Shitload

Emigreren en nieuw samengesteld geluk zijn niet alleen rozengeur en maneschijn. Soms gaat het moeizaam en wint de angst.

Ik droomde dat ik een tweeling kreeg en dat ik beide kinderen had achter gelaten in het ziekenhuis. Daarna was ik bij vrienden die hun kind lieten dopen en tegelijkertijd het lichaam van hun overleden vader eerden. Dat lichaam lag in een tent. Elke handeling die bij het gedoopte kind werd uitgevoerd, werd ook uitgevoerd bij het dode lichaam. Ik probeerde hen te waarschuwen dat het lichaam uit elkaar zou vallen. En ik herinnerde me de kinderen die ik had achtergelaten. Een week al, besefte ik. Ik ging naar het ziekenhuis en hoopte ze nog terug te krijgen. Ik moest aanschuiven in een rij.

Ik werd alleen wakker. Ik voelde dat de dingen niet goed waren en angst sloeg zich rond mijn hart. Aan tafel spraken we, hij en ik, en het was niet goed en de angst verlamde me en het ellendige gevoel sloeg toe dat ik zo’n hekel krijg aan mezelf, door de kleine dingen die er gebeuren of niet gebeuren tussen ons.

Later heb ik de kinderen weer achter gelaten. De kleinste heb ik achter gelaten bij iemand die ik niet ken en die hij niet kent. Ze zitten aan een tafel in de opvang met een puzzel van Buurman en Buurman en al op de trap naar beneden wil ik gaan zitten en de tranen de vrije loop laten, maar dat kan niet, dus loop ik de trap af en neem ik mijn tas en stap ik op de fiets en duw ik de fiets in gang en ga ik en ga ik. Liever wil ik hem terug meenemen. Ik heb het gevoel dat ik het kind amper zie of voel nu we niet meer samen slapen en niet meer alleen zijn.

Ik heb buikpijn van verdriet. Het is oud verdriet en nieuw verdriet en angst en ik probeer zo weinig mogelijk te voelen uit angst dat ik niet meer verder kan fietsen.

Ik stap in de auto en blijf daar zitten. Een man die zijn honden uitlaat blijft staan en kijkt. Ik zet de ruitenwisser aan. Ik heb buikpijn. Ik wil naar huis. Ik moet huilen of braken, één van de twee. Voorlopig komt er niets. Ik wil niet naar het werk, maar ik kan ook niet naar huis. Ik besef dat ik weer in een situatie zit waarin ik nergens naar toe kan. Ik kan niets of niemand bedenken waar ik naar toe kan, niets of niemand wat nu troostrijk is of me thuis doet voelen. Ik denk aan de kamer in het huis vol spullen van de vorige vrouw en spullen van mezelf. Ik weet dat ik het me gewoon moet toe-eigenen en er een cocon van maken zoals ik die nodig heb, maar de spullen, de spullen. De zwaarte van het selecteren en verslepen van al mijn eigen spullen heeft me zo’n afkeer ingeboezemd en ik ben boos op de spullen in de kamer. Ik wil geen boekenkasten van een andere vrouw en ik wil niet op de plek van die vorige vrouw zitten en ik wil niet dat ik meer dan de helft van mijn eigen spullen heb weg gedaan om in een kamer te zijn met spullen die een andere vrouw niet heeft weg gedaan en ik weet niet waar naar toe en ik blijf gewoon zitten in mijn auto met de ruitenwissers aan. Er is geen enkele plek in deze omgeving die vertrouwd voor me is. Er is niemand die ik zou kunnen bellen. En ik besef dat ik het ernaar gemaakt heb met mijn onvermogen contacten te onderhouden, e-mails te beantwoorden, mensen op te bellen, afspraken te maken. Maar ik was zo fucking moe de laatste jaren. Hoe had ik beter gekund?

Ik denk allemaal boze gedachten en ik weet dat het mijn beschermingsmechanisme is en dat het nooit helpt om modder bij elkaar te gaan schrapen en die te gooien. Dat wil ik niet en dat zal ik niet doen ook. Ik moet in mijn zachtheid blijven. Maar in die zachtheid val ik uit elkaar en ik snap er niets meer van.

Wat doen volwassenen in zo’n situatie? Ik start de motor en begin te rijden en stop voor koffie en vul de auto met Einaudi en met de koffie komen de tranen en ik weet dat ik dit heel goed kan. Huilen zonder sporen tot aan de parking van het werk. Gewoon de tranen laten lopen en niet wrijven, niet wrijven. Als je wrijft wordt het rood en vies, dus niet wrijven niet wrijven dan ziet niemand wat.

Mijn buik doet pijn en ik moet niet denken aan het kind op de bank en het kind met de puzzel aan een tafel met iemand wiens naam ik niet meer weet. Ik moet niet denken aan al die angst en onveiligheid van vroeger die nu ongevraagd komt spoken en mijn blik vertroebelt en mijn maag van streek maakt. Ik moet niet denken aan dat ik weer in een situatie zit waarin ik nergens naar toe kan, waarin ik geïsoleerd ben. En ik moet niet denken aan de angst van vroeger. En ik moet niet denken aan de angst van vandaag en die hekel, die hekel aan mezelf omdat mijn auto te vuil is en omdat ik te laat uit bed kom en omdat ik moeilijk beslissingen kan nemen en omdat ik zo vaak moe ben en omdat mijn lichaam niet is zoals het zou kunnen zijn. De hekel omdat ik wil lopen maar er dan niet in slaag en omdat ik wil werken maar vaak te moe ben en de hekel omdat ik alsmaar te veel eten koop en eten weg gooi en omdat niets van wat ik wil koken lukt.

Ik heb buikpijn. Op mijn werk zit ik in een glazen kamertje en ik heb een hekel aan die tranen die soms komen en die neus die loopt. Er is angst van vroeger en van vandaag. Ik denk aan vroeger en vraag me af of de man van vroeger dagenlang weg ging omdat hij nergens naar toe kon, in plaats van om mij te straffen of pijn te doen. De gedachte maakt niet uit. Ik besef hoe onpraktisch zo’n shitload aan angst en pijn van vroeger is. Angst en pijn die maar weinig  nodig heeft om getriggerd te worden. Ik probeer het onderscheid te maken tussen de angst en de pijn van vandaag en die van vroeger, maar het is een kluwen. Vandaag ben ik bang om niet genoeg te zijn. Vandaag ben ik bang dat de hekel die ik aan mezelf voel van de man is die me in kleine en subtiele dingen lijkt af te wijzen en waar ik niet mee kan omgaan. Vandaag ben ik bang voor te weinig liefde en te veel verlies. En ik heb buikpijn.

Ik schreef hem dit alles. Hij reageerde lief en vol compassie. Thuis sloten we elkaar in de armen. We waren beiden van streek, maar vol goede wil om elkaar beter te begrijpen en het zuiver te houden. Het is veel soms, samen leven, op zijn plek die wonderschoon is maar wildvreemd. Het is veel soms voor hem, plots een gezin met kinderen. Kinderen die hem spontaan papa noemen, maar het ook uithangen met eten, moe en onredelijk kunnen zijn, en alomtegenwoordig. Het is bijzonder, een dynamiek, waarbinnen nog meer dynamieken spelen. En hoe snel de kleintjes zich bij mij scharen als ze een (zeldzame) valse noot voelen. Hoe raar dat voor hem moet is en plots in zijn eigen huis voor een drie-eenheid te staan. Ik ben zo dankbaar maar zo overweldigd. Ik heb de juiste keuze gemaakt, maar het is ook vermoeiend om de namen van de buren niet te kunnen onthouden, niemand te kunnen appen om te gaan lunchen en nergens de vertrouwdheid te voelen die je nog moet opbouwen maar zo gruwelijk hard nodig hebt op een plek waar alles nieuw is.

 

Beter wordt het (niet)

We wonen samen. 
Het is allemaal nog wat beginnerig. Ik zoek mijn weg in het huis. Stopcontacten, lichtknopjes, een tikkende klok. Mijn bureau is nog niet geïnstalleerd dus zwerf ik door het huis met mijn zootje werk. Ik laat overal wat achter. De keukentafel. Het mannenbureau van de Man. Mijn vloer van mijn eigen werkkamer.

Het is een nieuwe context en dat is niet te onderschatten. Blijkbaar bepaalt onze context een groot stuk van hoe we leven, want ik ben elke dag voor dag en dauw op terwijl ik voorheen een vaak mislukt op-tijd-op-school-project hanteerde. We eten elke dag samen en vers gekookt. We doen aan miracle mornings, wat betekent dat er ’s ochtends geknuffeld wordt en cappucino gedronken. Niet de Man en ik maar de hele club. Ook, vooral op weekdagen. Ik loop rondjes in het park. Ga op een ordentelijk uur slapen. We laten de afwas niet staan. We zeggen tegen elkaar dat we voor elkaar graag een beter mens willen zijn. Hij zegt tegen mij dat hij het begrijpt als dingen niet of nog niet lukken, en dat ik niet zo streng moet zijn voor mezelf.

Onze plek is idyllisch. De straat, de stad. Onze plek is praktisch. Ik kan in een straal van 150 meter rond mijn huis niet alleen naar een Hema, een Albert Heijn maar ook ongeveer alles kopen waar ik zin in zou hebben, van biologische zalf tegen zweetvoeten tot poeder van gemalen amandelen.

De Man heeft een ander hoofd dan ik en dat is maar goed ook. Hij houdt er de rust, realiteit en structuur wat in. Ik wervel en wervel, in woord en gedachten, in doen en laten. Ik zoek uit waar we best biogroenten kunnen bestellen en ik maak afspraken met school en opvang en ik zoek een dekentje voor als ik op de bank zit en ik koop cakevormen en bak mijn eerste cake in deze oven en ik probeer de namen van de buren te onthouden en ik maak lijstjes en lijstjes en ik word tegengehouden door de politie als ik met de bakfiets in de foute richting fiets om koffieboontjes te halen bij dat ene leuke zaakje dat ik weet te vinden in deze wirwar van straten waar ik mijn weg in zoek. En heel vaak ben ik moe. Erg moe. En op.

O. O . O.

Ik kom op een punt dat ik besef dat dit het is. Dat het niet beter wordt dan dit. Natuurlijk gaat het stof wel liggen van al dat verhuizen en binnenkort heb ik zeker een vast plekje voor mijn opladers en snap ik hoe de espressomachine werkt.

Maar waar je ook bent, wat je ook doet, je neemt jezelf mee.

En ben ik dus ook hier mezelf. Mijzelf met struisvogelneigingen, contact-schuwheid, deadlines waar ik tegenaan schuur en overheen kukel, nood aan tijd voor mezelf en stilte zo nu en dan. Wervelwinden in mijn hoofd. Dagen dat ik alleen maar chocola wil eten. Uiteraard gaat het allemaal wat beteren. We hebben immers structurele oplossingen gezocht zoals minder werken waardoor ik wat minder stress zou moeten hebben en wat beter uitgerust zou kunnen zijn waardoor de kans dat ik in evenwicht kom wat groter is.

Maar ik face het. Dat evenwicht is een soort utopie.

En dat is helemaal ok.

Ik ploeter en spartel wel verder en ik ben blij met dit hoofd. Er gebeurt immers veel en het vonkt en knettert en dat is lekker en soms ook druk. Maar helemaal ok. Ik ben in beweging en ook al ziet het er soms niet uit, mijn intenties zijn goed, mijn betrokkenheid is groot. Ik ben er helemaal bij en in. Voluit leven, noem ik dat. En nu even voluit aan 20 km per uur met de bakfiets. (FYI: dat is veel.)

Beter dan dit wordt het niet. Hell yeah.

 

Run, baby, run

Hoe ik het weer voor elkaar gekregen heb om in één week te verhuizen, voor het eerst te gaan kamperen samen, mijn ouders op bezoek te krijgen en een loopwedstrijd mee te doen? Tja, dat kan alleen ik.

Ik zat aan lesje 14 van start to run. Pas op 30 kan je vijf kilometer lopen zonder doodgaan. Er was een loopje voor een goed doel. Overmoedig zei ik ja toen de Man vroeg om mee te doen.

En daar zit ik dan. In een veel te kort broekje met een lelijke oranje t-shirt en met een nummer op mijn buik gespeld. Rondom mij zijn geoefende lopers voor wie deze zes kilometer een lachertje is. Ik voel me klein. Het is alsof ik weer in het middelbaar zit en een ongelooflijk stomme fout heb gemaakt in mijn kleding. Iets totaal onhips, waar ik de rest van de dag mee moet doorkomen, zonder de mogelijkheid te ontsnappen of me te verbergen.

Ik klaag tegen de Man. Dat ik hier niet moet zijn, dat ik naar huis wil, dat ik me vergist heb, dat het stom van me was. Daarna word ik stil. Heel stil.

En dan moet er opgewarmd worden en klinkt er een startschot. De Man blijft bij me, hoewel hij veel sneller en verder kan dan ik. Ik ben één en al serieux. Ik plug mijn muziek in mijn oren om me op mijn tempo te kunnen focussen. En we lopen.

We lopen. We lopen. Na twee kilometer ben ik nog prima in orde. Nadat ik weet dat ik de helft heb gelopen ook. Na vier kilometer haal ik mijn muziek even uit mijn oren en hijg ik tegen de man dat ik het uitloop.

En dat doe ik. Met op het einde een shot energie waardoor ik nog enkele mensen inhaal. We finishen samen. Er is een foto van die spuuglelijk is en tegelijk ook wel grappig. Eenmaal over de finish omhelst hij me. Hij is oprecht heel blij en heel trots en ik ook en we moeten lachen en ik loop op wolkjes en ben opgelucht en heb kou en wil naar huis. Daar zitten we lang samen in bad en ik lach en ik lach en ik lach.

 

Alles met mate

Het is misschien wel de laatste keer dat ik alleen ben. Ooit. Of toch in de komende jaren.

Ik ben 24 uur alleen in het huis dat ik gauw zal verlaten. Waar al wat dozen ingepakt zijn, doch veel te weinig.

Ik leef als een student. Maar dan een asociale.
Ik schrijf verrukt in mijn coconnetje met een koptelefoon op. Ik doe yoga, trek mijn loopschoenen aan en ga een training doen. Ik douche. Ik drink koffie. Ik werk. Ik lees. Ik eet voor netflix. Ik werk nog meer. En om 12u kruip ik in bed met mijn tablet en pas om 1u gaat het licht uit. Garantie dat ik de wekker die om 6u30 geprogrammeerd staat vijf keer zal snoozen en dat is wat er gebeurt. Op zondagmiddag eet ik in bed, omdat de zon daar zo lekker op schijnt en omdat ik daar de krant kan uitspreiden. Dit is luxe. Ik ben verrukt.

Ik realiseer me dat dit misschien mijn meest natuurlijke staat van zijn is. Alleen, ongestoord. Ik zou wensen dat de wereld wat vaker zou verdwijnen en me alleen zou laten, in mijn cocon met mezelf. (Ik denk dat ik deze man zou willen zijn!)

En tegelijkertijd vlakt de tijd af. Treedt er wat verveling in. En blijkt concentratie en doorzettingsvermogen eindig, zelfs al doe je yoga in de tussentijd en loop je rondjes door het bos en schil je bergen fruit voor jezelf.

Ik heb weer wat geleerd. Alles met mate. Dat samenwonen en ouderschap is misschien toch niet geheel tegen mijn natuur in. Als ik maar af en toe een ongestoorde dag heb. In mijn cocon. Met mezelf.

Getting stronger every day

In hoeverre mag je een partner proberen veranderen? M. zei me toen we elkaar voor het eerst kusten, dat hij verwachtte dat ik beter voor mezelf zou zorgen als we een relatie kregen.

Dat zette me alleszins aan tot nadenken en ook een beetje een wrang gevoel. Als ik niet goed was zoals ik ben kon hij immers prima een andere vrouw nemen en besefte hij eigenlijk wel wat het leven met twee banen en twee kinderen doet met je lijf?

Dat besefte hij toen ik de kinderen twee weekends bij hem liet. Ik kwam stralend terug op zondagavond en hij lag gevloerd op de bank. *grinnik*

Maar desondanks bevond ik me op een bepaald moment tandenknarsend in de decathlon waar ik weigerde te passen wat ik kocht: sportkleding. Wat ik kocht ging nog eens voor drie maanden de kast in. Met de ticketjes er nog aan.

Vandaag, ongeveer vier maanden nadat ik erg ziek werd, nam ik een selfie van mezelf in een rood sportbroekje en een zwart hempje en stuurde die naar M. voor ik het bos in ging voor een looptraining. Eerlijk gezegd is het soms leuk en soms niet leuk. Vele factoren hebben invloed, zoals wat ik wel en niet gegeten heb, hoeveel uren ik geslapen heb en jammer genoeg ook de hele premenstruele en menstruele periode, samen goed voor een week lang ellende.

Maar elke keer als ik terug ben en de douche in stap, denk ik: ‘zou ik vandaag nog eens gaan?’. Want wow, wat lekker.

Binnen enkele dagen lopen M. en ik voor het eerst een loopevenementje mee. Het komt te vroeg in mijn trainingsschema, dus ik weet het zo niet. Hij beloofde me met mij mee te lopen en zich aan te passen aan mijn mogelijkheden.

Ben ik mezelf nu verloren in het beantwoorden aan de wensen van een partner, vroeg ik me af. Pas ik me te veel aan? Ik douchte, kleedde me aan en stak mijn haar op. Ik dacht aan Dirk, die me elke keer pootje lichtte als ik te sterk werd. En ook nu nog doet hij een onophoudelijke stroom aan dingen die me onderuit moeten halen. Zoals out of the blue en met publiek vragen of mijn borsten groter geworden zijn (euh…. ?). Of suggereren dat ik voor M. heb gekozen om een soortement huistrut te worden aangezien ik minder ga werken.

En plots zie ik het heel scherp. M. wil dat het goed met me gaat. Dat ik sterk word en lekker in mijn vel zit en dat ik dat gammele lijf dat ik had toen we elkaar voor het eerst kusten, zelf aansterk tot een lijf waar ik op kan rekenen en waarin het lekker vertoeven is. En dat is het antwoord op mijn bovenstaande vraag. Ja, ik ben blij dat hij me vraagt dingen te veranderen, omdat hij wil dat ik sterker word. Niet voor hem, maar voor mezelf. Maar hij heeft er ook wat baat bij natuurlijk.

En het werkt. Getting stronger every day. 

P.s. Als ik het kan, kan iedereen het. Really.

 

Een talent voor intensiteit

Dat ik een talent heb voor intensiteit.
Zo kan je het positief verwoorden.
Ik voel veel. Zo veel dat ik er soms ziek van wordt. Ik verveel me nooit, mijn hoofd en leven lopen altijd over.

De therapeut waar ik naar toe moet van het werk, zegt dat ik superwoman niet ben. Dat ik wat onbegrensd ben. Chaotisch. Ik vul testjes in, urenlang. Nee, ze vinden geen signalen van ADD. En verder ook niets ergs. Wel vermoeidheid in de gruwelijke combinatie met een enorme hang naar prikkels. Ik blijf constant nieuwe uitdagingen zoeken, verduidelijkt hij. En als je dan pech hebt met de omstandigheden, zoals het alleenstaande moederschap nogal minimaal kan omschreven worden, word je gegarandeerd ziek op een dag. Overspannen en gefrustreerd.

Ik ben wat vertwijfeld door wat hij denkt. Ik lees een boekje over ADD en herken het zo goed. Het niet kunnen inschatten van tijd. Het niet kunnen plannen. Te laat komen. Moeite met organiseren. Neiging uit te stellen of mijn kop in ’t zand te steken. Van alles vergeten. Moeite om besluiten te nemen. Voortdurend aantekeningen maken om mijn eigen gedachten wat bij elkaar te houden.

En de medicatie helpt. Zet me vaak wat beter op de rails.

Desondanks. Wanneer ben ik het normaal beginnen vinden dat op tijd op school komen (met de jongens) een project werd dat even vaak faalde als slaagde, dat ik om vijf uur nog even verzin wat we gaan eten, dat ik regelmatig verrast word door iets in mijn agenda waar ik twee dagen voorbereiding voor heb en dat al morgen is? Dat ik mijn wekker vergeet te zetten?[zucht] Wanneer ben ik het een wonder gaan vinden als ik de gevraagde banaan/sporttas/whatever heb meegenomen naar de klas?

Wat is er toch met mijn hoofd? Ben ik gewoon zo moe geworden dat alles een soepje werd of werd alles een soepje en werd ik daar zo moe van?

Ik lees het geweldige boek van Elke van Hoof: hoogsensitief. Uitgegeven bij Lannoo Campus. Het is boeiend dat ze de gelijkenissen onderzoekt met alles waar ik over nadenk. Doordat ze de verschillen en gelijkenissen uitlegt, kan ik een aantal angsten temmen. Autisme (nee, check). ADD (waarschijnlijk, check). Borderline (godzijdank niet, check). Hoogbegaafd (op wat kenmerken na, zoals enorme leerhonger, innerlijke onrust en een probleem om het leven te organiseren, niet I guess).

Ik vind het boeiend om op onderzoek uit te gaan. Kenmerken te identificeren. Een verzameling aan te leggen. Kijken waar de overlappingen zitten.

En verder probeer ik aan mezelf te werken. Maak ik lijstjes, routines, mindmaps. Lees ik boeken. Met zeer wisselend succes.

Ik praat veel met de Man. Die heeft een hoofd waarmee ik soms wel wil ruilen. Een hoofd dat realistische inschattingen kan maken, het geheel overziet, grenzen stelt, slimme keuzes maakt. Wat een goed hoofd voor mij, het zijne. En tegelijkertijd weet ik dat ik de intensiteit waarin ik uitblink, het heftige voelen, ervaren, leren, de honger, de creativiteit, het besef van absolute onbeperkte mogelijkheden, dat ik die vreselijk zou missen, tussen al die slimmigheid en het overzicht. Laat ik dus maar mijn eigen hoofd houden en met het zijne leven.

 

 

Wakker worden

Ik dacht zelf dat ik een keer zou eindigen met een yogaleraar, een huttenbouwer of een ander alternatief type. Het werd een IT-er. Sommige blogsters swipen die gewoon weg op tinder, en ik had het ook niet meteen in gedachten voor mezelf. Maar in het leven vind je soms wat je niet zoekt.

(Als er één quote van mij bewaard mag blijven voor het nageslacht, laat het deze zijn.)

Dat hij IT-er is, is één ding. Hij woont ook nog eens 230 km ten noorden van mezelf (goed dat ik dat rijbewijs gehaald heb!) en is vijftien jaar ouder.

VIJFTIEN JAAR.

Daar denk ik soms over na, maar aangezien hij fitter is dan ik op dit moment, blijven die gedachten beperkt. Soms loop ik zelfs naast hem door de stad en voel ik me erg huppelig en denk ik dat het toch wonderlijk is dat ik me pas jong voel met deze man naast me. Ik voelde me als kind vaak al oud. Als tiener voelde ik me oud. Als student voelde ik me absoluut niet leeftijdscongruent met mijn studiegenoten die wel eens met een kater in de les zaten. Later was er Dirk die verantwoordelijkheden op mijn rug stapelde waardoor ik niet bepaald zorgeloos kon zijn. En nu is er de M., die alles netjes voor elkaar heeft, en een soort kalmte heeft waar ik huppelig van word. Pas nu kapsel ik me in zo’n veilige context in dat ik jong kan zijn.

En van dat jong zijn, word ik wakker. Ik loop rondjes door het bos. (Ik! Loop!) (IK! LOOP!) En ik geniet zo hard van  mijn lijf dat het elke keer weer wat beter lijkt te doen. Behalve als ik ongesteld ben, maar daar gaan we het niet over hebben. Ik heb besloten minder te gaan werken, ik vergelijk yogascholen. Ik volg een cursus die me ongelooflijk veel deugd doet (gesponsord door de Man) en ik heb een hele stapel ideeën naast me liggen voor nog meer cursussen en ontwikkeling en wakker worden.

Maar vooral is mijn blik op het leven plots wakker. Ik schreef hier wel eens wat, over geen man nodig hebben, suffe relaties waar ik voor pas, de sufheid en saaiheid en beperkingen die ik rondom me zie in relaties van anderen. Dan lekker liever alleen, dacht ik dan. En ik probeerde het nog wat krampachtig. Maar wat toonde ik aan mijn kinderen? Een moeder met een ondertoontje van verdriet en een waas van vermoeidheid die heel hard haar best deed om flink te zijn. Wil ik dat ze met dat beeld het leven in stappen, relaties opbouwen? Dat verbinden zwakte is en dat alles alleen kunnen krachtig is?

Ik dacht het niet.

Vandaag probeer ik hen te tonen hoe het is om je te verbinden. Dat het geen beknotten is, maar groeien aan en met de ander. Dat je in relatie de kans krijgt om de scherpste kantjes van jezelf te halen. Dat je kan ontspannen als je weet dat je er niet alleen voor staat. Dat je durven en willen verbinden krachtig is. Niet alleen in een relatie, en in een gezin. Maar ook op school, in onze wijk, in de stad, in ons land, in de wereld. Het hoeft niet persé een man of een relatie te zijn. Gewoon, een vorm van samen. Daar gaat het om.

Vanochtend waren we weer eens te laat op school. Een beetje. Maar we waren helemaal uitgelaten en relaxed. We zongen onze gezinsklassieker ‘eet gewoon’ (ontstaan omdat ik dat als een soort mantra herhaal tijdens onze maaltijden), en maakten allerlei variaties als ‘doe gewoon’ en ‘doe maar gek’. Ik gaf een kleine vertoning van de scene in Belle en het Beest waarin de kopjes dansen en met een zoen en een knuffel begonnen de jongens aan hun schooldag. En ik? Ik werk thuis. Ik schrijf tussendoor een stukje. En straks huppel ik even het bos in.

Ik blijf

Ik ging er mee stoppen. Dat dacht ik verschillende keren. Waarom zou ik verder schrijven? Erg gezellig was het niet meer op mijn webplekje. Ik ben volwassen genoeg om te weten dat mensen hun mening mogen uiten en ventileren, maar het ging pijn doen en dat voelde vaak ongenuanceerd of onterecht. (Zonder de boel weer in de fik te willen steken, verwijs ik voor wat nuances naar dit.)

Toch voelde stoppen niet eerlijk. Voor mezelf zou het een verlies geweest zijn, want ik moet schrijven. Schrijven om mijn kop te ordenen, na te denken over dingen. Mijn eigen introverte manier van in de wereld staan. Met deze webplek kan ik in de wereld zijn. Maar eventueel kon ik ook wel een dagboek met een slotje er op kopen en dan was alles opgelost. Of gewoon elders opnieuw beginnen. Haha.

Maar het voelde niet eerlijk. Stoppen. Het offline- of delete-knopje zoeken. Omdat, zo besefte ik toen de lucht hier weer wat klaarde en toen een aantal mensen me hadden verteld dat ze iets hebben aan deze webplek, het hier een gemeenschap is. Een plek waar mensen komen lezen, zich betrokken voelen, reageren op mij of op elkaar, of gewoon wat gedachten meenemen in hun eigen leven. Een keer mailde iemand me dat deze plek een reminder was om te waarderen wat ze heeft, ook al was ze haar man en kinderen soms eens vierkant beu. Zoiets vergeet ik niet. Een andere keer smste iemand me over een stukje dat ik geschreven had toen mijn jongste naar school moest voor het eerst. Ze had er aan gedacht toen ze haar jongste kind voor het eerst naar school bracht. Schoon is dat. Ik had er kippevel van toen ze het me liet weten.

Een gemeenschap, dus. Eén waarbinnen ik weet dat ook de scherpste reacties, of misschien zeker de scherpste, voortkomen uit geraakt zijn, betrokken zijn.

En dan denk ik terug aan waarom ik met deze plek begon. Om een verhaal te schrijven dat ik zelf had willen lezen toen ik alleen was en verdriet had. En daarom schrijf ik verder. Omdat ik niet alleen de taaie jaren, maar ook de vonkjes happily ever after wil delen. Die behoorlijk alledaags en gewoon kunnen zijn.  Maar saai, lieverds, wordt het nooit.

Een golf

Femma is een eigentijdse en eigenzinnige vrouwenorganisatie met een duidelijke visie op mens & samenleving. Femma praat mee over wat vrouwen vandaag denken, voelen & beleven. Femma verdedigt de belangen van vrouwen met minder kansen en in het bijzonder alleenstaande vrouwen. De organisatie ijvert voor emancipatie van vrouwen en gendergelijkheid, o.a. via het informeren en sensibiliseren van vrouwen, beleidsmakers en andere actoren.

Onderstaand stukje is geschreven voor Femma en verschenen op hun website.
Meer over Femma? Neem hier een kijkje!

Feminisme. Het blijft een beetje een raar woord, met een rare bijklank.

Ik verdiep me er in en ben blij met alle verworvenheden die de vrouwen voor mij hebben gerealiseerd. En waarvan er sommigen nog niet op punt staan. Denk maar aan gelijk loon voor gelijk werk.

Ik zie overal om me heen prachtige dingen waarvan ik wou dat ze niet bestonden. 

Zoals netwerken voor alleenstaande ouders, zoals single supermom in Nederland. Door in te zetten op thema’s als welzijn, geld en netwerk willen ze alleenstaande mama’s uit de overleefstand halen en helpen om goed voor zichzelf en hun kinderen te zorgen.

Ik zie netwerken voor vrouwelijke ondernemers, zoals de Straffe Madammen en Zeker van haar Zaak. Positieve krachtige initiatieven, maar de redenen waarom vrouwen er vaak aanhaken heeft te maken met het feit dat het voor vrouwen in een wereld die vorm gegeven is door mannen vaak moeilijk is hun eigen project in de wereld te zetten.

Ik zie organisaties die vrouwenrechten op de agenda houden, zoals Femma. Omdat het nog steeds nodig is.

En ik wou dus dat het allemaal niet nodig was. Ik heb lang een opvatting van feminisme gehad die te maken had met ‘mijn plan trekken’. Geen man nodig hebben. Het zelf kunnen. En ik zie die opvatting rondom mij ook vaak terug komen. Autonomie en zelfstandigheid, je eigen leven kunnen leven. Niet alleen die man overboord maar niemand nodig hebben.

Mijn opvatting van feminisme als mijn plan kunnen trekken (en dat de maatschappelijke structuren dat dan mogelijk zouden maken) is stilaan in rook opgegaan. Het lukt me niet. Ik ben vast niet sterk of slim genoeg, maar ik ben zeker niet gemaakt om helemaal alleen op eigen benen mezelf te realiseren.

Ik heb op dat eilandje gezeten en geprobeerd daar alleen te overleven met mijn kinderen, maar ik geloof niet meer in eilandjes. Ik geloof in wij-landjes. Wij samen realiseren een leefbaar leven voor iedereen. Geen leven waarin ik moet bewijzen dat ik het zelf wel kan, geen leven waarin ik elke avond op mijn tanden moet bijten om dwars tegen mijn vermoeidheid in alles zo goed mogelijk alleen voor elkaar te krijgen. Maar een echt leven, waarin ik kan leven op een manier die me recht doet. Die geen roofbouw pleegt op mijn energie, lijf en bankrekening.

Ik hoop dat feminisme over verbinding mag gaan. Binnen het kleine clubje dat een relatie of een gezin is of enige andere samenleefvorm.
Maar ook binnen het grotere verband. Ons dorp, ons land, ons werelddeel, de wereld. De grote uitdagingen van onze tijd (ecologie en migratie, om maar wat te noemen) gaan we niet te lijf door een wereld te creëren waarin we het allemaal heel flink zelf doen. Daarvoor moeten we ons verbinden. Met onszelf en elkaar. En ruimte creëren waarin verandering mag groeien. Ander onderwijs. Anders werken. Anders combineren. Anders consumeren. Anders opvoeden. Anders beslissingen nemen. … Het is geen zwakte om anderen nodig te hebben. Het is geen zwakte om samen te leven.

Volgens mij hebben vrouwen daar een voortrekkersrol te vervullen. Waarom geen nieuwe feministische golf die gaat over het samen doen? En in de wereld die we vanuit verbondenheid realiseren, zullen de mooie initiatieven die ik daarnet noemde hopelijk stilaan erg overbodig blijken.

 

 

 

Rabbit hole

De Man en ik, het blijft als nieuw voelen. Maar het nieuwe lief is intussen niet echt nieuw meer. De dagen werden weken, de weken werden maanden. Zo ver zijn we.

De eerste periode, die verliefd en zorgeloos moet zijn, werd verstoord door de zwangerschap en miskraam. Er brak een tijd aan van zwaarte. Hij ging zijn proces, ik het mijne. Vele gesprekken gingen over dat gewroet in onze zielen. Over pijn en verlies. En mij mij ook over transitie.

Op een bepaald moment waren we er klaar mee. Hadden we nood aan licht. Een (voorlopig) punt achter de analyses en gedachten. Niet meer altijd die dieptes in.

Mijn transitie leek een soort rabbit hole waarin ik verloren liep. In een wereld van mogelijkheden vond ik de weg niet meer. Ik ben iemand die heel veel wil. Ik heb geen drie projecten, geen tien, maar ongeveer duizend. Ik wil leren, me ontwikkelen, de kern vinden, de waarheid. Ik wil lezen en denken. Ik wil niet één iets worden maar heel veel dingen. Ik wil vanalles in de wereld brengen. Ik wil op onderzoek uit. Dat combineert slecht met een gebrek aan energie en tijd. Frustratie is mijn deel. En verwarring.

Ergens onderweg leerde ik het heilzame van centeren. Al die verwarring bij elkaar rapen, al die uitspattende gedachten en energieën vangen en bij me proberen houden. Meer dan eens zit ik thuis met een mutsje op, omdat het voelt alsof ik mezelf dan beter bij elkaar kan houden. Er is bijna niets zo vervelend als verward geraken door gedachten en gevoelens die alle kanten uitgaan.

Gevoelens. Het blijft veel energie van me vragen dat ik alles zo intens beleef. Ik scherp dat nog enigszins aan en merk dat ik vaak dingen weet en zie die ik niet kan weten of zien. Maar vermoeiend, dat is het. En ik heb een hol nodig om me terug te trekken.

En intussen relateren hij en ik verder. Iets wonderlijks gebeurt. Ik merk steeds vaker dat ik voldaan ben. Dat het in me wat rustiger wordt. Dat het woeden even ophoudt. Door wat ik van hem krijg. En dat is tegelijkertijd spectaculair en heel gewoon. Het is nabijheid. Het is veiligheid. Het is weten dat hij zijn best doet voor mij, voor ons. Het is weten dat hij zal proberen voor me te zorgen. Het is weten dat hij aan mijn kant staat.

We hebben het leuk samen. We maken plannen. We bereiden zijn nest voor op onze komst en ik bereid mijn nest voor op ons vertrek. Gisteren zaten de Man en ik in een lege kamer die de mijne zal worden, naast elkaar. ‘Hoe is het voor jou?’, vraag ik. Hij vertelt dat hij soms droomt dat hij stikt. We lachen. Ik vertel dat ik recent heel erg intens moest denken aan het lot van vluchtelingen. Verkassen naar een plek waar je geen enkele geschiedenis mee hebt, is behoorlijk eng. Al is de plek mooi, het bed gespreid en kan het alleen maar beter worden, in mijn geval.

Daarna gaan we naar de Albert Heijn, we eten, kijken tv, werken nog wat. We delen de sponde, de nacht en een cappuccino. Samen gaan we de deur uit op een ontiegelijk vroeg uur. Ik zit lang in de auto en denk aan het licht. En ik begrijp er even helemaal niets van, van die zwaarte die ik meegezeuld heb. Terwijl er me zo veel gegeven is. Hij en de potentie van het leven samen zijn zo wonderlijk. Wat heb ik toch in die rabbit hole gedaan, terwijl ik me kon koesteren in het licht van de zon?