De muur

Het was te veel voor me,’ piep ik midden in de nacht. Hij ligt, ik zit. Hij was het hele weekend weg. Eén keer hebben we samen gegeten. Op zondagavond had ik het helemaal gehad en vertelde ik hem dat ik geen fijn weekend had gehad. Al die uren die te veel leken op de uren van vroeger. Zonder volwassen mens in de buurt, volledig aan zet, en zo moe, gevangen in mijn eigen gedachten, wegzinkend. Hij verwijt me dat ik het op voorhand had moeten zeggen. Ik zeg dat ik zijn moeder niet ben. Ik verwacht van hem dat hij zelf aanvoelt dat die mate van uithuizigheid voor hobby’s voor mij zwaar om te dragen is. Ik wou zondag zelf naar een yogasessie gaan, maar ik kon het niet opbrengen dat te regelen met oppas en schuldgevoelens. Ik kan gewoon niet nog meer regelen in dit leven waarin elke dag en elke week anders is. Maar nog meer waar dan dat ik zijn moeder niet ben, is dat ik het totaal niet kan inschatten. Wat te veel voor me is, wat niet. Later die nacht voeg ik me huilend bij hem. De nacht is in duizend stukken gebroken, mijn ogen branden. Ik voel me schuldig en verward en alleen. En dan houdt hij me vast en dan pas kan ik even slapen.

Ik zit met een collega in de auto. Of ik niet beter ander werk zoek, vraagt ze. Ik vind het een confronterende vraag, maar eerlijk gezegd is het inderdaad te zwaar voor mij. Vroeg op, laat thuis. Veel rijden. Onregelmaat. Vaak voor groepen. Verschillende taken. Altijd wat anders. In veel dingen die ik doe heb ik zin. Tot de voorbereiding in een soort hel verandert omdat ik het niet kan inschatten. Wat het van mij zal vragen. Hoeveel tijd dingen kosten. Of ik het red of niet. Ik geraak in overdrive en overstuur. En kwaad. Ik zou dit moeten kunnen en waarom kan ik het niet. Ik ben al minder gaan werken en waarom red ik het nog niet.

Ik krijg opdrachten waar ik ja tegen zeg, want ja, leuk, mooi, goed! En er mag ook wel brood op de plank. Dankzij het samenleven met de Man heb ik voor het eerst weer wat financiële reserve opgebouwd. Niet veel, amper een maandloon staat er apart, maar dat is al meer dan de voorbije jaren en het doet deugd weer iets op te bouwen. Het uitvoeren van de opdrachten wordt echter een soep. Wanneer doe ik wat, hoe plan ik het, hoe bouw ik het op? Ik maak soms plannen, maar als tijd managen al moeilijk voor me is, is energie managen dat ook. Ik wou soms dat ik alleen op de wereld was, niemand om voor te zorgen. Op de zeldzame momenten alleen op de wereld krijg ik inderdaad nog wel eens wat gedaan. Door heel vroeg aan mijn bureau te gaan zitten, pas te ontbijten als ik voel dat ik honger heb, en me pas aan te kleden als het grootste deel van een taak af is. De andere ochtenden geraak ik verstrikt in zorgen voor, op tijd op school, spullen pakken, kleedjes bij elkaar schrapen, fruit schillen, chaos. Meestal ben ik al op voor de werkdag begint.

Ik ga op pad en denk alleen maar dat ik thuis wil blijven. Maar dat is ook niet zo, thuis zit ik achter de tralies van mijn eigen beperkingen. En daar word ik ook niet vrolijker van. Zo vaak wou ik dat ik iemand anders was. Iemand die wel kan inschatten wat ze wil, nodig heeft en kan. Iemand die niet doodmoe onder allerlei losse eindjes bedolven is. Ik wou dat ik iemand was die elke dag een verse maaltijd op tafel kon hebben, het werk perfect kon voorbereiden en alles perfect kon afhandelen. Iemand die beslissingen neemt, knopen doorhakt. Iemand die niet verzinkt in de eigen complexiteit en zo moe is, zo moe, zo moe. Iemand die niet met de jaren een muur heeft gebouwd met blokjes van schaamte en schuldgevoel om alles wat niet lukt en niet op tijd lukt. De muur is hoog en werpt een schaduw op alles.

Soms oogst ik. Dan zie ik resultaten van mijn werk. Geld. Declarabele uren. Een artikel in een boek. Dan kijk ik en hou ik me vast aan die dingen, en dan realiseer ik me dat ik in al mijn chaos nog wel meer gedaan krijg soms dan sommige andere mensen. En dat is ook echt zo. In sommige dingen ben ik goed. En dan creëer ik grote projecten, realiseer ik veel opdrachten, klim ik weer in de cijfers op het werk en zie ik wat terug van wat ik gemaakt heb. Op dagen als vandaag, waarop ik in de auto alleen maar zit te denken dat ik ontslag wil nemen omdat ik het niet aankan, weet ik ook dat het een verlies zou zijn. En niet alleen voor mij.

En dan zijn er nog de vrienden. Ik zou zo graag een betere vriend zijn. Een teken van leven geven. Vragen hoe het gaat. Iets van mezelf vertellen of delen. Een app of een mail beantwoorden. Een kaart sturen. Eens bellen. Het contact met mijn familie herstellen. Maar eerlijk gezegd krijg ik dat niet voor elkaar. Ik wil geen verwachtingen meer wekken die ik niet waar kan maken. Ik weet gewoon niet wat ik nog waar kan en wil maken en wat niet. Ik kan niet inschatten wat ik red en wat niet. En ik kan het niet uitleggen, hoe moe ik vaak ben en hoe complex en intens mijn hoofd is.

Advertenties

Een jaar

De Man en ik zijn een jaar oud.

Een jaar geleden logeerde ik bij hem omdat ik in zijn buurt moest werken. De eerste avond gebeurde er niets, behalve thee op de bank. Na het werken kwam ik bij hem thuis. Om één of andere reden herinner ik me nog aangebeld te hebben, en kijkend naar zijn fiets te wachten tot hij de deur open deed. De fiets die ik hip vond. Die me voor hem innam.

Die avond waren we precies een getrouwd koppel. We kochten samen een trui die ik koester want die me doet denken aan die avond. Ik werkte aan de keukentafel die nu de mijne is, hij ging lopen. Ik smste een vriendin dat hij ‘niets deed’. We gingen uit eten, en op de terugweg sloeg hij zijn arm om me heen. Schuchter. De volgende ochtend ging ik met een licht slaapgebrek de deur uit. Na het werken belde ik hem. We waren samen en dat voelde heel normaal.

De eerste maand raakte ik zwanger.
De tweede pendelden we tussen mijn en zijn land.
De derde kreeg ik een miskraam.
De vierde was ik ziek en zetten we een kerstboom op in zijn huis.
De vijfde was ik nog steeds ziek en gefrustreerd.
De zesde besloten we samen te wonen.
De zevende begon ik weer te werken.
De achtste verhuisden we.
De negende domicilieerde ik me op zijn adres. Daarvoor had ik een brief met zijn handtekening nodig, dat voelde gewichtig.
De tiende voelde niet alles meer ‘voor het eerst’ en vond ik stilaan de weg in zijn stad die de onze was.
De elfde reisden we samen met de kinderen.
De twaalfde maakten we ruzie en schreeuwde hij wel eens dat hij het gehad had met me.

Ongeveer. Zoiets.

En toen was het jaar rond en zaten we op de bank. We keken elkaar aan. Ik vroeg hem of hij er echt over nagedacht had uit elkaar te gaan. Hij zei nee, natuurlijk niet, maar als je ongelukkig bij me bent moeten we uit elkaar gaan, want dit is wie ik ben en ik kan mezelf niet veranderen. Ja, zei ik. En ook dat hij me niet ongelukkig maakte. Hij zei dat hij me soms niet goed begreep, met al mijn intensiteit. Het innig content en het grote verdriet. Ik zei dat ik hem niet zo goed begreep, dat het soms lijkt alsof hij enkel met zijn hoofd van me houdt, maar verder zo vermijdend kan zijn. We zwegen. We dachten na. We praatten nog meer. We wisten wat we aan elkaar hebben. En zoals elke avond ging ik naar boven, terwijl hij beneden de lichten uit deed. In bed praatten we nog even terwijl mijn hoofd weg zeilde. Ik zei dat ik al droomde en dat ik misschien rare dingen zou zeggen. Hij zoende me en ik sliep.

Luistervoer

Ik moet vaak een heel eind rijden. Nadenken over de zin van mijn leven en of mijn baan al die kilometers (en tijd) waard is, is dan niet het beste plan. In mijn coconnetje luister ik dus nog steeds naar podcasts.

Sommige podcasts zijn zo sterk dat ik het jammer vind dat ik na twee uur rijden een parkeerplaats moet zoeken. En die deel ik graag met jullie.

  1. Alone  – a love story: deze podcast is een achtdelig verhaal van een vrouw die vertelt over haar huwelijk. Voor, tijdens, het einde en na het einde. Het is heel mooi gemaakt (muziek, montage). Ik vond enkel het einde (achtste aflevering) wat abrupt. Maar misschien heb ik het fout begrepen en komt er nog meer? Ik vond het erg herkenbaar, ook in de rauwste stukken (hoewel mijn reactie op verdriet toch wat anders was dan dat van het hoofdpersonage).
  2. Ik ken iemand die: een heel herkenbare maar ook heel relaxte podcast van een stel ouders die praten over het leven met kinderen. Vakanties (nooit meer hetzelfde!), veiligheid, eten. Het voelt alsof je een kopje koffie drinkt met een clubje vrienden en er heerlijk op los tatert over die eigenaardige staat die het ouderschap heet en waarin je echt wel allemaal rare dingen doet en meer op je eigen moeder lijkt dan je zelf zou denken.
  3. Grootse liefde: er zijn amper vier afleveringen van, maar ze waren best leuk. Een analyse van een stationsromannetje op vrij serieuze wijze. Karakters worden besproken, plotwendingen in vraag gesteld. Hilarisch. Zelfs (vooral?) als je geen liefhebber bent van het genre. Er wordt ook altijd een stukje voorgelezen. Verhelderend.
  4. Dear sugar radio: … blijft mijn all time favorite. Lezersbrieven worden besproken door twee hosts die met heel veel gevoel voor ethiek en compassie adviezen geven. Ik heb het gevoel dat ik door deze podcast leer hoe volwassen te reageren op allerlei situaties: hoe je trouw blijft aan jezelf en grenzen stelt, maar ook hoe je op een goede manier met anderen omgaat en in contact bent. Prachtig!

Een podcast waar ik zelf veel over na heb gedacht, was de reeks NO binnen ‘The heart’.  Het was een reeks over het overschrijden van seksuele grenzen door mannen bij vrouwen die ‘nee’ zeggen. Het is een erg confronterende reeks omdat er ook audio-opnames gebruikt worden van echte en nagespeelde situaties. Ik ben zelf absoluut van het principe nee-is-nee, maar tijdens het luisteren geraakte ik in de war over mijn eigen standpunt. Een speels ge-uite ‘nee’ met een hoog stemmetje, klinkt eerder als een deel van een spel (en dus een aanmoediging) dan als een echte nee. Hoeveel verantwoordelijkheid draag je over het in overeenstemming brengen van je lichaamstaal en de klank van je stem met de boodschap die je brengt? En in hoeverre is het ‘ok’ om in bepaalde situaties te geraken met een vriend (bijvoorbeeld samen halfnaakt en aangeschoten op de bank) als je niet wil dat er iets gebeurt? Niet dat iemand het recht heeft om grenzen te overschrijden in dat soort situaties, maar het lijkt me erg verwarrend als je ‘tegenstrijdige’ signalen krijgt in boodschap (nee) versus situatie, stemgeluid, gedrag. Ik vond het werkelijk verwarrend. Toen ik thuis kwam bij de Man hebben we er ook een heel verward gesprek over gevoerd, waarbij de macht die vrouwen nemen/hebben in dat soort situaties ook aan bod kwam en ik de onveiligheid die er voor mannen aan zit ook voor het eerst besefte. Ik wou stiekem dat ik de reeks niet had gehoord, want ik ben er nog steeds een beetje door in de war.

Jij nog tips? Deel ze in de comments!

 

 

Rare gedachten over alles wat moet

Het is zondag na heel veel week. Week met dagen de deur uit van 7 uur ’s ochtends tot 7 uur ’s avonds. Week met groepen, collega’s, een feestje, zelf een glas schuimwijn (hoe deed ik dat, vroeger dagelijks drinken?). Week met flink zijn en doorzetten. Week waarin vooral de Man aan de schoolpoort stond.

En dan is het weekend en moet ik weer gaan werken. Als ik tureluurs thuis kom, komen de mannen net terug van de cinema. Er zijn chocolaatjes voor mij, en de Man heeft voor het eerst ooit een kaartje voor me geschreven (dat is scoren!). De Mannen hebben kleding gekocht. Joggingbroekjes en truien met dino’s enzo, en ik moet lachen want ik vind het best grappig. (Mannen die kinderkleding kopen. Iemand?)

Op zondag gaat de Man 35 kilometers lopen. Ik doe de jongens in bad, we ruimen op, we verstouwen een weekportie aan was. Als de Man thuis komt doe ik boodschappen, we lunchen. Daarna geraken we in keuzestress. Want we moeten iets gaan doen met de kinderen. Maar wat? Het is geen weer voor strand. We kunnen niet kiezen tussen 6 speeltuinen. We kunnen geen kaarten meer kopen door de toneelvoorstelling van 15u en naar de film zijn we gisteren al geweest. Zelfoogsttuin met springkasteel dan maar? Wandelen op een landgoed? … Ik hoor mezelf zeggen dat ik gewoon iets wil waar de kinderen spelen en ik een boek kan lezen. En dan ontdek ik dat de kinderen aan het spelen zijn en ik een boek kan lezen als ik er nu gewoon één pak.

Ik ga kijken. Ze maken een treinspoor op hun kamer. Daarna gaan ze naar buiten  met hun joggingbroekjes aan. Ik hoor soms geschreeuw en geruzie maar ik blijf op de bank liggen en lees moois. Het geruzie maakt plaats voor samen spelen. Af en toe komen ze iets halen of iets vragen. Ze zijn gewoon lekker bezig en ik vind het mooi. De Man gaat rusten, ik schrijf dit blogje en verder zien we wel weer wat de dag brengt.

Vanochtend dacht ik weer eens hoe intens het leven met kinderen is. Ik had zo veel herkenning toen ik het artikel van Kelly las over introverte ouders in De Standaard van vorige week. En ja, die koters zijn luid en druk en maken ruzie en hebben elke twee uur wat te eten of te drinken nodig. Soms voel ik me slachtoffer van mijn eigen  kinderwens want ik wil er zo graag nog één, terwijl ik ook zo graag rust wil en op mijn eigen ritme en tempo kunnen leven en boeken lezen en slapen en denken en alles doen waarvan ik wou dat ik het kon doen maar wat ik nu even niet meer kan bedenken. Maar vrijdag zaten de Man en ik aan de ontbijttafel met twee vrije uren voor de boeg. En zonder de koters voelt het dan toch ook wel even als het zwarte gat. De doelen van ons leven zaten op school. Zoiets. En vanmiddag dacht ik dat het niet per se die koters zijn, maar wel de koters plus alles van elke dag. En al die rare gedachten over alles wat moet.

Zoals een zondagmiddag-activiteit. Waar we naar zochten, met tablets en boekjes over activiteiten met kinderen. Koortsachtig. Tot we beseften dat we geen kind aan ze hadden.

 

Zelfzorg & werklust

Er zijn ongeveer dertig kinderloze uren. Ik doe de zaterdagse dingen. Tref de Man op het bankje bij de koffiebar op het pleintje. We lunchen met de buren. Ik draal nog even door de stad.

En dan moet het. Ik kook, we eten, en ik trek me terug op de zolderkamer. Een kamer die vertrouwd ruikt (lavendel), waar een groot whiteboard staat waar ik de categorieën te doen, aan het doen en gedaan op heb gemaakt en waar post-its van links naar rechts over het bord bewegen. Het is mijn kamer vol boeken. Er is zacht licht. Er wordt gewerkt.

Ik sta de komende tijd vaak voor teams, up to 85 mensen. Dat is hard werken in de voorbereiding. Daarnaast moeten de gewone dingen ook nog doorgaan.

Dus ik werk tot een stuk in de nacht en na een hazeslaapje en een koffie zit ik om 6u weer aan mijn bureau. In de late namiddag is de fut er wat uit. Ik ga vroeg slapen, zeg mijn vergaderingen voor maandag af en geef mezelf nog een dag om te werken.

Misschien is volwassen worden wel dat je je realiseert dat je niets ongestraft doet. Alles heeft zijn prijs. De Man loopt veel, waardoor de connectie tussen ons wat lijdt. (Dit moet niet eeuwig duren. Samen leven met iemand die goed hardloopt is ook samenleven met iemand die niet alles mee kan eten, vaak gaat trainen, over kilo’s en minuten praat en een heel jargon hanteert met zinnen als ‘ik had te weinig inhoud’.) Ik moet veel werken waardoor ik wat minder hier en nu ben. De kinderen zijn wat moe door onze drukke programma’s. Een weekend doorhalen met werk kan best, maar op maandagochtend ben je moe en brak en moet je nog even.

Dus ik doe wat me te doen staat. Vergaderingen afzeggen, hoe niet-loyaal ik het ook vind. Aan een vriendin laten weten dat we niet uit eten kunnen als ik de volgende dag om 7 uur in de auto zit en tot 17u een dag inhoudelijk en procesmatig moet verzorgen. Goed eten. Om de twee uur een wandelingetje maken tussen het voorbereidend werk ook, hoe erg het ook lijkt op tijdsverspilling. Mijn 5 kilometers lopen. Een warme douche. En vooral: elke gewerkte dag die vrij had moeten zijn in de agenda elders vrij plannen.

Naast me ligt een boek te wachten. ‘Opgeruimd leven. Roadmap naar tijd en balans’, van de onvolprezen Eva Brumagne. Zoals ooit het blogboek blogland inspireerde tot blogboek-bloggen, zo ga ik met de opdrachten van Eva aan de slag op deze blog. Wordt vervolgd. En hopelijk door jullie meegedaan. 🙂

 

Heilige boosheid

Hij en ik, we vechten de strijd van de angstige en de vermijder.

Er is pijn, want wat je ten diepste wil, kan je niet afdwingen. Je kan eisen dat iemand een keer per week met je uit eten gaat, maar je kan niet eisen dat hij dat met z’n hart doet. Je kan eisen dat iemand lief voor je is, maar je kan niet eisen dat iemand je graag ziet. Deze voorbeelden zijn trouwens fictief. Er zijn andere onvermogens en diepe wensen die hier vechten.

Ik hoor hem vragen te zien dat hij naar zijn vermogen zijn best doet en dat te erkennen. Ik hoor mezelf vragen te erkennen dat ik te kort heb en ik meer mag willen. Meer van de dingen die onmogelijk worden als je ze begint te vragen. Omdat ze krijgen als antwoord op de vraag al de bevrediging van het krijgen wegnemen.

Een voorbeeld is de kinderwens. Ja, ik wil graag een kind. Hij is voorzichtig, wil dat eerst alles onder controle is, vraagt zich af of we het moeten willen. En ik wil alleen maar dat hij zegt: ja, ondanks het feit dat nooit alles onder controle kan zijn en dat we niet weten hoe het uitpakt, wil ik een kind met jou.

Maar van zodra ik hem dat vraag, kan hij me dat nooit meer geven, want ik zal nooit meer weten of het van hemzelf komt, of dat ik het heb afgedwongen met mijn verlangen.

Het is een kluwen. Recent reageerde iemand op deze blog door te zeggen dat het jammer is dat het zo moeilijk blijkt voor mij om een relatie op te bouwen. Dat zinnetje spookt al weken door mijn hoofd. Is het gewoon moeilijk of ben ik specifiek iemand die het niet kan?

Ik denk dat we beiden (de Man en ik) voor elkaar willen kiezen en bij elkaar willen zijn. Dat er geen kwaadaardigheid is, alleen maar onvermogen aan beide kanten. Ik heb niet slecht gekozen en hij ook niet (haha), maar het is zo moeilijk.
In de auto besluit ik dat ik koppig vasthoud aan mijn keuze voor hem, want hij is een lieve, zorgzame Man die ons graag ziet en er voor ons is. Een Man die aan de schoolpoort staat als het nodig is, zal doen wat hij kan om me te helpen. Een Man die opstaat als de kleine zoon hoestbuien heeft. Ik hoor niet wat hij dan zegt, maar als ik zijn geruststellende stem hoor tegen het huilende kind, dan weet ik genoeg.

Maar ik verzuip bijna in boosheid. O, wat ben ik woest. Woest op hem, woest op het leven, woest om niet krijgen wat ik nodig heb.
En ik geraak verstrikt in mezelf want ik weet van sommige dingen niet meer voor wie ik ze nu eigenlijk doe. Voor hem, voor mij? Het lijkt alsof elke exercitie in mijn leven, werk, vriendschap, relaties, te maken heeft met het gevoel mijn best te moeten doen, het gevecht met mijn angst niet te voldoen, inderdaad niet te voldoen OF niet te krijgen wat ik ondanks mijn inzet zou willen. En dan trek ik me terug. En sinds enkele weken word ik ook gewoon boos. Existentieel boos. Het is lastiger voor mijn omgeving, maar het is beter voor mezelf.

Ergens is het zo basic en zo simpel. Als je in het begin de boodschap niet gekregen hebt dat je ok bent zelfs zonder dat je iets doet of geeft, blijf je altijd zoeken naar wat je moet doen en geven om goed genoeg te zijn voor de ander. En na een tijd weet je niet meer wat je doet omdat je het zelf wil en wat je doet omdat de ander het wil. Of omdat je denkt dat de ander het wil.

De therapeut waar ik voor het werk naar toe moet, heeft blinkende oogjes als ik zeg dat ik conflicten heb. Dat vindt hij een goed teken, terwijl ik er best veel last van heb. Hij is blij dat ik niet meer mee wil doen met al die gekke dingen die anderen normaal lijken te vinden. Dat ik niet meer drie dagen met buikpijn wil rondlopen omdat ik geconstipeerd geraak van de drukte. Dat ik de dingen niet meer op de voorwaarden van de anderen wil. Dat ik geen werkdagen meer wil van 500 km rijden en drie afspraken, met om 8u de deur uit en om 20u terug.

Maar wat mijn eigen voorwaarden zijn en wat ik dan wel wil kom ik niet bepaald op het spoor. Ik wil dat de dingen normaal zijn. Normale werkdagen waar ik niet total loss van geraak. Normale contacten met collega’s die me niet te dicht op mijn vel zitten of ideeën overnemen en ermee aan de haal gaan. Ik wil mijn kinderen zien en tijd met hen doorbrengen. Ik wil niet meer dat mijn jongste weer doodmoe en altijd bleek is. Ik wil tijd om voor te bereiden wat ik moet doen. Ik wil dat mijn lief mij graag ziet zoals ik ben en mij geeft wat ik nodig heb en van me aanneemt wat ik te geven heb. Ik wil een baby want ik ben zo verdrietig om het kind dat ik verloren ben en ik ben gewoon een jonge vrouw die een kind wil en dat mag, ik mag best een kind willen. Ik wil goed betaald worden voor het harde werk dat ik doe en liefst op tijd zonder dat ik er achteraan moet (specifiek het geval voor mijn bijberoep, waarom staken bijberoepers nooit?). Ik wil dat Dirk zijn schulden terug betaalt, niet elke keer uitstelt wat hij aan alimentatie moet betalen en dat hij niet alleen ouder is als het hem uitkomt en verder eindeloos zeurt om elke aanpassingen aan elke gemaakte afspraak. Laatst durfde hij tegen mij zeggen dat ik moest begrijpen dat schoolpoort-uren niet makkelijk zijn voor hem OMDAT HIJ ER ALLEEN VOOR STAAT. Ik dacht werkelijk dat mijn broek afzakte. (Ja, hij zal er best alleen voor staan maar ik stond er jaren alleen voor en toen was het maar normaal dat ik wel aan de schoolpoort stond.)

Ik wil dat de dingen normaal zijn en ik ben boos omdat ze dat niet zijn.

Zo.

Boosheid, boosheid is heilig. Sainte Colère, las ik ergens, lang voor ik het begreep. Met de acupunctuur-man werk ik aan mijn lever. Die werkt niet goed, zegt hij. Ik neem Mariadistel om beter te ontgiften en die lever te laten functioneren. Het resultaat is die heilige boosheid,  in plaats van eindeloos moe en altijd pijn zoals jaren het geval was.

Ik ben liever boos dan moe.

Maar het is hard werken.

P.s. Een onnozele boodschap tot slot. Ik ben mijn pincode van mijn telefoon kwijt en dus jammer genoeg onbereikbaar voor zij die afvragen waarom ik van de aardbol ben verdwenen.

 

De zaterdagse dingen

Het is zaterdag en we zijn met twee. De Man maakt zich klaar om te gaan hardlopen. Ik neem een lange douche, stap op de fiets en rijd de stad uit om groenten te gaan oogsten. De herfst hangt in de lucht. Het is mijn seizoen. Wat zinnelijk, de zon, de frisse lucht, de aarde waar ik in woel. Tegenzin om wortels te oogsten, en verwondering als ik ze vlotjes en zacht uit de grond kan trekken.

Ik fiets met mijn tas vol zand en groenten naar de stad, waar ik De Standaard koop. Zaterdagse verwennerij! Op de markt haal ik brood en kijk ik even rond, en dan bestel ik een cappuccino bij de koffiebar. Temidden van de drukte en bedrijvigheid van de barrista’s drink ik mijn koffie en lees ik mijn krant. Weer thuis lunchen de Man en ik samen, waarna we nog even de stad inlopen.

De zaterdagse dingen, oogsten, brood halen, krant kopen, koffie drinken, voelen zo rijk en luxueus. Het voelt als een ritueel, dat weer anders is met de kinderen (trager en geen koffie), en ik realiseer me hoe belangrijk het is om deze rituelen, deze ankerpunten in de week te hebben.

Laatst ging ik met de Man naar een concert, wat leuk was, maar waardoor ik weer besefte hoezeer ik mijn leven aangepast heb aan mijn prikkelgevoeligheid. De luide muziek, de lichten, de geur van de mensen rondom me, het was zo ontzettend vermoeiend. Leuk voor een keer maar niets voor mij, in tegenstelling tot de ingrediënten van het zaterdagritueel die in combinatie net op maat zijn van wat ik aan kan en waar ik van geniet.

En dat, besef ik terwijl ik langs een grachtje loop, is waar het uiteindelijk om gaat. Die mooie zinnelijke ervaringen van het ruiken van een vleugje herfst, het voelen van de late zon op je gezicht, de geur en smaak van koffie, het papier van de krant tussen je vingers, het woelen in de aarde, de kus bij thuiskomst.

 

De Man die de vlaggetjes ophangt

De verjaardag van de kleine broer is nooit onbeladen, hier. Op zijn eerste verjaardag jankte ik de ogen uit mijn kop en overwoog ik om me te laten opnemen in een ziekenhuis. Zijn tweede verjaardag moest een feestje worden, en dat werd het (zie hier en hier). Zijn derde verjaardag herinner ik me gek genoeg niet zo goed. Ik vermoed dat we het bescheiden doch gezellig gehouden hebben. Geen drama, geen gekkigheid.

En nu was het mannetje alweer jarig. De avond van tevoren stond de Man vlaggetjes en slingers op te hangen. Hij kwam vroeger terug van het werk om samen cadeautjes te kopen. De dag zelf hielden we rustig. Ik bakte cupcakes als traktatie en ze zagen er zowaar gelukt uit. Het feestje doen we later nog wel eens, dat vraagt nog wat organisatietalent dat ik niet echt heb.

Toen de vierjarige al lang lang te slapen, kroop ik bij de Man in bed. Ik dacht aan die nacht in het ziekenhuis vier jaar geleden. Dat ik nu in Nederland zou wonen, met een Man die ik toen nog niet kende maar nu de mijne is, in een leuk huis, in een leuke straat, zonder heel noemenswaardige zorgen en mét vlaggetjes, had ik toen onmogelijk kunnen denken. Ik had even goed onmogelijk kunnen bedenken wat voor puinhoop er tussen die nacht en deze nacht zat. Maar toch is het een mooie illustratie van twee dingen waar iedereen zich aan kan vasthouden. Namelijk: verandering is de enige constante én you really really never know.

Bankje

Ik ben nog geen half jaar geëmigreerd. Maar ik weet alle lichtknopjes intussen wel zitten en de stopcontacten ook en ik ken de weg in de stad en de naam van de buren.

Elke zaterdag fiets ik naar de boekenwinkel waar ik een Standaard uit de rekken vis met een zucht van genoegen. Mijn krant, mijn krant! Ook het Parool lees ik, maar de Standaard, die is van mij.

In het weekend is er genoeg krant om ook in de week nog te zitten bladeren. Vandaag dronk ik een kop koffie, bladerde ik door mijn Standaard, en las ik een artikel over iemand die een bankje voor zijn huis had gemaakt in Gent en wat voor sociale revolutie dat geeft, want gezeten op dat bankje praat je wel eens met de buren. Wow, zeg, wat een concept!

Ik werp een blik naar buiten en grijns. 90 procent van de huizen in mijn steegje hebben een bankje voor het huis, naast een hele resem fietsen. Wij hebben te veel fietsen om een bankje te hebben (volgens de Man, maar voor mijn volgende verjaardag is misschien wel wat te regelen). Geen auto’s, geen opritten en geen geparkeerde voertuigen zoals in mijn heel Belgische vroegere dorpje. Ik sla de krant dicht en drink mijn koffie verder op op het gedeelde bankje in de gedeelde tuin. Bankjes en gedeelde tuinen, wat een concept :).

De rode draad

De Man en ik, we verzeilen in een ruzie zoals we er wel vaker hebben. Ik zie haarfijn hoe we reactie op reactie stapelen en dat we daarmee moeten ophouden. De dingen hoeven niet zo te escaleren en we zijn grote mensen en we willen graag samen zijn en we moeten beter kunnen.

Maar zo maakbaar is het allemaal niet.
Want ik ben moe van telkens terug de eerste stap te zetten en ik wou dat hij dat een keer kon doen met heel veel liefde en warmte. (Iets dat hij misschien wel wil, maar niet kan.)
Ik denk dat hij moedeloos is omdat hij zijn best doet en zich mogelijk niet geapprecieerd voelt.
Er is het echte leven met kinderen en werk en wat moet gebeuren, waardoor je een beetje krampachtig in een stramien blijft.
En we hebben allebei rugzakken vol slapende ervaringen die wakker worden bij een reactie, een blik, een sfeer, en die de dingen erger maken dan ze hier en nu zijn.

Als de Man een keer gefrustreerd een ommetje gaat maken, duik ik in een peilloze diepte omdat ik zo vaak alleen gelaten ben door Dirk die dagen weg bleef en nooit zei waar hij was en mij met alles alleen liet zitten. De Man komt snel terug, maar ik val die nacht door bodem na bodem en ben weer terug op al die momenten van alleen gelaten te zijn met de kinderen. Ik ben nog dagen doodmoe van de trip down trauma-lane. Ik ben kwaad op de Man, maar op de foute.
En omgekeerd trekt de Man mijn authenticiteit een keer in twijfel. Als ik één ding niet ben, is het strategisch. Als ik één ding wel ben, willens nillens trouwens, is het authentiek. Ik ben zwaar geraakt, maar realiseer me later dat de opmerking niet voor mij bedoeld is, maar voor een vorige vrouw. Of hij het zich realiseert, weet ik niet. Ik weet alleszins dat elke woord dat ik hem zeg oprecht is. En dat de negatieve dingen daarbij niets afdoen van de waarheid van de positieve dingen. Waarom zou het feit dat ik zou willen dat sommige dingen makkelijker gaan, betekenen dat het niet waar is dat ik hem een lieve, zorgzame man en vader vind, dat hij mijn Man is, dat ik bij hem wil zijn, dat ik geniet van hem?

Ik ben lang alleen geweest en heb soms met lede ogen naar relaties gekeken. Ik heb vaak gedacht dat je elkaar alleen maar een beetje meer moest appreciëren, om het te doen werken. Maar dat is makkelijk gedacht aan de zijlijn, en ik realiseer me nu vaak dat het zo’n mijnenveld kan zijn, met als enige rode draad de intentie bij elkaar te zijn en elkaar gelukkig te maken, hoe gehandicapt je beiden ook bent in liefhebben en liefde ontvangen en hoe die riempjes van die uitpuilende rugzakken ook snijden in je schouders.

Via app schudt een vriendin me wakker. Dat je sommige dingen niet kan afdwingen en dat ik moet kijken naar de manier waarop hij liefde geeft. Juist, ja. Wanneer was ik dat vergeten? Ik kijk en ik zie dat hij helemaal gammel na een zeer zware looptraining een uitstapje met ons maakt. Ik kijk en ik zie dat hij me streelt als ik naar huis gesukkeld ben na een euh ja,  iets te zware looptraining (o, wat een feest, die mix van rauwe pijn in mijn botten en zijn lieve aanraking). Ik kijk en ik zie dat hij aan de schoolpoort staat als ik er niet sta, dat hij de kinderkamer opruimt, sojayoghurt heeft gekocht, de helft van de rekening van de kinderopvang betaalt. Hij maakt cappuccino en ik krijg altijd de best gelukte. Hij plukt peren voor in de slow juicer en neemt me mee uit lunchen op vrijdag als we beiden niet werken. We gaan plukken in de zelfpluktuin en hij staat zo aandoenlijk grappig prei te trekken. En als ik snikkend op bed zit verstrikt in onze ruzie, is hij niet te beroerd met me te praten en toe te geven waar hij te koppig was. En dan haalt hij frietjes bij een nieuwe friettent, omdat de man van de andere friettent onaardig is geweest tegen mij. (Onaardig? Racistisch!)

That’s it. Hard werken, is het. En vooral die rode draad vasthouden. Ik probeer niet te zeggen wat ik niet wil, maar wel wat ik wel wil. Ik wil bij je zijn. Ik wil dat het werkt tussen ons. Ik wil jou.

(Voor de andere reizigers door het mijnenveld. Lees: Dr. Sue Johnson. Laat me niet los + Houd me vast. En een blijver: Alain De Botton, Weg van liefde.)