De fuik

Binnen 27 dagen heb ik een afspraak met de baby’s. Ze kunnen ook later komen, maar ik heb ze uitgenodigd op de dag dat de maan vol is. Ze zijn immers ook ontstaan toen de maan vol was, en ik hou van cirkels die rond zijn.

De voorbije week was er geen om over te schrijven, dus ik twijfel of ik het doe of niet. Maar a. het gaat hier over het leven zoals het is, remember? en b. schrijven helpt het ook bij elkaar te puzzelen in mijn eigen hoofd.

Op vrijdag werd ik verwacht bij de poppoli. Het werd een lange zit waarbij de pijn heel snel het gesprek behoorlijk vertroebelde. Toen ik na allerlei vragenlijsten en onderzoekjes bij de psychiater kwam, was de diagnose ‘prenatale depressie’ een feit. Voor alle duidelijkheid: onder invloed van hormonen, pijn en slaaptekort is er iets mis gegaan in mijn hersenen. Het heeft niets te maken met niet blij zijn met de baby’s of ondankbaarheid. [Als ik hier iets van geleerd heb, is het dat het niet helpt om tegen iemand met een depressie te zeggen dat hij/zij maar eens wat leuks moet gaan doen, blij moet zijn met wat hij/zij heeft of dankbaarder in het leven te staan. Dat zijn nu net de dingen die niet lukken, omdat je hoofd gewoon even niet meer meedoet.]

Anyway. Het verbaasde me niets. ‘Die sluier die overal overheen ligt,’ zei de dokter, ‘dat is depressie’. Ja, denk ik. De sluier die over de dagen ligt, waar ik amper doorheen kom omdat ik pijn heb, moe ben, weinig energie heb, me beperkt voel, de slaapkamer mijn actieradius is geworden. En de sluier over de nachten. Jeetje, de nachten. Elke nacht strompel ik een keer naar de bank of het logeerbed om de Man niet wakker te maken. Meestal tussen 1 en 2. Uitzonderlijk een keer om 4 uur. Ik ben dan klaarwakker. Tegen de ochtend komt de slaap weer, maar dan begint de dag. [De voorbije nacht keek ik naar de mooie docu Verlaten op de NPO-app. Ik kijk ook vaak naar Jeroen Meus. Trage tv, mooi, dicht bij het leven.] [ Soms is het alsof mensen van de tv mijn vrienden zijn ofzo. Klinkt ziekelijk, maar als je heel de dag alleen bent en je kijkt naar een serie, heb je om den duur het gevoel dat die personages werkelijker zijn dan die hele wereld buiten de slaapkamer ofzo.]

Het weekend was extreem warm. Mijn voeten en handen zwollen nog meer op, ik voelde me zwaar beroerd. De slaap werd nog minder. Dus op maandag had ik een huilbui om u tegen te zeggen, belde ik het ziekenhuis en vertelde ik dat ik ongerust was (wijzen dat ellendige gevoel en die dikke enkels en handen niet op zwangerschapsvergiftiging?) en reed ik naar daar voor controle. Monitor, allerlei checks. Bloeddruk was laag in plaats van hoog. Baarmoeder was iets te actief, en baarmoederhals iets te ver verstreken.

Anyway. Ik sleepte me naar huis, kroop in bed. De Man kwam terug uit het werk. De telefoon ging. De psychiater van het ziekenhuis vroeg of ze mijn Man mocht spreken. Ik gaf verdwaasd de telefoon door. Het verzoek werd gedaan om me op spoed binnen te brengen. De combinatie van de diagnose op vrijdag en ellende op maandag had wat alarmbelletjes doen rinkelen.

Babysit gezocht, naar het ziekenhuis gereden. En toen werd de fuik opgezet. Ik was somber, toch? (ja) Wanneer had ik nog eens een nacht geslapen? (geen idee) Ik had wel eens wanhoopsgedachten gehad, toch? (ja, in maart – het hielp om te stoppen met werken) Het was fysiek zwaar, toch? (ja, maar 32 weken en twee baby’s zijn daar een prima excuus voor) Wist ik dat prenatale depressie een verraderlijk ziektebeeld is? Door de combinatie van hormonen en slaaptekort zou ik mezelf zomaar iets kunnen aandoen. (tegen die tijd snikte ik al)

Even later werd ik in een rolstoel naar een psychiatrische afdeling gereden. Als ik niet minder uitgeput zou geraken, zou het een drama zijn voor bevallen en kraamtijd. Ik werd in een kamertje gestopt. Er werd op me ingepraat over het nemen van slaapmedicatie. Ik weigerde, dat vonden ze dom. Twee dagen later vond ik op een website van de Nederlandse overheid dat de medicatie die ze me wilden geven absoluut uit den boze is in het derde trimester van een zwangerschap.

Het werd nacht. Ik hoorde andere patiënten huilen in andere kamertjes. Het werd weer dag. Ik werd gewekt, onderzocht en ging ontbijten. Ik zat aan tafel met huilende anorexia-patiënten met buisjes in hun neus, twee verpleegsters aan elke kant om hen te overtuigen een schepje corn flakes te eten.

Weer in bed probeerde ik mijn gedachten op een rijtje te zetten. Het was me duidelijk dat ik hier niet hoorde. Mijn Man was jarig. De omgeving nodigde niet echt uit tot tot rust komen of me beter voelen. Er was wel een heel lieve verpleegster die thee bracht en mijn kussensloopjes ververste omdat het zo warm was.

Na een paar uur zat ik voor een peloton van zes dokters. Dat ik naar huis ging. Dat daar zijn me niet hielp. Er werd gesproken over verraderlijke ziektebeelden en mezelf iets aandoen. Ik kreeg het gevoel dat alles wat ik zei of deed verdraaid kon worden. Als ik bijvoorbeeld vertelde dat ik geen plannen had mezelf iets aan te doen en wel gedachten heb over hoe het gaat zijn als de baby’s er zijn, werd er priemend naar me gekeken alsof ik in ontkenning was.

Anyway. De Man kwam. De dokters hadden een plan. Voor medicatie en hulp thuis. We gingen naar huis. Ik was even verdwaasd als geschrokken.

De volgende dag moesten we naar de psychiater van de crisisdienst. Tegen die tijd was ik kwaad, om drie dingen:

  1. Wie bedenkt het dat een zwangere vrouw (of wie-dan-ook!?) beter wordt in zo een omgeving?
  2. Wie bedenkt het om een slaappil op te dringen (niet genomen) die gevaarlijk is tijdens de zwangerschap?
  3. En wie bedenkt het om medicatie voor te schrijven waar baby’s postnataal afkickverschijnselen van krijgen?

De psychiater van de crisisdienst zei dat hij zich ook niet lekker zou voelen, als hij het huis amper uit kon, elke dag pijn zou hebben en niet zou kunnen slapen. Hij vond het allemaal niet zo vreemd, zei hij.

En nu. Nu komt er om de zoveel dagen iemand langs om te kijken hoe het gaat. We proberen hulp aan te vragen in het huishouden, zodat mijn frustratie van niets-meer-kunnen en heel-de-dag-alleen wat getemperd wordt. Ik probeer onder die sluier uit te komen, zonder pillen. En ik tel de dagen af, tot de geboorte. Uitkijkend naar de baby’s. En naar het achter mij laten van deze tijd waarin ik zo veel kwijt ben geraakt (werk, bijberoep, fysieke en mentale vermogens, zelfvertrouwen, …) en in verwachting ben van zo veel nieuws.

 

Advertenties

Rusten, slapen, eten, repeat

Op een nacht oefent mijn lichaam.
Het is te vroeg voor de baby’s. Ik tel. Nog drie weken voor ze kunnen ademen. Nog vier vooraleer ze niet sowieso in de couveuse moeten. Nog vijf voor ze misschien mee naar huis mogen. Hoe hou je baby’s binnen?
De krampen komen en gaan. Van binnen uit wordt er op mijn staartbeen geduwd. En dan breekt de dag aan, en gaat het over. Ik voel me alleen nog raar en heb om de haverklap een harde buik.

Ik moet naar de arbeidsgeneesheer en kruip daarna tegen alle plannen in weer in bed. Verstand op nul. Rusten. Er is niets van me over, denk ik. Ik vind niets van mezelf terug, ik herken mezelf niet meer. Er is alleen nog liggen, slapen, eten, liggen, rusten, eten, uit het raam staren. Ik heb het ‘hier’ wat verborgen, omdat ik geen zin meer heb in reacties als ‘je hebt nu alles en kan je dan niet gelukkig zijn?’, maar er is al zo lang niets meer van me over. Ik ben zo ontzettend ontregeld door de hormonen, door het slaaptekort. Ik weet mijn eigen nummerplaat en telefoonnummer niet meer, om maar wat te zeggen over hoe groot de gaten in mijn hoofd zijn.

Ik heb alles, denk ik, als ik de kippen eten heb gegeven en naar binnen loop. Ik kijk naar het huis waar ik van hou, in de stad waar ik van hou, waar ik woon met de Man en de kinderen waar ik van hou. De rechterbaby stulpt een geheimzinnig lichaamsdeeltje uit. De linkerbaby duwt haar voetjes in mijn maag.

En tegelijkertijd is alles weg. Ik heb geen energie, geen slaap, geen of weinig sociale contacten, geen bezigheden, geen werk, geen lijf meer waarmee ik kan hardlopen of seks hebben of een glas cava drinken. Dat is niet erg, het is tijdelijk. Maar soms zou ik zo graag eens mijn loopschoenen aantrekken en het op een rennen zetten. Of de Man omhelzen zonder dat er een enorme buik in de weg zit en ik alleen al buiten adem ben van mijn armen om hem heen te slaan. Of de kleine zoon op schoot nemen – er is geen schoot meer over. Of ’s avonds de trappen oplopen om de slapende kinderen te zien – elke trap is een soort dolksteek in mijn bekken, als het niet levensnoodzakelijk is blijf ik beneden.

De wereld is zo groot als de slaapkamer. Het is tijdelijk. Nog vijf weken. Als het enigszins kan.

 

30 weken

Intussen ben ik maar liefst 30 weken zwanger van twee baby’s.

Een update in vijf punten.

  1. Fysiek gaat het er niet echt op vooruit. Bekkenpijn, maagzuur, tintelende en verdoofde armen en handen, dikke voeten, een kanjer van een buik, slapeloosheid, eindeloos moe… You name it, ik heb het. (Haha – en dan heb ik nog wat gênante kwalen verzwegen.) De relatie tussen mij en de Man krijgt nieuwe dimensies, als hij mij onhandig helpt met de steunkousen of als hij me in een rolstoel door de IKEA rijdt. Wacht maar, denk ik dan. Hij is vijftien jaar ouder dan ik, dus mijn tijd komt nog wel. (Hoewel hij op zijn gemak nog 20 kilometer gaat lopen, zo tussen soep en patatten in. Maar ik heb geduld.)
  2. Mentaal gaat het er ook niet echt op vooruit. Een dieptepunt? Toen ik huilend in het reuzenrad zat op de kermis. (Don’t ask, ik kan het niet uitleggen. Maar ze hebben het reuzenrad voor mij moeten stil leggen omdat ik er uit wou en daar kan ik nu wel mee lachen – de Man en de kinderen nog niet.) Gisteren nog een dieptepunt. In tranen uitgebarsten omdat ik naar de yoga moest. Keek er al heel de dag tegenop want a. ik zit er voor spek en bonen bij omdat ik letterlijk niets meer kan en b. in het begin doen we altijd een rondje met hoe het gaat, en dan noemt iedereen één kwaaltje en ik heb gewoon alles wat iedereen heeft en dan nog buitenproportioneel en tegelijkertijd. Ik heb geen zin om altijd de zwangerste én de ellendigste te zijn. Dus ik bleef thuis en heb de rest van de avond gehuild. Ik weet dat het flauw is en ook best stom. Ik weet dat het allemaal tijdelijk is en ik weet ook dat er mensen zijn die geen kindjes hebben of hun kindjes verloren zijn, die met gemak willen ruilen. Maar zeven maanden in team nosleep doet wat met je hersenen en de regulering van je emoties. Echt.
  3. Financieel. We hebben mijn JAAR-loon ongeveer uitgegeven aan deze zwangerschap. Dat heeft vooral te maken met de zevenzitter (met massagestoelen, ok, dat had minder gekund – blame it on the Man). Maar jeetje, alles in tweevoud telt behoorlijk op. Bedjes, tweelingwieg, tweelingbuggy, stoeltjes, maxi cosi’s, isofix-systemen, … Ik doe mijn best om dingen tweedehands te zoeken en kopen, maar zelfs een vijf jaar oude bugaboo die lang gebruikt is, kost nog 1000 euro. Anyway. Ik mag niet klagen want we hebben niet echt iets te kort, maar mijn rekening is geslonken (laten we zeggen dat ik wat geld opzij had staan en dat daar een vierde van over is – gelukkig moest ik de auto niet betalen). Ik heb ook een soort weerzin gekregen tegen babywinkels en dingen kopen. Er is alsof iedereen in de sector getraind is in bangmakerij-van-de-toekomstige-moeder, want als je niet het duurste koopt van alles, gaat je kind zeker stikken/omkomen in een auto-ongeval/ongelukkig zijn/elke dag huilen/… Het hoogtepunt vond ik de trut (sorry!) van Babypark die het onverantwoord vond om de Bugaboo te kopen voor de baby’s, want die gaat daar uit het assortiment. Ik zei dat het mij een gerust gevoel gaf als de baby’s naast elkaar liggen zodat ik ze allebei kan zien en ik er niet één onderin achteraan moet leggen. Ik zei ook dat tweelingen wat meer risico hebben op wiegendood en dat ik daarom nogal graag dus beide kindjes in het zicht houd bij de lange wandelingen die ik binnenkort uiteraard ga maken (kuch). Begon ze hoog en laag te beweren dat het onzin was en dat tweelingen geen verhoogd risico hebben (goed dat ze meer weet dan mijn gyn) en dat een kind zeker stikt in een bugaboo omwille van de gebrekkige circulatie. Bovendien zou ik JARENLANG niet meer in een Kruidvat binnen kunnen. (Daar ben ik overigens als JARENLANG niet binnen geweest, dus ja.) ZUCHT. We hebben een bugaboo gekocht. Via markplaats. Zalzeleren. Hoorde trouwens van een andere tweelingmoeder dat de buggy waarbij ze achter elkaar zitten een grote draaicirkel heeft waardoor je in het Kruidvat alsnog alles van de rekken rijdt. Dus. Alleen jammer dat de bugaboo de volledige gang van onze stadswoning blokkeert. Ik verzin er nog wel iets op, als mijn hersenen weer werken.
  4. Bevallen. Noeste voorbereidingen met de bevalcoach. Ik weet dat het belangrijk is dat het goed zal gaan, dat er goed met mij gecommuniceerd wordt en dat er geen dingen gebeuren zonder mijn toestemming. De angst slinkt wel met de minuut. Ik zal blij zijn als het eindelijk zo ver is, denk ik nu, en ik deze periode met enige mentale en fysieke uitdagingen achter me kan laten. Ik ga er een beetje vanuit dat ik nog zes tot zeven weken zwanger zal zijn, omdat op dit moment niets wijst op een vroeggeboorte. Ik weet dat ik erg lucky ben, en ik denk vaak aan de andere tweelingmama’s die ik ken, die met dertig weken hun dagen al in een ziekenhuisbed sleten.
  5. To do. De babykamer inrichten. (Uiteraard komen ze gewoon op onze kamer te liggen, maar we richten een kamer in met bedjes, een logeerbed voor de Man als ze het te bont maken ’s nachts – of als wij wakker liggen van zijn gesnurk – en alle babyspullen). Bagage nemen voor iedereen. Maxi cosi’s en isofixen kopen. Adressenlijsten maken EN geboortekaartjes. En volhouden.

 

Another day at the hospital

Ik ben nog steeds zeer tevreden met het ziekenhuis waar ik nu begeleid word. Gelukkig maar, want ik breng er relatief veel tijd door.

Laatst was het weer zo ver. Echo’s (beide dames wegen rond de 1300 gram! Iedereen happy! Ze zitten op het niveau van een goede eenling, beiden), gesprekken, bloedname en … een afspraak met de bevalcoach.

Ik heb erg getwijfeld om een doula mee te nemen naar de bevalling. Via via had ik een doula ontmoet die niet alleen om de hoek woont maar OOK nog Vlaams is. Ik vond haar traject van enkele afspraken hier thuis (met de Man) voor de bevalling, en ook na de bevalling een kraambedmassage en nagesprek, best goed klinken. De Man heeft het niet met zo veel woorden gezegd, maar vond het een beetje luxe met een prijskaartje van rond de 1000 euro aan. In het ziekenhuis reikten ze me het alternatief aan: hun eigen bevalcoach.

Die ik dus eerst uitgebreid telefonisch gesproken heb. En gisteren was het tijd om bij haar langs te gaan. We bespraken eerst mijn eerdere ervaringen en angsten, en toen nam ze er een kaartenset bij met foto’s van een vrouw in allerlei posities in arbeid en bevallend. Het was een heel goede set, jammer genoeg wel hetero-normatief (de vrouw werd bijgestaan door een man), maar bon. Ik kreeg instant klamme handen en een razend hart van de vrouw op haar rug met benen in de beugels bevallend. We hebben het over wenselijke houdingen gehad, de mogelijkheid om een baarkruk te gebruiken en een soort alternatief gehurkt op bed. Het bed staat daarbij rechtop waardoor je op de achterkant kan leunen met je armen en kan hurken met de rug naar de aanwezigen. Mijn bedenking dat je nogal frontaal met je billen in het zicht zit in die situatie, dat de Man dat niet mag zien en mijn angst voor stoelgang-situaties werden gewoon even nuchter meegenomen in het gesprek (leve de warme washandjes en de Man mag netjes achter mijn hoofdeinde gaan staan, kan ik het zien als hij flauw valt :)).
We besloten de sessie die meer dan twee uur duurde, met het bekijken van een filmpje van een bevalling. De vrouw in het filmpje gaf aanvankelijk aan zich erg oncomfortabel te voelen op haar zij. De tranen stroomden over mijn wangen – wat confronterend om iemand in barensnood te zien. Ze werd geholpen te hurken en baarde toen vrij rustig haar kind, waarbij het hoofdje minutenlang al uitgedreven was, voor ze met de volgende wee (en dus zonder inscheuren) het lijfje baarde. Janken.

Ik was er best van ontdaan. 

Volgende keer gaan we in de verloskamer houdingen oefenen, het bevalplan verder afwerken en de Man moet na zijn werk aansluiten en ook naar de foto’s kijken. De bevalcoach gaat hem uitleggen welke processen er spelen, waardoor verbale communicatie bijvoorbeeld weinig zin heeft in een bepaalde fase.

Ik was erg te spreken over haar nuchtere benadering en het concrete van de voorbereiding. Ze was ook erg eerlijk over de voor- en nadelen van bepaalde keuzes en de mogelijkheid dat ik naar een ander ziekenhuis moet gebracht worden als de verloskamers daar bezet zijn.

Wat een beetje blijft hangen, is het rauwe van het bevallen. Het is best een klus waarbij je tot een bepaald instinctief niveau gaat. Het is zo ‘oer’ en ik realiseerde me weer even dat het met twee baby’s en deze onhandige enorme buik wel erg intens gaat zijn. Wat me anderzijds wel moed geeft, is de mogelijkheid het zo natuurlijk mogelijk te doen. Zo kreeg ik te horen dat ik na de eerste baby een uur tijd heb (als alles goed gaat) om spontaan weer in arbeid te gaan voor de tweede, waarbij ik bv door middel van borstvoeding geven aan de eerste de situatie wat kan stimuleren. Niet noodzakelijk oxytocine-injecties en stress dus. (Ik vrees alleen dat mijn zin een beetje over gaat zijn na de eerste, maar goed.)

Wordt vervolgd. Ik wou stiekem dat we al acht weken verder waren en het zo ver was. Kijk ergens wel uit naar de ervaring maar wil het natuurlijk ook graag achter de rug hebben :).

In beeld (iii)

 

Ad 1. Nacht-eten! De dames groeien nu elk zo’n 200 gram per week. Gevolg? Ik sta weer smachtend bij de koelkast om drie uur ’s nachts. God-zij-dank zijn de periodes van zuurtjes met tomatensap (echt, erg he?) voorbij. Deze sojayoghurt met vers fruit vond ik verantwoord nachtvoedsel. Daarna nog een uur rondgedwaald en bij het krieken van de dag natuurlijk op de bank in slaap gevallen. Grmbl.

Ad 2. Eerste pakjes. Ik had inderdaad al eerste pakjes. En toen ging ik even naar de oude contreien met als agendapunt: bij doekjes en broekjes in Leuven langs voor borstvoedingsbh’s en tutjes. Zo gezegd, zo gedaan. Ik strompelde de stad in en heb me volledig laten gaan (slik). Naast twee mooie bh’s en tutjes, ben ik nu ook tepelzalf rijker, een borstvoedingsjurk, borstcompressen en newbornkleedjes die wat kleiner zijn dan de pakjes die ik eerder kocht. Alles eco natuurlijk. In Femma-magazine besteden ze terecht aandacht een schone kleding (ecologisch, maar ook zonder uitbuiting vervaardigd). Dat vond ik een confronterende en erg terechte reeks. En toch blijf ik het best moeilijk vinden om 80 euro neer te tellen voor een jurkje dat ik ongeveer een jaar ga gebruiken, en een behoorlijk bedrag per baby-pakje dat waarschijnlijk slechts enkele weken meegaat. Hoe gaan jullie daarmee om?

Ad 3. Home sweet home. De eerste ochtend terug thuis, fietste ik naar mijn favo koffiebarretje op een marktje en dronk deze cortado in de zon. Twee dames jubelden me van aan een tafeltje ‘mooi! mooi!’ toe, en een meneer kwam vragen of het voor morgen of overmorgen was. ‘Nog acht weken,’ zei ik. Altijd leuk, zo’n verrassingseffectje.

Ad 4. Het plan voor de Man. Ik werkt een middagje aan een beval-info-schema voor de Man. Er staan zinnetjes in die hij kan zeggen (‘je doet het goed’) en het besluit met de vraag voor koffie te zorgen. Misschien publiceer ik het hier wel eens voor andere vrouwen die een IT-er mee naar de bevalling moeten nemen ;).

Ad 5. Lezen! Boeiende literatuur. Moet wel soms lachen met al die boeken die je kan vinden van vrouwen die de ervaring van hun eerste zwangerschap en bevalling uitgebreid beschrijven en duiden, als een soort specialisten voor andere vrouwen. Bij kind 2, kind 3 of kind 3 en 4 wordt het toch allemaal wat aardser 🙂 en gaat het gewoon een beetje mee met de flow. Toch?

 

Zieltjes

In één van de zwangerschapsboeken las ik over zieltjes. Dat je kan voelen wanneer de ziel in je kindje(s) komt. Dat de zieltjes ons uitkiezen als ouders. Dat we iets te leren hebben in dit leven samen. Dat we in verschillende levens met dezelfde zielen in aanraking komen en zo een karmisch iets voltrekken.

Ik vind dat mooie gedachten. Een vriendin van mij vertelde me ooit dat ze een karmische rekening heeft verhoffen met haar inmiddels overleden echtgenoot. Ze is ook heel rustig onder zijn dood. Ze mist hem, maar ‘het is volbracht’.

Ik kijk zelf graag naar het leven met een perspectief dat bv de sterke aantrekkingskracht die je voelt ten opzichte van iemand aan de orde is omdat je met die persoon een ontwikkeling kan doormaken. Misschien is het maar een mentaal construct om vervelende ervaringen retrospectief zin te geven :). Maar bv de ex en ik hadden een enorm intense relatie, heel destructief. Daartegenover is het leven met de Man een rustig kabbelend beekje, maar ik had die destructieve relatie wel nodig om dit te appreciëren en te komen tot een staat van rust, liefde en waardering voor wat er nu is. Daarnaast ga ik nu ook toxische mensen uit de weg, de mensen die vaak erg aantrekkelijk zijn, erg sprankelend, maar waar iets niet aan klopt. O, wat kon ik daar een enorme bewondering voor hebben. Dat is intussen sterk geluwd. Lesson learned. 

Anyway.
Zieltjes dus. En het recyclen van zieltjes.

Van zodra ik wist dat ik twee baby’s krijg, heb ik heel sterk het gevoel dat baby twee mijn eerder verloren kindje is, dat terug gekomen is. Omdat het nu wel tijd is. Omdat ze graag bij ons wil zijn. Omdat als ze toen gekomen was, ze nooit haar zusje zou hebben gehad die nu mee in de buik zit (want als ik haar had gekregen toen, was ik natuurlijk enkele maanden later niet opnieuw zwanger geworden).

Het is iets heel irrationeels (de Man benadert het met een mix van irritatie en begrip) en misschien een gek mentaal construct mijnerzijds om de miskraam zin te geven, om te geloven dat het kindje niet verloren is gegaan maar gewoon is terug gekomen en haar zus heeft meegebracht.

Waarom ik zo sterk voel dat het kindje twee is (de nummering komt van de dokters, die het kind dat tweedes geboren zal worden als het natuurlijk gaat kind 2 of b noemen), weet ik niet. Dat is gewoon zo ontstaan in mijn hoofd. En dat heeft gemaakt dat ik gepleit heb bij de Man voor het geven van de naam van het verloren kindje aan dit kindje. Toen hij de naam voor baby A kwam aandragen, was er geen moment discussie. Het was meteen raak, prima. Maar de naam voor baby B klopte maar niet, hoe hard ik ook probeerde met die naam aan haar te denken. Het was best een mooie naam, maar het was niet haar naam. Hij (de Man) is overstag gegaan, en ze krijgt de naam die we hadden voor het kindje-van-toen-dat-teruggekomen-is. Het rare is ook dat ik het gevoel heb dat ik kindje B al een beetje ken, en dat kindje A ‘nieuw’ is. Ik heb ook het gevoel dat ze erg van elkaar verschillen. Dat kindje A een krachtig en autonoom kind is, en meer ‘van de Man’, en dat kindje B wat gevoeliger is en in de wereld zal staan.

Hoewel van die gevoeligheid vannacht weinig te merken was. Om vier uur uit bed gestrompeld, omdat de dames zo aan het pingpongen waren in mijn buik dat de matras ervan schudde. Geeuw.

 

 

Schemer

We zijn even terug waar we vandaan komen. In een kleine studio spelen we huishouden. Zonder de Man, want die gaat gewoon werken en schilderen en reist ons pas in het weekend achterna.

Ik rijd de glooiende heuvels op en af. Het is de beste periode van het jaar om hier terug te zijn. Alles staat in bloei, het groen ruist.

Alles is vertrouwd. De kale man van de supermarkt. Het rijden door deze streek. De kakafonie van bouwstijlen. De bossen – nooit ver weg hier.

Alles is hetzelfde gebleven en anders geworden. De buurjongen heeft plots een bos haar om u tegen te zeggen. De vrienden hebben dezelfde lach, maar een ander huis. We eten pannenkoeken op een Brussels dakterras. We drinken koffie op een nieuwe Leuvense plek. We zien de jonge mama met haar heldere blik, die zo vol professionaliteit over haar baan praat. De buurvrouw van toen heeft nog steeds heerlijke koffie en een mooie blik op de wereld. We praten met de vriendinnen die al twee keer onze kant uitkwamen en waarvan ik altijd denk dat ik zo ongelooflijk blij ben dat ik hen ken. We lunchen met een vriendin die ik vroeger wekelijks zag, meermaals. Waar is die tijd plots naar toe? We gaan langs bij vrienden uit een te ver verleden, en ik weet weer waar ik vandaan kom.  En hoe groot de spreidstand is met het leven nu, in de Nederlandse stad, met de Nederlandse Man.

Ik mis de Man. De dagen zijn zo gewoon geworden, en ergens in al die gewonigheid ben ik me heel erg aan hem gaan hechten. Ik schrik er bijna van hoe erg ik gehecht ben aan die Man die ik zelf niet had kunnen verzinnen. De Man zonder praatjes. De Man die elke dag op hetzelfde uur thuis komt. De Man die goed is in de dingen die hij doet. De Man die met de kinderen stoeit ’s avonds. De Man waar ik om heen sluip omdat ik leer hem zacht te benaderen.

Er zijn ook dutjes. Uren op bed omdat het te veel is. En nu is de avond gevallen. Schemer stijgt op uit de velden rondom. Alles doet pijn in mijn lijf. Ik lonk naar de fles roosvicee ferro. Mijn buik bolt en beweegt. Soms denk ik dat ik de meisjes niet genoeg voel. Soms doen hun bewegingen pijn. Ik kijk op tegen de nacht, want de nacht brengt meestal kramp, maagzuur, tintelde armen, gepieker en slapeloosheid. Ik weet dat alles wat hapert in mijn hoofd komt omdat ik al een hele tijd geen goede nacht meer heb geslapen. Dat het wel goed komt.

Toen ik doodziek met Kerst op het werk was, had een collega van een andere afdeling haar tweeling verloren. Het waren twee jongetjes. Ze hebben niet geleefd buiten haar buik. Tijdens de kerstviering zaten haar collega’s er verslagen bij. Mijn buik bolde al, ik wist al dat er twee kindjes op komst waren, ik wou me verbergen om niemand pijn te doen.
Op zaterdag koop ik ‘mijn krant’, De Standaard. Laatst knipte ik daar voorzichtig het stukje van Eva Mouton uit, over haar tweeling. Geboren en gestorven. Ze was slechts enkele weken minder ver dan ik. Ik volgde haar blijdschap en voelde me er natuurlijk erg mee verbonden, hoewel we in een ander schuitje zaten. En nu gaat er geen dag voorbij zonder dat ik aan haar schuitje denk. Het maakt me tegelijk nederig, dankbaar, intens verdrietig, kwetsbaar. Ik had het hen zo anders toegewenst.

Vaak durf ik niet geloven dat ze echt komen. Maar ze zijn er al. Als de Man zijn hand op mijn buik legt, zwemmen ze naar hem toe. Vooral de dame rechts is nogal dol op haar vader en reageert met uitbundig getrappel op zijn hand. Misschien heeft ze ook gewoon meer plek. De dame links ligt al tijden met haar hoofdje naar beneden, klaar om eerst op de wereld gezet te worden. Haar bewegingen zijn wat bedachtzamer en spaarzamer.
Ik wil het lot niet tarten. Maar op een dag zit ik toch naast de Man die het koopcontract van de zevenzitter tekent. Het flitst door mijn hoofd dat ik hoop dat de plekken ooit echt gevuld zullen zijn. Plots kan ik me ook voorstellen hoe we de kindjes meenemen uit het ziekenhuis, de maxi cosi’s in de auto klikken, op weg gaan, thuiskomen met hen. De tranen prikken. Het wiegje is slechts een paar muisklikken verwijderd. Maar durf ik het? Wat als het, of de helft ervan, leeg blijft? Idem voor de stoeltjes, de IKEA-bedjes, de maxi-cosi’s. Waarom zou het mis gaan? Waarom zou het zomaar goed gaan?

 

 

 

 

Kakmadam

Het is een dag waarop ik al moe ben na het ontbijt. Ik sluimer even, terwijl de jongens in de kamer ernaast spelen. De week voordien heb ik bijna elke dag geslapen. In de ochtend én de namiddag. Het is oneerlijk dat ik niet minder moe word van slapen. Ik draai kringetjes in mijn hoofd. Is het vermoeidheid van twee baby’s maken? Is het moe van de voortdurende pijn? Het gesleep met de megabuik? De bekkenpijn die met niets te vergelijken is, behalve met voortdurend stekende messen in je botten? Is het moe van de laatste jaren? Is het moe van depressief?

In de namiddag ga ik met de jongens naar de binnenspeeltuin. Ik app de Man een foto. ‘De hel,’ schrijf ik erbij. De tafeltjes zijn vuil en plakkerig, het is enorm druk, overal schreeuwen en huilen kinderen, en drinken ouders o.a. bier en eten friet. Geuren vermengen zich, ik voel me benauwd.

Ik kijk. De jongens zijn fysiek intensief aan het spelen. Samen en apart.
Ik zoom uit en voel me een kakmadam. Ik werk niet, ik heb tijd om met mijn bolle buik hier te zitten terwijl mijn kinderen spelen. Iemand poetst intussen ‘mijn’ huis en mijn Man verdient de kost.

Thuis neem ik enkele lepels Roosvicee Ferro, boven op de gewone ijzer die ik dagelijks slik. Ik heb de indruk dat ik er een beetje door kom. Mijn hoofd werkt. De zwaarte glijdt uit mijn ledematen.

Ik kook. We hebben een avond samen zoals die hier gaan. We eten. De jongens doen hun pyjama’s aan. We kijken samen Sesamstraat en eten dessert, sojayoghurt met aardbeien. Na het avondeten poetsen ze hun tanden. Ik lees nog een boekje voor.

De jongens zijn druk. De jongste probeert heel de tijd indruk te maken op de oudste. We verliezen alle contact met hem, hij ook met zichzelf. Het is bloedirritant omdat ik de hele dag de kwade moeder moet zijn als ze in die dynamiek zitten.

Later praten de Man en ik er over. Ik vertel dat ik mezelf er in herken. Jezelf niet meer kunnen voelen als er anderen zijn. Dat het zo gekomen is, met de ex. Dat ik niet goed bij mezelf kan blijven. Niet dat ik indruk probeer te maken op anderen, maar ik neig gewoon heel erg naar beantwoorden aan hun verwachtingen. Dat ik dat met hem ook heb. Dat ik bij zijn ‘verwachtingen’ mijn eigen plannen en voornemens heel makkelijk verlies. Maar hij maakt er geen misbruik van. De ex deed dat wel.
In mijn hoofd denk ik dat het daarom zo complex is voor mij om te werken en contacten met mensen te onderhouden. Ik moet bij mezelf leren blijven. Ik weet vaak gewoon niet wie ik zelf ben of wat ik wil. Ik ben schuw om mezelf te beschermen.
We praten verder. Dat het niet leuk is, de dynamiek met de jongens. Dat we het moeten doorbreken. We weten niet hoe. En verder. Over kinderen. Hij vertelt dat hij dat niet persé wou, een gezin met vier kinderen. Over zijn eigen thuis met vier kinderen en niet zo ideaal. Bij ons vroeger idem, zeg ik. Idem. De rommeligheid. De interacties. De dynamiek. De dingen van vroeger die kleuren hoe ik vandaag beleef. Ik snap plots weer zo goed waarom ik in opperste verwarring ben, heen en weer geslingerd tussen blij-en-dankbaar om de baby’s en dit gezin, en de angst dat er niets van me overblijft. De wens om hier te zijn en te zorgen, en het verlangen om heel ver weg te rennen. Het conflict van willen wat ik wil, namelijk voor mijn baby’s zorgen, thuis zijn.

Hij zegt dat ik een binnenspeeltuin de hel mag vinden. Dat ik mezelf niet moet verplichten dankbaar te zijn. Dat ik vast al leukere dagen heb gehad. Ik begrijp wat hij zegt, en tegelijk wil ik ook blijven beseffen dat ik geluk heb. Als je me jaren geleden dit als optie had gegeven, zeg ik hem, had ik er zonder meer voor getekend. Want eerlijk? Er waren tijden zonder geld voor binnenspeeltuinen, zonder energie, zonder auto om erheen te gaan. Er waren dagen die eindeloos duurden in een kil huis, en niemand die ’s avonds thuis kwam.

Dat het al anders is, zeggen we tegen elkaar. Dat ik mijn moeder niet ben, dat hij mijn vader niet is, dat ik zijn moeder niet ben en hij zijn vader niet is. Dat de rommeligheid meevalt tot nu toe. Dat we blij zijn met wat we krijgen, ook al krijg je soms meer dan je wil.

Later vouw ik de was (wanneer heb ik voor het laatst na het avondmaal nog op mijn benen gestaan?! Ik leg een infuus aan met roosvicee ferro!). Hij komt de kamer binnen. Ik omhels hem. Ik zeg hem dat ik mijn best ga doen, dat het anders wordt.

In beeld (ii)

 

Beelden om iets bij te vertellen.

Ad 1. Quality time met kleine broer. We lunchten in de gedeelde tuin, waar hij zichzelf op ongeveer een dag tijd leerde fietsen zonder zijwieltjes. 102 keer gevallen, telkens met veel misbaar. Ik leek vast een ongevoelige moeder toen ik de 98ste keer kwam aanpuffen terwijl de buren om hem heen stonden, en zei: ‘Komaan, joh, ben je nu weer gevallen? Sta recht.’

Ad 2. Soms vind ik zo een briefje van de grote broer. Ik vind dat hij een talent voor poëzie heeft. Eén van de eerste briefjes die ik ooit vond van hem bevatte de term: stomunbroer. Dat kwam uit het hart, denk ik.

Ad 3. Slabbetje en hydrofielwashandjes. De collectie wordt steeds groter, de Man steeds wanhopiger over alles wat ik naar dit hol sleep, terwijl de jongenskamer nog niet af en dus verhuisd is, en dus de meisjeskamer nog niet ingericht mag worden. Nog (ongeveer) 11 weken te gaan. Ik hou er gewoon rekening mee dat ik binnenkort een keer omval en moet blijven liggen. Dan kan ik beter alles al in huis hebben.

Ad 4. De Man is een subtiel iemand. De ex was eerder het type dat van de daken schreeuwde wat hij allemaal deed en was en enorm uitkeek naar het rondlopen met een baby in draagdoek omdat hij dan een vrouwenmagneet zou zijn (zucht). De huidige Man is dus een pak meer bescheiden. Noest bezig met het aanpassen van het huis en het kiezen van een geschikte nieuwe auto. Laatst waren we op een kraambezoek. Een vriendin had er 20 uren over gedaan haar kindje op de wereld te zetten. Had ik hem verteld. Hij trok bleek weg bij het geboorteverhaal tijdens de visite, maar in de auto terug voelde hij zich toch wat bekocht omdat ik had verteld dat de bevalling 20 uur geduurd had ‘en dat was toch maar twee uur’. Hoezo, twee uur, zei ik. ‘Ja, ze heeft toch maar twee uur geperst,’ zei hij. Die weeën, dat was toch verwaarloosbaar? Nou, ik ben alleszins blij voor de vriendin in kwestie dat ze geen twintig uur geperst heeft (dan had ze geen darmen meer, vermoed ik), maar enige zorg trad op over of de Man überhaupt weet wat te verwachten als het moment daar is. Op zijn bureau vond ik dit verfrommelde briefje, wat ik best ontroerend vond. Op zijn eigen subtiele manier is hij ermee bezig :).

Ad 5. Eerste pakjes! Maat 50. Waarschijnlijk slobberen ze enorm, zelfs als ik de door mijzelf vooropgestelde birthline van 36,5 week haal (ik ben niet erg ambitieus, tja). Kleine kans dat ik twee dochters van 3,5 kg baar. Toch?

 

Mentale kreukels glad strijken

Stoppen met werken was een goede actie. Mijn toestand ging van mentaal behoorlijk zorgwekkend, naar ik-kom-de-dagen-weer-door.

Was het daarmee maar opgelost. Dat is het jammer genoeg niet. Ik weet van mezelf dat ik nog steeds een aantal vervelende symptomen heb die duiden op net iets meer dan het naar binnen gekeerd geraken voor een geboorte. Of twee geboortes in dit geval.

Zo ben ik schuw. Dat is een mooie manier om het te zeggen. De realiteit is dat ik contact vermijd en absurd veel stress krijg van contacten (bv als de telefoon gaat). Zeker als er iets van mij verwacht wordt en als er iets vanuit het werk komt. Er werden bloemen afgeleverd van mijn werk en ik kan die niet zien staan zonder hartkloppingen.

Verder voel ik me vaak eenzaam en erg lusteloos. Categorie uren alleen op bed liggen en uit het raam staren.

Ondanks de fysieke ongemakken van een tweelingzwangerschap, zou ik toch wat meer licht huishoudelijk werk gedaan kunnen krijgen. Maar de realiteit is dat bijna alles me moeite kost en ik veel dingen niet kan opbrengen of er in vast loop (lees: willen koken maar niet kunnen kiezen wat ik ga maken). En me vervolgens een mislukkeling voel omdat de Man de hele dag gaat werken en ’s avonds de keuken nog moet opruimen, terwijl ik in bed uit het raam lig te staren.

En slapen is nog steeds een behoorlijke uitdaging, al slaap ik intussen wel ietsje meer. Wat dan weer voor zeer intense dromen zorgt, over vergeten baby’s, doodgeboren kinderen en plafonds krioelend van mestkevers.

Anyway. Toch de pop-poli dus. Ik werd gebeld voor een afspraak, die gepland kon worden zeven weken later, ongeveer 4 tot 5 weken voor het vermoedelijke einde van mijn zwangerschap. Ik apprecieer het feit dat zo een afdeling bestaat en dat ik er terecht kan, maar de moed zonk even in mijn schoenen na het telefoontje omwille van de timing.

Intussen heb ik op aanraden van jullie, bloglezers, wat boeken gehaald. Zoals het boek over de vrije geboorte, maar ook ‘Perfecte bevallingen bestaan niet’. In dat laatste boek was de herkenning treffend (dus: weer een nacht janken). De ervaringsverhalen van vrouwen met een niet-fijne bevallingservaring, de gevolgen voor de relatie, voor gevoelens van angst en somberheid, negatieve gevoelens tijdens een nieuwe zwangerschap, slaapproblemen, problemen met werk, … kwamen nogal stevig binnen.

Dus heb ik intussen een vrouw gecontacteerd die gespecialiseerd is in verwerken van bevallingstrauma’s, met de heel lichte hoop dat een heleboel mentale kreukels daarmee glad gestreken kunnen worden.

Wordt maar weer vervolgd.