After birth

Lees hier over de laatste zwangere week en hier over de supersnelle tweelinggeboorte.

De uren nadat beide baby’s geboren zijn, beleef ik in een soort waas. Ik kan me beelden herinneren van de Man en de doula die op de bank zitten, beiden met een kindje in hun armen. Beelden van mijn dochters aan de borst. Pijnlijke naweeën zorgen voor golven bloed. Ik ben zo overprikkeld van de pijn dat ik amper een aanraking kan verdragen. Er wordt me een epidurale aangeboden om te kunnen hechten, maar ik vraag tijd. Tijd waarin ik niet aangeraakt moet worden. De naweeën golven af en aan, er ontstaat nervositeit over de bebloede lakens. Ik krijg twee keer een injectie, maar ik zeil stoned van het bloedverlies weg. Het is niet eens een onaangenaam gevoel. Ik zweef boven het bed en heb hallucinaties. De kindjes liggen in glazen bedjes, de Man zoent me, de doula masseert mijn voeten en praat met me. Ik zie haar mond bewegen en heb geen flauw idee wat ze zegt.

Ik heb geen flauw idee meer van tijd en ruimte als ik moet proberen plassen. Dat lukt niet. Ik zit rillend en bloedend op de toiletstoel naast het bed. Ik snap dat ze een katheder nemen, maar ik had me het liever bespaard. Er wordt gehecht. Ik ben bijna verbaasd om wat je na een geboorte nog moet doormaken. Alsof de geboorte niet genoeg is. Er worden me koele druiven gevoerd, appelsap met een rietje, een kinderbueno en dan komt er eten, een vegetarische gehaktbal, spinazie en aardappelpuree en ik lig naakt in mijn eigen bloed en zucht dat het het beste is dat ik ooit gegeten heb.

Dan komt de boodschap dat we niet naar huis mogen omwille van het bloed. Ik krijg een infuus, er wordt bloed afgenomen om mijn hb te bepalen, we worden naar een kamer gebracht en daar zweef ik de hele nacht boven mijn bed, terwijl de Man zich bekommert om twee kleine huilende meisjes die onze dochters zijn. ’s Ochtends liggen we beiden in een ziekenhuisbed met een kleine baby. Ik heb geen idee welke van de twee op mijn borst ligt. Ik kijk naar de Man en de dochter. De zon komt op boven Amsterdam. En dat, dat was het begin.

 

Advertenties

De geboorte van de tweeling

Lees hier de proloog.

We komen in het ziekenhuis aan. Ook hier wil ik koppig lopen, in de hoop dat beweging de bevalling op gang brengt voor  de dokter dat zal doen. We hobbelen naar de boekenwinkel, waar ik het laatste boek van Renate Dorrestein koop en de Man ook een boek. Ik ga er vanuit dat we een lange dag tegemoet gaan.

Bij de Albert Heijn kopen we druiven en drankjes.

Dan melden we ons op de afdeling en moeten we even wachten in een wachtzaaltje. Wat erg onwezenlijk is op dat moment.

Er wordt een CTG afgenomen. De baby’s doen het goed. De doula komt toe en wacht met ons. Er is een verloskamer vrij en als blijkt dat ik nu 3 cm ontsluiting heb, krijgen we groen licht.

Op de verloskamer maken we kennis met de verloskundige. De gynaecologe komt mij toestemming vragen om me te opereren als bepaalde situaties zich voordoen. De doula masseert mijn voeten en op mijn vraag wordt er een klysma aangebracht, waarvoor de Man wandelen gestuurd wordt. De gesprekken met de verloskundige zijn best grappig. Hoe ze het allemaal mag noemen, vraagt ze. Mijn onderkantje? Of heb ik liever ‘kut’? Onderkantje will do, zeg ik, en ik bedenk dat ik niet echt opgegroeid ben met een adequaat woord voor… uh, mijn onderkantje (vagina dekt de lading niet helemaal). Ze raadt me ook aan hulp te zoeken voor mijn schaamte met betrekking tot ontlasting, wat ze afleidt uit het feit dat ik een klysma wil. Tja. Er lijkt me niets op tegen ‘opgeruimd’ te gaan persen.

De Man is terug. Mijn vliezen worden gebroken. Het vruchtwater is helder. Het is een raar gevoel, alsof je plast zonder dat je het tegen kan houden. De doula wil mijn voeten masseren zodat ik me ontspan. We vragen tijd om spontaan in arbeid te gaan. Er wordt onderhandeld over het tijdstip waarop er een infuus komt. Ik slaag er in een uur en een kwartier te onderhandelen. Ik ga onder de douche, de Man gaat nog even wat eten.

In de douche rommelt het wat. Ik ga terug de kamer in en vang op de bal een wee op. En dan gebeurt het. Op een schaal van 1 tot 10 krijg ik een eerste wee die als een zeven voelt. De tweede is een negen. De derde een vijftien. Ik schreeuw, lig op mijn zij op bed, bijt in een kussen en denk alleen maar ‘shit, ja, zo voelde het’ en ‘straks denken ze dat ik flauw ben omdat ik meteen lig te brullen’. Ik kijk op de klok en ben verbaasd dat de ene wee na de andere komt. Plots moet ik persen, ongeveer twintig minuten nadat ik uit de douche ben gestapt. De verloskundige heft mijn been op en ik snap dat ze denkt dat de baby komt. Ik schreeuw dat ik hier niet klaar voor ben, dat ik wil wennen, dat ze niet moet denken dat ik al ga bevallen, dat de Man moet komen, dat ik op de kruk wil baren. Om 13u03 bel ik de Man. (Komen, nu, hijg ik). Als hij minuten later binnen komt rennen, zit ik te persen op de kruk en is de kamer vol mensen gelopen. Hij komt achter me zitten en wil me vasthouden, maar ik maak me woest los. Ik wil niet aangeraakt worden, enkel koude washandjes, ik heb het te warm. Ik schreeuw dat het te snel gaat. Dat ik naar huis wil. De natuurkrachten doen hun werk en ik pers wanhopig tot ik een branderig gevoel heb. En dan nog meer tot ik voel dat er een lijfje uit me schuift. Het is 13u29. We hebben één dochter. Wat ben je klein, zeg ik, wat ben je klein, wat ben je klein. De Man huilt bij mijn linkeroor.

Veel vlugger dan ik wil, komt dat dringende gevoel terug. Ik pers en zeg dat ik nog niet wil, dat ik pauze wil. De Man gaat met de dochter op het bed zitten, houdt haar tegen zijn blote bovenlijf. De doula komt op zijn plaats zitten. Ik kijk schuin achter me en zie ons beboterde kindje. Het geweld van mijn lijf neemt toe. Ik houd mijn handen voor mijn mond, maak oergeluiden, besef dat ik behoorlijk ingescheurd ben, probeer de pijn tegen te houden. Maar het moet en ik pers en daar schuift weer een lijfje door me heen. 13u47. Nog een dochter. Ze ligt bewegingloos en blauw op de grond. Ze wordt afgenaveld en meegenomen. Help mijn kind, zeg ik, help mijn kind. Er komt nog een dokter binnen die naar me toe komt. Nee zeg ik, naar mijn kind. Help mijn kind. Een kwartier later brengen ze een uitgeteld kind binnen. Ze leeft, na een moeilijke start. Door de snelheid en het feit dat haar zusje eerst geboren is, is het vocht niet uit haar longen geduwd bij de geboorte, waardoor ze niet kon ademen.

… Wordt vervolgd.

 

Kroniek van een aangekondigde bevalling

Maandag. Ik heb een afspraak bij de osteopaat. Mijn bekken was al instabiel, maar is door een uitschuiver nog pijnlijker. Zelfs vervoer in de rolstoel is pijnlijk en vermoeiend. Na de afspraak met de osteopaat, komt de acupuncturist bij me langs. Hij masseert mijn bekken, en werkt op drukpunten. Als ik dit later aan de Man vertel, is hij geschrokken omdat ik actief probeer de bevalling op gang te brengen. Het is moeilijk om te schakelen. Al vanaf we wisten dat er een tweeling op komst is, hangt de dreigende wolk ‘vroeggeboorte’ boven ons. 28 weken halen. Dan liefst 32. Dan 34. Ik zat met mijn billen dicht genepen, bedacht op alles wat op een wee leek. En toen waren we plots de 36 weken voorbij en was er nog niets aan de hand. Een soort anti-climax maakte zich van ons meester. Alsof het een grap was allemaal. Bovendien geldt voor een tweelingzwangerschap dat er een optimaal punt is dat rond de 37 weken ligt, waarna de risico’s toenemen. Dus ik wil nu gewoon graag bevallen. De Man ziet dit echter als een teken van wanhoop en stelt dat het voor hem nog een week mag duren. Ik zink nog verder weg in mezelf.

Dinsdag. Ik lig bijna de hele dag in bed. Ik kan het niet opbrengen te lezen of tv te kijken. ’s Avonds gaat de Man hardlopen. Als hij thuis komt, zit ik aan de keukentafel. Mijn schouders hangen, ik ben zo moe en zo futloos. Hij vraagt of ik samen nog wat wil kijken, maar zelfs daar heb ik geen zin in. Ik sleep me naar bed.
In bed krijg ik rond 23u een eerste wee. En dan nog één. En nog één. Het wordt niet intenser, maar het blijft wel duren. Ik knip lichtjes aan, pak ‘Veilig bevallen’ erbij, en lees tussen de contracties door. Om half 2 maak ik de Man wakker. We zijn meteen in staat van alertheid, pakken spullen, bereiden een vertrek voor. Ik ben opgetogen. Maar de opwinding doet zijn werk en de weeën nemen af. Om vier uur liggen we beiden weer in ons eigen bed. Ik dut wat, en heb af en toe een vrij krachteloze contractie.

Woensdag. We gaan naar het ziekenhuis voor een geplande controle. Er wordt een echo gedaan om te kijken of de baby’s nog vruchtwater hebben en of de placenta goed werkt en de navelstrengetjes ook. Daarna word ik bij de dokter verwacht. Er wordt verbazing uitgesproken over het feit dat ik nog zwanger ben. Mijn baarmoederhals is verweekt en ik heb twee centimeter ontsluiting. De dokter begint over inleiden, en dat dat een heel valabele keuze zou zijn nu, aangezien mijn fysieke toestand bijna niet houdbaar is. We vragen hoe dat dan gaat, en krijgen toelichting over ballonnetjes en infusen. Ik schud nee. Ik wil het graag zo natuurlijk mogelijk. Op de gang komen we mijn eigen gynaecoloog tegen. Dat ze ons wil helpen, zegt ze, als het genoeg is. Ik geloof dat we er later op de dag nog even op uitgaan. We halen bloemen. Een klein boeketje voor in het vaasje naast mijn bed. ’s Avonds eten we met de buren. Na een uur is het voldoende en rolt de Man mij naar huis.

Donderdag.  Ik ga met de buurman zwemmen. In het water voel ik het gewicht van mijn buik niet en kan ik ontspannen. Weer thuis komt de crisisdienst. Daarna wil de Man met me praten. Dat hij niet meer durft gaan werken, om hoe ik fysiek en mentaal ben. Dat hij nu ook heeft begrepen dat elke-dag-telt ongeveer wel op is voor de baby’s. Of we morgen kunnen laten inleiden. Wat een verleiding. Ik ben in een tweestrijd. Ik wou alles zo natuurlijk mogelijk en een ingeleide bevalling kan veel zwaarder zijn dan een gewone, omdat de weeën geen of minder opbouw kennen. En tegelijk voel ik dat het fysiek en mentaal op is voor mij, maar dat de zorg en onzekerheid de Man ook vast zet in de situatie. Ik overleg met een paar mensen. Ik neem een besluit, maar wil graag dat ze eerst de vliezen breken en nog niet meteen met een infuus starten, zodat het nog steeds zo natuurlijk mogelijk kan. We bellen het ziekenhuis en krijgen groen licht. We mogen ons de volgende dag op de afdeling melden, en als er plek is, willen ze de vliezen breken. De acupuncturist komt weer langs, deze keer met naalden. Ik spendeer de middag met een busje scharlei-olie en kopjes met frambozenbladthee en vlierbessensiroop, om de laxerende werking. Geen effect. We kopen nog schoentjes voor de kleine zoon en vanaf vier uur zijn we met twee. We gaan uit eten, in een zwaar tegenvallend restaurantje. De Man rolt me nadien naar McCafe voor een stukje citroencake. We kijken een aflevering van de bake-off en gaan met een lichte opwinding slapen. Het is zo onwezenlijk. Ik hoop dat ik nog spontaan in arbeid ga. Ergens in de nacht word ik boos en chagrijnig om wat ik ga moeten doorstaan (ik ga er vanuit dat inleiden een moeizame exercitie wordt). Ik lees ‘Bevallen en opstaan’ nog een keer en dan vooral dat verhaal van Jesse Wonderhartje waar ik telkens om moet huilen. Om een uur of half zes komt de Man bij me liggen. In stilte wachten we de dag af.

En dan volgt er een rare ochtend. Hij in bad, ik in de douche. Een licht ontbijt. Naar de auto lopen – ik wil koppig lopen in de hoop de boel in gang te steken. Nog even tanken onderweg, en me verbazen over de Man die net dan ook de ruiten van de auto wil poetsen. De rit naar het ziekenhuis. De zon die doorbreekt.

 

 

Ze zijn er

2,7 kg & 2,4. Op vijf kwartier van de eerste wee tot de tweede baby. Ik dacht dat ik dood ging en ben de hele nacht stoned geweest van het bloedverlies. Maar heb het wel op eigen kracht gedaan en de Man is niet eens flauw gevallen. Nu thuis. Gauw meer, met foto.