Talent

Het is another happy day, hier & nu (*). Een ochtend met de mannen. 17 km heen & 17 km terug gefietst naar een interessante bespreking en me een soort van superwoman voelen omdat ik het deed. Met de fiets dus.

Thuiskomen. De pc aan. Besloten dat ik me elke dag wil voeden. Ergens gelezen dat je elke dag een kwartier of een half uur kan lezen, zelfs als je geen tijd hebt om boeken te lezen. Het is vast niet waar, dat iedereen het kan, maar ik geef er prioriteit aan en ja hoor, ik ‘studeer’ een half uur in één van de tientallen boeken die me al lang vergezellen omdat ik weet dat ik ‘m moet lezen en er van moet leren. Ik maak nota’s, sla het boek met spijt dicht als de tijd op is, en besluit: morgen weer!

Daarna loop ik de stad in om een bestelling op te halen. Ik slenter terug langs de kantoorboekhandel en ik verlies me in al die papieren dingen. De stiftjes. De schriftjes. O, o, wat lekker. Ik houd mijn aankopen beperkt en wandel naar één van de vele koffiezaakjes die deze stad rijk is. Gewapend met een cappuccino en een chocolate chip cookie (dat mag na al het fietsen) ga ik even in een parkje zitten, en dan ga ik naar huis, waar ik een blogje schrijf, nog even werk aan de organisatie van een studiedag. En straks is er de avond met de mannen.

In het parkje besefte ik het. Ik heb talent voor het leven in de stad.

(*) Het happy-gehalte is complex. Enerzijds merk ik dat veel van de externe factoren die me pijn deden opgelost zijn en dat ik dankbaar mag zijn om de heerlijke luxe waarin ik me bevind. Dit is werkelijk de eerste keer in 33 jaren dat er zo goed voor me gezorgd wordt en dat ik leef op een plek die zo goed bij me past. Ik heb nog steeds het gevoel een soort gouden lotje uit de loterij getrokken te hebben. Anderzijds zijn er nu al die interne obstakels die overwonnen moeten worden. Het is vechten met energie, motivatie, geloven in mezelf, weten wat ik wil met werk, schaamte en schuld en frustratie omdat het werken zo veel beter ging in een periode waarin het zo veel slechter ging met me. Knoop daar maar eens een touw aan vast.

Plus êtes en vous – maar moet het er uit?

In de jaren als single mom was ik allerlei dingen. Moe, bezorgd, bij momenten wanhopig en gestresst, maar toch ook zeer vaak gefrustreerd. Ik had gestudeerd, ik had een leuke baan, ik was beginnen werken als zelfstandige in bijberoep en ik had meestal nog wel een hoofd vol ideeën voor dingen die ik meer of beter kon doen. Er kon nog wat ontwikkeld worden, zowel voor mijn gewone baan als voor mijn bijberoep. Als ik maar eens tijd en energie had, want daar ontbrak het me permanent aan.

Intussen is er wat meer tijd en ietsje meer energie, alhoewel ik nog steeds niet in mijn volle kracht ben. Ik heb net, maanden na het verhuizen, de nog niet geheel ingerichte werkkamer in gebruik genomen. Ik zoek een boekje in mijn nieuwe boekenkastjes, en vraag me af of het hier zal gebeuren. Zal ik hier mijn ideeën ontwikkelen, mijn plannen niet alleen smeden maar ook tot uitvoer brengen? Ik lijk al jaren te verzamelen. Kennis, inzicht, ideeën, inspiratie. Maar daar blijft het precies ook bij. Een verzameling van potentieel.

Tegelijk denk ik: moet dat dan? Moet je er het maximum uit slaan? Moet al dat potentieel gerealiseerd? En waarom? Moet het nu? Ja, ik heb net een fantastische opleiding gevolgd van waaruit ik tools heb om een eigen praktijk op te zetten. Ja, ik heb ideeën voor meerdere boeken. Ja, ik heb aanknopingspuntjes, hier en daar, voor samenwerkingen. Maar moet alles wat kan?

Gisteren had ik mijn vrije woensdag. We sliepen in het grote bed terwijl de man al uren zat te werken op kantoor. Pas om 10u30 stuurde ik hem een slaperige foto van zijn kleine gezinnetje verkreukeld tussen de lakens. We zouden naar zee gaan, maar er waren kindjes in de gedeelde tuin en daar moest mee gespeeld worden. Op een bepaald moment zat ik wat offertes te maken met allemaal jongetjes uit de buurt (waarvan ik hoopte dat ze konden aangeven wanneer ze naar toilet moesten) op de grond rondom mij met kleine autootjes en mijn kleinste jongetje wanhopig smekend of iemand mee wou werken aan zijn treinspoor. Ik liet hem koekjes uitdelen, ik schonk roosvicee en haalde doekjes voor mondjes. We lunchten in de tuin, ik deed wat huishoudelijk werk en daarna brachten we het afval weg, gingen we naar de supermarkt en een ijsje eten, om daarna weer in de tuin te belanden met ouders van andere kleintjes en te praten, over werk en leven in de stad en parkeerplaatsen. Aan de zee zijn we alweer niet geraakt. Samen met de man gingen we naar de buurtbbq en ik dacht heel de tijd: mijn leven is precies alles of niets, en nu heb ik alles. We praatten met de buren, ik kon weer geen enkele naam onthouden, aten vegetarische burgers, dronken wijn waar we de hele nacht nog brandend maagzuur van zouden hebben, terwijl het springkasteel op een bende vuile happy kindjes met knalrode kopjes paste. De kinderen aten vooral watermeloen wat volgens de schijf van vijf geen avondmaal is, maar who cares, morgen beter.

Na kinderbedtijd was ik zo moe, hoewel ik niets slims gedaan had, niets intellectueels, niets ontwikkelachtig. Ik lag op het grote bed en hoorde de man praten met een poes die ons huis was binnen gedrongen en overtuigd moest worden het huis weer te verlaten. Ik luisterde en glimlachte, want wat was hij leuk om te horen in gesprek met de kat.

En daarna sliepen we, een hele warme nacht lang. Af en toe gewekt door het maagzuur of een meeuw.

Er zijn nog zo veel ideeën in de lucht, een zolderkamer vol boeken die gelezen kunnen worden, boeken die geschreven kunnen worden, perspectieven die geopend kunnen worden, dingen die ik met elkaar kan verbinden tot een kloppend geheel. Maar nu vraagt het leven geleefd te worden, en mijn hoofd even on hold te zetten. En dat is nog nooit zo goed gelukt als hier & nu. Hier & nu. Hier & nu.

Hoofdzaken

Door omstandigheden heb ik effecten van een medicament dat mijn gevoel afzwakt. Het is hoogst onaangenaam, maar ook erg leerrijk.

Ik ben niet gelukkig. Ik voel niets. Ik proef niets. Ik ruik niets en ik heb geen eetlust. Maar ik kan gewoon aan mijn pc gaan zitten, het knopje in mijn hoofd omzetten en werken. Het werk doet me niet veel, waardoor ik het vrij moeiteloos kan doen. Als je niets voelt en het allemaal niet zo belangrijk vindt, kan je alles gewoon even ‘processen’. Met zorg, maar zonder al die angsten en gevoelens en twijfels.

De man en ik praten er over. Hij vertelt me dat zijn hoofd vaak zo werk. Dat hij verbinding en betekenis kan verliezen, maar wel heel goed kan functioneren. Ik weet dat, maar ik had nog nooit gevoeld hoe dat is. Het leert me zo veel over hoe onze relatie werkt. Ik spat uit elkaar van het gevoel, en hij is dedicated zonder meer, maar voor hem is het minder intens, minder diep, minder geladen, maar dus ook wat rustiger (denk ik).

Nu ik in deze staat ben (uiteraard stop ik met het medicament, dit was niet het gewenste resultaat), kan ik heel goed zien waar ik last van heb. Namelijk: intensiteit van mijn beleving, all over. Alles betekent veel voor me, alles is belangrijk. Ik voel zo veel, altijd en overal.

Dat maakt me een intense moeder en een intense partner en een intense werknemer, maar dat zorgt er ook voor dat ik doodmoe word en zo veel voel, denk, twijfel. Alles doet ertoe, dus elke beslissing, elke mail, elk bericht, alles is belangrijk. Zo kan je natuurlijk niet leven, en ik ben al een tijdje tussen mijn eigen spaken gedraaid.

Maar zoals dit kan ik ook niet leven. Moe word ik er niet van, maar alles wat mooi is, leuk, betekenisvol, waardevol, is weg.

Ik kijk terug en zie dat ik zelfs in periodes dat het heel moeilijk was, een overdaad aan voelen had. Ik kan me goed voorstellen – na gesprek met de Man – dat de gevoelloze staat waar ik nu in verkeer een heel goed beschermingsmechanisme is dat je lichaam zelf in gang zet als iets te intens is, pijn bijvoorbeeld. In deze staat kan je functioneren, heel nuchtere beslissingen maken, doen wat moet gebeuren. Alleen voel je er niets bij. Deze staat had me enkele jaren terug wel goed van dienst kunnen zijn om een periode te overleven waarin ik door de intensiteit van mijn eigen verdriet en boosheid bijna knettergek werd.

Een vriend laat me weten dat hij me graag terug wil zien. Ja, denk ik. Dat begrijp ik. Maar heel nuchter denk ik ook: ik moet nu even binnen mijn eigen grenzen leven, en daar hoort een afspraak waarvoor ik heen en terug meer dan 400 km moet rijden absoluut niet bij. Dat kan ik nu heel goed zien en gewoon communiceren.

Dit is waar de man mij vaak mee helpt, als ik weer een wirwar heb aan verwarringen, twijfels en gevoelens. Hij kan heel goed helder zien en zeggen wat ik wel of niet moet doen om het zo simpel en effectief en gezond mogelijk aan te pakken. Vaak is dat een opluchting voor mij, maar tegelijkertijd wordt het leven ook erg kaal van deze zakelijkheid, nuchterheid.

Deze staat gaat over. Ik hoop dat het uren zijn. Misschien dagen. Ik weet hoe het komt dus ik hoef me geen zorgen te maken. En tegelijkertijd is het een soort van vakantie van mijn intense zelf. Wist ik de weg maar naar het gezonde in between.

 

 

Plotwendingen

Als de man een avond niet thuis is, weet ik niet wat doen. Dat klinkt sneu. Alsof ik afhankelijk ben van de man. Dat is niet zo. Vroeger had ik de man niet. Dan werkte ik, deed ik het huishouden of sliep ik. Ik wist altijd wat doen. Nu wil ik ’s avonds niet meer werken, het huishouden gaat hier sneller want beter georganiseerd en gedeeld, en slapen doe ik gelukkig niet meer om zeven of acht uur. Dus moet ik weer te weten komen wat ik zou doen als ik vrije tijd had en zelf mocht kiezen. Dat lukt me niet zo goed. Soms ga ik in bed liggen wachten tot de man thuiskomt. Ik ben het gewoon vergeten, door al die jaren flink zijn en hard werken of heel moe zijn.

Werk en leven. Het werk was zo belangrijk, tot ik ziek werd en niet meer kon. Er kwam meer leven en de noodzaak van het werk verminderde drastisch. Dus nu moet ik de inspiratie en energie en motivatie volledig intrinsiek oppompen. En ik die alles zo belangrijk vond en vond dat ik de mooiste baan ter wereld had, denk steeds vaker dat ik ermee wil stoppen om nog wat meer te leven. De dagen zitten immers propvol leven. Niets spannends. Niets geks. Maar bij de lieverds zijn, tijd met hen doorbrengen. In de stad zijn waar ik nu woon. Eten kopen en klaarmaken. Naar de zee fietsen. Koffie gaan drinken met de man. Praten met de man. Naar België rijden en terug voor allerlei doeleinden. Voldoende slapen. Een boek lezen in de tuin.

Ik ben al minder gaan werken en verdien drastisch minder. En ze zouden net zo goed mijn loon aan de kinderopvang kunnen storten voor de dagen waarop ik werk. De kinderopvang hapt meer dan de helft van mijn maandloon weg. Ik heb het gevoel dat ik voor niets werk, ik zit weer op het niveau van toen ik tien jaar geleden startte, mijn rekening is het grootste deel van de maand leeg, terwijl ik nu een mevrouw ben in een leuk straatje in een mooi huis met een leuke meneer en niets te kort. Het is confronterend om minder te verdienen en het is confronterend om zwetende handen te krijgen als je de rekening van de opvang opent. Het is confronterend om minder te verdienen en met twee te zijn en nog minder over te houden dan vroeger ondanks het wegvallen van huur en allerlei vaste kosten. Ik wil graag bijdragen aan het afbetalen van het huis waarin ik woon en ik wil graag de energierekening betalen, maar daar is voorlopig geen geld voor. Ik was financieel onafhankelijk (ok, het neep) en zit nu in een betere situatie en ben het allesbehalve.

Er zijn de dagen waarop ik werk en thuiskom na kinderbedtijd. Het is bijna onmogelijk op een werkdag thuis te komen voor kinderbedtijd. En ik heb het nog nooit zo absurd gevonden. Ik werk letterlijk om de kinderopvang te betalen en geen vergadering is interessant genoeg om een avondmaal met mijn gezin te missen.

En dat terwijl mijn gezin mij niet mist, want ze functioneren hier ook prima zonder mij.

Misschien kan ik de avonden dat de man weg is gebruiken om over deze eigenaardige en onwaarschijnlijke plotwendingen in mijn levensverhaal na te denken. Ja, dat lijkt me nog eens wat.

 

 

 

 

O so quiet

Het is stilletjes hier. Ik, de vrouw met meestal veertien blogposts in de vooraad, zat plots door de voorraad heen.

Dus verscheen er eens niets. En nog eens niets.

Soms voelt het alsof ik in de gietende regen sta. Mails, appjes, berichten, … overspoelen me. Ik heb het opgegeven bij te blijven. Ik laat veel dingen gewoon gaan intussen.

Ik wou dat ik iemand was die volledig operationeel up-to-date met alles en iedereen was. Of misschien ook niet. Ik wil graag iemand zijn die is waar ze is. Ook al is dat niet eens zo veel en indrukwekkend meer als vroeger.

Wat kan ik er over zeggen?
Laatst zag ik een hysterisch mailtje voorbij komen van de secretaresse van een HEEL BELANGRIJK IEMAND dat ik niet op de mail had geantwoord over de optie om een afspraak te maken met die ZEER BELANGRIJKE PERSOON binnen de twee uur na verzending van de mail. Ik heb geantwoord dat ik andere dingen doe dan heel de tijd aan mijn computer zitten en de afspraak is nog niet gemaakt. Couldn’t care less.

Soms zie ik de man met zijn telefoon vergroeid in zijn hand en zijn aandacht versnipperd. Ik begrijp het want ik was ook wel versnipperd ooit. Maar nu niet meer. Nu ben ik waar ik ben en geef ik daar aandacht aan. (Zij schreef er mooi over.)

En ik ben steeds minder overal en steeds meer hier. Gewoon in het moment met de kinderen of met hem als hij zijn telefoon weg legt 😉 of gewoon met mezelf, ik kan immers uitstekend bij mezelf zijn. Niet aardig voor mijn vrienden die ik zelden app, bel of wat anders. Niet aardig voor de wereld die staat te schreeuwen dat ik moet antwoorden, NU en HIER en METEEN en LIEFST GISTEREN. Het is ook niet onaardig bedoeld. Ik wil gewoon hier zijn. Me niet meer in duizend stukjes opbreken. Niet meer denken dat ik alles kan en alles moet. Intussen wel zeker weten dat de wereld ook draait zonder mij. En dat ik doe wat echt moet en wat ik echt wil.

Ik voldoe niet, ik kan het tempo niet bijhouden. So be it. Maar ik ben niet zeker dat het aan mij ligt. En ik hoef het truukje van diegene die er wel in slagen niet persé te kennen. Laat mij gewoon maar zachtjes zijn. Hier. Nu.

 

Repeat

Het is als iets dat in me rond sluipt en weer toeslaat. Na maanden en alle veranderingen komen de symptomen weer terug van de ziekte die ik in de winter had. Ik krijg weer slappe benen, zo slap dat ik niet kan rijden. Ik heb geen kracht meer in mijn vingers en kan niet typen. Ik meld me een dag ziek. De volgende dag ga ik weer werken. Na die werkdag sleep ik me naar huis en eenmaal thuis ga ik recht naar bed, waar ik bang en ellendig blijf liggen. Zelfs een kopje thee maken voor mezelf is een niet te realiseren onderneming.

Ik ben boos omdat het terugkomt. Ik snap ook niet goed waarom. Ik heb gedaan wat ik moest doen om mijn leven een andere wending te geven. Ik ben verhuisd, ben minder gaan werken, heb andere keuzes gemaakt. Ik rust meer, ik probeer gezond te eten, ik loop, ik slik vitaminepillen en ijzer, ik werk niet meer ’s avonds. Wat moet ik nog doen?

Het loopt allemaal uit de hand, ook mentaal. Oude pijn wordt getriggerd door nieuwe gebeurtenissen, ik jank de ogen uit mijn kop, de man is boos op me en teleurgesteld, er is onbegrip en afstand, ik voel me verloren in deze stad en alleen.

Enerzijds wil ik toegeven aan die slappe benen. Rusten, slapen, niets doen. Ik wil verzorgd worden en een beetje zwelgen in gedachten  aan tijden die te moeilijk en te eenzaam waren en hoe die een tol hebben geëist waar ik vandaag nog wankel van ben.

Anderzijds wil ik in mijn kracht zijn en blijven. Ik wil eigenaarschap nemen, geen speelbal zijn van mijn eigen vermoeidheid en beperkingen maar mezelf waarmaken.

Ik vind het zo complex. Ik heb kasten vol boeken maar soms lijk ik niets te weten. Alles lijkt twee kanten te hebben. Als de man kwaad weg beent na een onaangenaam gesprek, zoek ik verbondenheid. Ik wil geen kat en muisspelletjes meer. Ik bel hem en zeg hem dat ik het wil uitpraten. Mijn ego aan de kant, en de neiging om me zelf een dagje te gaan verstoppen met mijn pc en een stapel boeken overwonnen. Maar daar zit ik dan, te janken. Boos, verdrietig. We praten, maar er blijft afstand. Achteraf gezien was ik liever een dagje alleen geweest met mijn boeken en mijn pc. Kan ik verbonden zijn zonder afhankelijk te worden?

Ik ben moe dus moet ik ervoor kiezen te rusten. Maar in plaats van mezelf compassievol te geven wat ik nodig heb, ontaardt het rusten in een soort onaangename lethargie. Kan ik mezelf geven wat ik nodig heb zonder te ontsporen?

Ik moet mijn energie doseren, dus ik kan en wil gewoon niet meer mee in de ratrace van berichtjes, appjes en duizend mails. Maar intussen lijk ik iedereen in de steek te laten en mezelf enorm te isoleren. Kan ik mijn energie houden zonder van het toneel te verdwijnen?

Ik moet mijn werk afbakenen, want ik kan niet meer werken zoals ik het vroeger deed. Maar intussen stapelen dingen zich op. Kan ik afbakenen zonder onverantwoordelijk te zijn?

Ik heb een cursus gevolgd en er sluimert iets nieuws in me dat ik wil ontwikkelen. Alleen is de tijd niet rijp en de omstandigheden nog niet goed. Kan ik wachten zonder iemand te zijn met duizend plannen die er nooit eens wat van bakt?

Verdrijf ik de zwakte in mijn benen en handen met rust of met mezelf wat strakker aansturen? Misschien zijn ze niet eens een tegenstelling.

 

 

Rusten kan je leren

Het is een dag zoals ik er vroeger meerdere per week had. Ik begin om half negen thuis te werken. Om 11u30 stap ik in de auto. Om 13u heb ik een eerste overleg. Dan rijd ik weer bijna twee uur naar het volgende. En na een vreselijke veggie-burger in de McDonalds wegens tijdsgebrek en toch iets moeten eten, open ik een vergadering om 20u. De derde van vandaag. Achttien mensen kijken me aan, ik ben de juf. Hoe krijg ik ze in beweging, denk ik. Het zaaltje is warm, duffig en te klein. Niemand heeft er zin in. Het is te lang geleden dat ik hier geweest ben. We zijn de draad kwijt met elkaar.

Na de vergadering rijd ik naar huis. Het is een uur en drie kwartier rijden. Ik rijd over de zeelandbrug, terwijl het laatste avondrood de hemel kleurt. Daarna wordt het taai. Zeeland is donker, de wegen zijn lang en recht. Ik moet geen moeite doen om wakker te blijven, maar mijn botten doen pijn en dat is intens. Deze pijn was er vroeger altijd, altijd.

Ik rijd de ring van Rotterdam op. Leve de podcasts. Ik luister naar Dear Sugar en geniet van de nuances, de volwassenheid waarmee topics met betrekking tot relaties besproken worden. Geen zwart, geen wit, maar een compassievol gesprek over echte vragen van echte mensen.

En dan kom ik thuis. Het is na middernacht. Mijn lijf is van streek door het slechte eten, mijn botten doen te veel pijn om te slapen. Ik besef dat ik weer een dag heb gehad zoals ik er vroeger te veel had.

Er is veel veranderd sinds ik ziek ben geweest. Ik weet niet of het een burn-out was, want ik weet niet goed wat dat is. Ik weet wel dat ik uitgeput was en dat ik moest rusten. Maar rusten was lastig.

Aanvankelijk rustte ik enkel als ik gewoon niet meer kon. Ik had een permanente strijd met mijn lichaam en haalde er zelfvertrouwen uit dat ik telkens over de grenzen van dat lijf kon. Maar soms sloeg dat lijf terug en velde me.

Toen werd ik ziek en was ik nog steeds in verzet.

Pas nu, pas nu, werken we samen. Dat lijf en ik. Ik rust, ook als ik niet met mijn tong tussen mijn voeten loop. Ik rust als de man gaat lopen ’s avonds. Dan ga ik in het grote bed liggen en lees ik een boek. Ik rust op mijn vrije dagen. Dan ga ik met de man koffie drinken of lunchen, banjeren we door de stad, ga ik in de tuin in de zon zitten met een tijdschriftje. Ik rust zonder schuldgevoel, zonder strijd. Rusten is gewoon een deel van het leven. Rust komt na inspanning.

Zoals de dag na de XL dag die ik net beschreef. Ik ga naar het werk, doe wat ik moet doen, en ga dan naar huis. Midden op de dag. Want ik heb gisteren anderhalve werkdag gehad, dus ga ik nu rusten. Ik ben van plan even op bed te gaan liggen, maar kom voorbij een massagezaakje waar ik me even laat kneden. Daarna doe ik boodschappen, kook ik voor de mannen, we eten. De man moet weg, dus na kinderbedtijd nestel ik me met een boek in bed, goed wetende dat ik in slaap ga vallen. Ik word wakker als hij thuis komt. We praten, ik ben rustig en loom als een poes. Ik heb ruimte. En tijd.

 

 

Een piekende latte-factor

Mijn latte-factor piekt in mijn nieuwe leven. Nee, ik drink geen latte. Wel cortado. Een drankje waar ik nooit van gehoord had tot ik in deze stad hippe koffiebarretjes begon te bezoeken en viel voor de krachtige combinatie van espresso met de juiste hoeveelheid (in mijn geval amandel-) melk.

Als ik naar school fiets, met mijn bakfiets die eindelijk helemaal tot zijn recht komt, ruik ik de zee. Ik snuif en ruik het. De zee. Het zilte. Het maakt me altijd even instant verwonderd.

Ik werk minder en nu het verhuizen over het hoogtepunt heen is, begin ik het eindelijk te voelen. De luxe van de vrije woensdag om de twee weken en de luxe van op vrijdag nooit.

Op vrijdag neemt mijn man me mee uit lunchen. Soms. Telkens een andere mooie plek. We eten, ik drink een occasioneel glas witte wijn, we praten, we wandelen terug en zijn om drie uur aan de schoolpoort.

De stad, deze stad, is een volwaardig personage in het nieuwe leven. De stad omringt ons met mogelijkheden en moois, waar ik soms in verdwaal maar ook met volle teugen van geniet. Op tien plekken leuke jurkjes vinden, op twintig plekken leuke schoenen, op dertig plekken goede koffie, drie musea om de hoek. Soms dwarrel ik onbeslist door die veelheid, en soms maak ik een keuze, voorbij de FOMO (wat als er om de hoek nog betere koffie is, je weet wel, die), en nestel ik me.

De luxe is bijna onnozel. Nu ik niet meer bang en gestresst ben en veel te veel verantwoordelijkheid op mijn schouders heb geladen, komt heel mijn hoofd tot rust. Mijn drie breinen, het verstandsbrein, emotionele brein en reptielenbrein geraken wat beter afgestemd. Het emotionele brein kalmeert, de amygdala gaan uit overdrive en ik stop met dat dagelijkse pilletje dat mijn hoofd moest ordenen. Ik heb nog steeds een wat chaotisch hoofd maar mijn leven is anders, de stress piekt niet meer. Dus ik stop met slikken en hou het spul voor dagen waarin ik het echt nodig heb om mijn hoofd te managen. Hoera. Ik heb nu immers ook een nieuw middeltje. Die dagelijkse cortado.

 

 

 

 

 

Perfect day

Hear. Hear. 

Het is vroeg dag en ik mag langer in bed blijven. 
Ik trek mijn mooie, belachelijk dure, kraakwitte peignoir aan en voel me een madam.
Met mijn gekoesterde Dille & Kamille-dekentje ga ik naar beneden en nestel ik me op de bank, als een luie poes. Hij reikt me cappuccino aan. Niemand maakt die met zo veel zorg en liefde als hij. Niemand zie ik zo graag cappuccino maken. Ik ben content. De tijd drijft voorbij. De kleine man wil duizend filmpjes zien, maar we kijken er maar enkele.

Hij vult het bad. Ik neem een foto van hen samen in bad. Ik schuim in en vis uit bad. Kleine man wil na het bad een schildpadje zijn en ligt in een handdoek gewikkeld op het grote bed. Ik wrijf in met olie en er is tijd en er is liefde en het is goed. De mannen halen brood en ik douche en kleed me aan en kom beneden en mag aan tafel en we maken plannen. Alles kan.

Alles kan. We kunnen naar Amsterdam. We kunnen winkelen. We willen naar het museum en daar gaan we, dwars de stad door. De man geeft instructies. Tot de lantaarnpaal. Tot de blauwe auto. Tot de bakfiets. De zoon met de loopfiets stopt netjes op elk punt.

We wandelen door straten die ik ken, maar niet bij naam. Ik zoek zijn hand. Ik kijk naar hem, hij loopt naast me, hij is me zo lief. Het geeft me zo veel rust en vertrouwen bij hem te zijn. Ik kijk. Hij is groot, zijn blik is scherp, er zit wat grijs door zijn haar en daar word ik week van. Weekdiertje, ik.

We komen bij het museum en kijken rond. Deze stad verbaast me nog elke dag en deze plek is een pareltje. We kijken en ik leer bij en ik laat me raken en ik zie en ik geniet van mijn mannen. We drinken koffie en eten cakejes en er is een kinderhoekje in het café en ik vind het zo’n goede plek. Hier wil ik wel komen thuiswerken.

Ik koop een boek en we wandelen terug. Met omzwervingen. Ik haal wat voor het avondeten bij een Italiaans zaakje en we gaan naar huis. Thuis rusten we op de bank. Er gaat een film op van Thomas de trein. De man valt in slaap en ik volg. Veel later word ik wakker en dan is het al tijd om boodschappen te doen, te koken.

De mannen zijn in de tuin met kinderen en ouders uit de buurt, en ik glip de deur uit naar de Albert Heijn die op mini-loopafstand is. Ik kook en we eten en de man doet het bedritueel terwijl ik een traktatie voor mijn verjaardag ophaal bij een mama van een klasgenootje.

Ik kom thuis en er is veel werk te doen. Ik wil nog schrijven en koken voor morgen en dingen voorbereiden. Ook perfecte dagen zijn gevuld.

Ik denk aan vorige zondag. De dag die begon met Bikram yoga. Thuiskomen en zien dat mijn mannen in de tuin werken. Naar de bakker gaan met een bakfiets vol jongetjes. Buiten komen en kijken hoe ze de bakfiets in klauteren, de kleinste met zijn rode laarsjes. Denken dat ik altijd al gewild had dat het zo was: het leven, het moederschap, kinderen hebben. Naar de speeltuin gaan, zeven kilometer verderop. Bakfietsen met twee schaterende kinderen. De man die meeloopt en dat lijf zien, dat lange lijf, en het zo mooi vinden hoe soepel hij loopt. In het gras in de speeltuin slechte koffie drinken terwijl de jongens verdwijnen in hun plezier. Pannenkoeken eten bij kennissen en dan terug fietsen met twee vermoeide en gelukkige jongetjes, die onder mijn trui op het bakfietsbankje zitten en me aankijken met waterige oogjes vol plezier en spelen dat hun knuffels diarrre hebben in de bakfiets (tja). De man die meeloopt en het op het einde een spurtje trekt dat ik niet kan inhalen. De kinderen wassen onder de douche en terwijl ze hun zachte pyjama’s aandoen denken aan dat ene gedicht.

toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en ver weg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom

(een stukje uit Onder de appelboom van Rutger Kopland)

Dat het te mooi werd om waar te zijn.
Hier en nu. Hier en nu.

 

 

Shitload

Emigreren en nieuw samengesteld geluk zijn niet alleen rozengeur en maneschijn. Soms gaat het moeizaam en wint de angst.

Ik droomde dat ik een tweeling kreeg en dat ik beide kinderen had achter gelaten in het ziekenhuis. Daarna was ik bij vrienden die hun kind lieten dopen en tegelijkertijd het lichaam van hun overleden vader eerden. Dat lichaam lag in een tent. Elke handeling die bij het gedoopte kind werd uitgevoerd, werd ook uitgevoerd bij het dode lichaam. Ik probeerde hen te waarschuwen dat het lichaam uit elkaar zou vallen. En ik herinnerde me de kinderen die ik had achtergelaten. Een week al, besefte ik. Ik ging naar het ziekenhuis en hoopte ze nog terug te krijgen. Ik moest aanschuiven in een rij.

Ik werd alleen wakker. Ik voelde dat de dingen niet goed waren en angst sloeg zich rond mijn hart. Aan tafel spraken we, hij en ik, en het was niet goed en de angst verlamde me en het ellendige gevoel sloeg toe dat ik zo’n hekel krijg aan mezelf, door de kleine dingen die er gebeuren of niet gebeuren tussen ons.

Later heb ik de kinderen weer achter gelaten. De kleinste heb ik achter gelaten bij iemand die ik niet ken en die hij niet kent. Ze zitten aan een tafel in de opvang met een puzzel van Buurman en Buurman en al op de trap naar beneden wil ik gaan zitten en de tranen de vrije loop laten, maar dat kan niet, dus loop ik de trap af en neem ik mijn tas en stap ik op de fiets en duw ik de fiets in gang en ga ik en ga ik. Liever wil ik hem terug meenemen. Ik heb het gevoel dat ik het kind amper zie of voel nu we niet meer samen slapen en niet meer alleen zijn.

Ik heb buikpijn van verdriet. Het is oud verdriet en nieuw verdriet en angst en ik probeer zo weinig mogelijk te voelen uit angst dat ik niet meer verder kan fietsen.

Ik stap in de auto en blijf daar zitten. Een man die zijn honden uitlaat blijft staan en kijkt. Ik zet de ruitenwisser aan. Ik heb buikpijn. Ik wil naar huis. Ik moet huilen of braken, één van de twee. Voorlopig komt er niets. Ik wil niet naar het werk, maar ik kan ook niet naar huis. Ik besef dat ik weer in een situatie zit waarin ik nergens naar toe kan. Ik kan niets of niemand bedenken waar ik naar toe kan, niets of niemand wat nu troostrijk is of me thuis doet voelen. Ik denk aan de kamer in het huis vol spullen van de vorige vrouw en spullen van mezelf. Ik weet dat ik het me gewoon moet toe-eigenen en er een cocon van maken zoals ik die nodig heb, maar de spullen, de spullen. De zwaarte van het selecteren en verslepen van al mijn eigen spullen heeft me zo’n afkeer ingeboezemd en ik ben boos op de spullen in de kamer. Ik wil geen boekenkasten van een andere vrouw en ik wil niet op de plek van die vorige vrouw zitten en ik wil niet dat ik meer dan de helft van mijn eigen spullen heb weg gedaan om in een kamer te zijn met spullen die een andere vrouw niet heeft weg gedaan en ik weet niet waar naar toe en ik blijf gewoon zitten in mijn auto met de ruitenwissers aan. Er is geen enkele plek in deze omgeving die vertrouwd voor me is. Er is niemand die ik zou kunnen bellen. En ik besef dat ik het ernaar gemaakt heb met mijn onvermogen contacten te onderhouden, e-mails te beantwoorden, mensen op te bellen, afspraken te maken. Maar ik was zo fucking moe de laatste jaren. Hoe had ik beter gekund?

Ik denk allemaal boze gedachten en ik weet dat het mijn beschermingsmechanisme is en dat het nooit helpt om modder bij elkaar te gaan schrapen en die te gooien. Dat wil ik niet en dat zal ik niet doen ook. Ik moet in mijn zachtheid blijven. Maar in die zachtheid val ik uit elkaar en ik snap er niets meer van.

Wat doen volwassenen in zo’n situatie? Ik start de motor en begin te rijden en stop voor koffie en vul de auto met Einaudi en met de koffie komen de tranen en ik weet dat ik dit heel goed kan. Huilen zonder sporen tot aan de parking van het werk. Gewoon de tranen laten lopen en niet wrijven, niet wrijven. Als je wrijft wordt het rood en vies, dus niet wrijven niet wrijven dan ziet niemand wat.

Mijn buik doet pijn en ik moet niet denken aan het kind op de bank en het kind met de puzzel aan een tafel met iemand wiens naam ik niet meer weet. Ik moet niet denken aan al die angst en onveiligheid van vroeger die nu ongevraagd komt spoken en mijn blik vertroebelt en mijn maag van streek maakt. Ik moet niet denken aan dat ik weer in een situatie zit waarin ik nergens naar toe kan, waarin ik geïsoleerd ben. En ik moet niet denken aan de angst van vroeger. En ik moet niet denken aan de angst van vandaag en die hekel, die hekel aan mezelf omdat mijn auto te vuil is en omdat ik te laat uit bed kom en omdat ik moeilijk beslissingen kan nemen en omdat ik zo vaak moe ben en omdat mijn lichaam niet is zoals het zou kunnen zijn. De hekel omdat ik wil lopen maar er dan niet in slaag en omdat ik wil werken maar vaak te moe ben en de hekel omdat ik alsmaar te veel eten koop en eten weg gooi en omdat niets van wat ik wil koken lukt.

Ik heb buikpijn. Op mijn werk zit ik in een glazen kamertje en ik heb een hekel aan die tranen die soms komen en die neus die loopt. Er is angst van vroeger en van vandaag. Ik denk aan vroeger en vraag me af of de man van vroeger dagenlang weg ging omdat hij nergens naar toe kon, in plaats van om mij te straffen of pijn te doen. De gedachte maakt niet uit. Ik besef hoe onpraktisch zo’n shitload aan angst en pijn van vroeger is. Angst en pijn die maar weinig  nodig heeft om getriggerd te worden. Ik probeer het onderscheid te maken tussen de angst en de pijn van vandaag en die van vroeger, maar het is een kluwen. Vandaag ben ik bang om niet genoeg te zijn. Vandaag ben ik bang dat de hekel die ik aan mezelf voel van de man is die me in kleine en subtiele dingen lijkt af te wijzen en waar ik niet mee kan omgaan. Vandaag ben ik bang voor te weinig liefde en te veel verlies. En ik heb buikpijn.

Ik schreef hem dit alles. Hij reageerde lief en vol compassie. Thuis sloten we elkaar in de armen. We waren beiden van streek, maar vol goede wil om elkaar beter te begrijpen en het zuiver te houden. Het is veel soms, samen leven, op zijn plek die wonderschoon is maar wildvreemd. Het is veel soms voor hem, plots een gezin met kinderen. Kinderen die hem spontaan papa noemen, maar het ook uithangen met eten, moe en onredelijk kunnen zijn, en alomtegenwoordig. Het is bijzonder, een dynamiek, waarbinnen nog meer dynamieken spelen. En hoe snel de kleintjes zich bij mij scharen als ze een (zeldzame) valse noot voelen. Hoe raar dat voor hem moet is en plots in zijn eigen huis voor een drie-eenheid te staan. Ik ben zo dankbaar maar zo overweldigd. Ik heb de juiste keuze gemaakt, maar het is ook vermoeiend om de namen van de buren niet te kunnen onthouden, niemand te kunnen appen om te gaan lunchen en nergens de vertrouwdheid te voelen die je nog moet opbouwen maar zo gruwelijk hard nodig hebt op een plek waar alles nieuw is.