Mothering the mother

De zwangerschap, de kraamtijd, de babytijd, het eerste jaar. Ik heb het allemaal al twee keer meegemaakt. Intussen zijn de dames hier aan hun tweede winter toe, rond de anderhalf jaar, en is daar de Vreselijke Winter. Want nu ik het meemaak, herinner ik het me pas: er is altijd een winter met een kind waarin je van ziekte naar ziekte sukkelt, er met zijn allen aan onderdoor gaat, het hele huis begint te kreunen onder achterstallig onderhoud, alles permanent onder het snot/de spuug/de diarree hangt, de was niet bij te houden is, de nachten drama’s zijn ondanks het eerder verworven ongeveer doorslapen, …

Bij de jongens dreef die fase me tot uitzichtloosheid en wanhoop. Ik herinner het me plots ALLEMAAL want we zitten er weer middenin en leven van griepje naar luchtwegeninfectie, van buikgriep naar hoestbuien, van tandjes en bijhorend leed naar een nieuwe buikgriep enzovoort.

Ik ben er niet zo best aan toe, merk ik along the way. Voor de tweede keer op een maand tijd ben ik geveld door een buikgriep. Je moet weten dat ik een fobie heb voor overgeven, dus ik vind het extreem erg dat ik op een maand tijd TWEE keer buikgriep heb. De eerste keer was erg. De tweede keer is er ééntje met acht keer op één nacht. De nacht nadat de beebs samen 18 keer hebben gespuugd en we letterlijk heel de nacht getroost hebben, lakens en pyjama’s en slaapzakjes verschoond en gewassen. De kleinste twinnie, tevens recordhoudster, kotst ’s ochtends slapend gal door haar neusje.

Anyway. De hele nacht dus – wat een verschrikking. De ochtend breekt aan, ik heb een betaalde klus (want o ja, ik ben ook startend zelfstandige en heb eindelijk een echte opdracht bij een organisatie enal) maar ik kan mijn hoofd niet optillen. Alles doet pijn, mijn botten, mijn hoofd, mijn maag, mijn keel. Ik blijf de hele dag lijden in een donkere kamer. De nacht die volgt heb ik nachtshift met de twee baby’s want de Man is ziek in de kamer ernaast. Ik ben op, totaal op.

Als ik ziek ben, word ik er meestal ook nog depressief bij. Dat is heel stom maar wel verklaarbaar (namelijk: je goed voelen vraagt ook energie). De hele zieke dag lig ik in bed en het lijkt alsof ik zo gesloopt ben door al die moederjaren op de teller, door het alleenstaand moeder, door het tweelingzwanger zijn, door het hebben van een tweeling, dat ik er nooit meer bovenop kom. Ik had me net een sportief doel gesteld dat ik tegen niemand zeg en waarvoor ik een geheim trainingsplan had opgesteld, om mezelf de hoop te geven dat ik binnen een half jaar krachtig en fit een medaille binnen rijf om te bewijzen dat het wel kan, moeder zijn en ondernemer en een fit wijf. Maar ik lig in bed en mis mijn tweede training en schaam me al te pletter en besef dat het moeder zijn, zelfs met de Man en in tamelijk luxe omstandigheden, zo een aanslag is op alles. Op mij. Ergens op instagram las ik iets over ‘mothering the mother’ en dat voelt plots als een schrijnend gemis. Dat er voor mij gezorgd wordt, zodat ik deze hopeloze eindeloze taak tot een goed einde kan brengen. O ja, wacht, er is geen einde.

En dan komen er hulptroepen. Zomaar uit België. Ik vind het zelf tamelijk absurd als ik er over nadenk. Terwijl ik ellendig op de bank lig, worden mijn toiletten gepoetst, wordt er gekookt, opgeruimd en een berg was weggewerkt op uiterst efficiënte en deskundige wijze. Ik blijf achter met een bos bloemen op tafel en een huis waarin ik, als ik eenmaal beter ben, niet meteen de puin van een aantal dagen ziekte moet gaan ruimen.

Zo dankbaar.

Leven met de barbaren

Het is absoluut relatief. Dat weet ik. Het gaat voorbij. Het is een fase.
Maar soms komt het mijn strot uit.
Zo. Ik heb het gezegd.
De meisjes hebben één of andere zeer eigenaardige trek. Alleszins niets genetisch van mij, dus het moet wel van bij de Man komen of een soort van normaal menselijk gedrag vanuit de evolutie. Maar tijdens elke maaltijd gooien ze hun bord met inhoud en al weg, en hun beker er achter aan. Soms meerdere keren. Na elke maaltijd schraap ik etensresten van de vloer. Een hoeveelheid waarmee ik nog een tweede tweeling zou kunnen voeden.

En ik weet dat het niet erg is. Net als het ontplofte huis, de dagelijkse drie wasmachines was, de nachten met gemiddeld acht onderbrekingen. Het gaat over, ik wou de baby’s graag, ik mag blij zijn met twee gezonde poepies.

Maar soms. Soms ben ik het gewoon even helemaal moe. Meestal is er dan meer aan de hand. Een vriendin die afzegt. Een ruzie met de Man. Ongesteld. De nanny die een dag ziek is waardoor mijn hele planning in het honderd loopt.
Dat zijn de druppels. En de emmer loopt dan wel eens over.

Ik voel dat dan zelfs fysiek. Een zwaarte. Mijn lijf voelt log. Mijn hoofd doet pijn. Mijn oogleden slepen. Ik kan het niet opbrengen koffie te zetten voor mezelf. En natuurlijk zijn er ook remedies. Allerlei dingen die goed zijn voor je mentale gezondheid en waar je geen zin in hebt als je je zo belabberd voelt. En een guilty pleasure: overdag tv kijken. Tijdens het middagdutje. Nadat het eten van de grond geschraapt is.

Dametjes

De grootste heeft gepoept. Haar slaapzak zit onder. Voor de zekerheid verschoon ik het bed maar even. Traphekjes toe, aan de slag. Ik haal de lakentjes. In die tijd hebben de dames met vereende krachten de prullenbak geleegd. Ik ruim op. In die tijd hebben de dametjes met vereende krachten de wasmand geleegd. Het is alsof er een bom ontploft is – de vuile was is overal.

Ik zet dit muziekje aan. De grootste zwaait met haar handjes, de kleinste schudt met haar heupjes.

Het is avond. Er moet heel veel gebeuren. Ik wil een rondje hardlopen, heb de keuken opgeruimd, de afwas gedaan, de was ingestoken, moet het speelgoed nog opruimen. De Man komt de trap op met de kleine dochter, die me verheugd aankijkt en dan naar de bank wijst. Kleine schurk. Op de bank zitten, moeke tanken. We zitten. Met een dekentje. Ze zucht van contentement. Draait zich dan om en zegt ‘ham!’. (Ja, hier bestelt mevrouw dus wat te eten.)

Ochtend. We zwaaien de Man uit. Grote dochter vlijt haar hoofdje tegen mijn schouder. Ze is zacht en lief en baby-achtig. Kleine dochter staat aan mijn been. Ze ziet haar kans schoon en zet het op een rennen, de straat op, de andere richting uit dan de Man. Thank God voor autovrije straatjes. En jeetje, hoe kom ik aan zo een ondernemend kind?

Het is veel, het is druk, het is dag-en-nacht en ik drink alleen maar koude koffie. Maar het is ook zo uniek en grappig en overweldigend en het gaat zo akelig snel.

Overbodige luxe

O, het is luxe. Naast mij springen de kinderen in het zwembad. De kleintjes slapen. Ik heb al twee boeken gelezen – en nu zijn mijn boeken op en in dit deel van Europa is de zoektocht naar Engelstalige literatuur een hele opgave. Er moet zo weinig. Eten, de was, de afwas, de kinderen wassen, mezelf wassen. Een uitstapje, gisteren gingen we naar een concentratiekamp en vond ik geen woorden om de jongens uit te leggen wat mensen elkaar kunnen aandoen, en waarom. Het schudt alleszins mijn moederschap wakker. Door kinderen te hebben van verschillende leeftijden vergeet ik wel eens wat ik mijn grotere kinderen wil leren en meegeven, want de zorg voor de kleintjes is nog steeds alomvattend. Maar gisteren reed ik met de jongens de heuvels op en af. In de verte zagen we het kamp liggen. Ik kon de oude, zware energie voelen. De jongens liepen met me mee, gingen donkere cellen in en stonden met hun ogen te knipperen bij bedden in kamers die dienden voor zestig mensen.

Vakantie is luxe, en ik ben dankbaar. Maar ik realiseer me weer dat ik niet graag reis (ok, soms is vakantie ook wel lekker). De voorbije jaren dacht ik dat het aan het alleenstaand ouderen lag, dat reizen nog vermoeiender was dan het normale leven thuis. Maar nu ik gepakt heb voor zes, twee dagen auto heb gehad met zes waaronder twee 1-jarigen, mijn weg zoek in vreemde supermarkten en rijd over vreemde wegen, nu weet ik het weer. Ik reis niet zo graag. Ik ben zo ontzettend moe en kijk nu al op tegen de terugreis, het terug in onze plooi vallen thuis.

Tijdens de vakantie valt er slecht nieuws op mijn dak. Een ex-collega had me een klus doorgespeeld die me op het lijf geschreven was, maar de betreffende organisatie had al een andere adviseur onder de arm genomen. Al mijn plannen lijken zo overbodig, zo kwetsbaar, zo stom. Ik ben het moe ‘arm’ te zijn. Geld genoeg in ons huishouden, maar het staat niet op mijn rekening. Ik YNAB me te pletter, om het weinige geld dat er binnen komt bij mij te verdelen over de uitgaven die er zijn voor de kinderen en mezelf. Uiteraard kan ik altijd aankloppen bij de Man en helaas heb ik dat al gedaan tot een bedrag met vijf nullen – zucht. Hij geeft er niet om, ik wel. Het voelt kwetsbaar om afhankelijk te zijn. Maar ook: ik weet dat ik wat kan als adviseur, ik wil eindelijk ook eens wat gaan verdienen met mijn kwaliteiten. Geld is niet zo belangrijk, maar het is alsof ik al jaren de eindjes aan elkaar zit te knopen en niets opbouw, en ik ben op een leeftijd gekomen dat ik graag iets wil opbouwen. En ook: ik weet wat ik kan en wil, maar ik weet niet hoe ik de brug moet slaan tot de vragen die er waarschijnlijk zijn en waarmee ik aan de slag kan. Het is een zoektocht, een puzzel. En zo ver van huis, ver van mijn kleine kantoortje, voelt alles zo absurd en raar aan.

Ik heb nog wat werk bij. Op de zesde vakantiedag zet ik mijn geluidswerende koptelefoon op, neem ik mijn computer, ga ik wat doen. Ik denk aan mijn kantoortje, dat ik voor vertrek zorgvuldig gestofzuigd heb en netjes opgeruimd. Ik tel de dagen voor ik weer daar kan zijn. Alleen, bij mezelf. En tot die tijd, tot die tijd. Hier, nu en morning pages.