After birth

Lees hier over de laatste zwangere week en hier over de supersnelle tweelinggeboorte.

De uren nadat beide baby’s geboren zijn, beleef ik in een soort waas. Ik kan me beelden herinneren van de Man en de doula die op de bank zitten, beiden met een kindje in hun armen. Beelden van mijn dochters aan de borst. Pijnlijke naweeën zorgen voor golven bloed. Ik ben zo overprikkeld van de pijn dat ik amper een aanraking kan verdragen. Er wordt me een epidurale aangeboden om te kunnen hechten, maar ik vraag tijd. Tijd waarin ik niet aangeraakt moet worden. De naweeën golven af en aan, er ontstaat nervositeit over de bebloede lakens. Ik krijg twee keer een injectie, maar ik zeil stoned van het bloedverlies weg. Het is niet eens een onaangenaam gevoel. Ik zweef boven het bed en heb hallucinaties. De kindjes liggen in glazen bedjes, de Man zoent me, de doula masseert mijn voeten en praat met me. Ik zie haar mond bewegen en heb geen flauw idee wat ze zegt.

Ik heb geen flauw idee meer van tijd en ruimte als ik moet proberen plassen. Dat lukt niet. Ik zit rillend en bloedend op de toiletstoel naast het bed. Ik snap dat ze een katheder nemen, maar ik had me het liever bespaard. Er wordt gehecht. Ik ben bijna verbaasd om wat je na een geboorte nog moet doormaken. Alsof de geboorte niet genoeg is. Er worden me koele druiven gevoerd, appelsap met een rietje, een kinderbueno en dan komt er eten, een vegetarische gehaktbal, spinazie en aardappelpuree en ik lig naakt in mijn eigen bloed en zucht dat het het beste is dat ik ooit gegeten heb.

Dan komt de boodschap dat we niet naar huis mogen omwille van het bloed. Ik krijg een infuus, er wordt bloed afgenomen om mijn hb te bepalen, we worden naar een kamer gebracht en daar zweef ik de hele nacht boven mijn bed, terwijl de Man zich bekommert om twee kleine huilende meisjes die onze dochters zijn. ’s Ochtends liggen we beiden in een ziekenhuisbed met een kleine baby. Ik heb geen idee welke van de twee op mijn borst ligt. Ik kijk naar de Man en de dochter. De zon komt op boven Amsterdam. En dat, dat was het begin.

 

Advertenties

De geboorte van de tweeling

Lees hier de proloog.

We komen in het ziekenhuis aan. Ook hier wil ik koppig lopen, in de hoop dat beweging de bevalling op gang brengt voor  de dokter dat zal doen. We hobbelen naar de boekenwinkel, waar ik het laatste boek van Renate Dorrestein koop en de Man ook een boek. Ik ga er vanuit dat we een lange dag tegemoet gaan.

Bij de Albert Heijn kopen we druiven en drankjes.

Dan melden we ons op de afdeling en moeten we even wachten in een wachtzaaltje. Wat erg onwezenlijk is op dat moment.

Er wordt een CTG afgenomen. De baby’s doen het goed. De doula komt toe en wacht met ons. Er is een verloskamer vrij en als blijkt dat ik nu 3 cm ontsluiting heb, krijgen we groen licht.

Op de verloskamer maken we kennis met de verloskundige. De gynaecologe komt mij toestemming vragen om me te opereren als bepaalde situaties zich voordoen. De doula masseert mijn voeten en op mijn vraag wordt er een klysma aangebracht, waarvoor de Man wandelen gestuurd wordt. De gesprekken met de verloskundige zijn best grappig. Hoe ze het allemaal mag noemen, vraagt ze. Mijn onderkantje? Of heb ik liever ‘kut’? Onderkantje will do, zeg ik, en ik bedenk dat ik niet echt opgegroeid ben met een adequaat woord voor… uh, mijn onderkantje (vagina dekt de lading niet helemaal). Ze raadt me ook aan hulp te zoeken voor mijn schaamte met betrekking tot ontlasting, wat ze afleidt uit het feit dat ik een klysma wil. Tja. Er lijkt me niets op tegen ‘opgeruimd’ te gaan persen.

De Man is terug. Mijn vliezen worden gebroken. Het vruchtwater is helder. Het is een raar gevoel, alsof je plast zonder dat je het tegen kan houden. De doula wil mijn voeten masseren zodat ik me ontspan. We vragen tijd om spontaan in arbeid te gaan. Er wordt onderhandeld over het tijdstip waarop er een infuus komt. Ik slaag er in een uur en een kwartier te onderhandelen. Ik ga onder de douche, de Man gaat nog even wat eten.

In de douche rommelt het wat. Ik ga terug de kamer in en vang op de bal een wee op. En dan gebeurt het. Op een schaal van 1 tot 10 krijg ik een eerste wee die als een zeven voelt. De tweede is een negen. De derde een vijftien. Ik schreeuw, lig op mijn zij op bed, bijt in een kussen en denk alleen maar ‘shit, ja, zo voelde het’ en ‘straks denken ze dat ik flauw ben omdat ik meteen lig te brullen’. Ik kijk op de klok en ben verbaasd dat de ene wee na de andere komt. Plots moet ik persen, ongeveer twintig minuten nadat ik uit de douche ben gestapt. De verloskundige heft mijn been op en ik snap dat ze denkt dat de baby komt. Ik schreeuw dat ik hier niet klaar voor ben, dat ik wil wennen, dat ze niet moet denken dat ik al ga bevallen, dat de Man moet komen, dat ik op de kruk wil baren. Om 13u03 bel ik de Man. (Komen, nu, hijg ik). Als hij minuten later binnen komt rennen, zit ik te persen op de kruk en is de kamer vol mensen gelopen. Hij komt achter me zitten en wil me vasthouden, maar ik maak me woest los. Ik wil niet aangeraakt worden, enkel koude washandjes, ik heb het te warm. Ik schreeuw dat het te snel gaat. Dat ik naar huis wil. De natuurkrachten doen hun werk en ik pers wanhopig tot ik een branderig gevoel heb. En dan nog meer tot ik voel dat er een lijfje uit me schuift. Het is 13u29. We hebben één dochter. Wat ben je klein, zeg ik, wat ben je klein, wat ben je klein. De Man huilt bij mijn linkeroor.

Veel vlugger dan ik wil, komt dat dringende gevoel terug. Ik pers en zeg dat ik nog niet wil, dat ik pauze wil. De Man gaat met de dochter op het bed zitten, houdt haar tegen zijn blote bovenlijf. De doula komt op zijn plaats zitten. Ik kijk schuin achter me en zie ons beboterde kindje. Het geweld van mijn lijf neemt toe. Ik houd mijn handen voor mijn mond, maak oergeluiden, besef dat ik behoorlijk ingescheurd ben, probeer de pijn tegen te houden. Maar het moet en ik pers en daar schuift weer een lijfje door me heen. 13u47. Nog een dochter. Ze ligt bewegingloos en blauw op de grond. Ze wordt afgenaveld en meegenomen. Help mijn kind, zeg ik, help mijn kind. Er komt nog een dokter binnen die naar me toe komt. Nee zeg ik, naar mijn kind. Help mijn kind. Een kwartier later brengen ze een uitgeteld kind binnen. Ze leeft, na een moeilijke start. Door de snelheid en het feit dat haar zusje eerst geboren is, is het vocht niet uit haar longen geduwd bij de geboorte, waardoor ze niet kon ademen.

… Wordt vervolgd.

 

Kroniek van een aangekondigde bevalling

Maandag. Ik heb een afspraak bij de osteopaat. Mijn bekken was al instabiel, maar is door een uitschuiver nog pijnlijker. Zelfs vervoer in de rolstoel is pijnlijk en vermoeiend. Na de afspraak met de osteopaat, komt de acupuncturist bij me langs. Hij masseert mijn bekken, en werkt op drukpunten. Als ik dit later aan de Man vertel, is hij geschrokken omdat ik actief probeer de bevalling op gang te brengen. Het is moeilijk om te schakelen. Al vanaf we wisten dat er een tweeling op komst is, hangt de dreigende wolk ‘vroeggeboorte’ boven ons. 28 weken halen. Dan liefst 32. Dan 34. Ik zat met mijn billen dicht genepen, bedacht op alles wat op een wee leek. En toen waren we plots de 36 weken voorbij en was er nog niets aan de hand. Een soort anti-climax maakte zich van ons meester. Alsof het een grap was allemaal. Bovendien geldt voor een tweelingzwangerschap dat er een optimaal punt is dat rond de 37 weken ligt, waarna de risico’s toenemen. Dus ik wil nu gewoon graag bevallen. De Man ziet dit echter als een teken van wanhoop en stelt dat het voor hem nog een week mag duren. Ik zink nog verder weg in mezelf.

Dinsdag. Ik lig bijna de hele dag in bed. Ik kan het niet opbrengen te lezen of tv te kijken. ’s Avonds gaat de Man hardlopen. Als hij thuis komt, zit ik aan de keukentafel. Mijn schouders hangen, ik ben zo moe en zo futloos. Hij vraagt of ik samen nog wat wil kijken, maar zelfs daar heb ik geen zin in. Ik sleep me naar bed.
In bed krijg ik rond 23u een eerste wee. En dan nog één. En nog één. Het wordt niet intenser, maar het blijft wel duren. Ik knip lichtjes aan, pak ‘Veilig bevallen’ erbij, en lees tussen de contracties door. Om half 2 maak ik de Man wakker. We zijn meteen in staat van alertheid, pakken spullen, bereiden een vertrek voor. Ik ben opgetogen. Maar de opwinding doet zijn werk en de weeën nemen af. Om vier uur liggen we beiden weer in ons eigen bed. Ik dut wat, en heb af en toe een vrij krachteloze contractie.

Woensdag. We gaan naar het ziekenhuis voor een geplande controle. Er wordt een echo gedaan om te kijken of de baby’s nog vruchtwater hebben en of de placenta goed werkt en de navelstrengetjes ook. Daarna word ik bij de dokter verwacht. Er wordt verbazing uitgesproken over het feit dat ik nog zwanger ben. Mijn baarmoederhals is verweekt en ik heb twee centimeter ontsluiting. De dokter begint over inleiden, en dat dat een heel valabele keuze zou zijn nu, aangezien mijn fysieke toestand bijna niet houdbaar is. We vragen hoe dat dan gaat, en krijgen toelichting over ballonnetjes en infusen. Ik schud nee. Ik wil het graag zo natuurlijk mogelijk. Op de gang komen we mijn eigen gynaecoloog tegen. Dat ze ons wil helpen, zegt ze, als het genoeg is. Ik geloof dat we er later op de dag nog even op uitgaan. We halen bloemen. Een klein boeketje voor in het vaasje naast mijn bed. ’s Avonds eten we met de buren. Na een uur is het voldoende en rolt de Man mij naar huis.

Donderdag.  Ik ga met de buurman zwemmen. In het water voel ik het gewicht van mijn buik niet en kan ik ontspannen. Weer thuis komt de crisisdienst. Daarna wil de Man met me praten. Dat hij niet meer durft gaan werken, om hoe ik fysiek en mentaal ben. Dat hij nu ook heeft begrepen dat elke-dag-telt ongeveer wel op is voor de baby’s. Of we morgen kunnen laten inleiden. Wat een verleiding. Ik ben in een tweestrijd. Ik wou alles zo natuurlijk mogelijk en een ingeleide bevalling kan veel zwaarder zijn dan een gewone, omdat de weeën geen of minder opbouw kennen. En tegelijk voel ik dat het fysiek en mentaal op is voor mij, maar dat de zorg en onzekerheid de Man ook vast zet in de situatie. Ik overleg met een paar mensen. Ik neem een besluit, maar wil graag dat ze eerst de vliezen breken en nog niet meteen met een infuus starten, zodat het nog steeds zo natuurlijk mogelijk kan. We bellen het ziekenhuis en krijgen groen licht. We mogen ons de volgende dag op de afdeling melden, en als er plek is, willen ze de vliezen breken. De acupuncturist komt weer langs, deze keer met naalden. Ik spendeer de middag met een busje scharlei-olie en kopjes met frambozenbladthee en vlierbessensiroop, om de laxerende werking. Geen effect. We kopen nog schoentjes voor de kleine zoon en vanaf vier uur zijn we met twee. We gaan uit eten, in een zwaar tegenvallend restaurantje. De Man rolt me nadien naar McCafe voor een stukje citroencake. We kijken een aflevering van de bake-off en gaan met een lichte opwinding slapen. Het is zo onwezenlijk. Ik hoop dat ik nog spontaan in arbeid ga. Ergens in de nacht word ik boos en chagrijnig om wat ik ga moeten doorstaan (ik ga er vanuit dat inleiden een moeizame exercitie wordt). Ik lees ‘Bevallen en opstaan’ nog een keer en dan vooral dat verhaal van Jesse Wonderhartje waar ik telkens om moet huilen. Om een uur of half zes komt de Man bij me liggen. In stilte wachten we de dag af.

En dan volgt er een rare ochtend. Hij in bad, ik in de douche. Een licht ontbijt. Naar de auto lopen – ik wil koppig lopen in de hoop de boel in gang te steken. Nog even tanken onderweg, en me verbazen over de Man die net dan ook de ruiten van de auto wil poetsen. De rit naar het ziekenhuis. De zon die doorbreekt.

 

 

Ze zijn er

2,7 kg & 2,4. Op vijf kwartier van de eerste wee tot de tweede baby. Ik dacht dat ik dood ging en ben de hele nacht stoned geweest van het bloedverlies. Maar heb het wel op eigen kracht gedaan en de Man is niet eens flauw gevallen. Nu thuis. Gauw meer, met foto.

Nog meer wachten

D3D3BAFA-F8DD-4B03-A48B-76BD089DCDEF

In het ziekenhuis namen we een foto van hoe de baby’s nu in de buik zitten. De eerste (linkse) baby is ingedaald, hoera hoera. Dus die zit met haar hoofdje in mijn bekken, in tegenstelling tot de baby’s op de foto. Verder moesten er in het ziekenhuis nog twee afspraken gepland worden voor twee (wekelijkse) controles. Gevolg: tranen met tuiten. Nog TWEE weken?! We werden naar de parking gebracht door de shuttle (zo’n karretje dat door het ziekenhuis zoeft en dat mensen meeneemt die zelf niet kunnen stappen – de Man was tamelijk opgelucht dat hij de rolstoel kon parkeren en mee in de shuttle kon stappen). In de shuttle vroeg een geïnteresseerde dame mij of ik misschien een drieling krijg. (Grmbl.)

Je begeven in de openbare ruimte als je een tweeling krijgt, kent echt een omslagpunt. Tot op zekere hoogte is het leuk, maar er zijn ook gewoon dagen dat ik iedere onbekende die mijn buik wil aanraken een mep wil geven, en dat ik alleen maar in elkaar wil zinken bij mensen die kirren dat ze ook altijd al een tweeling hebben gewild. Heb recent ook iemand ontmoet die het helemaal niets vond, want zij had een kind van maar liefst 4,5 kilo gebaard, dus twee kinderen van 2,5 kilo (en groeiend!) is peanuts. Bovendien was ze graag zwanger en zou ze het zo nog tien keer opnieuw doen. Haar dokter had zelfs gezegd dat ze er een talent voor had. (Ik voelde me weer even in het derde middelbaar en gebuisd voor wiskunde.)

Intussen hebben we ook de maxi cosi’s gekocht en de isofixen en we hebben alles geïnstalleerd in de auto. Daarbij bleken we beiden de onhandigste tweelingouders ooit, want we kregen de maxi cosi’s niet meer van het onderstel van de bugaboo (stonden we daar naast de auto youtube-instructiefilmpjes te kijken) en die poot van de isofixen klapte niet uit en het inklappen van de wielen was ook maar improvisatie. Maar we hebben het uiteindelijk min of meer voor elkaar gekregen en ik had zowaar kortstondig een moment dat ik geloofde dat we ooit, any day soon, met de maxi cosi’s gevuld met baby’s naar huis zullen rijden en dat ik dan later tegen mensen op straat ga vertellen dat ik een talent had voor tweelingzwangerschappen en dat ik het zo opnieuw zou doen.

 

Nog steeds wachten

EEF6404C-55AE-4587-B28A-9514742FAD57

Zoals je kan zien, is de buik nu een volwaardige tafel voor bordjes met gebak. De kleinste zoon had het geniale voorstel te vieren dat hij groter wordt, en iets vieren met taart vind ik nooit zo kwalijk. We aten taart in mijn bed-op-de-babykamer waar ik het grootste deel van de dag doorbreng tegenwoordig. En de nacht.

De nachten zijn nog steeds niet om over naar huis te schrijven. Ik heb op enkele weken tijd de vijf seizoenen van Call the Midwife er doorheen gejaagd (ja,die had ik allemaal al gezien,  maar een mens moet wat). De laatste nachten heb ik ook Splitting up together gezien, een grappig-geniale serie over een koppel dat uit elkaar gaat en in één huis blijft wonen. De variaties op de situatie dat één van de twee seks heeft met een ander en de ander dat ontdekt/observeert, zijn nogal talrijk, maar daarnaast zijn er ook heel veel heel ‘echte’ situaties die zowel voor gêne als voor een glimlach zorgen.
(Bericht aan Netflix: graag seizoen 6 van CtM en het tweede seizoen van Splitting up together. Dank!)

En een twee- tot drietal keer per week komt de crisisdienst langs. Wat een lieverds zijn dat toch. Tijdens zo’n bezoek praat ik alle verwarde gedachten uit mijn hoofd (ik hoor dan zelf best dat ik sommige gedachten misschien wat te ver doorontwikkeld heb), wordt me keer op keer uitgelegd dat ik met slapeloze nachten + ADD + hormonen + altijd pijn + zwangerschapsdepressie + fysieke beperkingen niet van mezelf kan verwachten dat ik mijn postcode nog weet (kuch), en dat het echt heel logisch is dat ik de draad van de elektrische tandenborstel heb gesmolten in de tosti-machine (de Man had daar minder begrip voor). Ik voel me echt altijd beter als ze geweest zijn, omdat ze me een beetje uit de spiraal halen van mijn eigen gedachten, en de muren die hier op mij afkomen wat op afstand houden. Soms he, lijkt het alsof er nooit baby’s gaan komen. Het is zo abstract, hoewel ik ongeveer bezwijk onder het gewicht van mijn eigen buik, omringd ben door babyspullen en allerlei trapjes voel in mijn buik.

Wordt vervolgd.

 

 

 

 

Wachten

304ACBC3-9961-4D69-8D52-CA086579B779

De stilte hier betekent niet dat ik gelukzalig met de twee dametjes in bed lig. Of misschien wel, maar dan niet gelukzalig en ze zijn nog niet geboren.

Om hier wat informatie te voorzien zal ik af en toe een foto posten en iets vertellen, hoewel er dus niets te vertellen valt.

As we speak is de situatie dat ik ongewassen (douchen kost veel moeite, ik doe het straks nog wel), met een legging aan en een draagdoek rond mijn bekken geknoopt om het allemaal wat samen te houden, mijn dag vul met rusten. Een kwalijk ongelukje (uitgeschoven toen ik toch nog zelf eens een brood ging halen) zorgde er voor dat ik nog meer in de sukkelstraat terecht ben gekomen. Mijn bekken is namelijk behoorlijk verrokken en de trap op en af is plots nog moeilijker, net als mezelf omdraaien in bed, in bed gaan liggen of uit bed komen. De dag van de uitschuiver was trouwens een pechdag, want ik heb die dag ook een schaal uit mijn (al geruime tijd gevoelloze) handen laten vallen, met als resultaat dat mijn handen bloedden, het bloed alle kanten uit spatte, de grond vol glas lag en ik daar ook nog eens ingetrapt ben omdat ik het niet kon opruimen. Waardoor niet alleen het aanrecht, maar ook de houten vloer vol bloedvegen kwam te zitten. Spannend, jong. Zo alleen thuis zijn en hoogzwanger.

Eergisteren kwam het cadeautje dat je op de foto van zien, van één van de meterkes van de meisjes. Zelf gemaakt. Het concept ‘meter- en peterschap’ was trouwens voor mijn Man-van-boven-de-rivieren behoorlijk onbekend, dus ik heb hem een en ander kunnen vertellen over de eer die het meterschap inhoudt. Er zijn nog meer verschillen bij de geboorte van een kind. In Nederland is een geboortelijst leggen blijkbaar niet heel erg in (was ik overigens ook niet van plan) en het concept doopsuiker is ook niet uit te leggen aan mijn extreem nuchtere Nederlandse Man. Ik bedoel maar: je geeft geld uit en/of knutselt om suikerbonen te verpakken en die cadeau te geven aan bezoek?! Beschuit met muisjes zal het hier worden. Maar dan misschien cupcakes met muisjes, omdat zelfs mijn extreem nuchtere Man van-boven-de-rivieren niet van beschuit houdt.

Aan de meter in kwestie: duizend maal dank met hartjes. Al dat moois zit in het koffertje voor het ziekenhuis, want wat is mooier om aan te trekken dan iets dat met liefde gemaakt is? Ik hoop dat het gaat passen. Kan me niet voorstellen dat de kindjes zooo klein zullen zijn, als ik naar mijn buik kijk.

 

 

 

Nog eens in beeld

 

Ad 1. De buik is nu een tafeltje op zichzelf. Omdat weinig leuke dingen nog haalbaar zijn, is eten wel eens een troost. Meet chocomousse en sorbet. En een familieverpakking rennies natuurlijk voor na die zoete zondes. Ik heb intussen een apart bed op de babykamer, waar een soort van stelling van kussens gebouwd is, zodat ik enigszins comfortabel kan liggen. Het was bedoeld als overdag-bed, maar omdat ik de Man ’s nachts stoor met mijn wakker-liggen, lig ik daar nu ook ’s nachts. Hoe voelt enerzijds als een nest waar de slapeloze nachten minder eng zijn. En anderzijds maak ik me ook weer zorgen wat er van mij en de Man overblijft als ik nu ook nog apart slaap. Anyway. De iPad is een bron van vertier. Hoe deden mensen in de middelleeuwen dat, rusten zonder afleiding? Ik lees blogs, bekijk instagram-accounts, gebruik de NPO-app en Netflix.

Ad 2. Ik kreeg dit lieve boekje toegestuurd. De Prinses op de Erwt, die niet kan slapen door haar gevoeligheid en de erwt onder haar matras. ’s Ochtends zit te prinses huilend op haar berg kussens. ‘Zo gevoelig kon alleen een echte prinses zijn.’ Ik glimlach. Van niet slapen word je echt knettergek kan ik intussen uit ervaring vertellen. Ik denk dat ik blij mag zijn dat ik in dat knettergekke vooral heel passief ben. Ik kan en wil bijna niets meer. Lusteloosheid troef. (En nee, daar ben ik niet erg trots op.) Ik denk dat een scenario waarin ik gekke dingen zou beginnen doen, nog minder zou zijn. De psychiater staat klaar met een -pammetje (oxazepam of diazepam) als ik ja zeg, maar ik blijf koppig volhouden dat het niet goed is voor de baby’s en dat het echt de laatste weken zijn.
Op het eind van het boekje trouwt de prins met de prinses. Ik hoop maar voor haar dat daar geen tweeling van komt.

Ad 3. Controle bij 33 weken. De baby’s hebben de twee-kilo-grens overschreden! Iedereen happy happy. Complimentjes alom, omdat ze het beiden nog steeds op het niveau van een éénling doen (ook daar heb ik weinig verdienste aan – ik heb gewoon geluk en ik lig heel de dag lusteloos te zijn, helpt vast ook). Als het enigszins kan, hoop ik dat ik ze ergens tussen 36 en 37 weken aflever (en niet later, baby’s, echt niet veel later). Soms is dat even spannend. Er zijn momenten met voorweeën waar ik kreunend van over de bank hang. ’s Avonds heb ik één langgerekte harde buik. 33 weken lijkt goed, maar als ik dit lees ben ik toch weer heel bewust van het feit dat bevallen zou betekenen dat ik na een paar dagen zonder baby’s thuis zit. En dat is iets dat ik nog minder graag wil dan nog drie weken zwanger zijn. Benen toe houden, zegt de Man. En dan grapt hij er achter aan dat ik dat al die maanden geleden misschien ook beter had gedaan. Om vervolgens te vragen of ik het nog steeds gewild zou hebben als ik op voorhand wist hoe slecht het met mij zou gaan. En eerlijk gezegd? Op dat moment dacht ik: nee, ik zou het nooit meer durven. Weer een huilbui later besef ik dat ik daar radicaal anders over ga denken als de baby’s er zijn.

Ad 4. De baby’s. Aan mijn nest-bed heb ik twee jurkjes gehangen, die ik ook ’s nachts bij het licht van de straat kan zien. Kwestie van perspectief houden. Wordt vervolgd.

 

 

Intussen

Intussen tel ik de dagen af. Nog 24 denk ik. Of minder. Of meer. Ik kan er me niets bij voorstellen, ondanks alle voorbereidingen, de bewegingen van de meisjes, en bevallingsfilmpjes die ik stiekem (en meestal luid snikkend) kijk. (Echt jong, een porno-verslaving is waarschijnlijk gezonder.) En ik kijk hier en hier en hier af hoe het zou kunnen zijn.

Intussen heb ik een lijstje gemaakt van wat ik nog moet/wil doen in die 24 dagen. Luiertas, staat er. En jasjes. En kruikjes. En kapper. En nagels. En wees gerust, ook nog wat ‘echte’ dingen. De urgentie heft de stolp wat van de vermoeide dagen vol pijn.

Intussen heb ik misschien wel het slaapmiddel-bij-uitstek gevonden en het heet Jeroen Meus. Ik heb zowaar een nacht geslapen van 10 tot 1 en van 2 tot 5. (Met regelmatig wakker worden maar ook telkens weer inslapen.) Wat was anders dan de andere dagen/nachten? Aha, ik heb een filmpje van Jeroen Meus gekeken. Dagelijkse kost. Frambozenmousse. Blijkbaar kan je daar zoet van in slaap vallen :). Therapeutische dagelijkse kost.

Intussen komen er mensen langs van de crisisdienst om te kijken of ik niet gillend gek word. De vorige keer was ik te moe om te praten en lag ik op de bank. Straks komen ze terug. Eens kijken hoe dat zal gaan. Het breekt de lange dagen. Het heft de stolp wat op. Maar vooral: ik realiseer me door wat ze zeggen dat ik niet ben zoals ik nu ben. Lusteloos, eindeloos moe. Maar dat dat dus de ziekte is. En niet het gebrek aan wilskracht ofzo. En soms, soms durf ik denken aan de persoon die ik hierna (weer) kan zijn. Iemand met interesses en goesting en levenslust. En o ja, twee baby’s erbij.

Intussen lees ik over mensen die banen kwijt geraken en baby’s verliezen en ik voel zo veel compassie en vraag me elke keer af wat ik hier zo alweer zit te doen, met alles wat mijn hartje begeert, lusteloos op de bank.