Play

large_flatwhitecortado-1

Mijn man is boven,’ zeg ik. Ik zie het haar denken en glimlach als ik met mijn rolkoffertje naar de lift ga. Kamer 123. Ik klop aan. Hij doet open. We vinden elkaar.

Soms worden mijn plannen doorkruist en zo ook nu. Ik dacht dat ik op een weekend zou zijn in verband met professionalisering, maar toen ging alles anders dan gepland. Ik moest langs bij de dokter die me prompt naar het ziekenhuis stuurde. Met mijn warrig hoofd en haast reed ik schade aan mijn auto. In de politiecombi overwoog ik nog even een selfie te maken, maar dat leek ongepast. Hoewel ik niet op een beklaagdenbankje zat maar gewoon een aanrijdingsformulier moest tekenen van een aanrijding waarbij ik vooral zelf schade heb geleden en waar ik ook niet helemaal aan kon doen. Iets met een auto die op de weg stond met zijn linkerachterhoek en tegenliggers en smal.

Dus ging alles anders dan gepland en daar kan ik niet goed tegen. In een opwelling besluiten we elkaar te zien. Daar, kamer 123. Ergens in between, wat dichter is bij mij dan bij hem, en toch doe ik er bijna twee uur over omdat ik langs Brussel moet en Brussel weer niet opschiet.

Ik voel me schuldig. Alsof ik aan het spijbelen ben. Want hiervoor heb ik mijn kinderen uitbesteed. Ik ben niet waar ik gedacht had te zullen zijn. Maar ik ben ook wel waar ik wil zijn. Bij hem. In kamer 123.

We gaan de stad in. We lopen van Noord naar Zuid en weer terug. We praten, we lachen, we eten. En daarna zijn we te moe voor een film, en slapen we. In kamer 123.

We drinken koffie op drie plekken. Ik vind het amusant. Ik heb een koffiebarman, die een mening heeft over de koffie en de sfeer in een koffiebar. Bij de derde kijkt hij maar me en zegt hij me dat hij dat nu zo heerlijk vindt. Op zo’n plek verzeild geraken. Ik begrijp wat hij bedoelt, al is het een raar soort van luxe die ik me een jaar geleden niet had kunnen voorstellen. En de koffieplekken zijn heel verschillend. De laatste is het mooist. Er hangt een zachte, vrouwelijke sfeer.

We checken uit. Voor de parking vraagt het meisje met neergeslagen ogen of we dus met twee auto’s zijn. Ja. Twee auto’s. Hij Nederlander, ik Vlaams. Ik zie wat ze denkt. Ik glimlach een beetje schuldig. Tegen hem grap ik dat hij zijn trouwring niet terug mag vergeten aandoen.

Het afscheid doet pijn. Zoals elk afscheid. Er is genoeg te doen in mijn eigen leven, maar spijbelen was best leuk. Onze auto’s staan naast elkaar. Ik open mijn raampje en vraag hem hetzelfde te doen ‘Groetjes aan je vrouw,’ zeg ik. We lachen. Want zijn vrouw, dat ben ik. En we gaan samen wonen. Very very soon. En dan, dan rijdt hij naar het noorden. En ik naar het zuiden. Vooralsnog.

Een dag in het leven van prinses & co: februari 2017

Ik pik de draad weer op met een dag uit ons leven. Het is een ketting (af en toe onderbroken) van banale dagen. Maar door maandelijks een ‘banale’ dag bij te houden, zie je mooi hoe alles altijd in beweging is. Dit is een dag uit februari. Mijn blog en mijn leven lopen niet meer simultaan, en dat is prima zo.

07u30
Kindervoetjes op zolder. Ik lig naast M. Ochtenden, het is niets voor mij. De jongens willen dat we komen kijken naar het spoor dat ze gebouwd hebben. We bewonderen het uitgebreid. Onderweg naar beneden duik ik stiekem weer in bed terwijl M. cappuccino gaat maken. Zo horen de taken verdeeld te zijn.

11u00
Ik heb brood gehaald. Ik vind het moeilijk om me voor te stellen dat ik hier ga wonen, maar elke keer als ik de ochtend trotseer in deze stad, en vanuit het steegje van M. naar de bakker loop als een local, zonder bh en ongewassen, kriebelt het. Het lijkt vaak zelfs moeilijk te geloven dat mijn leven hier zou kunnen verder gaan, omdat het een context was waar ik zelf nooit van gedroomd zou hebben omdat het onbereikbaar was: een mooi huis midden in een mooie stad. Een leuke buurt. Alles op wandelafstand. Een geweldige gedeelde tuin achter het huis. Ik had het zelf niet mooier kunnen verzinnen en ik vind het soms nog steeds moeilijk te geloven dat het binnen bereik is.
We hebben samen ontbeten. De jongens hebben gespeeld en tv gekeken, ik heb soep gemaakt, we hebben gedoucht en nu gaan we op pad.

12u30
We hebben wat gewinkeld en zitten in een kindercafeetje waar de jongens leuk kunnen spelen. We lunchen tussen andere ouders en ander grut. Waarom het concept kindercafé in België nog onontgonnen lijkt is me volstrekt onduidelijk. Er is gewoon niets dat je je liever kan wensen als ouder dan lekker te kunnen praten met je lief, de krant te lezen of een boek, fijn koffie te drinken, terwijl de kinderen met zijn allen in het centrum van het café spelen met al het leuks dat er voor handen is. Je ziet ze enkel terug als ze een sipje van hun drankje komen nemen. Wat een luxe.

15u00
Ik loop chagrijnig van de H&M naar het huis van M. Ik heb kleding gekocht om te sporten en ik heb een soort diepgewortelde afkeer ten opzichte van sporten. Maar ik ben het ook eens met M. dat mijn conditie helemaal niet goed is. Ik heb elke dag pijn en ben niet bepaald in topvorm voor een vrouw van 32. Dus ja, daar moet ik wat aan doen. Maar nee, daar heb ik geen zin in. En ik hou ook al niet van de H&M, ik ben er jaren niet geweest en heb veel bedenkingen bij de herkomst en prijzen van de kleding. Ik heb een soort ideaalbeeld van mezelf, en in dat beeld ben ik inderdaad wat slanker en sportief en fit en energiek, maar het is best moeilijk om daar ook daadwerkelijk naar toe te werken.

15u30
Zwemmen met de jongens. Het is iets dat M. en ik vaak doen. De jongens vinden het geweldig en M. ook. Ik hou er minder van. Koud en nat. Maar ik zie ook in dat het een goede activiteit is voor mijn twee energiebommetjes. M. heeft me veel geleerd over mijn ouderschap. Zoals jullie hier hebben kunnen lezen, is er lang een situatie van schaarste geweest die gepaard gaat met het alleenstaand ouderschap. Schaarste van geld is één ding en misschien nog wel het meest relatief, maar ook tijd en energie  waren schaars. Het besef viel koud op mijn dak toen ik een tijdje terug van een opdracht naar M. reed en hem vanuit de auto belde dat ik een voorstel met offerte de deur uit moest doen en dat ik dus niet zou koken zoals ik eerder had aangekondigd. Ik werkte, daarna gingen we uit eten. En ik besefte dat dat voorstel dat belangrijk was en voor stress zorgde vroeger iets zou geweest zijn dat ik dan moest doen na het ophalen van de kinderen, koken, eten, bedrituelen. Meestal moest ik mezelf dan doodmoe nog proberen vooruit te branden, wat altijd een neiging tot uitstellen gaf en waarmee ik in de problemen ben geraakt.
Schaarste dus. Door die schaarste in tijd en energie zag mijn ouderschap er vaak zo uit: ik liet de kinderen een activiteit doen (bv een film kijken) zodat ik zelf wat anders kon gaan doen. Of: ik verwachtte van de kinderen dat ze leuk speelden terwijl ik uitgeput op de bank de krant las. Beide scenario’s zijn niet erg verbindend. Met M. is de tijd en energie drastisch toegenomen (hoewel we beiden ook niet zo’n sprankelende en energieke mensen zijn), en doen we ook echt activiteiten met de kinderen. Samen. Niet: jij neemt ze mee zodat ik kan werken en daarna doe ik wat zodat jij tijd voor jezelf hebt. Maar: echt met zijn viertjes. Dat is zo verbindend en gezellig en ik sta er nog steeds verbaasd van dat M. dat ook echt wil en er zelf van geniet.

18u00
Ik draag een vermoeid klein jongetje het huis in. De grote zoon schrijft in een schriftje dat hij van me gekregen heeft. Erg leuk om te zien hoe hij zich uit: hij maakt lijstjes van de namen van de kindjes van zijn klas, schrijft op wat we vandaag gedaan hebben, maakt sommetjes. Heerlijk. De kleine zoon kliert er een beetje tussendoor. Ik kook. We eten samen en gaan dan op de bank, met donsjes en ook weer met zijn vieren, naar een film kijken. De jongens liggen heerlijk tegen ons aan. Als ik ze na de film naar bed breng, zijn ze doodmoe en zielsgelukkig. Het is alsof ze alles gekregen hebben wat ze nodig hebben aan tijd, energie, liefde, uitdaging. Hoewel de grote zoon nog wel eens kwaad wordt (bij veranderingen of bij grapjes of als de kleine zoon hem een beetje in de weg zit), loopt het niet meer zo uit de hand. De kleine zoon haalt kattenkwaad uit, genre sleutels van kasten halen, maar is ook ‘los’ van me en vrij. Hij slaapt moeiteloos alleen en heeft het naar zijn zin.

21u30
Een dag met de kinderen is intens. M. en ik genieten nog even van tijd met ons tweetjes. We maken grapjes over zijn family-man-gehalte. Hoe je het ook draait of keert: ik vind het gek dat deze man die zo geniet van de tijd met de kinderen en er ook zo naturel goed in is op zijn eigen bescheiden manier, nog geen gezin met twintig kinderen had. Lucky us.

22u30
Van zodra mijn hoofd het kussen raakt, slaap ik. Ik merk amper dat M. naast me komt liggen. Ook ik ben erg voldaan. Alsof ik alles krijg wat ik nodig heb op deze mooie plek. Het ellendige gevoel van door mijn energie heen zitten waar ik al jaren mee vecht, is hier vervangen door een gevoel van totale vermoeidheid op het einde van de dag. Maar wel een gezonde, lekkere vermoeidheid na veel verbondenheid, liefs en actie. Heel anders dan het gevoel mijn energie verloren te hebben aan frustratie en vechten met mezelf. Lucky me Lucky uszzzzzzzz.

 

Connectie

Eén keer per maand hebben we een nacht zonder kinderen. Ik rijd naar de Man toe met een zekere spanning. We hebben afgesproken opnieuw mdma te gebruiken. Voor het een partydrug werd (in de vorm xtc), was het erg in trek bij psychologen en psychiaters om therapeutische redenen. Op die manier gebruiken wij het, samen. Om te helen en te binden. Een beetje zoals een ayahuasca-ceremonie, waarmee je je ziel wil uitkuisen.

(Uit een recent artikel dat een lezer hier vermeldde, leerde ik dat het gebruikt kan worden in relatietherapie om patronen te doorbreken, beter naar elkaar te luisteren en vergevingsgezinder te zijn. Ook mensen met ernstige trauma’s kunnen er mee geholpen worden.)

We gaan uit eten. Praten. Eenmaal thuis trekken we iets makkelijks aan. We zijn giechelig als we op de bank gaan zitten met een klein beetje van het goedje op. Deze keer duurt het lang voor we iets voelen. Misschien omdat we net een maaltijd hebben gehad. De eerste tijd voelt het alsof de ballast rond mijn hart verdwijnt en mijn innerlijk oog zich rustig opslaat. Maar ik voel me vooral kwetsbaar, naakt. Overigens niet op een vervelende manier, maar de blije en gelukkige gevoelens van de vorige keer blijven uit. Ik kan wel heel helder kijken en veel zien. Van mezelf, van anderen. Ik vertel de Man hoe ik misschien wel tachtig, negentig procent van de tijd bezig ben om mezelf in de wereld te houden, omdat ik zo sensitief ben dat ik het eigenlijk amper kan hanteren. Ik zie hoe vaak ik gefrustreerd ben omdat ik zo veel van  mijn energie daaraan moet geven, waardoor heel veel van mijn potentie ongebruikt blijft. Het is alsof ik voortdurend moet vechten met mezelf.

We praten. We gebruiken nog wat. De mooie, diepe verliefde roes en ontspanning komt niet, maar we zijn verbonden en praten en luisteren.

Ik bezoek het kind dat ik was op twee pijnlijke momenten in mijn jeugd. Ik ben in de situatie, maar het kind is zo gevangen door schaamte dat ik het nog niet kan helen. Dat vertel ik tegen de Man. Het is nog te vroeg. Hij moedigt me aan contact te maken met het kind dat ik was. Maar ik kan er niet bij.

Ik vertel veel over schaamte. Schaamte heeft me heel vaak ingekapseld. De Man is liefdevol en verzekert me dat schaamte er bij hem niet hoeft te zijn. Ik begrijp het, maar ik ben er nog niet klaar mee.

Dan komt er een moment waarop ik een wezen van licht zie met een kind in de armen. Het is een kind van drie maanden en ik weet dat het het kind is dat ik verloren ben. Ik vertel tegen de Man wat ik zie en dat het kind wordt vastgehouden door een vrouw die ik niet ken. Ze is jong, ze heeft lang haar, ze is heel rustig en vredig en ze houdt het kind beschermend vast. Ze schermt het gezicht af voor me, maar ik wil het zo graag zien. Er is geen gesprek maar er wordt me verteld dat het kind niet van deze wereld is en dat ik daarom het gezicht niet kan zien. Ik vang wel een glimpje op van het mondje. Ik wil het kind zo graag vasthouden en heel even lijkt het alsof ik het aan mijn hart kan drukken. ‘Het is mijn moeder,’ zegt de Man, na mijn beschrijving. ‘Zoals ik haar ken, zorgt ze wel voor ons kind.’ Ik weet meteen dat het waar is, het is inderdaad zijn moeder. Ik vertel hem dat ze in vrede is. En dat ik achter me een aanwezigheid voel. Ik beschrijf hem dat het een onrustige aanwezigheid is en ik beschrijf hem de plek. Hij antwoordt dat het onze overleden vriend is, en ook dat klopt. De plek waar ik hem voel is de plek waar blijkbaar vroeger een tafel stond en waar hij zijn vaste plek had. Ik vertel de Man dat er onrust is. Dat er iets onopgelost is tussen hen. Ik voel een vraag of een gerichtheid van de onrustige ziel maar de Man toe. De Man zegt dat hij en de vriend van elkaar hielden en dat ze dat van elkaar weten. Maar dat is niet genoeg voor de aanwezigheid. Er is nog iets dat blijft hangen. Op een bepaald moment gaat hij, maar hij kan niet weg blijven. Hij komt en gaat, komt en gaat. Intussen heeft de moeder van de Man zich, met mijn kind in haar armen, naar de Man toe gebogen. Ze kust hem lang op zijn slaap. Ik vertel het hem, aai de plek waar hij gekust wordt. Langzaam verdwijnen zij en het kind.

Om vijf uur in de ochtend trekken we ons terug in bed voor enkele uren slaap. Ik word helder wakker, prima uitgerust. De ballast is nog steeds weg en mijn innerlijk oog is nog steeds open. Ik zie en voel dingen en word daar erg rustig van. Het is alsof ik een soort toegang heb tot weten, waarbij ik mijn eigen heelheid zie, contact kan maken met mijn eigen levende en veerkrachtige ziel. Ik zie ook dingen die in de toekomst zullen gebeuren. Dingen die me geruststellen en dingen die ik verdrietig vind, maar waar ik van weet dat ze onvermijdelijk zijn. Ik weet dat de Man en ik met elkaar een leven in rechtvaardigheid gaan uitbouwen. Dat we elkaar recht gaan doen. Hij zal lang leven maar eerst sterven. Ik zal na zijn dood verzadigd zijn door de rechtvaardigheid van onze relatie, en in vrede zijn met wat het leven me gebracht heeft. Ik zie ook dat ik het kind dat ik verloren ben niet meer terug krijg, maar dat er wel een ander kind zal zijn dat bijna in ons leven komt. Het kind is al dicht bij.

De Man heeft het zwaarder, en kampt met een soort kater. We gaan ontbijten tegen de middag. We wandelen door zijn stad. De zon schijnt. Het zijn gouden uren voor mij, de Man loopt te lijden. Dan stap ik de auto, op weg naar de schoolpoort. De rit is lang en zonnig en ik ben heel en compleet. En ik reis niet alleen. Rechts achter me voel ik een beschermende energie.

Post Scriptum
Ik lees over therapeutische sessies met mdma, en herken heel veel van de werking. Op een bepaald moment lees ik dat een ‘sessie’ een vijftal maanden therapie kan vervangen. Er worden tips gegeven om o.a. via yoga-oefeningen en met intenties het effect nog efficiënter te maken. Het is niet verslavend, noch fysiek, noch mentaal. We gebruiken het minder dan één keer per maand en altijd in verantwoorde omstandigheden. Ik weet dat ik nog (psychisch) werk te doen heb en dat dit een manier is om dat te doen.

 

 

Trage dagen

Ik heb trage dagen nodig. Hoewel ik me tegen mezelf verzet daarin. Het is niet handig, het is niet praktisch. Behalve als ik alleen zou leven. Dan leiden de trage dagen tot gedachten, tot diep werk, tot creatie.

Maar ik leef niet alleen. Hoe romantisch sommigen ook over kinderen kunnen schrijven, de dagen met kinderen zijn niet traag en zelden uitgepuurd schoon. Ik zit op het grote bed en wil alleen maar even zitten en nadenken. Beneden hoor ik hen ruzie maken en schreeuwen. Ik wil even fijn douchen. Beneden hoor ik iets sneuvelen. Ik blader door de krant aan tafel. De oudste geeft de jongste een schop omdat hij iets fout deed, en ik niet reageerde.

Het gaat zo tegen mijn natuur in. In plaats van uit mijn schulp te komen, wat de situatie van mij vraagt, kruip ik alleen maar dieper. Ik verlang naar cocon, naar rust, naar stilte, naar een positieve energie, naar lezen, naar schrijven, naar ruimte in mijn hoofd om te denken. Ik heb een schrijnend tekort van jaren aan ruimte in mijn hoofd. Stilte. Traagheid.

Soms stem ik me af of hun tempo. Dan lukt het me, om vier keer het pontje over het IJ te nemen omdat ze dat willen. Om rustig te zoeken welke tram ze het leukste vinden. Om elke roltrap op onze weg op en af te gaan. Hun tempo. Hun dingen. Dat is mooi. Het schuurt dan minder. Maar mijn eigen honger is er niet mee gestild. Pun intented.

We zijn anderhalve week bij de Man. De eerste week doen we meer dan het voorbije half jaar. De Man blijkt ondernemend, mijn kinderen ook. Dus we wandelen door sprookjesparken, we zwemmen, we drinken koffie, we zien theater, we waaien uit in de duinen, en we kijken film met zijn allen op de bank.

Op het einde van de week ben ik gesloopt. Zo veel en zo veel samen. Maar ik ben ook heel dankbaar.

Na anderhalve week, bijna twee weken, zijn we weer thuis. Met drie. De eerste avond is al meteen een race, met twee overspannen kinderen, een opvoedingsondersteunster, geen eten in huis, janken, tranen. Name it. Vervolgens krijg ik het niet georganiseerd om opvang te vinden om naar mijn  werk te kunnen. Op enkele uren druipt alle opgebouwde energie van de afgelopen anderhalve week waarin ik niet alleen was, waarin we het samen deden, waarin ik niet hier was, waarin alles beter ging, weg. Ik realiseer me stomverbaasd dat ik al drie jaar het onmogelijke heb gedaan, met een ijzersterke garantie op schuldgevoel. Geen opvang vinden? Schuldgevoel naar werk toe. Gaan werken? Schuldgevoel naar thuis toe. Voor het eerst ben ik wat milder. Hoezo, ik had ook nog elke dag yoga moeten doen, het aanrecht schoon houden, vijf kilo afvallen, mails beantwoorden en mijn werk af hebben? Haha.

Van mijn werkgever moet ik een soort programma volgen. Een training. Omdat ik er even doorheen ging. Ik geloof er zelf niet in. Soms moeten de omstandigheden veranderen, waardoor je zelf ruimte krijgt om beter en anders te worden. Ik heb veerkracht opgebouwd. Misschien meer dan de jonge psychologe die me gaat vertellen dat ik positief moet denken en grenzen moet trekken. Daar ligt het niet aan. Als het daar aan lag, had ik het kunnen redden. Je kan iemand niet trainen om het onmogelijke te doen. Ik geloof best dat er single moms zijn die het goed doen, met twee kinderen. Maar ik niet, niet met deze kinderen, deze ex, deze combinatie van werk en gezin, dit energieniveau, dit beperkt netwerk, deze financiële situatie en mijn eigen persoon die een cocon nodig heeft en veiligheid en alleen zijn en rust.

I don’t belong here anymore. Ik ben klaar met alles alleen doen. Met de jaren van de lege bankrekening, van de eeuwigdurende stress, van pijn, van vermoeidheid, van conflict. De maanden die ik nodig heb om de overstap te maken, zijn er te veel aan. Alsof het niet meer kan, uithouden wat ik al drie jaar doe, voor die laatste maanden. Alsof ik niet meer weet hoe ik moet zwemmen nu de kust in zicht is.

Daar zal ik het lef moeten hebben een kamer in te palmen en er een cocon van te maken. Ik weet dat het geen rozengeur en maneschijn zal zijn. Er zal nog steeds vermoeidheid zijn, ik zal in een vreemde omgeving zijn, we zullen moeten wennen, aanpassen, veranderen, en de relatie met de Man zal ook het nodige onderhoud vragen.

Hij is geen reddingsboei. Hij is gewoon de juiste man op het juiste moment. Hij is verstandig, rustig, houdt het overzicht. Ik verbind me met hem, want dat heeft hij nodig denk ik. Verbinding. Hij heeft de plek, wij vullen de ruimte die anders een leegte is. We voegen de middelen samen. Niet letterlijk, maar figuurlijk. Samen hebben we voldoende tijd, zorg, geld, energie om het te laten werken. Fingers crossed.

 

 

De gouden wikkel

Grote broer en ik lezen van Sjakie en de Chocoladefabriek. Sjakie heeft op volledig onwaarschijnlijke manier in een zeer penibele situatie een tientje gevonden onder de sneeuw, daar twee repen chocolade mee gekocht en de vijfde en laatste gouden wikkel bemachtigd die hem uiteindelijk een fucking chocoladefabriek oplevert.

Het is avond. M. en ik brachten de dag door met elkaar en met een vriendin. We ontbeten, bezochten het MAS, dronken koffie.

We gaan vanavond de stad in
En we drinken een glas
Ik zal nooit meer vergeten
Hoe het zonder jou was
Ik leg mijn hart in jouw handen
Dus knijp ze niet dicht
We gaan dwars door de nacht
Naar het ochtendlicht

Het lied van Stef Bos kende ik al lang, maar ik was het vergeten. Tot het vanzelf terug kwam. Want nee, ik zal nooit meer vergeten hoe het zonder hem was. En ja, ik leg mijn hart in zijn handen en dat doe ik sneller en rustiger dan ik voor mogelijk had gehouden. Ik ben zot snel gehecht aan hem. Ik voel me veilig bij M., in de rustige wetenschap dat er gewerkt zal moeten worden. En dat ik ongeveer weet waaraan. Vooral aan mezelf, vrees ik.

Sinds de miskraam ben ik fysiek en mentaal wankel. Meer wankel dan ik mezelf en hem toewens. De pijn danst door mijn gewrichten, op het einde van de dag zijn mijn schouders net staalkabels, mijn onderrug seint pijnsignalen uit en om de haverklap heb ik het gevoel dat mijn benen in spaghetti veranderen en dan moet ik heel hard mijn best doen rechtop te blijven en niet volledig in paniek te geraken. Ik ben emotioneel een soort jojo en reageer onredelijk op ongeveer alles. Het ergert me zelf. Ik hoor hem rustig uitleggen dat ik te lang in een te hoge versnelling heb geleefd en dat de miskraam daar een einde aan gemaakt heeft. Ik wou dat ik zijn exacte woorden kende, want het was helder en logisch en volledig acceptabel. Ik denk dat hij glashelder kijkt en denkt. Dat is uitzonderlijk, maar hij voegt er nog een zeldzame compassie aan toe.

Na de ervaringen uit het verleden ben ik voorzichtiger in relatie. Ik stuur niet meer op scherp. Ik hoed me voor het invullen van wat hij denkt of voelt. Ik probeer hem lief te hebben en te waarderen. Lief te hebben en te waarderen. En dat kan, omdat het veilig is. Het is niet eens erg moeilijk. Het graag zien komt vanzelf, en dat vind ik best lief van mezelf.

We lopen in het MAS. Ik kijk naar hem, en hij ontroert me zo vaak. Een plukje haar aan zijn oor. Zijn geur. Een grapje. Een woord. Een aanraking. Een blik.

Ik kijk naar hem en het voelt heel de tijd alsof ik onverwacht een gouden wikkel vanuit een chocoladereep heb gepeuterd.

Mysteries of life

In de herfst verloor ik een kindje. Dit is de vijfde en laatste post over de zwangerschap en miskraam.

Soundtrack

Ook een miskraam kan een soundtrack hebben. Tijdens de lange rit van het ziekenhuis naar het huis van M., toen alle hoop in de kille witte gangen achtergebleven was, draaide dit liedje van Coldplay in mijn hoofd. Op repeat.
The day after kocht ik het laatste boek van Claudel. Het was geen toeval dat het boek op mijn pad kwam. Het begint met een verhaal over dode kinderen die in bomen ten ruste worden gelegd. De boom voedt zich met het kind en groeit. Claudel reikte me een troostrijke soundtrack voor de herinnering aan de dagen van verlies aan. En over toeval en de mysteries of life: in het weekend dat ik het kindje verloor namen twee vrienden die ik al een jaar niet meer had gehoord spontaan contact met me op.

Meer verliezen dan er was

Het kindje was klein. Acht weken, kleiner dan de papieren vogel waarmee we het begraven hebben.

Een miskraam is iets van niets verliezen.

Het kindje dat ik verloren ben stelde nog niets voor, maar voor mij was het de baby waarmee ik deze zomer in het hofje achter het huis van M. zou zitten lezen. Het was een klein meisje dat ik vooraan bij M. op de fiets zag zitten. Het was het kindje waarvoor ik gezonder at. Het was mijn klein verstekelingetje dat ik verborg. Het was iemand die M. en mij voor eeuwig verbond als ouders van hetzelfde kind. Het was een reden om het roer om te gooien, onmiddellijk minder te gaan werken en M. en mezelf in hetzelfde schuitje te plaatsen waarin we de taken zouden verdelen op een zeer legitieme basis.

Oog

Ik heb me in de zomer na het vertrek van Dirk verdiept in het begrip bodhicitta wat erg onbevattelijk voor me is. De miskraam gaf me een soort ervaring die daarmee te maken heeft. Het was zondagavond. Ik lag met gespreide benen in een ziekenhuis, helemaal zwak en misselijk. De gynaecologe zei dat mijn baarmoeder ‘mooi leeg’ was, waarmee ze bedoelde dat er geen stukje meer was achtergebleven van het kindje waarvan ik het hartje nog gezien had op een ander scherm, de dag voordien. Ik had het koud, ik huilde, ik bloedde, ik snotterde. Ik was in het oog van de storm die de pijn was. Het daar uithouden en niet verharden in gedachtes of verwijten maakte dat ik me in een zachtheid en kwetsbaarheid compassievol verbonden kon voelen met iedereen die pijn of verlies ervaart in de wereld. Het was een grootse en heel diepe en pure ervaring en op die manier ook een soort diep geluk.

Eerlijk

Ik deel het nieuws. Met vrienden. Gewoon eerlijk. Dit is gebeurd en ik ben verdrietig. Vanuit het ziekenhuis appte ik mijn baas. Hij appte zijn standaard antwoord terug, zijnde: ‘dat vind ik vervelend voor je’. Buikgriep? Dat vind ik vervelend voor je. Kind in het ziekenhuis? Dat vind ik vervelend voor je. Miskraam? Idem dus. Ik vind dat een beetje een lauwe reactie, stel me altijd voor dat hij dat in een managementcursus heeft geleerd. Enkele dagen nadien appte hij me omdat hij vaak aan me dacht. En ik vertelde hem hoe het echt ging. Dat ik net het gevoel had dat het leven weer aan mijn kant stond. Dat ik zo blij was geweest en dus ook zo verdrietig. Dat het fysiek zwaar was en dat het heel belangrijk was om het kindje te begraven.
Enkele opdrachtgevers smsten me omdat een afgezegde afspraak en een afwezigheidsassistent voor een volledige week vragen oproept. Ik had geen zin in de complexiteit van er doekjes om winden. Aan J. die vroeg of hij bezorgd moest zijn, smste ik terug dat ik een kindje verloren had (ik ben dus niet burn out, haha). Ik kreeg een heel lief antwoord waarin hij vertelde dat hij en zijn vrouw ook ooit in die situatie waren. Zo zie je maar. Een collega wiens belangrijke presentatie ik mis, krijgt ook de waarheid. Ze vertelt me dat ze voor haar eerste kind twee kindjes verloor en mijn hart breekt, maar ik heb me nooit zo verbonden gevoeld met haar dan nu.
Er zijn vast redenen om vaag te doen en je pijnplek te verdoezelen, maar dat past niet bij me.

Tot slot

Blij om dit te lezen. En dit.
Wat ik graag had geweten voor het mij overkwam? Dat het vaak gebeurt maar er weinig over gesproken wordt.
Wat ik geleerd heb? (Alsof je overal iets van moet leren – zucht!) Dat het fysiek zwaarder is dan ik dacht. Het is meer dan even ongesteld zijn. Het is twee weken lang ongesteld tot de tweede macht. Met zwangerschapsmisselijkheid, want een vruchtje in een doosje betekent niet dat al dat hcg uit je lijf is. Helaas.

De dokters zeiden vrolijk dat ik binnen twee maanden alweer mag beginnen proberen, maar de lust ontbreekt op dit moment, pun intented. Gisteren lag ik naast M. in bed en omdat ik van hem hou vind ik het heerlijk om zijn lichaam te voelen, maar ik kan me voorlopig even niets voorstellen bij seks, omdat ik me een soort open wonde voel. Ik kan me niet voorstellen dat ik me binnen een afzienbare tijd minder kwetsbaar ga voelen en lustig nieuwe kindertjes ga proberen maken. Gelukkig is hij galant, wat vaak heel grappig is, maar in deze een zeer welkome eigenschap. Anyway, de helft van de mensen gaat ervan uit dat ik snel weer kan proberen of snel weer zwanger wil of kan of zal worden, maar dat is voor mij even niet aan de orde. De andere helft van de mensen suggereert dat er dan iets mis geweest is met het kindje en dat het beter is zo. Dat wil ik ook niet horen. Enkelen zeggen gewoon ‘wat erg’ of ‘wat naar’ (nog beter!) en dat is volgens mij het enige dat je kan zeggen.

En wat nog? Rituelen zijn belangrijk. Het kindje begraven en dat met zorg doen, er woorden aan geven, enkele elementen uitzoeken of maken, zoals een sterretje, het juiste kaarsje, een briefje en een zacht doekje, is troostrijk en helpt letterlijk en figuurlijk om alles een plek te geven. Wij konden het samen zelf en de kleine manier waarop we dat hebben gedaan was erg puur een paste bij ons en de situatie. Als het om iets gaat wat ik zelf niet kan, zou ik hier gaan aankloppen. Het kindje heeft me zo geleerd dat ik allemaal losse eindjes in mijn leven heb die ik heb veronachtzaamd. Dingen afsluiten en een plek geven maakt vrij om verder te gaan.

Post scriptum
Vrij om verder te gaan. Het klinkt nogal ‘tralalaaa’. Het kindje, ze heeft overigens ook een naampje, heeft een plekje in ons leven. Een klein, gepast plekje. Op oudjaar ontstaken we een sterretjesvuurwerkstokje op haar grafje. Ik moest lachen, en wist absoluut zeker dat het kindje een zieltje is die dat geknetter wel kon appreciëren.

 

 

 

Bloedmaan

De reden van mijn winterslaap was dat ik onverwacht en ongepland zwanger was geworden. Voor de toeters en bellen bovengehaald worden: ik heb het kindje verloren op acht weken. Ik weet dat veel vrouwen miskramen krijgen. Ik niet, dacht ik. Ik had geen idee hoe erg het is. Tot ik het meemaakte. 

Vrijdagnacht. Ik droom onrustig, ik heb het kou. Ik droom dat ik het kindje verlies.

Zaterdag ochtend. Ik ontbijt met de jongens. Ik lees de krant. Straks komt M. samen met vrienden. Fijn! Ik ga naar de wc en merk dat ik bloed verlies. Een uur later heb ik een bestemming voor mijn kinderen gevonden en ons alle drie aangekleed en zit ik op spoed, alleen. Hoe hallucinant is het dat er een vrolijk jobstudentje binnen stapt met een enquête terwijl je ligt te wachten op de gynaecoloog in het bangste uur van je leven. Hoe raar is het als je in een wachtzaal vol posters van Anne Geddes wordt gezet en dat de gynaecologe met twee blakende dochters komt aanlopen. Ze kijkt, de dochters spelen op de achtergrond. Er is een hartje, maar het kindje is kleiner dan ze verwacht. Ze schrijft me rust voor.

Zaterdagmiddag. Ik heb een hartje gezien, dus ik ben gerust gesteld. Het bloeden wordt erger. Ik heb geen pijn.

Zaterdagavond. M. en ik gaan wat doen, om onze gedachten te verzetten. Tegen half 12 ben ik ellendig, het bloed stroomt er uit. Ik ben zwak en misselijk. We rijden zwijgend terug.

Zaterdagnacht. Ik heb een hele nacht pijnlijke contracties. Ik voel het bloed lopen. Ik verlies mijn kindje. Tegen de ochtend is er een vruchtzakje waarin ik het kindje zie. Ik wikkel het in een zacht doekje en doe het samen met een papieren vogel in een klein doosje. Ik blijf in bed en huil. Maar de timing is slecht. Er zijn twee kinderen waar ik even niet van kan bedenken waar die naar toe kunnen. Er zijn vrienden op bezoek. Ik moet opstaan, douchen, aan de dag beginnen. Ik schraap al mijn moed bij elkaar om naar beneden te gaan, maar als ik uit de onderste la een zakdoek wil nemen ga ik moedeloos op de grond zitten en begint het huilen weer. Godsamme, ik ben niet eens in de gelegenheid om rustig een miskraam te krijgen.

Zondag. De jongens worden balorig van de dag. Hoe meer je rust nodig hebt als ouder, hoe bonter kinderen het maken. We besluiten naar een binnenspeeltuin te gaan. Het is te veel voor me. Ik bloed veel, ben doodmoe. Moeizaam ploegen we ons door de dag.

Zondagavond. Ik moet naar de spoed van de vroedvrouw omdat ik niet meer op mijn benen kan staan en omdat ik een spuit nodig heb omdat ik resus negatief ben. Op de spoed word ik in een rolstoel gezet. Even later lig ik op een bed omdat het niet gaat. Ik heb een ander ziekenhuis gekozen dan gisteren. Geen behoefte aan Anne Geddes-posters en ook geen behoefte aan de blonde kleuters van de gynaecologe around. De dokter die ik nu heb is heel begripvol en lief. Ze doet een echo, ik jank mijn ogen uit mijn kop als blijkt wat ik wist. Leeg, het vruchtje zit niet in mijn buik maar in een doekje in een doosje in mijn handtas. Er moeten nog onderzoeken gebeuren, er wordt bloed genomen en een spuit gegeven. M. neemt me mee. We hebben even ruzie in de auto. Alle zenuwen staan strak gespannen, ik ben kapot.

Maandag. De maan in vol. Het afscheid van het kindje gaat heel woordeloos. M. heeft een kartonnen doosje klaar gezet. Ik zie het liggen en weet meteen wat het is, de tranen lopen over mijn wangen. Mijn handen trillen als ik het kindje in het doekje vanuit het plastieken doosje in het kartonnen doosje doe. Ik tril te erg om ook de papieren vogel erbij te stoppen. M. helpt me, zijn wangen zijn nat. We kijken elkaar niet aan. Of hij ook een briefje wil schrijven, vraag ik. Beiden schrijven we een klein briefje. Ik schrijf hoe blij ik was met haar en dat ik graag haar moeke had willen zijn. Ik vraag M. of ik zijn briefje mag zien. Dat mag niet en dat is ok. We vouwen beiden de briefjes op en ik doe ze onder in het doosje. Daarop het doekje met het kindje en daarop de vogel. We sluiten het doosje. We huilen. Of hij een schepje heeft, vraag ik. Hij heeft al een kuiltje gegraven. (Wat banaal en praktisch klinkt dat, maar zo is het gewoon op dat moment.) Ik stop het doosje in het kuiltje, hij dekt het toe. Ik zet een kaars op het grafje en hang een sterretje in de boom er boven. We gaan naar binnen. Ik ben opgelucht, het was heel belangrijk om het kindje te begraven. Het kindje heeft letterlijk een plek gekregen. Vanuit het bed kan ik het kaarslicht zien beneden. Het troost me.

Zo veel soorten van verdriet. In de douche zondagochtend verbaasde ik me er over dat dit een heel nieuwe portie vers nieuw en andersoortig verdriet is dan het verdriet van de afgelopen jaren. Het  verdriet van alleen zijn, van in de steek gelaten zijn, van moeten groeien, van moe zijn en toch verder moeten, van ploeteren… Dit verdriet is erg fysiek, het gaat gepaard met pijn en zwakte en een lege plek in mijn buik en veel bloed. Het is gek hoe een kindje dat in een doekje in een doosje kan heel mijn toekomst al had bepaald en de motor was onder zo veel plannen en ideeën. Plannen om minder te werken, plannen om anders te gaan leven, plannen om te verhuizen. Plots ligt alles weer open, de noodzaak onder de plannen is een beetje weg. Het is stil.
Er brandt een lichtje in de tuin.

 

De glazen balletjes en de conclusies

Een huishouden bestieren, kinderen, een baan en een bijberoep. Het is als jongleren met balletjes van fijn glas, schreef ik een tijdje geleden. De balletjes waren uit elkaar gespat. Ik heb enkele uren gedacht dat ik mijn jongste kind kwijt was. ’s Nachts in bed zat ik te werken, af en toe onderbroken door de verpleegster die bloeddruk kwam nemen en met lichtjes in zijn ogen schijnen. De bloeddruk was midden in de nacht even niet goed. Toen dat weer opgelost was, ging ik verder. Met brandende ogen, documentje afwerken. Het was zo absurd. Ik was kwaad op mezelf, op de organisatie waarvoor ik werkte. En ik schaamde me dood ten opzichte van de verpleegkundigen die een moeder in een bed vonden die naar haar scherm keek in plaats van naar haar hoopje zoon.

Marinus en ik kregen een relatie. We brengen tijd samen door. Op een zondagavond zat ik koortsachtig te werken en bedacht ik dat ik dat de relatie me te veel werktijd kost. Dat ik het er niet bij kan hebben. Dat het klaar moet zijn. Wat ongenadig om dit te denken. Voor mij, voor hem, voor ons.

Mijn lijf en ik, wij zijn al geruime tijd in overdrive. Als ik heel eerlijk ben? Ik slaap weinig, ik eet slecht. Gisteren stond ik weer eens drie uren in een monsterfile. Alles doet pijn als ik dan uit de auto stap, de kindjes na bedtijd ergens ga ophalen, hen kalmeer en in bed stop en er bij blijf liggen met dat eeuwig knagende schuldgevoel dat ik nog werk heb en dat ik me minstens even uit bed moet hijsen om wat te eten. Sinds het ongevalletje van de kleine zoon voel ik me opgejaagd wild. Amper vier dagen niet gewerkt en iedereen trekt me aan mijn mouw. Iedere organisatie waar ik voor werk lijkt te denken dat ik enkel voor hen in touw moet zijn. Hoe belangrijk het ook allemaal leek ooit, het irriteert me alleen maar heel erg, nu, na de nacht naast het hoopje zoon.

 

Marinus en ik praten over enkele weken vrij nemen. Wat ik dan wil doen, vraagt hij. Geen flauw idee. Wat doen mensen die enkele weken vrij nemen? Ja, natuurlijk wil ik naar Assisi en dutjes en musea en sporten en sauna en gezond eten. Intensieve therapie in plaats van dat aanmodderen van één keer om de vier weken tussen de soep en de patatten. Ik wil boeken lezen! Ik wil studeren! Ik wil eindelijk weer diep in plaats van snel. Maar dat is niet realistisch, volgens mij. Hij ziet er geen probleem in, het geld dat ik ervoor nodig zou hebben noemt hij ‘resources’ en ook een keer ‘peanuts’ geloof ik.

We hebben gesprekken over minder gaan werken, wat hij wil bufferen. Ik kan niet anders dan weigeren uit trots en principe, maar op momenten dat ik ’s avonds geen stem meer heb en het glas van de gevallen balletjes bij elkaar veeg, sijpelt de gedachte ook mijn hoofd in. We hebben discussies over 32, 28 of 24 uren. Hij wil mij niet bufferen, zegt hij. Maar het hele construct ‘ons’. Als het met mij niet goed gaat, gaat het niet goed met de relatie en de kinderen. Dan komen we niet verder.

Ik heb zo lang niets te willen gehad, dat ik niets meer wil. Vraag me wat anders kan, ik haal mijn schouders op. Harder werken, meer van dit. Ik was er trots op, maar de balletjes moeten maar één keer neersmakken en je vraagt je af waar je eigenlijk mee bezig bent.

Ik heb het gevoel het winnend lot getrokken te hebben met Marinus, maar net dat maakt het zo vervreemdend. Hij is gewoon, maar ook lief en communicatief en aandachtig en attent en hij wil samen en dat het dan makkelijker wordt voor mij. Bij hem zijn is vertrouwd maar ook veilig en compleet in alle eenvoud. Hij zoekt een restaurant uit en vraagt of ik het ok vind om daar te eten, dan kan hij reserveren. En dan verlang ik stiekem een seconde heel hard naar een kopje soep op de bank. Omdat ik dat wel kan bieden, en het andere niet. Hij lijkt alles mee te brengen in mijn leven waarvan ik al lang niet meer dacht dat het een optie zou kunnen worden. Maar net dat maakt me schuw.

Een avond in zijn huis. Ik kook in zijn keuken en voel me de koningin te rijk en lach hem tegelijkertijd plagend uit. Hoe vaak hij die drie ovens gebruikt? Wat hij zoal kookt op dat retro gasfornuis? We eten, we praten. Mijn geplande en o-zo-belangrijke werk blijft in de gang staan. I couldn’t care less. Op het werk de volgende dag zegt iedereen dat ik er zo blij en goed uit zie. Ik grinnik. Een soort leven met tijd om te koken op het retro-gasfornuis, de peren uit zijn tuin te verwerken, op een bankje voor het huis te gaan zitten en met de buren kletsen, zinvol en leuk werk te doen dat me niet uitput, treinsporen te bouwen met de zonen en nooit meer na bedtijd met vermoeide kinderen toekomen in een koud en leeg huis. Ik zou er geloof ik wel voor kunnen tekenen.

 

 

 

 

Akelig snel in de juiste richting

Het gaat hard met Marinus. We bellen dagelijks. Lang. Er is veel te bespreken en we vinden het vast ook gewoon leuk elkaar te horen. Ik heb het gevoel op een rijdende trein gestapt te zijn, die weliswaar de juiste richting uit gaat maar wel akelig snel.

We maken plannen voor de weken die komen. Allerlei moois en leuks dat ik jaren niet heb gedaan. We praten over boeken, wegen ideeën tegen elkaar af. Ik heb elke dag een vragenlijstje met dingen die ik over hem wil weten, en hij probeert in te schatten wie ik ben en hoe ik in elkaar zit.

Ik was vergeten hoe dat is, verliefd zijn. Dat zelfs een gesprek over wat de ander ’s middags heeft gegeten, interessant kan zijn.

We maken plannen. Niet alleen voor de weken maar ook voor de jaren. Hoe zie jij het, hoe zie ik het? Mijn hele toekomstbeeld dat bestond uit heel hard werken en kop boven water houden, kantelt. Misschien zal mijn leven plaats vinden op een andere plek, in een andere stad, en op een andere manier. Misschien wordt het een leven waarin ik tijd ga hebben om de stad in te gaan om een heerlijk kopje koffie te drinken op een gewone weekdag. Omdat er tijd is. En liefde.

Er komen dingen voorbij waar ik nooit bij stil heb kunnen staan. Zoals New York bezoeken. Het is vrij snel duidelijk dat hij de stabiliteit en ruimte en buffers heeft die mij ontbreken. Het duizelt me en ik voel een lichte paniek die te maken heeft met gelijkwaardigheid binnen een relatie. Het materiële is niet belangrijk, maar het betekent wel veiligheid, tijd en levenskwaliteit.

Ik snijd het onderwerp anticonceptie aan en we praten over de optie baby waar we het wel een beetje over eens moeten zijn natuurlijk.

Soms lijkt het alsof ik droom. Ik vraag me vaak af wanneer de wekker af gaat en alles een illusie zal gebleken zijn. Wat niet afgaat zijn de alarmbellen. Geen enkele alarmbel treedt in werking. Hij lijkt ok. Hij is lief, communicatief, relaxed en respectvol. Elke dag ontdek ik dat hij meer is dan ik dacht.

Uiteraard kennen we elkaar al een tijdje, en is er ook het kennen via-via, maar de relatie is nieuw. Het lijkt soms alsof ik blind met hem getrouwd ben, de sprong heb gewaagd. Ik trek de kasten open en er valt geen enkel lijk uit. Er zijn alleen maar leuke dingen en grappige dingen en lieve dingen. Maar misschien heeft hij wel een raar kinky kantje dat ik op een dag ontdek. Wie weet.

Of hij me mee neemt naar het Eye, vraag ik. Zo vaak je maar wil, zegt hij. Meer prinses dan dit heb ik me nooit gevoeld. En dan o-ow, toch een alarmbelletje. Ik ben toch geëmancipeerd? Ik kan zelf naar het Eye als ik dat wil? … Maar met twee (waarvan één local) is het natuurlijk leuker. Toch? 🙂

 

Het noodgeval

Ik druk op send. In de mail stond dat ik de afspraak moet verplaatsen wegens een noodgeval.

Het noodgeval begon gisterenavond. Na een dag van huis van 7 tot 19u, had de Peuter een hysterische aanval van drie kwartier. Brullen. Het was door-en doorzielig. Niet alle dagen zijn zo, er zijn ook weken dat ik elke dag om half 4 aan de schoolpoort sta. Maar gisteren was een XL dag en de Peuter die een kleuter is geworden was over de rooie.

Tijdens zijn over-de-rooie-zijn betrapte ik me op de gedachte hoe lang het nog zou duren, want hij moest in bed en ik moest nog werken en ik had ook een XL dag gehad. Dat was een heel foute gedachte. Ik bleef bij hem, we knuffelden, ik aaide nog lang, ook toen hij al sliep.

’s Ochtends ging het (nog steeds) helemaal mis. Ze moesten echt in bad, ik zocht mijn weg tussen vuile kopjes, afwas, smeerde nog snel boterhammetjes, had uiteraard niets klaar gelegd, moest overal hemdjes en shirtjes vandaan plukken, dropte hen te laat aan school, en besloot toen gewoon naar huis te rijden. De eerste afspraak van de dag af te zeggen in plaats van met een bloeddruk van 20 over 15 ofzo 115 km te rijden.

Thuis kwam ik binnen in een slagveld. Ik had ongeveer een uur alvorens ik weer in de auto moest stappen. In mij drong de gedachte zich op dat ik het maximum uit dit uur moest halen. Het huis fatsoeneren, de afwas doen, een beetje orde scheppen, zorgen dat ik tenminste wat gegeten heb voor ik de deur uit ga en dat ik misschien zelfs iets bij heb voor onderweg. Misschien de restant van de perzik die ik gisteren at uit de auto halen. Ik ging naar toilet. Ik at wat. Ik schreef een post. Ik waste af. Ik bedacht dat er ofwel iemand moet komen die dit gezin mee runt. Ofwel moet ik een ochtendmens worden (I tried, really). Ofwel moet ik een andere baan of eindelijk meer bijberoep en minder hoofdberoep. Maar de gedachte dat ik als vrouw mijn ambitie en waar ik goed in ben moet opbergen omdat de combi werk en gezin niet haalbaar is, maakt me instant woest. Niet alleen is het zo dat ik mijn baan nodig heb, maar ik voel het ook als urgent dat ik mijn talent inzet. Niet voor commerciële doeleinden, maar voor een maatschappelijk doel. En met dat bijberoep spelen twee elementen: het is altijd onzeker want zelfstandig, ik moet eerst flink investeren (tijd, acquisitie, sparen) om de sprong te wagen en de facturen voor het huidige werk worden gewoon niet op tijd betaald waardoor ik er niet echt op kan rekenen als de huur betaald moet worden, zolang ik geen buffer heb.

Dat vraagstuk los ik niet op in de zes minuten die me nog resten. De afwas wel.