Een dag uit het leven van Prinses & cO: juni 2016

Elke maand beschrijf ik een banale dag uit ons leven. Het leven zoals het is – Prinses & cO. (Co= kleuterzoon en peuterzoon).

Een dag uit junialsjeblief! 

Goesting
Een dag waarin prinses gefileerd wordt door haar aantrekkelijke collega J., keuzestress heeft in de Albert Heijn en verlangt naar een permanente staat van lichte manie.

06u05
De wekker gaat. Ik haat dit, ik haat dit. Om 1u bruiste ik nog van de ideeën. Maar vijf uur later ben ik een wrak. De peuter wordt ‘slecht’ wakker, huilend dat hij een rokje aan wil.

07u08
Met enige moeite zijn we gewassen en aangekleed geraakt. De kinderen zitten op de achterbank met een boterham. Hate this so much. Pas als ik ze afgezet heb en richting Nederland koers, realiseer ik me dat ik altijd vergeet voor mezelf ontbijt te maken. Enkel een koffie in mijn keepcup biedt troost.

09u00
Op tijd, prima op tijd. Ik meld me bij de secretaresse. Vraag of mijn collega J. er al is. Nee. Ik ga naar de wc en vis mijn concealer en mascara uit mijn tas. Als je geen tijd hebt om je echt op te maken ’s ochtends, kan je tenminste je wallen wegwerken. Ik verander in minder dan een minuut van een belabberde moeder in een vrouw-met-frisse-blik. Hoe heb ik zo lang zonder dat spul kunnen leven?

09u29
Daar is hij, net op tijd. J., in een wolk van zelfvertrouwen. We worden de vergaderzaal ingeroepen en gaan in gesprek met vertegenwoordigers van verschillende organisaties om een opdracht binnen te halen. Ik ben zo onder indruk van J. dat ik besloten heb het maar aan hem over te laten. Met zijn charme en energie zuigt hij ook de aandacht naar zich toe. Maar eenmaal in gesprek gooi ik mijn expertise in de strijd, geef ik beelden bij de aanpak die ik voorstel. Het lukt me echt contact te maken met de heren in de kamer. Eén man vraagt bij het afscheid of hij me ook buiten de opdracht waar we het vandaag over hadden mag bellen. Uiteraard.

11u10
J. en ik staan op de stoep en analyseren het gesprek. Mijn oog valt op een terras, ik stel koffie voor. We drinken koffie en we hebben een echt gesprek waarin de tegenstellingen in mezelf haarscherp worden. Het gesprek met J. is zo raak in de goede zin van het woord. We hebben het eerst over de heren waar we net mee spraken. Ik vertel J. dat ik het interessant vind om te kijken hoe hij dit soort gesprekken als man ingaat, en ik vertel hem dat ik als jonge vrouw altijd in een eigenaardig soort positie zit ten opzichte van de meestal grijze heren. We geven elkaar bedekte complimenten. Hij vraagt me of het erg is dat ze voor mij kiezen omdat ze me een leuke vrouw vinden en een goede professional. Als hij vertelt dat hij zijn blauwe ogen wel eens inzet als er een vrouw in het gezelschap zit, zeg ik dat hij nog wel meer in huis heeft om in te zetten.
En dan gaat het over werk. Onze soort werk, de moeilijkheid daar grenzen in te trekken. De moeilijkheid het te combineren met een gezin. Mijn vragen over goed moederschap. Hoe ik inwendig verscheurd ben, behalve als ik in de flow van het werken ben. Hij fileert me. We staan op. Ik kondig aan te zullen betalen. Hij zegt eerst nee, maar dan ja. Met een ‘je bent immers geëmancipeerd‘ en een knipoog verdwijnt hij.

12u15
Veel gewerkt, de laatste tijd. Dat is te zien aan mijn huis. Hoe kan er nu zo veel chaos ontstaan als we er zo weinig zijn? Ik besluit radicaal te kiezen voor zorg, en stop bij de Albert Heijn. In de winkel word ik op een gegeven  moment bijna stapelgek van de keuzestress. Ik moet koekjes hebben om mee te nemen op een uitstapje, maar ik heb de keuze uit een hele rayon vol allerlei soorten koekjes. Ik sta meer dan een kwartier vertwijfeld te kijken en kom bijna op het punt een onbekende te vragen in mijn plaats te kiezen. Met allerlei soorten groenten en fruit, vegetarische burgers, wasmiddel, drankjes en  ja hoor, ook koekjes, vertrek ik huiswaarts.

13u30
Al rijdend luister ik naar ‘Plots‘. Dit is zo ongelooflijk in-my-face. Bijvoorbeeld de aflevering waarin een bende huisgenoten vertellen hoe ze een oudere man hebben buiten gezet en welke overwegingen daarmee gepaard gingen. Of de aflevering waarin een oudere vrouw vertelt dat ze door het nemen van Prednison voor een fysieke kwaal plots daadkrachtig wordt en voortvarend, dat haar karakter verandert. Ik SNAK naar een pil die dat effect op me heeft. Een permanente staat van lichte beheersbare manie. Daar zou ik voor tekenen.

16u00
Jongens opgehaald, Familiehelpster staat te koken. Boodschappen uitgeladen. Naar de drankenhandel gegaan. Koffie gezet. Opgeruimd. Kinderen aandacht gegeven. Samen gelezen en gespeeld. Duizelig van de veelheid.

19u00
Ze liggen in bed. Ze hebben gegeten. Vanuit de kamer van de Kleuter klinkt een stemmetje. ‘Moeke, dankjewel voor de Dino-kaartjes(*). Ik vind het echt een leuk cadeau‘. Ik sta versteld. Ik loop naar de Kleuter en vertel hem dat ik het zo lief vind van hem dat hij dat zegt.
Mijn bureau is een zooi, het huis is een zooi. De was moet gedaan worden, de afwas. De mails blijven aantikken. Ik moet een offerte maken en een factuur sturen. Maar ik maak koffie en gun mezelf schrijftijd. Ik denk na over de dag en realiseer me dat ik weer gulzig leef. Bij momenten spat ik uit elkaar van goesting. Goesting om te werken, goesting om contact te hebben met anderen, goesting om lief te hebben, goesting om in mijn kinderen hun billekes te bijten, goesting om te leven, vol. En dat zonder Prednison. Hoera.

(*) Zie hier.

 

 

 

Advertenties

Quick fix of duurzaam sleutelen?

Ik loop door de gietende regen naar mijn auto. Ik denk na over mildheid. Mildheid vind ik complex. Mildheid naar mezelf toe begrijp ik als jezelf geven wat je nodig hebt. Maar in mijn leven is er een enorme discrepantie tussen wat ik nodig heb op korte en lange termijn.

Het weekend is een drama geweest. Ik heb de halve zaterdag gehuild en een vriendin to the rescue moeten roepen omdat ik niet meer kon. Zondag had ik al mijn moed bij elkaar geschraapt en tegen de jongens gezegd dat we er een leuke dag van zouden maken. En toen werd de kleinste ziek, waardoor we eindigden op de bank met een film. Lusteloos, moe. Op.

Wat ik nodig heb, in het hier & nu perspectief is stoppen met werken, kinderen uitbesteden, dagen in bed, een leuk soort aandacht van de ondeugdelijke, een mokkataartje en een zak chips.
Maar wat ik mezelf moet geven is wat anders.

En daarom loop ik in de gietende regen naar de auto, nadat ik enkele uren gewerkt heb in een koffiebar. Het kost geld, maar dit is nu even het beste wat ik kan doen. Thuis lukt het me nu even niet om een paar uur na elkaar geconcentreerd te werken, en in de koffiebar werk ik als een trein. De meest dringende dingen zijn af, waardoor het stressniveau weer wat daalt. Uitstellen en mijn werk negeren doet alleen de onrust groeien en scherpt de schaamte en stress weer aan.

Ik heb me ziek gemeld en zo een dag gekocht waarin alles wat ik wel kon doen alleen maar winst is.

Onderweg naar huis breng ik iets weg dat de ondeugdelijke in mijn auto vergeten was. Dan heeft hij geen reden meer om langs te komen en hoef ik geen moeite meer doen hem te weerstaan. Ik hoop dat het signaal duidelijk is en tegelijkertijd hoop ik dat hij vanavond op de stoep staat – zucht. Ik doe er geen briefje bij.

Ik mail een aantal hulpverleners en vertel weer eens dat het niet goed gaat en dat ik hulp nodig heb. Of familiehulp wat intensiever kan komen en wat structureler? Of de pedagogische begeleiding kan opstarten waarvoor ik al een jaar op de wachtlijst sta?

En ik ga naar de dokter.

Het blijft sleutelen. Het is erg moeilijk als je op je tandvlees zit om te doen wat goed voor je is, in plaats van toe te geven aan wat minder constructieve verlangens. Soms is wat-goed-voor-je-is heel basaal, heel klein. De koffiebar is bijvoorbeeld echt een uitkomst. Als het mij lukt te werken gewoon omdat ik daar ben, lijkt het me prima om dat gewoon te doen zonder er verder over te piekeren. Wat verder helpt is nog steeds de eilandtrilogie van Vonne van der Meer. Ik las het de eerste zomer nadat Dirk weg was. Wat het boek bijzonder maakt is dat het met mildheid geschreven is. In elk verhaal kan je je identificeren met en inleven in elk van de karakters. Er is geen zwart en wit, alleen maar grijs. Onder invloed van het boek ben ik milder naar mezelf toe, maar ook naar de ondeugdelijke, naar Dirk, naar mensen in mijn omgeving, naar mijn nieuwe collega met wie het niet zo goed werkt. Het is alsof ik me willens nillens wat beter verplaats in anderen waardoor ik met een bepaalde zachtheid naar situaties kijk zonder me er in te verliezen.

Ik loop door de gietende regen naar mijn auto en geef mezelf alvast een pluimpje om het werk dat ik heb verzet. Ook dat is mildheid.

 

 

 

Zes. Stress.

Jaren geleden schreef ik dit. En nu snap ik nog steeds (soms) niets van hem.

Het is zijn verjaardag. De kleuter wordt zes. Het is stress all over. Het trakteren op school. Het feit dat er een cadeautje bij hoort en en uitstapje.

Tegen de middag is hij al tien keer woest geweest waarbij hij acht van de tien keer onbereikbaar was. Hij was eerst een uur boos om zijn cadeautje omdat het niet was wat hij verwacht had. Het is soms zo moeilijk goed te doen voor hem.

Op het uitstapje laveren we tussen heel fijn en heel boos en niets daartussen. Fijn, boos, fijn, boos, fijn, boos. Ook al probeer ik er echt een dag op zijn maat van te maken. Niet te lang, een activiteit die hij leuk vindt, vrij spel in een uitdagende speeltuin included, picknicken, een ijsje.

’s Avonds douchen de jongens. Ik ben kapot. Dat ben ik altijd na een stevige werkweek en een dag er op uit met drie. Alles doet pijn in mijn lijf en er is weer een golf van boosheid omdat ik te moe ben om ze te wassen en in bed te stoppen maar tegelijkertijd ook geen andere keuze heb dan het gewoon te doen. De peuter is stout en plaagt de kleuter en ik geef de peuter na verschillende waarschuwingen waar hij smakelijk om lacht uiteindelijk een tik op zijn billen. Mijn vingers staan in zijn billetjes maar hij heeft geen kick gegeven, enkel hard gelachen. Hij maakt me soms bang, ik ben bang dat hij geen geweten ontwikkelt. Ik voel me diep schuldig om de tik. Wat voor moeder ben ik toch? Nou ja, duidelijk soms één op de grenzen van haar kunnen.

Hoe stouter de peuter, hoe rustiger en redelijker de kleuter is. We werken het ritueel af, de peuter wordt nog gestraft door geen verhaaltje meer te krijgen en ik ga nog even met hem praten en vertel hem dat ik verdrietig ben als hij plaagt en lacht als ik boos ben, en ook wat ik wel van hem verwacht. Hij wil graag vijf kusjes en die krijgt hij.

Ik kruip nog even bij de kleuter in bed. Dat ik trots ben op hem en dat hij nu de eerste avond zes is en hoe dat voelt. Dat hij liever vijf wil zijn, vertelt hij. En dan wat benepen: ik moet zo veel onthouden. Wat hij dan moet onthouden, vraag ik. ‘Dat ik niet mag roken en geen gemene papa mag worden,‘ zegt hij. Ik slik. Ik beloof hem dat ik hem er wel aan herinner indien nodig. En dat mensen een gemene papa worden als hun eigen mama en papa niet lief waren voor hen, omdat ze dan niet weten wat het is, lief zijn. Dat wij dat daarom in ons gezinnetje moeten leren met drie zodat hij en de peuter later lieve papa’s kunnen worden, maar dat ik nu al weet dat hij dat gaat worden.

Een uur en waarschijnlijk veel gepieker later, slaapt hij, met in zijn hand een lego-mannetje. Zes. Lang zal hij leven.

 

Vriendinnen

Femma is een eigentijdse en eigenzinnige vrouwenorganisatie met een duidelijke visie op mens & samenleving. Femma praat mee over wat vrouwen vandaag denken, voelen & beleven. Femma verdedigt de belangen van vrouwen met minder kansen en in het bijzonder alleenstaande vrouwen. De organisatie ijvert voor emancipatie van vrouwen en gendergelijkheid, o.a. via het informeren en sensibiliseren van vrouwen, beleidsmakers en andere actoren.

Onderstaand stukje is geschreven voor Femma en verschenen op hun website.
Meer over Femma? Neem hier een kijkje!

Vriendinnen

De eerste die ik me kan herinneren had twee staartjes en was de dochter van een vriendin van mijn moeder. Zo moeders, zo dochters. Ik timmerde eens een klasgenootje met een schepje van de zandbak op zijn hoofd in de kleuterklas omdat hij gewaagd had naast haar te gaan zitten. Dat was mijn plek.
In mijn puberteit was er die ene waar ik voor het eerst mee naar een festival ging. Ik had de kaartjes gewonnen en haar ouders kwamen ons ophalen. Bij de hoofdact (eindelijk!) moesten we ons na een kwartiertje uit de naar bier walmende menigte wringen, omdat taxi mama-en-papa klaar stond. Misschien was de hele voorpret waarin we ons vooral afvroegen wat we moesten aandoen op een echt festival, wel het leukste van alles. Dat we de dag zelf in weinig verhullende jurkjes en met teenslippers tussen de springende massa stonden, is intussen een glimlach waard.
Er waren er waarmee ik naar huis fietste, er waren er waarvoor ik een omweg reed, er waren er waarmee ik op kamp ging, er waren er waarmee ik mijn ouders analyseerde en er waren er waarmee ik mijn vriendje besprak en de eerste schuchtere stapjes op het pad van wat we dachten dat de liefde was.
Op de universiteit was er de zeer zeldzame en unieke luxe om samen te wonen met vrienden. Er werden taarten gebakken in het midden van de nacht, examens doorstaan, kaarsjes gebrand, oordopjes ingedaan als er achter het kartonnen muurtje een vriendje op bezoek was, getroost als dat vriendje van het toneel verdween en aardbeien gegeten, met slagroom.
En toen werd ik moeder, en toen waren er de moedervriendinnen. Van ‘mag ik er eens aan komen?’ over de zwangere buik, tot vereerd en plaatsvervangend trots haar kleintje koesteren of vol vertrouwen dat van mezelf in haar handen leggen, tot het sturen van smsjes naar elkaar met het aantal uren slaap van de voorbije nacht. Biep. ‘3’. Tikken: ‘3,5’. Send. Biep. ‘Wie zijn idee was dit?’. Tikken: ‘Nooit meer.’ Biep. ‘Wacht maar tot ze zestien zijn.’. Tikken: ‘Reken maar’.

Ze kwamen en gingen, in een eindeloze, bonte en kleurrijke stoet. Ze waren nooit met veel tegelijk, maar dat past bij me. Een tijd lang was ik triest als ik er weer één had zien gaan. Smsjes die op een dag stopten, en nooit meer terug op gang kwamen. Jaloezie bij jezelf bespeuren en het contact wat afhouden. De ander die het contact wat afhoudt, niet weten hoe dat komt. Of een conflict, een meningsverschil. Een fout woord gebruikt, een verjaardag vergeten. En soms gewoon niet begrijpen hoe die ander geworden is wie ze is en voorzichtig loslaten.

Op een dag merkte ik dat ze gingen, om plaats te maken voor de volgende. De volgende die beter aansloot bij het leven dat ik op dat moment had. Dat besef troost. Net als het idee dat je in elkaars eindeloze stoet mag flaneren.

Passie

Ik keek snel even op mijn routeplanner en zag dat ik dertig minuten te vroeg zou arriveren op de plek van mijn eerste afspraak. Dus ik remde, en tot grote ergernis van de bestuurder achter me liet ik de liftster instappen, vroeg haar waar ze heen wou en besloot haar even te brengen.

Het contrast tussen ons was enorm. Zij een rugzak, ik een handtas. Zij kleurrijke kleding, ik een net jurkje. Zij een dreadlock en een warrig kapsel, ik opgestoken haar. Zij liftend, ik in een leasewagentje met mijn Iphone ingeplugd. Ik zo efficiënt mogelijk naar mijn bestemming, zij blij met een lift.

Ze vertelde me dat ze yogajuf was. Ze bleek vijf jaar ouder te zijn dan mij, maar ze zag er tien jaar jonger uit. Dat kwam door de yoga, vertelde ze. Ze woonde in een chalet in het bos. Ze straalde terwijl ze over haar leven vertelde. En ik dacht: ‘O, wow, iemand die haar hart heeft gevolgd! Iemand die van het pad durft af te wijken, iemand die ergens vol voor gaat, iemand die kiest voor wat bij haar past.’

Ik reed naar Nederland. Achtereenvolgens had ik een kennismakingsgesprek met een leidinggevende over haar nieuwe functie en wat ik aan ondersteuning kon bieden; een gesprek waarin we een antwoord op een organisatieprobleem gingen bespreken en de daarbij horende omkadering; een gesprek over borging en beleid met een leidinggevende die op een gegeven moment begon te snikken omdat het haar te veel was – we spraken alles even rustig door; en een tussentijdse bespreking van een groter project waarbij de opdrachtgever vroeg of ik soms tachtig uur per week werk. Nou nee, eigenlijk. Maar blij dat ik die indruk wek :). (Of misschien kreeg ik gewoon de subtiele hint dat ik er totaal overspannen uit zie, dat kan ook.)

Ik reed naar huis, haalde de kinderen op, we aten, ik stopte ze in bed waarbij ik innig genoot van voorlezen en knuffelen. (Zij hopelijk ook.)

Daarna zette ik een kopje koffie, maakte ik een opzetje voor een presentatie die ik moet geven en blikte ik even terug op de dag.Wow,’ dacht ik, ‘ik heb mijn hart gevolgd.’

 

 

Prinses wil spijbelen

Hij ligt klein met gloeiende wangetjes in het grote bed. Het weekend was te kort & loeihard in-het-moment. Blijkbaar moet je in het leven een soort evenwicht vinden van keihard-in-het-nu-zijn en tegelijkertijd voorbereid op wat komt. Door een lunchbox en een volle tank voor de volgende dag bijvoorbeeld.

Maar met die kinderen, met die kinderen ben ik in het moment. Ik bouwde een hele zaterdag een complexe lego-constructie met de Kleuter. Ik kookte eindelijk nog eens aspergesoep. Er kwamen vrienden op de koffie, een vriendin bij het avondeten, er werd een stad bezocht, koffie gedronken, gewerkt tot 1 uur ’s nachts waarna de mentale arbeid in de slaap gewoon verder maalde. Er werd in bad gezeten met de kleine zoon zonder op de klok te kijken en ik las de krant bij het ontbijt dat bestond uit havermoutpannenkoekjes, terwijl we Klara luisterden.

En nu is het weekend op. Weekends waren vroeger het aller-ergst, en nu, nu. Nu sluip ik naar de slaapkamer en houd ik mijn wang tegen dat kleine warme wangetje en denk ik alleen maar dat ik gewoon wil doen alsof het echte leven niet bestaat en verder weekend vieren. Morgen geen 200 km van de jongens vandaan werken, maar gewoon lekker spijbelen met z’n allen. Mijn krant is nog niet uit, pannenkoeken smaken morgen ook en Klara klinkt ook goed op maandag.

Ik ga terug naar mijn bureau, pak pen en papier, bereid een vergadering voor en tel voor de komende dagen vier te halen deadlines. Ik zou graag een beetje voorop geraken, maar dat lukt me voorlopig niet, hoewel ik op dit moment heel hard kan werken.

Ook vorige week heb ik veel werk verzet. Mijn tanden er echt eens in gezet. En toch blijf ik altijd nog net onder het niveau dat ik nastreef. Dan rijd ik naar Den Haag om een rapport te gaan presenteren en vervloek ik mezelf omdat ik het rapport heb in keurige mapjes, maar mijn presentatie ervan niet in  puntjes heb uitgewerkt. En dan is het zo ver, en zit ik een uur bevlogen te vertellen wat er aan de hand is en wat mijn aanbevelingen daarbij zijn, en schrijf ik het bord vol en rijd ik met rode wangen naar Rotterdam waar ik feedback geef op een rapport en de vraag moet beantwoorden hoe men daar nu verder moet met een proces. Ik schaam me in de auto omdat ik het rapport vannacht tussen 23u15 en 00u30 heb doorgenomen en wat kanttekeningen heb gekrabbeld en niet eens echt weet wat ik ga vertellen. Maar alweer geschiedt het wonder en bij het afscheid zegt de projectleider onder indruk dat hij al die dingen zelf niet had kunnen bedenken en dat hij nu weet wat hen te doen staat. Ik grinnik, en loop naar buiten, de zon in – en later ook de file. Blijkbaar mag de lat wat lager. Maar spijbelen? Dat is een brug te ver.

Prinses zoekt een vegetarische, ambitieuze hippie

Soms denk ik dat ik er wel eens terug aan toe ben. Aan een lief, bedoel ik dan. Het ergste leed is geleden, ik ben moe – ok uitgeput – en heb mijn kop en mijn dagen behoorlijk vol. Maar ik sta er ook wel een beetje weer met mezelf en de jongens. Het is geen gesmacht meer dat er eens iemand moet komen die nu alles eens beter gaat maken, maar wel dat er iemand mag komen die van geluk zal mogen spreken als hij mee mag doen met ons.

Anyway. Iemand dus. Van datingsites krijg ik naast instant diarree ook het gevoel laat-maar-ik-blijf-wel-alleen. Een oude vrijster heeft ook wat. Even serieus. Iemand die als slagzin schrijft dat het leven als een neus is en je er uit moet halen wat er in zit. OMG. Ik krijg nog braakneigingen als ik er aan denkt. (Zou die vent ooit reacties krijgen?) Klik weg. Klaar. Happy single, ik. Niet dan?

Maar goed. Iemand dus. Optioneel, misschien, en hij moet vooral op mijn pad komen, ik ga ‘m niet zoeken. Zo wanhopig ben ik niet meer.

Aan welke voorwaarden zou hij moeten voldoen? Of mooier, wat is mijn wishlist?

  1. Grappig genoeg staat met stip op één (niet lachen) dat hij vegetariër moet zijn. Dat klinkt nu echt heel onnozel, maar ik heb een soortement afkeer gekweekt van anderen vlees zien eten/vlees in de koelkast (ugh!)/de lichaamsgeur van een man die vlees eet (het is vast inbeelding). Niets zo afstotelijk als een leuke man die in het frituur een ‘berepoot’ verorbert. Ik meen dit. Je mag daar mee lachen, ik ben bloedserieus.
  2. Hij mag een beetje hippie zijn. Niet heel conventioneel. Ecologisch bewust, wat linksig. Iemand die geen tv wil (just like me!) en graag uren gaat wandelen in de natuur en mij op sleeptouw neemt (en uiteraard ook iets lekkers in zijn rugzak stopt). Iemand die met kinderen om kan en er nog wat wil (en zich dan schikt in de rol van verpleegster gedurende 9 maanden voor zijn permanent doodzieke en immobiele lief.) Iemand die van musea houdt en koffiebarretjes en boeken en de krant op zaterdag. Als het even kan haalt hij ook croissants en brengt hij me koffie op bed. Slik, 1+2 klinken op sommige punten als Dirk. Dirk was vast een leuke man geweest als hij niet zo gestoord was. Soms droom ik ervan dat hij nog eens geneest.
  3. Hij is gedreven, heeft passie, heeft een leuke goede baan en heeft ambitie. Dat toont zich ook in zijn inkomen. Nee, ik hoef geen rijke man of een man die meer verdient dan ik (alhoewel…), maar zo iemand die een beetje aanmoddert en wat flierefluit vind ik absoluut onaantrekkelijk (wat ook niet waar is, want dat trok me bij Dirk aan als een soort tegenhanger van mezelf). Maar dus iemand met passie die er zijn boterham mee verdient. En ik moet eerlijk zeggen dat ik dan iets meer val voor passies die waardengebonden zijn, dan voor de meer commerciële. Dat hoort dan ook bij dat linksige. Ik wil graag iemand waar ik een goed leven mee kan opbouwen. En dan bedoel ik niet dat we drie keer per jaar met het vliegtuig op reis moeten, maar een keer gaan kamperen en een citytripje om de vijf jaar en ook wat geld en tijd over om anderen te kunnen helpen en engagement op te nemen. Dat lijkt me zalig.
  4. Het is geen must, maar grote donkerbruine ogen zijn een pluspunt.

Als je toevallig een single broer of vriend hebt die aan deze kenmerken voldoet, mag je hem sturen. Of een toverstafje om Dirk te genezen van alles wat met hem scheelt, dat mag ook.

Tot die tijd redden we het prima met ons drietjes.

 

 

 

Tante Rosa

De buikpijn kan ik aan, de rugpijn kan ik aan, het ijzertekort kan ik aan. Dat zijn maar even wat fysieke dingen.

Wat me echter de laatste tijd opvalt als ‘tante Rosa’ haar opwachting is gaan maken, is dat alles in mijn hoofd in tienduizend gruzelementen uit elkaar valt. Niets klopt nog, werkelijk niets. Ik snap niet wat ik op mijn werk doe, ik snap niet meer waarom ik werk, ik begrijp niets meer van heel dat construct met mijn kinderen. Heel het leven dat ik stilaan wat bij elkaar geraapt heb, valt in duigen. Ik ben niet meer in staat het nut in te zien van de dingen of het verband tussen zaken te zien.

Ik voel me dan vervreemd van mezelf en van mijn leven. Het is alsof niets meer binnen komt.

In het verkeer bijvoorbeeld ben ik wel aandachtig, let ik op wat er gebeurt en reageer ik er op, maar het is alsof alles in losse fracties van elkaar plaats vindt. Op mijn beste momenten vloeit heel de wereld samen in een prachtig geheel, dan lijken de auto’s rondom mij bijvoorbeeld in een soort choreografie met elkaar te bewegen. Nu is alles verkapt, en ik vind mijn weg niet in de wereld die ik zou moeten kennen.

Ik word er gigantisch onzeker van. Ik kom op kantoor en het lijkt alsof ik mijn collega’s nooit eerder gezien heb. Ik moet een voorstel presenteren dat ik zelf geschreven heb en ik kan me niet meer herinneren waar het over gaat. Als ik vanuit mijn nota’s een en ander reconstrueer, kan ik de opmerkingen die de anderen als feedback geven alleen maar noteren. Ik zie het verband niet meer met de materie. Mijn hoofd werkt niet meer. Ik kan niet meer denken.

Als ik zwanger ben, heb ik dat negen maanden lang. Plus oneindig veel pijn (een bekken dat uit elkaar valt is niet te onderschatten) en misselijkheid die mogelijk nog moeilijker te verdragen is dan de pijn. Ik wil zo graag nog een kindje, maar wat een offer om te brengen. En ok, even niemand om er ééntje mee te maken.

Hormonen. Ik vind het fascinerend hoe veel invloed ze kunnen hebben op je hele zijn. Ze beïnvloeden niet alleen mijn lichaam, maar rammelen ook aan mijn zelfvertrouwen en aan de betekenis en zin die ik ervaar in bestaan. Zot. Toch? En zelfs al weet je het en (h)erken je het effect, het heeft je toch elke keer liggen.

 

 

Rots in de branding

Het gebeurt zomaar, plots. De jongens mogen me helpen koken maar moeten eerst hun handen wassen. Ik sleep twee stoelen aan zodat ze dat kunnen doen, en plots hoor ik de Kleuter heel pedagogisch uitleg geven aan de Peuter over hoe hij het moet aanpakken, hoe hij de zeep moet inwrijven en afspoelen. Ik gluur vanuit mijn ooghoeken en verbaas me. Hij is plots zo groot geworden, zijn gezichtje verandert. Het is een mannetje in de dop. En hij is kalmer, rustiger, minder explosief. We maken grapjes samen, en hij kan het geduld (soms) opbrengen om voor zijn broertje te zorgen en hem iets uit te leggen.

Dat broertje speelt met afstand en nabijheid. Hij kan een kwartier lang in de tuin verdwijnen, om dan hysterisch terug te rennen als er een bij voorbij gevlogen is (seriously). En dan gaat ie weer, na de moederlijke geruststelling, dapper met zijn schep en zijn laarsjes de zandbak in. Bij het naar bed gaan veel tranen, avonden op rij. Dan wil hij gewoon op mijn schoot zitten, gewiegd worden, mij voelen. Het ene moment is hij groot, het andere is hij ini-mini-klein. Hij heeft me zo overduidelijk heel hard nodig.

Het is raar om hun veiligheid te zijn, hun rots in de branding, diegene waar je naar toe rent als je bang bent, diegene waar je tegen schreeuwt als je boos bent, diegene aan wie je ’s nachts vraagt om je warm te houden, diegene met wie je in een kamer bent zonder wat te zeggen, diegene aan wiens rok je gaat hangen.

Ik bepaal of ze pannenkoeken eten of groentensoep. Of we wat gaan doen of thuis blijven. Of ze in de zandbak mogen of niet. Hoe laat ze naar bed gaan en hoe laat we opstaan. Of de iPad aan mag of niet. Het voelt steeds minder als een niet te torsen gewicht. Het voelt natuurlijk en goed.

Eindelijk, zou ik zo zeggen.

 

 

Prinses hoopt zichzelf eens te kunnen ontslaan

Ik lees deze blog en het is zo akelig herkenbaar allemaal, met wat kleine verschillen. Ik zit gelukkig niet in een grote verbouwing, maar daar tegenover staat dat de Trage Gazelle wel een echtgenoot heeft, die naar ik lees vaak verbouwt en weg is voor het werk, maar ook naast haar op bed komt liggen bij een grote huilbui. Mijn hart kreukelde even toen ik dat las. Hoe lang is het geleden dat ik gehuild heb? Hoe lang is het geleden dat iemand me getroost heeft? Dat iemand naast me op bed kwam liggen? Maar ik lees haar en voel alleen maar empathie voor haar en vind haar moedig en sterk en te bewonderen en vraag me af waarom ik mezelf er zo vaak mentaal van langs geef.

Ik ploeter door. Ik vind dat het beter moet gaan met me, want ik krijg hulp en het is nu al twee jaar en ik moet maar eens flinker zijn/wennen/aanvaarden/… Soms heb ik een doorbraakje. Ik vind een goede therapeut, of ik verander mijn manier van werken naar een wat efficiëntere. Of ik eet meer groenten dan kitkats op weekbasis. Ik kook een keer vooruit. Ik lees de Avalon-kookboeken en ben weer getriggerd door die visie op voeding. Of ik krijg een nieuw opdrachtje als zelfstandige in bijberoep. Soms heb ik nieuwe ideeën, en dan zet ik in mijn agenda dat we naar het blotevoetenpad gaan binnen drie weken. En dat ik dan een picknick meeneem. Dan ben ik even een glundermoeder, maar intussen heb ik ook alweer geleerd het nooit op voorhand aan de jongens te vertellen want het zou zomaar eens kunnen dat ik die dag van het plan doodmoe ben en dat ik alleen maar op de bank kan liggen. Dan gaan we nergens naar toe. En dan picknicken we op de bank in onze pyjama. Met diepvriespizza, ja. Omdat ik niet meer kan, ondanks dat ik van mezelf wel moet kunnen.

Ploeteren dus. Bijna elke dag vechten om het overzicht te behouden. Om te doen wat gedaan moet worden tegen alle tegenzin in. Om me verantwoordelijk te gedragen – ik merk dat het moeilijkst is de dingen die goed voor je zijn te doen op de dagen waarop je het het hardste nodig hebt. Ga ik kapot van de pijn en uitputting, dan eet ik mezelf nog eens doodziek met speculaaspasta met een lepel. Of put ik mezelf net dat extra beetje uit door in plaats van te gaan slapen doelloos nieuwssites te blijven lezen.

Wat the fuck is er mis met me, denk ik vaak. Wat ben ik een zeikerd en een mieperd dat ik intussen niet stralend door het leven wals. Ik heb toch een leuke baan? Ik heb toch lieve vrienden? Zo veel mensen, vooral via mijn blog, hebben zo veel voor me gedaan. Er is toch veel om dankbaar om te zijn? Mijn kinderen zijn toch tof? We redden het financieel toch net? Misschien gaan we zelfs op reis naar Amsterdam dit jaar met de inkomsten van mijn ZIB-statuut. Ik heb toch de kleedjes van de kinderen eindelijk in een overzichtelijk systeem? Ik hoef toch geen partner om gelukkig te worden? Ik realiseer als single mom toch meer dan ons lukte toen er nog een vader in da house was? We hebben meer dan we toen hadden. Een blinkend autootje voor de deur. De mogelijkheid eens weg te gaan. Een beetje geld op de rekening. Relatieve orde in huis. Geen angst meer, geen stress meer. In dit huis wordt niemand meer genegeerd of aangetrokken en afgestoten. In dit huis verdwijnt niemand meer voor dagen. In dit huis ben ik nooit meer bang om naar beneden te gaan omdat ik denk dat mijn partner zich opgehangen heeft tijdens de nacht – omdat hij zo duister is, zo onbereikbaar, zo ongenaakbaar, zo ver – omdat hij overduidelijk volledig in de knoop gedraaid is en ik de knoop niet ken en niets kan ontwarren. De keren dat ik met trillende handen de deurklink opende met de telefoon in mijn hand om de politie te kunnen bellen. Die keren. Al die keren. Die keren dat ik me realiseerde dat ik het soms zelfs hoopte, omdat het dan voorbij zou zijn. Even terug. Zelfs de rechtszaak loopt beter dan ik had durven denken. Eigenlijk heb ik het vrij goed voor elkaar in de omstandigheden. We lijken bijna op een gewoon gezin. Toch?

Wat er mis met me is waardoor ik blijf ploeteren? Blijkbaar is mijn wilskracht ontoereikend. Ben ik organisatorisch niet zo sterk. Is mijn energie te beperkt. Zijn mijn plannen altijd beter dan mijn uitvoerend vermogen. Ik ben zo iemand die op dieet gaat en dan ’s avonds voor het slapen gaan drie koekjes naar binnen werkt. Iemand die elke dag yoga moet doen omdat dat helpt tegen alle pijn, maar elke avond te moe is. Iemand die strikt wil budgetteren maar dan op het eind van de maand niet meer weet waar het geld naar toe is gefladderd (name it: de supermarkt, de rekening van het water, apotheek, tandarts … Nooit leukere dingen, wees gerust). Iemand die rust, reinheid en regelmaat wil maar de chaos van dit leven met en behoorlijk flexibele baan en twee kinderen niet kan managen (serieus: hier zijn geen twee dagen hetzelfde – en dat ligt niet aan mij). Iemand die weekplannen maakt en een kwart van de daarin opgenomen taken en verantwoordelijkheden skipt wegens te moe. Iemand die besluit morgen zeker met de fiets te gaan, maar dan te laat uit bed komt om dat ook daadwerkelijk te doen. Iemand die de kinderen wel eens in bed pleurt zonder dat ze hun tanden gepoetst hebben omdat dat nu net ietsje te veel gedoe was na het vangen en omkleden van dat wervelend zot krapuul – hoe vermoeider ik in de badkamer op de toiletpot zit te kijken naar hen, hoe zotter zij worden.

Zo veel klopt niet. Ik zou genoeg moeten verdienen om rond te komen, maar dat werkt niet zo. En eigenlijk is het ook niet eens realistisch met advocatenkosten en rechtbankkosten en rekeningen die maar blijven komen. Zo veel klopt niet. Op een avond zou ik twee verslagen moeten kunnen schrijven, maar waarom lukt het dan niet? Wat moet kunnen in theorie staat zo ver af van het echte modderige leven van alledag.

In mijn hoofd ben ik iemand die het moet kunnen. Alles. Altijd naar het werk gaan, nooit ziek melden. De dingen die ik doe goed doen. Op tijd. Sterk zijn. Grappig. Relax als mama. Streng. Anders denken. Geen drama’s maken. Kalm blijven, immer. In mijn kop ben ik een moeder die de kinderen  leert om groenten te eten, hun neus te snuiten, tanden te poetsen. In mijn hoofd moet ik iemand zijn die de telefoon durft opnemen en niet volslagen flipt als die gaat en ‘m liefst zou verstoppen in de garage (kortom: niet bellen – ik kan dat echt niet aan). In mijn hoofd moet ik iemand zijn die attent is en denkt aan verjaardagen en andere gelegenheden. In mijn hoofd moet ik iemand zijn die boeken leest en daarbij notities maakt. In mijn hoofd moet ik elke dag mijn haar opsteken en mij opmaken. In mijn hoofd vertrek ik nooit te laat maar altijd op tijd zodat ik ontspannen toe kom en me niet hoef te excuseren. Maar in mijn hoof dwarrelt het allemaal door elkaar en vaak kruip ik in bed alwaar ik gelukkig vaak snel in slaap val om dat hoofd het zwijgen op te leggen. Dan droom ik van kisten vol dode vogels die me aangeleverd worden, en water dat dwars door het plafond stroomt en het plafond dat scheurt en het water dat overal is. En van mensen die kotsen waar ik bij ben en dat ik tussen de plassen kots door slalom en niet weet waar ik naar toe kan gaan.

Ik lees bij de Trage Gazelle en herken schrikbarend veel en hoop dat ik mezelf eens kan ontslaan van de verwachting dat het beter moet gaan en dat ik me hier uit moet ploeteren. Ik hoop dat ik gewoon eens kan aanvaarden dat ik aan het ploeteren ben, de ene dag goed, de andere minder. En dat dat gezien de omstandigheden, de zorgen en het verdriet (waar ik natuurlijk geen recht op heb in mijn eigen hoofd) genoeg is.

In het ‘echte leven’ veroordelen veel mensen me, mijn familie op de eerste plaats. Omdat ik er een zootje van gemaakt heb. Mensen gaan er van uit dat wat je overkomt wel een beetje je eigen schuld zal zijn. Dat je wel een zwakte hebt waardoor je het allemaal zo verdient. … Ik lees bij Trage Gazelle en ik kan alleen maar denken hoe sterk ze is, en bij uitbreiding iedereen die vecht met zichzelf of met de omstandigheden. Iedereen die ploetert en elke dag weer even de moed bij elkaar moet vegen om het te halen. Dat is krachtig, ook al lijkt het voor hokjesdenkers zwakte.

To all of you: het gaat niet bijzonder slecht of bijzonder goed, ik keer gewoon mijn hoofd een keer om.