De destructieve relatie-files

Gisterenavond, na mijn yogasessie, belandde ik aan mijn computer met het vaste voornemen nog een voorstel te schrijven waar een organisatie op zat te wachten. Mijn oog viel op het Dirk-mapje in mijn inbox. Alles wat Dirk en ik ooit aan elkaar hebben geschreven, zit daar in.

Ik ging helemaal naar het prille begin. De eerste verkennende berichtjes. Het indruk proberen maken op elkaar. De spanning die steeg, maandenlang. Het eerste bericht nadat we toegegeven hadden aan het verlangen naar elkaar – dat je toch zo lang mogelijk onder controle probeert te houden want wat als de ander niet hetzelfde voelt? Hij had me de weken voordien meermaals laten weten hoe lief hij me had, maar dat ik me geen zorgen moest maken, dat het niet seksueel was. Ik spatte bijna uit elkaar van verlangen maar durfde geen poging doen, omdat ik dacht dat hij me zou afwijzen. En toen was daar plots die ochtend… Enfin. ūüôā

Wat me opvalt, is dat de situatie in die eerste weken al conflictueus was. Aantrekken, afstoten. Aansturen op conflicten en misverstanden. Wat me ook opvalt, is hoe onzeker ik ben. Hoe vaak ik me excuseer. Hoe ik naar hem opkijk. Hoe bang ik ben om iets mis te doen. Hoe klein ik me maakte.

Op een gegeven moment ‘wist’ ik blijkbaar dat er iets mis was. Ik ben mails aan mezelf beginnen schrijven, omdat niemand in mijn omgeving geloofde dat die charmante man (een vriend mailde me dat ik met mijn gat in de boter was gevallen met Dirk, die mail zit ook in het mapje) me de stuipen op het lijf joeg. Nu lees ik met groeiende verbazing dat¬†ik exact de vinger legde op wat er aan de hand was. Ik wist alleen nog niet dat het een naam had, en dat het ongeneeslijk is.¬†

Waar ik bang voor ben is dat je zorg en gevoel niet om mij draaide of oprecht was voor mij¬†maar een manier was om zelf belangrijk/onmisbaar/iemand te zijn en dat ik dan een gemakkelijk ‘slachtoffer’ was voor je. En op momenten dat ik geen makkelijk slachtoffer was, destabiliseerde je me¬†(ik herinner me een aantal vernederende en pijnlijke momenten, die sterk toenamen naarmate we de laatste weken vaker bij elkaar waren)¬†zodat ik weer vatbaar werd voor je.

Ik weet echt niet meer wie je bent en ik heb het gevoel in een soort nachtmerrie beland te zijn.

Ik moest gisteren, toen ik in dit lege en koude huis thuis kwam, mijn oren dichthouden om mijn eigen dierlijk klinkende gehuil niet meer te horen. Ik heb het gevoel dat er elke dag iets bij komt, dat het nooit ophoudt. Dat jij me enerzijds belooft dat je er voor me bent, om me vervolgens te afgrond in te trappen als er ook maar enigszins een aanleiding toe is.”

Ik ken mezelf niet zo, zoals ik nu ben. Je maakt gebruik van mijn zwakte op dit moment, door de omstandigheden, om me emotioneel helemaal onderuit te halen.”

Ik merk aan jou dat je elke stok om me te slaan aanneemt. Elke stok.
D., ik ben bang van je.
Ik ben echt bang van je.
Je toont je telkens betrouwbaar en liefdevol, tot er weer een (vaak futiele) aanleiding is om je op een ongenadig harde manier op te stellen.
Dit soort crisissen verstoort heel mijn ‘zijn’, al mijn energie verdwijnt en ik word er bang van.
Ik word heel de tijd heen en weer geslingerd tussen jou proberen vertrouwen, wat je ook in de hand werkt met allerlei grote beloftes en een soort houding die je aanneemt, en de totale crisis die daar telkens op volgt. In die zin voel ik me gemanipuleerd: het lijkt alsof je telkens mijn vertrouwen probeert te winnen en me me veilig probeert te laten voelen, om dan nog harder te kunnen ‘slaan’. Dat veilig voelen werkt trouwens niet meer. Ik voel me niet meer veilig bij je, ik ben voortdurend op mijn hoede.”

Het is me intussen duidelijk dat jij een aantal frustraties hebt en onzekerheden, die te maken hebben met werk, autoriteit, maar ook met liefde.
Hoe jij je veel te vaak opstelt, op een uiterst kinderachtige manier met je ego hoog in het vaandel, verdraagt geen gesprek, toont geen opening, … Ik verdraag het niet meer. Ik verdraag het niet meer om telkens ‘geslagen’ te worden, genegeerd, afgewezen, om dingen waarover gesproken kan worden en die niet tot zo’n drama’s moeten leiden. Ik verdraag niet meer dat jij het negatieve uitvergroot, en voor het gemak daarbij al het positieve vergeet. Ik verdraag het niet meer dat te willen verbergen voor anderen en dan krampachtig te doen alsof alles okee is en jij een lieve en zorgzame man bent.”

En al bij al vind ik dat we een afschuwelijk patroon hebben ontwikkeld dat me doet denken aan het patroon van een relatie waar fysieke mishandeling in voorkomt. Je neemt telkens een (vaak futiele) aanleiding aan, om me mentaal te kwetsen en vernederen. Doordat je de aanleiding telkens bij mij legt, voel ik me schuldig en denk ik dat ik het zelf gezocht heb. Daardoor durf ik het ook tegen niemand zeggen, waardoor jij naar de buitenwereld toe je charmante rol kan blijven spelen en ik – bij al die enthousiaste reacties van anderen – blijf denken dat het mijn schuld is wat er telkens gebeurt. Intussen, en ook dat is typisch, ben ik zo op mijn hoede dat ik dan nog fouten maak ook van zenuwachtigheid, en doe ik godganse dagen naar de hele wereld toe ‘alsof’.”

Het pijnlijkste stukje is een waarneming die ik schrijf. Dat de Kleuter – toen peuter – bang was van Dirk. Ik heb erbij geschreven aan mezelf dat ik sterk genoeg moest zijn om het alleen te doen. Dat dat tenminste veiliger zou zijn. Maar ik was zwanger en ik kon me niet voorstellen alleen te moeten bevallen. Ik had geen schema voor dat scenario. En ik weet ook nu nog absoluut zeker dat mijn directe omgeving, waaronder mijn ouders en familieleden, die beslissing onethisch hadden gevonden.

Ik ben verbaasd over de complexiteit van destructieve relaties. Over het feit dat ik jaren¬†geleden al dit soort dingen haarfijn analyseerde, maar telkens aan mezelf twijfel(de). De zelftwijfel heeft te maken met mijn ouders die nu nog steeds ‘partij’ kiezen voor hem, en de situatie waar ik in zat die zo onlogisch en bij momenten absurd was, dat ik dacht dat ik het verzon. Bovendien schaamde ik me. En werd ik steeds kleiner in elke ronde vernederen, negeren. Hij bracht me elke keer op dat punt waarop je om het even wat bekent, om van de pijn af te zijn.

’s Nachts, na het lezen, ben ik doodsbang. Ik slaap amper en als ik slaap, komen de gruwelijkste nachtmerries voorbij. Met deze man samenleven, was een gevaar. Ik en de kinderen zijn in gevaar geweest. En misschien nu nog. ’s Ochtends ben ik gesloopt. Een gevoel dat ik in dat samenleven ook vaak had, na een nacht vol van de ergste angsten en scenario’s. Tasten in het duister. Ik begrijp nu weer van mezelf dat ik¬†in een toestand van vertwijfeling, vermoeidheid en angst moeilijk kracht kon¬†genereren, mezelf¬†vertrouwen en volgen, in te gaan tegen o.a. mijn¬†eigen ouders die er anders naar keken. Ik heb meermaals gedacht dat ik gek was. Of minstens een hysterisch wijf. Ik begrijp van mezelf dat ik in dit soort enorme angsten en crises altijd heel opgelucht was als Dirk terug zijn charmante gezicht boven haalde. Dat ik me daar aan vastklampte, er in meeging, in de hoop dat het waar was. En dat de rest maar een nachtmerrie was geweest.

Helaas.

Wat ik leer, door terug te kijken, is dat mijn intu√Įtie feilloos werkt. Alleen werkte mijn vertrouwen in mijn eigen kracht niet – wat ook niet gek is als je psychisch mishandeld wordt. Ik geloof tot op de dag van vandaag niet dat ik het alleen aankan.

Wat ik zie, is dat die gestoorde ‘dans’ nog steeds bezig is, maar dan in een andere vorm. En dat ik daar uit aan het stappen ben, wanhopig hulp zoekend her en der, omdat ik weet dat ik op dit moment niet sterk sta door vermoeidheid en zorgen.

Wat ik concludeer, is dat Dirk wel degelijk een persoonlijkheidsstoornis heeft. En dat dat laatste circus niet meer was dan circus, om mij er weer eens onder te krijgen.

Wat ik zie en wat me stil maakt, is dat ik het heb laten gebeuren, maar dat ik me wel degelijk ook heb geweerd. En nu nog, o.a. door naar de rechter te stappen.

Ik hoop en bid dat het rapport van de gerechtsexperte zal tonen wat ik weet.
Ik hoop dat ik de kracht heb om nu echt uit die gestoorde ‘dans’ te stappen.
En verder te gaan.

 

 

 

 

 

Brief aan Dirk: the final

Deze brief is een tijdje geleden geschreven. Ik had hem even bewaard als concept (dacht ik), maar plots publiceerde hij zichzelf. Hij dateert van net voor ik mentaal en fysiek ging ‘dippen’. Wel fijn voor mezelf om terug te lezen dat het blijkbaar toen echt goed ging, en motiverend om terug naar die mindset te evolueren.

Dirk. Dirkje.

We zijn nu ongeveer twaalf maanden na jouw vertrek. Ik ben gestopt met het exact bij te houden. In april is het een jaar, dat weet ik wel.

Ik had me niet kunnen voorstellen dat ik dit zou schrijven vandaag, Dirk. Of ooit nog. Maar ik ben zo gelukkig geworden.

Als de hemel op je kop valt en je komt daar wat geschonden onderuit gekropen, dan weet je hoe sterk je bent en dan is er niets meer om bang voor te zijn.

Als je stopt met verlangen naar wat was, of naar wat je niet hebt, en het gewoon hier en nu doet met wat er is, dan kan je jezelf gelukkig noemen.

Er liggen twee prachtige jochies te slapen in dit warme huis. Ze hebben rode wangetjes, die ik zacht aai. Het huis is opgeruimd, de koelkast gevuld. Ik heb energie om nog te werken ’s avonds en geraak dan vaak in een flow, waarbij tijd vervaagt en mijn hoofd functioneert als structuurmachine of als fontein van idee√ęn. Al de watten die in mijn kop zaten toen het verdriet het ergste was, zijn weg.

Verder is er niets veranderd. Jij bent nog steeds weg, we gaan geen nieuwe kinderen meer krijgen en geen gezin meer zijn. Kleine kinderen blijven vermoeiend, praktisch is het puzzelen, financieel nog meer.

Maar ik ga er anders mee om. Ik maak soep om op vakantie te kunnen met de mannekes. Dat er twee goede doelen mee geholpen zijn, en dat ik me warm in een bad van lieve reacties, is mooi meegenomen. We rijden samen in de auto en knikken alledrie met ons hoofd op de muziek, tot we moeten schaterlachen, wij drie, zeker als ik omkijk en zie dat Babybroer met zijn handjes mee-danst op de muziek. We dansen op het grote bed, soms. En ik foeter als ze het tafelkleed hebben volgeschilderd, of als ze mopperdagen hebben. Maar ik ben geen moeder meer die in huilen uitbarst of van wanhoop niet meer weet hoe ze de avond moet halen.

Misschien is er toch wat veranderd. Misschien is alles veranderd.

Enkele dagen geleden lag ik op de tafel van de osteopaat die mijn bekken probeert recht te zetten. Me even overgeven aan handen als kolenschoppen die met een kracht en precisie werken… Nou ja, heerlijk. Ogen toe en denken dat ik wel met die man zou willen trouwen. Ergens tussendoor vroeg hij of dat niet zwaar is, alleen met de kinderen. Ik deed een oog open en zei tot mijn eigen grote verbazing: ‘Nee hoor, gaat prima. Ik heb geweldige kinderen.’

Zo, gaat prima dus. Dat je het even weet.

Hee Dirk, wat jammer voor je dat je dit niet kan meemaken. Het is verdraaid fijn hier, in ons gezinnetje.

P.

Verliefdheid is een rare bril

Een half jaar geleden keek ik naar Dirk. Zijn bruine ogen vonden de mijne. Ik kon me niet voorstellen dat ik me zo vergist had in hem.

Anderhalf jaar geleden werd ik wakker ’s nachts, liggend tussen Dirk (links) en Babyzoon (rechts). Ik voelde het warme lichaam van Dirk, en mijn gepieker over onze problemen (die vooral van financi√ęle aard waren en veroorzaakt door het feit dat hij niet wou werken), vervaagde. Ik voelde me de prinses te rijk, geloofde dat we alles wel gauw zouden overwinnen en dat we dan nog een kindje konden krijgen (en nog √©√©n en nog √©√©n en nog √©√©n…) en lang en gelukkig leven.

Heel lang daarvoor, ontmoette ik hem voor het eerst. Hij was wat mysterieus, wat zonderling. Ruig. Leefde naast de maatschappij, omdat – zo vulde ik in – hij kritische vragen stelde bij de waarden die in deze maatschappij voorop staan. Hij fascineerde me. Ik voelde me aangetrokken tot hem. Avonden met lange gesprekken gingen over in nachten samen. Af en toe waren er dingen die niet ‘klopten’, maar ergens in mijn hoofd werden gedachten daaraan gevangen, opgesloten in een ver hoekje of plat geslagen.

Ook later had ik elke keer weer een uitleg voor dingen die niet goed liepen. Hij hoefde zichzelf niet te verdedigen, dat deed mijn hoofd wel voor hem. Dat hij niet werkte? Dat was omdat hij tijd nodig had, of hij wou wel maar hij kon het niet, of hij moest nog even dealen met zijn weerstand tegen gezag, of hij moest nog wat wennen aan het leven als vader. Dat hij niets opruimde en de boel de boel liet? Nou, ik was daar vast veel te strikt in. Ik was abnormaal dat ik het allemaal wat op orde wou, niet hij. Dat hij me steevast alleen naar feestjes liet gaan, zelfs toen ik hoogzwanger was? Tja, hij had het immers toch wat moeilijk met drukte? Wie ben ik dan om hem te dwingen om mee te gaan.

Pas toen ik hem bezocht op zijn shelterkamertje (zie¬†visite) gingen mijn oogklepjes af. En nu kan ik ze niet meer vinden. Laatst zag ik hem, ik vond hem zo armoedig, een tikkeltje zielig. Iets in mij ging naarstig op zoek naar wat ik zo aantrekkelijk had gevonden, maar euh… Ik vond het niet meer terug.

Verliefdheid is een rare bril. Of een deskundige oogklep. Wat gek dat je een bepaalde realiteit niet kan zien, of voor jezelf kan verbergen, of anders kan zien, omdat je verliefd bent op iemand. En wat gek dat er een point of no return bestaat: eenmaal de bril af, de oogkleppen weg, kan je niet meer terug naar dat comfortabele zelfbedrog.

Hebben jullie ook zo’n ervaringen? Ook in andere contexten dan verliefdheid? Heel benieuwd naar ‘andere’ verhalen!

Brief aan Dirk: visite

Dirk.

Je schrok je vast een hoedje, man, toen ik langs kwam voor koffie. Want dat had ik nog nooit gedaan, visite. Zomaar. In je shelter-kamertje.

Je vertrouwde het niet, je wou weten waarvoor ik kwam.
Omdat ik in de buurt was,’ zei ik. ‘Voor koffie.’
En ik meende het. Ik had geen geheime agenda. Ik kwam omdat het kon, omdat ik door je nieuwe dorp reed, omdat ik tijd had, omdat het in me opkwam.

Je ging koffie zetten. Ik stond in je kamertje van – wat zou het zijn?- 4 op 3. Bed. Tafeltje. Wastafel. Kast. Raam. Stoel. Het kamertje rook naar deo. Ik vond het aandoenlijk te beseffen dat je vast eerst nog even deo had gespoten om een andere geur te verbergen. (Welke?) Je vuilbakje zat vol peuken. Er lagen twee hoofdkussens op je bed. Er stond een leeg flesje van bier. Ik zag een aanmaning tot betaling van gemeentelijke belasting. Naast je bed op een plankje had je een sokje van Babybroer, foto’s van je ouders, twee knutselwerkjes.

Ik besloot op de vensterbank te gaan zitten. Het koekje dat je me aanbood was vervallen. Ik at het toch op, hoewel het erg droog was. Het leek zo ondankbaar en sneu het te laten liggen.

We praatten. Over banale dingen. In het gesprek liet je het voornemen vallen een eigen plek te hebben, dit jaar nog. De schrik sloeg me om het hart, ik kan me amper voorstellen hoe gruwelijk leeg het huis zou zijn zonder de kinderen. Maar ik maande mezelf aan tot rust. Kalm, zover is het nog niet. Eerst zien, dan geloven.

Ik kan me niet herinneren dat ik erg veel heb gezegd. Er gonsde soms een gedachte door me heen. Maar omdat ik opgehouden ben met dingen van je te verwachten, met in je te geloven, met verlangen dat je terug komt, met antwoorden te willen, zei ik maar niets. Ik zei dus niet: ‘ben je nou gelukkig, hier, is dit nu wat je wil?‘. Ik zei ook niet: ‘voor wie is dat tweede hoofdkussen?‘. En: ‘waarom heb je deo gespoten?‘. Of: ‘jeetje, Dirk, je bent een vader. Wat zit je hier in godsnaam in zo’n kamertje te doen?‘.

Ik ging naar de wc, op de gang. Er waren kleine plastiek zakjes met rozen op, voor maandverband. Ik nam er één, vouwde het zorgvuldig op, stopte het in mijn handtas.

Even later liep ik door de regen naar mijn auto. Je had de deur al achter me gesloten. Dat wist ik, ook al keek ik niet om.

Op de terugweg, in de auto, probeerde ik het beeld van jou, rokend in het kamertje met een babysokje naast het bed, te verdrijven door aan zonnigere dagen te denken. Het lukte me niet.

P.

Prinses timmert deuren en ramen dicht

Dirk.

Waar beginnen?

Het ligt vast aan mij. Ik dacht dat een aantal fases van het rouwproces voorbij waren. De ontkenning, blijven hopen dat je terug komt. De zoektocht naar antwoorden. En de woede. Maar blijkbaar is rouwen geen lineair proces. En daar ga ik weer: ik val terug in een nood aan antwoorden, in grenzeloze boosheid waar ik instant doodmoe van word, in hoop dat je terugkomt en dat alles wordt zoals vroeger, maar dan zonder de problemen.

Dirk, je hebt me nooit uitgelegd waarom je weg gegaan bent. Het is moeilijk om het een plek te geven als je niet weet waarom. Dat maakt me boos. Heel erg boos. Er een reden aan geven was misschien wel het minste dat je kon doen. Ik heb zelf antwoorden gezocht en gevonden. Verantwoordelijkheid en stabiliteit, daar had je het altijd al moeilijk mee, dat kreeg je niet voor elkaar. Je hebt veel schade aangericht, je bent niet in staat geweest om er iets aan te doen dus heb je voor de makkelijke oplossing gekozen: je bent vertrokken.

Misschien heb je het allemaal niet zo gepland, Dirk. Misschien wel. Dat zal ik nooit weten, vermoed ik. Maar of je het nu expres hebt gedaan of per ongeluk, gepland of niet gepland, bewust of onbewust, je hebt me financieel en emotioneel gepluimd en je hebt me in de steek gelaten. Dat heeft vast te maken met dat je het thuis zelf niet zo leuk hebt gehad. Maar eerlijk gezegd heb ik het gehad met die flauwekul. Je bent een volwassen man, tien jaar ouder dan ik. Als je problemen hebt, moet je die oplossen op een volwassen manier, en niet schade aanrichten waardoor de problemen nog generaties lang doorgegeven kunnen worden. Want ja, de jongens groeien ook op in een gehandicapt gezin. Ik doe er alles aan om hen op te voeden tot volledige mensen, maar ik ben zelf zo omver geblazen door je vertrek.

Dat brengt me tot een tweede punt. Ik ben ambitieus. Dat woord heeft een vieze klank, maar ik ben niet ambitieus tot mijn eigen eer en glorie. Ik wil de dingen die ik doe graag goed doen, ik wil graag een verschil maken. Niet voor mezelf, maar voor anderen. Ik wil de dingen graag een stapje verder brengen, goed doordenken, ontwikkelen. Niet alleen wat mijn werk betreft, maar ook met de kinderen. En in het huishouden. En financieel.

En het frustreert me dat ik door dit rouwproces, en door de onmogelijkheid te dragen wat allemaal op mijn schouders rust nu, blijf hangen op het niveau van ‚Äėoverleven‚Äô. Ik heb gisteren overleefd, ik zal vandaag overleven, en morgen vast ook. Net stond ik in het station, moest de trein naar mijn werk nemen, en de moed zonk me in de schoenen. Ik wou niet gaan, ik kon niet meer, ik wou niet meer, ik wou alleen maar naar huis en slapen. De trein naar huis dan maar? Nee, daarvoor had ik ook geen moed. Dus ben ik gewoon daar blijven staan. Treinen vertrokken en treinen kwamen aan. Mensen liepen voorbij. Er werd koffie gedronken en er werden broodjes gegeten. Daar stond ik. Uiteindelijk heb ik mechanisch de trein naar mijn werk genomen, het knopje in mijn hoofd uit gezet, geprobeerd niet meer na te denken. En me afgevraagd wat het nut was van het feit dat ik ging.

Jouw vertrek, Dirk, en alles wat daaraan vooraf gegaan is, heeft me jaren van mijn persoonlijke ontwikkeling gekost. En dat neem ik je zwaar kwalijk. Dit weekend kwam ik onverwacht mensen tegen die ik kende, en ik schaamde me voor mijn rok met fruitpapvlekken, de wallen onder mijn ogen, mijn haar slordig opgestoken met een speld, mijn grauwe gezicht.

Bij momenten flakkert er iets op in me. Een wil om terug te vechten. Om mijn leven op een punt te krijgen dat ik met jou nooit had kunnen bereiken. Om de rekeningen te doen kloppen, de jongens goed op te voeden, mijn plannen te realiseren, mijn grenzen te respecteren, opnieuw lief te hebben. Maar de kracht ontbreekt, om te vechten. En de angst is te groot, vooral om lief te hebben. Al zou dat de ultieme overwinning zijn, me met iemand te durven verbinden, me aan iemand te hechten. Geven en nemen, man en vrouw zijn, goede en kwade dagen, babies en gocartritjes op gezinsvakanties. Vragen hoe de dag is geweest tussen de soep en de patatten. Kleine en grote plannen maken.

Op mijn nachtkastje ligt een boek van Marianne Frederiksson: Inge en Mira. Inge uit het boek wordt opgebeld door haar dochters, die haar waarschuwen dat hun vader, haar ex-man, wel eens voor de deur zou kunnen staan omdat hij weg is van zijn nieuwe vrouw. Inge geraakt in paniek, sluit ramen en deuren, vlucht. ‚ÄėMaar hij is toch niet gevaarlijk?‚Äô, vragen haar dochters. Dat is hij wel, weet zij zeker.

Pas paragrafen later dit:
‚ÄėMaar waar ben je bang voor?‚Äô
Toen zei ze het: ‚ÄėIk hou van hem.‚Äô

Ook jij bent gevaarlijk, Dirk. Ik kan maar beter mijn  deuren en ramen dicht timmeren.

 

P.

 

 

 

 

 

Tot op het bot

Dirk.

Lang geleden dat ik je nog schreef.

De weken die voorbij zijn, waren woelig, met een aanvaring die alles weer op scherp zette. … Ik denk na, Dirk. Of ik je nog een kans geef. Of dat ik wat grotere stappen ga zetten. Juridische stappen. Ik denk dat je bij dat laatste weinig kansen zou hebben, zoals je nu leeft. Zoals je geleefd hebt voor we samen leefden. En aangezien ik een sterk vermoeden heb van een persoonlijkheidsstoornis bij jou, zou een onderzoek op dat gebied waarschijnlijk al genoeg zijn. Genoeg voor wat? Misschien wel om een muur te bouwen waar je niet over mag klimmen.

Maar voorlopig heb ik geprobeerd een resem nieuwe afspraken op papier te zetten en je voor te leggen. Waar je uitermate geprikkeld op reageert. Ik snap dat dat niet fijn is. Dat je het associeert met gezag, waar je altijd al last van hebt gehad. Maar ik weet niet hoe ik het anders moet doen nu. Je kan vast niet zien dat het me niet om dat gezag gaat, maar wel om veiligheid te cre√ęren. Voor mij, voor ons, voor de kinderen.

Ik vraag me steeds vaker af hoe het er van binnen bij je uit ziet. Is er een goede Dirk en een slechte Dirk, en bekampen die elkaar voortdurend? Wil de goede Dirk een gezin, papa zijn, man zijn, en steekt de slechte Dirk voortdurend stokken in de wielen? Hoe gaat dat bij jou vanbinnen? Elke keer als het wel weer relatief goed lijkt te gaan, binnen de gegeven omstandigheden, moet het weer allemaal stuk. Het doet me denken aan hechtingsgestoorde kinderen die een net gekregen cadeautje voor de ogen van de gever kapot trappen, en zo niet alleen de gever maar ook zichzelf schade berokkenen.

Wat je nooit vraagt, is hoe het intussen met mij gaat. Daarom vraag ik het zelf even. Hé, hoe gaat het intussen met mij?
Ik merk dat ik sterker word, minder snel van slag geraak, of minder lang.
Ik merk dat er veel gevoelens geweken zijn. Zoals boosheid, angst, verontwaardiging, verlangen. En dat er nu soms een verdriet is in een heel uitgepuurde vorm. Een verdriet dat pijn doet tot in mijn botten, letterlijk. En dat het meest intens is als ik ons drietjes hier zie zitten en denk: goh, de mannekes moeten het dus van mij alleen hebben. Hoe kan ik hen geven wat ze verdienen?
Ik voel me zo beperkt, Dirk. Ik kan wel voor hen zorgen, maar ik kan niet alles voor hen zijn. En dat ze zo veel meer zouden kunnen hebben, dat steekt.

Verder is mijn zin in een nieuwe relatie, ooit, helemaal op. Aanvankelijk was ik bang dat dat nooit meer zou gebeuren. Nu ben ik bang dat het wel zou gebeuren. Want te veel pijn, te veel veranderingen gehad. Even genoeg zo.

En ten slotte heb ik gemerkt dat extra dingen doen veel te zwaar is voor me. Dit weekend hadden we wat plannen, o.a. op bezoek gaan bij vrienden. En hoewel dat leuke dingen zijn, krijg ik dat bijna niet bol gewerkt. Te veel, te druk. Het was ook best confronterend om op bezoek te zijn in een weliswaar nieuw samengesteld gezin, maar ook een best goed functionerend gezin. Een warm huis, met kinderen, honden, poezen, een man die geen papa is en een vrouw die wel mama is. Gewoontes, vaste plekken, taakverdeling zonder woorden, vanzelfsprekendheden. En zo leer ik maar weer dat andere mensen al hun geluk gunnen niet uitsluit dat het van binnen pijn doet. Tot op het bot.

Op de trein hoorde ik trouwens allerlei gesprekken overal. Een dame die beweerde dat mensen die aan het loket bij de NMBS zitten vast getest worden op boertigheid, vooraleer ze die functie krijgen. Of studentjes die de voor- en nadelen van liggend en staand seks hebben bespraken. … Op zo’n momenten voel ik me mijlenver van alles en iedereen af staan. Ik denk niet dat ik ooit nog zo’n gesprekjes ga voeren, niet dat ik het al erg vaak deed. Gesprekjes met verkondigde meningen en overtuigingen die welbeschouwd over niet zo heel veel gaan of misschien zelfs kant noch wal raken. Soms komt de wereld me voor als een plek waar ik niet thuis hoor. Soms verdraag ik de wereld niet zo goed meer.

Zo. Zo gaat het.
Ik ga mijn pijnlijke botten omgeven door laagjes kleding. Warms.

Ook voor jou: warms.

P.

Avondgedachte

Dirk.

Hier zit ik dan. Kindjes slapen. Er ligt een lijstje naast me van dingen die ik moet doen.
Ik ben zo ongelooflijk moe. Ik weet niet of het fysieke vermoeidheid is. Of dat ik gewoon weinig moed heb. Ik weet alleen dat werk, te beantwoorden e-mails, huishoudtaakjes, … zich opstapelen en dat dat op mij drukt. Dat ik er niet goed in slaag projecten voor het werk binnen de tijd af te ronden, werk in te plannen, mijn favoriete jurk te strijken. Maar erger nog vind ik dat het mij niet lukt contact met mensen te onderhouden. Lieve mensen, die vragen hoe het gaat, een voorstel doen om samen iets te doen, me uitnodigen. Daar voel ik me schuldig over.

Dirk. Ik zou alles wat ik heb geven – en haha, dat is niet bepaald erg veel – als je nu voor de deur zou kunnen staan. Als je mijn computer zou dichtklappen, me in bed zou stoppen, naast me zou komen liggen met dat warme lijf, en als ik gewoon eens echt zou mogen rusten. Eens een ononderbroken nacht zou hebben. Even niet alleen en sterk zou moeten zijn. Even niet alert zijn, dag en nacht. Dat er even niets alleen van mij afhangt. Dat ik gewoon maar even mag zijn. Dat mijn hoofd niet tolt van de gedachten en van alles wat ik zou moeten doen.

Maar goed. Dat gaat niet gebeuren. Dus kan ik mezelf beter even een schop onder mijn kont geven, doen wat moet gebeuren, zodat ik op tijd in bed kan kruipen.

God, wat ben ik een mieperd soms.

Maar toch, Dirk. Wat jammer dat er geen momenten zijn waarop je even kan ontsnappen aan alles. Aan tijd, ruimte, aan de situatie zoals ze is. En dat het dan zou kunnen dat jij en ik gewoon één avond en één nacht konden zijn. In rust. Samen. Warm. Niet alleen.

Verdorie, misschien is het niet alleen fysieke vermoeidheid. En een gebrek aan moed. Maar ook gewoon eenzaamheid.

En ik besluit maar even dat ik dat lijstje met de dringende to do’s opzij schuif. Het kersenpitkussen opwarm. Een boek neem. In bed kruip. Zie je wel, Dirk, in feite heb ik je helemaal niet nodig. (Je hoeft niet met je ogen te draaien, dat doe ik zelf wel.)

Slaapwel.

Een groet vanuit het Nest

Dirk.

Vrijdagmiddag. Een gestolen momentje op de bank, tijdens het dutje van Babybroer. Hij heeft nog steeds diarree, dus stond ik om 4 uur en om 6 uur met hem in de badkamer. Vanochtend brachten we Kleuterzoon weg naar school (te laat, oeps), en deden we boodschappen. Babybroer zat in het karretje als een prinsje, kreeg een tuc-koekje van de proevertjes, hield zowel mij als alle andere klanten goed in het oog, verleidde maar liefst twee winkelbediendes, kreeg een nieuw bordje met drie kipjes op – dat hij trots vasthield tot bij de kassa, en viel in de bakfiets naar huis prompt in slaap van al die avonturen.

Het lijkt alsof ik er wat aan het doorkomen ben, Dirk. Ik denk niet meer dat ik wil dat je terug komt. Integendeel, ik vraag me af hoe het allemaal zo ver is kunnen komen. Daarover denk ik dat ik erg na√Įef ben. Ik ga af op wat mensen zeggen dat ze doen. Ik geloof mensen die vertellen hoe ze zijn. Dat neem ik voor waar aan. Maar eigenlijk moet je mensen misschien beoordelen op wat ze tonen, op wat ze doen. En als ik daarnaar kijk bij jou, zie ik bitter weinig fraais, verstopt onder veel praatjes. Ik vind het hard om het zo op te schrijven. Dat is ook helemaal niet in mijn stijl. Maar je loog, Dirk. Je maakte schulden. Je had grote principes over Liefde, maar daar was in de praktijk weinig van te merken. Je lag op de bank en liet mij voor dingen opdraaien. Je zei dat je werk zocht, maar deed dat dan wel zonder solliciteren. Toen ik zwanger was, had je daar allerlei romantische beelden bij in wat je schreef en wat je verkondigde, maar als ik misselijk was, was je ge√ęrgerd. Waarom kan ik dan zo moeilijk dat beeld dat je van jezelf ophing, in wat je zei, loskoppelen van die realiteit die erg duidelijk was? Mogelijk heeft het te maken met hoe ik zelf in elkaar zit. Als er al een kloof is tussen wat ik doe en wat ik zeg, verontschuldig ik me duizend maal. Ik heb allerlei dingen in mijn hoofd waaraan ik moet voldoen voor mezelf en anderen, en ben er heel de tijd mee bezig daar naar te streven. Ik ben opgevoed met principes over eerlijkheid, nederigheid, bescheidenheid. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat dat niet voor iedereen even vanzelfsprekend is. Ik wou soms dat ik wat meer gewapend opgevoed was. Wat minder na√Įef. Maar tegelijk is het ook een groot goed voor de spiegel te kunnen gaan staan, te zien dat ik niet geweldig ben, maar dat ik wel echt ben. En dat ik me niet beter moet voordoen dan ik ben.

Ik kom er doorheen. Door de crisis. Soms ben ik bang dat het te snel gaat. In het boek dat ik lees over Crisis en Spiritualiteit, staat dat je de crisis niet mag ontlopen, niet mag ontvluchten. Dat je er dwars doorheen moet, om er van te leren en je leven te transformeren. Dat je niets leert en niets transformeert als je er in een boogje omheen rent. Dat het dan blijft terugkeren, in andere gedaantes.

Leer ik? Ik leer over mijn eigen grenzen. Dat ik die nooit heb gehad, of nooit verdedigd heb. Het plots wel doen, is een behoorlijk gevecht en valt bij weinigen in goede aarde.
Ik leer over alleen zijn. Sinds mijn vijftiende had ik relaties. Drie in totaal. Nogal serieel. Voor het eerst ben ik alleen. Nog niet eens zo gek lang. Maar wel alleen.
Ik leer over mijn eigen kracht. Over heel de dag denken dat ik het niet kan en niet uithoud, maar het intussen wel gewoon doen.

Maar over heel veel dingen tast ik nog in het duister. Over liefde. Of het √ľberhaupt bestaat. Over werk, wat het waard is en of het zin heeft. Over opvoeden, hoeveel fouten je mag maken. Over vriendschap, hoe je een vriend kan zijn en hoe je vrienden kan toelaten. Over eenzaamheid, waarom ik er zo naar smacht en of het goed is daaraan toe te geven.

Gisteren sliepen de kinderen, en was ik aan het strijken met een kopje thee. De afwas was gedaan, de broodmachine snorde. Verder was het huis stil en donker. Ik vouwde Babybroer zijn bodietjes, probeerde het legertje eenzame sokken tot paren te hervormen. En ik dacht: ‘Wat erg voor Dirk dat hij hier niet meer mag zijn.’ Ik schrok van de gedachte, want je wil hier zelf niet meer zijn. Maar plots zag ik mezelf, in de keuken, het levende hart van dit levende huis, met twee kinderzieltjes boven. En ik zag jou, in godweetwelke kamer ergens, alleen. Met een sigaret, je computer, wat boeken. En het leek zo schraal daar. Zo eenzaam.

Dirk, wat sneu voor je dat je hier niet kan thuis horen.

Groet vanuit het Nest. Het is hier warm.

Retour afzender

Dirk.

Er ligt weer een brief klaar in de buurt van de voordeur. Elke dag komen er brieven voor je, al is je adres al lang veranderd. Dat heb ik nog eens gecheckt. Elke dag schrijf ik ‘retour afzender‘ en ‘bestemmeling woont niet meer op dit adres‘.

Elke dag.

Ook deze brief is een soort retour afzender. Ik heb besloten dat het beter voor me is afstand te houden. Dat het beter met me gaat als ik je niet meer spreek, zie, bel. Als ik niet meer mail. Als we niet telkens die dans terug opvoeren, van toenadering, poging tot het maken van afspraken, proberen te praten met elkaar, proberen een weg samen te zoeken, en dan toch weer die vertrouwensbreuk. Dus deze brief schrijf ik niet aan je.¬†Of wel. Maar ik stuur ‘m je niet.

Ik schrijf veel de laatste tijd. Ik heb het nodig. Vreemd hé? Je moedigde me altijd aan om te schrijven. Wat ik niet kon. En nu plots is er geen stoppen meer aan.

Op de eerste verjaardag van Babybroer dachten vrienden met me mee, omdat het crisis was. Diepe crisis. Eén van hem zei voorzichtig dat jij er toch nooit helemaal was. Dat je jezelf buiten het gezin plaatste. Dat je afstand nam, altijd al. Dat je liever alleen was dan met ons samen. Dat je elke avond in de tuinkamer zat, in plaats van bij ons in het huis. Dat je je verschanste, zelfs als er kraamvisite was. En inderdaad, Dirk, ik denk aan zo veel momenten waarop je plots van het toneel verdween. En dat ik je in de tuinkamer vond. In de garage. Bij de abdij. Weg.

Je was er niet.

Maar die eerste maanden, Dirk. Die eerste maanden. Die eerste maanden van ‘ons’ voelde ik me eindelijk gezien door iemand. Je zag me, je sprak met me, je drong door tot me, je kon niet genoeg van me krijgen, je wou drie keer per nacht met me naar bed, je schreef kaarten, brieven, verstopte cadeautjes.

Ik heb lang gedacht dat dat de echte Dirk was. Dat dat waar¬†was. En dat wat later kwam… Een foutje was. Maar misschien was wat later kwam, het terugtrekken, het niet in staat zijn verantwoordelijkheid te nemen, nabij te zijn, beloftes na te komen… Misschien was dat waar. Of misschien was alles waar.

Ooit las ik ‘I.M.’ van Connie Palmen. Toen vond ik het goed. Daarna hield ik een tijdje niet meer van haar werk, en toen weer even opnieuw wel. In een boekenwinkel stootte ik ooit op het boek ‘Ischa’ van Gijs Groenteman. Over dezelfde Ischa van Connie. Hij laat vrienden, verwanten en vrouwen aan het woord over dezelfde man, en op die manier kan je vanuit verschillende hoeken naar alle kanten van √©√©n en hetzelfde mens kijken, wat ik – hoewel ik Ischa verder niet kende – enorm fascinerend vind.

Ischa reeg relaties aan elkaar. Periodes van hevige verliefdheid en alles-alles-alles, wisselden zich af met interesse verliezen, ruzie maken, de benen nemen.

Dit las ik.

Jenny Arean: ‘Als de woede zakte, kon je alleen maar denken: ach jongen, wat een lijdensweg is dit. Hij haakte zo vreselijk naar van alles. Naar stabiliteit, naar houden van, naar zich durven overgeven, aan iemand of aan een situatie. En hij geloofde dat hij tijd en wijle ook, maar kon het nooit vasthouden. Dan was het weer weg. Daarom was het ook zo slopend: je probeert iemand constant te bewijzen dat het niet nodig zou hoeven te zijn, dat eeuwige vluchten. Maar het patroon heeft zich voortgezet.’¬†

(Ischa, Gijs Groenteman, Prometheus, p. 97)

En dit stukje, van de vrouw die hij in de steek liet toen ze zes maanden zwanger was…

Thea Cohen: ‘[…] Hoe hij in wezen een gekwetst kind was en vanuit zijn machteloosheid tiranniek kon zijn. Dat verband legde ik, toen we bij elkaar waren, nog niet. Hoe alles wat intiem en dichtbij was, weer kapot moest. En hoe onder die destructie het gekwetste kind zat. Ik heb daaronder geleden.’

Ik lees. En herken één en ander.

Dirk. Ik vrees dat je nooit vrij zal zijn van het¬†fladderen¬†van partner naar partner, van huis naar huis en van geen job naar even een job en terug. Waar ik een verpletterende angst voelde toen je plots deze week je tweepersoonsdons moest ophalen, voel ik nu vooral een soort van medelijden. Wat was het vreemd die dons klaar te leggen, dat overblijfsel van een nest van samen, dicht en naakt. En te weten dat het een nieuw nest wordt, voor een nieuwe vrouw. En dan denk ik aan hoe vermoeiend het moet zijn haar het hof te maken. Haar te overladen met alle aandacht, alle cadeautjes, alle woorden, … die je hebt. En hoe vermoeiend het moet zijn weer uit te komen op de dag dat je interesse plots weg is. Dat het wrang wordt. Dat ze vragen begint te stellen, dat ze dingen begint te willen die jij niet meer wil geven. Dat je nog even probeert, maar zo zielloos. Dat zij dat te laat doorheeft of niet wil zien. Dat het zo veel pijn brengt. En dat het opnieuw zal beginnen. En opnieuw. En opnieuw. Hoe is het om elke keer weer bij de scherven te staan van wat je stuk maakt, en ze niet op te ruimen, maar je om te draaien en weg te gaan?

Dirk. Dirk. Ik hoop dat je ooit een keer rust vind. Misschien kan je dat alleen met jezelf, en ontvluchtte je daarom zo veel. Misschien  kom je op een dag dat gekwetste kind tegen, en kan je het helen.

Als je maar weet dat ik er alles aan zal doen om van mijn jongens geen gekwetste kinderen te maken. Daarom vecht ik nu om beter te worden.

Net aan de afwas dacht ik aan mijn naam, die ‘Strijdster’ betekent. En ik vervloekte mijn ouders even, omdat ze hem gekozen hebben. En toch zal ik strijden, Dirk. Om twee gezonde kinderen af te leveren aan de poorten van het volwassen leven. En om mezelf een nieuwe kans te geven. Een kans op beter.

En daarbij denk ik vaak dat ‘beter’ betekent dat ik alleen zal blijven, omdat ik wel rust kan vinden met mezelf en mezelf trouw blijf. Maar tegelijk verlang ik ook zo naar huid, naar samen, naar een aai, naar iemand die in mijn ogen kijkt en bij me wil zijn. We’ll see.

Slaap zacht, Dirk. Waar ook, met wie ook. Ik ga naast Babyzoon liggen, en zijn handje vasthouden. Maar eerst kijk ik nog even bij Kleuterzoon, want die is ziek. Goede nacht.