannenweekend (de Man was gesloopt toen ik terug kwam, haha). Ik had altijd het idee dat de Man de kinderen er maar wat bij nam omdat hij graag bij mij wou zijn.

Maar wat bleek? Het omgekeerde was waar!
Niet helemaal natuurlijk, maar de Man was enorm aan een clubje toe. Een gezin. Een wemelende rommelige thuis met stemmetjes en speelgoed en een vrouw die moe op de bank zit en kinderen met pyjamakes en verhaaltjes voorlezen en kinderliedjes opzetten en dat dus allemaal.

Hoe onwaarschijnlijk ook, ik denk dat mijn kinderen een pluspunt zijn voor de Man, omdat hij graag deel is van een gezin met ons. Hij vindt veel zin en betekenis in het feit dat hij voor ons het verschil maakt tussen het helse eenoudergezinbestaan met een gestresste moeder, altijd geld, tijd en energie tekort en dus vermoeide/overspannen kinderen en het comfy leven dat we nu hebben.

Ik heb heel lang geprobeerd hem te ontzien en mijn zaakjes met de kinderen zelf op te lossen, maar ik heb me recent gerealiseerd dat dat voor hem voelt als uitsluiten. Ik denk stiekem dat hij graag wil meebetalen aan de rekening van de opvang, dat hij het leuker vindt als ik vraag om om 17u aan de opvang te staan dan dat ik me zelf in duizend bochten wring en gestresst thuiskom. Hij heeft intussen een goede band opgebouwd met de kinderen – ze zeggen spontaan ‘papa’ – en ik moet vooral zorgen dat er ruimte is voor die band en dat we de dingen samen doen.

Natuurlijk merk ik aan de Man wel dat sommige dingen hem minder liggen, maar hij veegt evenveel billen af dan ik en in sommige dingen is hij gewoon beter dan ik. Bijvoorbeeld kleding kopen met de jongens doet hij (zonder dat ik het vraag), en ook hun zelfstandigheid stimuleert hij veel meer dan ik dat doe (op straat fietsen, zelf trappen op en af gaan, …).

En wat de tweede vraag betreft, Mar. Het leven is nooit zwart wit en kinderwensen zijn ook maar iets raars. Er is geen enkele goede reden om een kindje te krijgen, en natuurlijk kan een derde kind alles in de soep doen draaien hier of het kan de kers op de taart zijn en de superglue die ons met pritt aan elkaar gelijmde gezinnetje voor eeuwig aan elkaar vast doet zitten. Je weet het nooit en jammer genoeg is het nog niet zover. Ik las dit er ook over en dat vond ik wonderschoon. Ik hou me aan weinig dingen vast, maar één ding weet ik: het leven  is niet maakbaar. Een kind is niet maakbaar. Dat zal komen als het komt en anders niet. Dat zal komen wanneer het komt. En het zal zijn wie het is, als het komt, en we zorgen er dan uiteraard wel voor dat het kind bij ons clubje past. Want de Man en ik, wij zijn twee grote mensen (hij letterlijk, Hollands formaat 🙂 ), en dan is niet de vraag of zo’n extra kindje er wel bij past, maar hoe wij er voor gaan zorgen dat het past. En ik denk dat er resources genoeg zijn, in deze situatie. Toen we nog in de twijfelmodus zaten, heb ik een keer tegen de Man gezegd: als wij het niet kunnen, wie dan wel? Ik sleep ‘m binnenkort aan zijn haren mee naar een hippievriendin van me die een kind heeft gekregen, terwijl zij en haar partner in een community leven en geen baan hebben. Ik bedoel maar (*). Hier is een Nest, er is een inkomen (maal twee), er is structuur, er zijn grote broers, er zijn twee ouders die toegewijd zijn doch niet perfect. We”ll make it. Als het ons gegeven wordt.

Lieve groet,

P.

 

(*) Geen oordeel. Prima dat ze een kindje hebben, wordt vast allemaal erg relaxed en ok. Ik draai vaak met mijn ogen bij mensen die denken dat ze eerst een huis, twee auto’s en een carrière moeten hebben voor een kindje mogelijk is. Een vriendin zei me ooit dat ze nog geen kind kon krijgen (tranen!) omdat ze nog geen tweede auto had. Uhm. Tja. Een kind heeft vooral liefde nodig en met één of twee verantwoordelijke ouders komt de rest ook wel. De Man is meer van het voorzichtige soort met alles heel goed afwegen. Ik ben vooral van het soort dat denkt dat we het wel redden.

 

De drenkeling

Een directe collega van mij is langdurig afwezig.

En ik heb niets gemerkt.

Ik heb geen idee wat er aan de hand is. Ziek, moe, depressief. Geen flauw idee.
Ik app hem. Dat ik er ben als hij dat wil.

Vorig jaar was ik langdurig afwezig.
Ik herinner me niet dat hij me gebeld heeft, of gemaild, of geappt. Misschien wel, misschien niet. Wie zal het zeggen. Het maakt me ook niet uit.

Het is moeilijk te weten of je wel of geen contact moet opnemen.
Maar het is zo’n wake-up-call voor me.
Been there, done that.
Het is langzaam verzuipen en als het water hoger dan je lippen staat heel hard gaan spartelen, en iedereen rondom je werkt verder.

Dat is denk ik wat onze tijd en onze soort werk met ons doen. We moeten zelf alle zeilen opzetten om te blijven varen, en die drenkeling valt niet op.
Tot we een bootje missen en de vage boodschap krijgen dat iemand er een tijdje niet meer zal zijn.

Weer zo een confrontatie. Ben ik er, of ben ik nog steeds te veel bezig met de verstoppen? Het stortregent mails, het stortregent verwachtingen. Ik schuil al lang. Waardoor ik noch heel erg up to date ben met werken, noch heel erg betrokken op anderen. Mocht ik intussen niet al eens in het stadium zijn waarin ik weer wat rond kon kijken, er voor anderen zijn?

En dat schuilen, is het laf of is het wat ik nodig heb omdat ik anders weer kopje onder zal gaan?

Ik blijf spelen met de gedachte dat het bijna klaar is, daar. Die baan die ik zo belangrijk vond, dat ze bijna voor iemand anders is. Dat ik iets van mezelf ga doen. Iets met terugtrekken, schrijven. Iets alleen. Wat me nog tegenhoudt is het feit dat ik niet daadkrachtig ben :), en ook het financiële. Ik kan wel besluiten dat ik op mijn zolderkamertje wil zitten en van hieruit wat wil verdienen, maar ik wil ook gewoon mijn verantwoordelijkheid nemen voor de kinderen, het huishouden. En de ongelijkheid met de Man moet niet nog aangescherpt worden doordat ik in een vaag freelancersbestaan duik.

Het is moeilijk de tekenen te lezen. Is het bijna klaar, moet ik doorzetten? Is schuilen zelfzorg, of is het struisvogelgedrag? Moet ik er bij zijn, of net niet? En waarom heb ik die drenkeling niet gezien?

 

Groeipijnen

De Man en ik hebben wat groeipijnen gehad de laatste maanden. Afstand, nabijheid, verwachtingen, teleurstellingen. De dingen van vroeger die plots heel aanwezig blijken te zijn.

Het was leerrijk. Ik heb blijkbaar een soortement innerlijke paniek als ik te veel tijd alleen met de kinderen doorbreng omdat dat mij vroeger te veel was. En hij heeft blijkbaar soms eens een doel nodig waarvoor hij enigszins uithuizig is (lees: trainen voor een marathon). Ik verwacht blijkbaar dingen als vanzelfsprekend, terwijl hij de verwachtingen liever uitgesproken ziet. Mijn liefdestaal is een pak explicieter dan de zijne (ik zeg lieve dingen, ik benoem hoe blij ik ben, ik knuffel graag), hij wil liefst dat alles gewoon goed gaat en niet te veel tralala. O, wat ben ik een vat vol tralala.

Op een kinderloze avond duiken we de diepte in met praten. En het lukt. In plaats van verwijten (jij doet dit wel of niet), vertellen we elkaar over onze pijnplekjes. In plaats van zijn intensieve trainingsschema te hekelen, vertel ik hem plots dat ik altijd bang ben dat ik te weinig ben en te weinig krijg. En hij vertelt me dat hij verdriet uit het verleden te verstouwen heeft en dat dat al gebeurd had moeten zijn en ik zeg ‘m dat het mij niet kan schelen, dat het van hem is en dat het zijn proces is. Natuurlijk kan het me schelen, maar ik kan er niet meer boos of gekwetst om zijn.

En zo praten we en is er begrip en kwetsbaarheid en liefde.

Wie had gezegd dat het makkelijk zou zijn? O ja, niemand.
Blijkt dat het toch altijd weer je eigen werk doen is, een lief hebben. Je eigen innerlijk werk opknappen, een betere versie van jezelf worden, de scherpste kantjes er af veilen. En nederig zijn. En dankbaar om wat er is.

Zo.
En dan zijn er weer de dagen.
De dagen dat ik vroeg moet vertrekken en dat ik hem achterlaat, op de grond zittend met de kleine zoon, een spelletje van Jip en Janneke spelend. Ik zou het moment ingekaderd hebben en ik ga zo gerust weg, zo ongelooflijk gerust en gelukkig.

En dan zijn er weer de dagen. 
De dagen waarop we ’s avonds wat knorrig en suffig op de bank liggen, en een bakprogramma kijken. (Ik? Yes.) En dat het gewoon goed is zo.

En dan zijn er weer de dagen.
De dagen waarop we negen kilometer gaan wandelen door de duinen en praten en twee regenbogen zien en een hert en een kudde paarden en dat ik denk dat ik uit elkaar spat van geluk.

En dan zijn er weer de dagen.
De dagen waarop ik wil dat het altijd zo blijft.
Alle dagen van mijn leven.

 

Erbij zijn

Het is weekend en we hebben een discussie. De Man en ik. Again.

Het hele thema is ‘erbij zijn’. Je hebt je eigen noden, en er is het clubje. Daartussen laveer je permanent.

Op zaterdagmiddag gaat de Man rusten. Ik zet de kinderen in de bakfiets en ga naar een landgoed waar we de meest spectaculaire herfstwandeling ooit maken. Uiteraard heeft dit een hele context en voorgeschiedenis, maar ik ben niet zo blij met de afwezigheid (mentaal en fysiek) van de Man. En daar krijgen we ruzie over.

Mag hij dan niet kiezen wat hij doet?
Tja. Ja. Hij moet over zijn eigen behoeftes waken etc etc.

Maar toch denk ik dat het belangrijk is er in een bepaalde mate bij te zijn, in het leven. En dat confronteert me ook met mezelf. Mijn introverte en gevoelige ik wou zaterdag ook liefst even lekker in bed, even alleen zijn. Omdat hij het deed, was er geen optie voor mij. Dus ik bleef er bij, en werd beloond met twee happy kinderen, natuurpracht, een mooie herinnering. Ik denk dat het juist was om er te zijn, op zaterdag. In het moment. Bij hen. Hoewel mijn hele neiging was mijn kussen over mijn hoofd te trekken en wat te gaan bekomen van de week.

Erbij zijn is best moeilijk voor mij. Ik sta in de badkamer, poets mijn tanden en realiseer me dat dat het probleem was met mijn werk het voorbije jaar. Ik was er niet. Ik was er niet bij. Fysiek en mentaal niet. Als het enigszins kon, werkte ik thuis. Er zijn is een keuze, vraagt dat je dingen doet die tegen je gevoel ingaan (liever lekker thuis dan in de vreselijke kantoortuin), maar ik denk dat het heel vaak het juiste is om te doen. En dat het ook wel loont.

Ik ben gevoelig en introvert, snel overprikkeld. Dus er zijn is best moeilijk voor mij. In vriendschappen, in contacten, in werk, in relatie, in moederschap. En toch, toch denk ik dat het essentieel is om me daarin te oefenen. Ik hoef niet overal bij te zijn, ik kan keuzes maken. Maar in de essentiële dingen moet ik er leren zijn. Met mijn hart.

Home

Het is avond en ik lig op de bank. De Man is weg, het huis is stil.
En ik kijk you-tube-filmpjes. Van hippies die muziek maken.

Ik kijk even rond naar het relatief nette huis in de nette straat waar ik terecht ben gekomen. Dan toch geen yurt. En geen bosman, maar een nette IT-er met gadgets en een hardloophorloge. Ik bedoel maar.

Ik realiseer me dat ik thuis ben. En thuis, daar is het hart.

Een hippie-filmpje voor jullie. Kijk vooral naar het clipje en dan vooral naar de hippiemevrouw die alles is wat ik niet ben en zo’n grappig gezicht heeft en beweegt en een brede mond en een leuke stem. En de leuke hippieman waar mijn IT-er ongeveer het tegenovergestelde van is. En dat is perfect zo.

 

Keukenprinses

Vroeger kon ik koken. Ik heb zelfs een jaartje kokschool gedaan in avondonderwijs. Ik ben al geruime tijd vegetariër, maar ik maakte zonder mijn hand ervoor om te draaien vis en vlees voor bezoek.

Lid worden van het voedselteam gaf een nieuwe dimensie aan mijn kookkunsten. Ik ontdekte deze leuke groentenwijzer, werd lid van Velt (ik was al lid van Eva), en kocht o.a. het grote Velt-boek dat niet mooi is maar een schat aan info bevatte over evenwichtig en duurzaam eten. Een etentje met vrienden leidde wel eens tot de opmerking dat ‘als vegetarisch zo lekker was, ze dat ook wel meer konden proberen.’

Het mooie ‘Goed eten’ van Dorien was voor mij trouwens ook een voltreffer. Eten én lezen. Aaaaah.

En toen kwamen de jaren met alleen de kinderen en ik. Kinderen die niets lusten, ik te moe. En geloof me of niet, koken kan je afleren.

Verhuizen naar het huis van de Man zou verandering brengen. Althans, dat geloofde ik. De Man had immers een schoon vijfpitsgasfornuis dat stond te blinken in zijn keuken (en waar hij soms een eitje op kookte ;)), met drie ovens. Drie! ‘Ik kan zes pizza’s tegelijk bakken in de rechtse,’ verklaarde de Man. Euh, ja. De bovenste is een grilloven. De onderste een gewone oven. En dan is er ook nog een microgolf. En een retro-koelkast. En dan toch op afhaal-eten leven, hé. Anyway.

Maar het succes bleef uit. Niet alleen is de kleinste een kniesoor van jewelste aan tafel (ik heb ons aangemeld bij een antroposofische jeugdarts om het probleem holistisch te bekijken), ook zegt de oudste dat hij nooit iets lust van wat ik maak (slik), en gaat de Man regelmatig Thai halen als hij ziet wat ik aan het maken ben. Zucht.

Een abonnement bij de Pluktuin bracht geen soelaas. Wel fruitvliegen. De Man kijkt me nog steeds verwijtend aan als hij in de keuken komt en het daar gezellig bevolkt is.

En toen gebeurde het. Ik haalde het nieuwe kookboek van Mme in huis: honger. Ik las het en begreep dat het vol dingen staat die ik in principe kan maken. Bovendien staat elk stapje goed uitgelegd, is het grappig geschreven, zijn de foto’s prachtig en staan er suggesties voor bijgerechten of alternatieven bij elk gerecht (bv vegan versie).

Gisteren aten wij de hemelse prei met gnocchi. Ik heb gewoon gedaan wat er stond en ik heb complimenten gekregen van de Man. Daar is hij normaal niet kwistig mee, zal ik je vertellen.

En voor vanavond kies ik gewoon een leuke lasagna uit.

Honger. Je kan het bij de Madame zelf bestellen (zie haar website). Het is elke euro waard. Geloof me.

 

 

 

 

De goed-nieuws-show

Ik las een boek waarvan de boodschap min of meer was dat de mogelijkheden niet ophouden bij het onmogelijke. Dat je meer bent dan je denkt.

En jeetje, wat confronterend. Ik voel me vaak zo beperkt door mijn gevoeligheid en intense beleving, maar het is waar dat ik me daar niet volledig door moet laten bepalen. Of er moedeloos van worden. Hoe ik het wel moet aanpakken, is mij niet geheel duidelijk, maar bij deze alvast een goed-nieuws-show. De dingen die wel goed gaan.

  • Ik heb bijna een vriendin. Een mama van de school met drie kinderen. We dronken een keer koffie samen, dan nodigde ik haar een keer uit met de kinderen en we hebben koekjes gebakken en versierd, en gepraat. Ze is erg aardig en ze heeft leuke kinderen en ik voelde me precies een normaal mens, zo met een tafel vol kleintjes die dino-vormpjes uit deeg zaten te drukken.
  • De Man en ik hebben een mooi gesprek gehad. Hij kwam ’s ochtends in het halfduister op bed zitten en zei dat hij niet heel goed meer wist hoe het met ons moest, als ik me niet zo gelukkig voel zoals in het weekend. We spraken en intussen had ik het inzicht dat het waarschijnlijk nu eenmaal zo werkt dat ik dingen expliciet moet vragen en aangeven, in plaats van te verwachten dat hij dingen aanvoelt en dan teleurgesteld te zijn als dat niet zo is. Waardoor hij zich aangevallen voel en ik de hele nacht airbnb’s zoek op mijn telefoon om weg te kunnen gaan. We zeiden sorry tegen elkaar, en we knuffelden, en de voorbije dagen hadden we best veel grapjes en ook veel leuke dingetjes.
  • Ik heb een opleiding gespot die ik wil doen. Wat betekent dat ik mogelijk in een klasje terecht kom voor een avond om de twee weken gedurende drie jaar. En zo ga ik vrienden maken. Gezien de aard van de opleiding vast geitenwollen sokken-types. Net iets voor mij.
  • Ik heb bloemen gekocht en een Flow over boeken. Altijd goed.
  • Ik heb eindelijk wat spaargeld op mijn rekening, voor het eerst sinds jaren. Niet veel, maar iets.
  • De Man en ik zijn gaan eten in een nieuw restaurantje. En jeetje, wat is gevulde pasta met peer en een soortement heerlijke Italiaanse kaas verrukkelijk.
  • Heel mijn hoofd en schema is in de soep gedraaid omdat ik totaal nooit kan inschatten hoeveel tijd dingen mij kosten en wanneer ik wel of geen energie heb. De nood is nu even acuut zo hoog (lees: van alle kanten wordt er aan mijn mouw getrokken) dat ik weer eens energie heb om bergjes te verzetten. En plannen om dat vol te houden.
  • Ik heb een nieuwe huisarts. Ze is antroposofisch. Haar kamer ruikt naar hout en er hangen allemaal van die antroposofische kunstwerken. Ik ging met haar praten over stoppen met mijn medicatie (mijn hartslag is toch vrij hoog met die rilatine en ik heb een soort bijgeloof dat een hart maar een beperkt aantal slagen kan maken en dat ik dus mijn leven drastisch inkort door het gebruik, bovendien zijn mijn kaken in een soort permanente kramp) en hoe ik mijn hoofd dan een beetje gemanaged krijg, en ze stelde voor een soort oliebehandeling te ondergaan, twee maal per week, waarbij ik ingepakt wordt door een verpleegster in warme doeken. Hell yeah. Zo kan ik contact maken met mijn kern. Zelfs als het niet werkt, blijf ik het doen. 🙂
  • De kleine zoon zei: soms ben ik zo blij dat mijn ogen nat worden.

 

Vullen jullie aan met jullie goede nieuwsjes?