De fuik

Binnen 27 dagen heb ik een afspraak met de baby’s. Ze kunnen ook later komen, maar ik heb ze uitgenodigd op de dag dat de maan vol is. Ze zijn immers ook ontstaan toen de maan vol was, en ik hou van cirkels die rond zijn.

De voorbije week was er geen om over te schrijven, dus ik twijfel of ik het doe of niet. Maar a. het gaat hier over het leven zoals het is, remember? en b. schrijven helpt het ook bij elkaar te puzzelen in mijn eigen hoofd.

Op vrijdag werd ik verwacht bij de poppoli. Het werd een lange zit waarbij de pijn heel snel het gesprek behoorlijk vertroebelde. Toen ik na allerlei vragenlijsten en onderzoekjes bij de psychiater kwam, was de diagnose ‘prenatale depressie’ een feit. Voor alle duidelijkheid: onder invloed van hormonen, pijn en slaaptekort is er iets mis gegaan in mijn hersenen. Het heeft niets te maken met niet blij zijn met de baby’s of ondankbaarheid. [Als ik hier iets van geleerd heb, is het dat het niet helpt om tegen iemand met een depressie te zeggen dat hij/zij maar eens wat leuks moet gaan doen, blij moet zijn met wat hij/zij heeft of dankbaarder in het leven te staan. Dat zijn nu net de dingen die niet lukken, omdat je hoofd gewoon even niet meer meedoet.]

Anyway. Het verbaasde me niets. ‘Die sluier die overal overheen ligt,’ zei de dokter, ‘dat is depressie’. Ja, denk ik. De sluier die over de dagen ligt, waar ik amper doorheen kom omdat ik pijn heb, moe ben, weinig energie heb, me beperkt voel, de slaapkamer mijn actieradius is geworden. En de sluier over de nachten. Jeetje, de nachten. Elke nacht strompel ik een keer naar de bank of het logeerbed om de Man niet wakker te maken. Meestal tussen 1 en 2. Uitzonderlijk een keer om 4 uur. Ik ben dan klaarwakker. Tegen de ochtend komt de slaap weer, maar dan begint de dag. [De voorbije nacht keek ik naar de mooie docu Verlaten op de NPO-app. Ik kijk ook vaak naar Jeroen Meus. Trage tv, mooi, dicht bij het leven.] [ Soms is het alsof mensen van de tv mijn vrienden zijn ofzo. Klinkt ziekelijk, maar als je heel de dag alleen bent en je kijkt naar een serie, heb je om den duur het gevoel dat die personages werkelijker zijn dan die hele wereld buiten de slaapkamer ofzo.]

Het weekend was extreem warm. Mijn voeten en handen zwollen nog meer op, ik voelde me zwaar beroerd. De slaap werd nog minder. Dus op maandag had ik een huilbui om u tegen te zeggen, belde ik het ziekenhuis en vertelde ik dat ik ongerust was (wijzen dat ellendige gevoel en die dikke enkels en handen niet op zwangerschapsvergiftiging?) en reed ik naar daar voor controle. Monitor, allerlei checks. Bloeddruk was laag in plaats van hoog. Baarmoeder was iets te actief, en baarmoederhals iets te ver verstreken.

Anyway. Ik sleepte me naar huis, kroop in bed. De Man kwam terug uit het werk. De telefoon ging. De psychiater van het ziekenhuis vroeg of ze mijn Man mocht spreken. Ik gaf verdwaasd de telefoon door. Het verzoek werd gedaan om me op spoed binnen te brengen. De combinatie van de diagnose op vrijdag en ellende op maandag had wat alarmbelletjes doen rinkelen.

Babysit gezocht, naar het ziekenhuis gereden. En toen werd de fuik opgezet. Ik was somber, toch? (ja) Wanneer had ik nog eens een nacht geslapen? (geen idee) Ik had wel eens wanhoopsgedachten gehad, toch? (ja, in maart – het hielp om te stoppen met werken) Het was fysiek zwaar, toch? (ja, maar 32 weken en twee baby’s zijn daar een prima excuus voor) Wist ik dat prenatale depressie een verraderlijk ziektebeeld is? Door de combinatie van hormonen en slaaptekort zou ik mezelf zomaar iets kunnen aandoen. (tegen die tijd snikte ik al)

Even later werd ik in een rolstoel naar een psychiatrische afdeling gereden. Als ik niet minder uitgeput zou geraken, zou het een drama zijn voor bevallen en kraamtijd. Ik werd in een kamertje gestopt. Er werd op me ingepraat over het nemen van slaapmedicatie. Ik weigerde, dat vonden ze dom. Twee dagen later vond ik op een website van de Nederlandse overheid dat de medicatie die ze me wilden geven absoluut uit den boze is in het derde trimester van een zwangerschap.

Het werd nacht. Ik hoorde andere patiënten huilen in andere kamertjes. Het werd weer dag. Ik werd gewekt, onderzocht en ging ontbijten. Ik zat aan tafel met huilende anorexia-patiënten met buisjes in hun neus, twee verpleegsters aan elke kant om hen te overtuigen een schepje corn flakes te eten.

Weer in bed probeerde ik mijn gedachten op een rijtje te zetten. Het was me duidelijk dat ik hier niet hoorde. Mijn Man was jarig. De omgeving nodigde niet echt uit tot tot rust komen of me beter voelen. Er was wel een heel lieve verpleegster die thee bracht en mijn kussensloopjes ververste omdat het zo warm was.

Na een paar uur zat ik voor een peloton van zes dokters. Dat ik naar huis ging. Dat daar zijn me niet hielp. Er werd gesproken over verraderlijke ziektebeelden en mezelf iets aandoen. Ik kreeg het gevoel dat alles wat ik zei of deed verdraaid kon worden. Als ik bijvoorbeeld vertelde dat ik geen plannen had mezelf iets aan te doen en wel gedachten heb over hoe het gaat zijn als de baby’s er zijn, werd er priemend naar me gekeken alsof ik in ontkenning was.

Anyway. De Man kwam. De dokters hadden een plan. Voor medicatie en hulp thuis. We gingen naar huis. Ik was even verdwaasd als geschrokken.

De volgende dag moesten we naar de psychiater van de crisisdienst. Tegen die tijd was ik kwaad, om drie dingen:

  1. Wie bedenkt het dat een zwangere vrouw (of wie-dan-ook!?) beter wordt in zo een omgeving?
  2. Wie bedenkt het om een slaappil op te dringen (niet genomen) die gevaarlijk is tijdens de zwangerschap?
  3. En wie bedenkt het om medicatie voor te schrijven waar baby’s postnataal afkickverschijnselen van krijgen?

De psychiater van de crisisdienst zei dat hij zich ook niet lekker zou voelen, als hij het huis amper uit kon, elke dag pijn zou hebben en niet zou kunnen slapen. Hij vond het allemaal niet zo vreemd, zei hij.

En nu. Nu komt er om de zoveel dagen iemand langs om te kijken hoe het gaat. We proberen hulp aan te vragen in het huishouden, zodat mijn frustratie van niets-meer-kunnen en heel-de-dag-alleen wat getemperd wordt. Ik probeer onder die sluier uit te komen, zonder pillen. En ik tel de dagen af, tot de geboorte. Uitkijkend naar de baby’s. En naar het achter mij laten van deze tijd waarin ik zo veel kwijt ben geraakt (werk, bijberoep, fysieke en mentale vermogens, zelfvertrouwen, …) en in verwachting ben van zo veel nieuws.

 

Advertenties

30 weken

Intussen ben ik maar liefst 30 weken zwanger van twee baby’s.

Een update in vijf punten.

  1. Fysiek gaat het er niet echt op vooruit. Bekkenpijn, maagzuur, tintelende en verdoofde armen en handen, dikke voeten, een kanjer van een buik, slapeloosheid, eindeloos moe… You name it, ik heb het. (Haha – en dan heb ik nog wat gênante kwalen verzwegen.) De relatie tussen mij en de Man krijgt nieuwe dimensies, als hij mij onhandig helpt met de steunkousen of als hij me in een rolstoel door de IKEA rijdt. Wacht maar, denk ik dan. Hij is vijftien jaar ouder dan ik, dus mijn tijd komt nog wel. (Hoewel hij op zijn gemak nog 20 kilometer gaat lopen, zo tussen soep en patatten in. Maar ik heb geduld.)
  2. Mentaal gaat het er ook niet echt op vooruit. Een dieptepunt? Toen ik huilend in het reuzenrad zat op de kermis. (Don’t ask, ik kan het niet uitleggen. Maar ze hebben het reuzenrad voor mij moeten stil leggen omdat ik er uit wou en daar kan ik nu wel mee lachen – de Man en de kinderen nog niet.) Gisteren nog een dieptepunt. In tranen uitgebarsten omdat ik naar de yoga moest. Keek er al heel de dag tegenop want a. ik zit er voor spek en bonen bij omdat ik letterlijk niets meer kan en b. in het begin doen we altijd een rondje met hoe het gaat, en dan noemt iedereen één kwaaltje en ik heb gewoon alles wat iedereen heeft en dan nog buitenproportioneel en tegelijkertijd. Ik heb geen zin om altijd de zwangerste én de ellendigste te zijn. Dus ik bleef thuis en heb de rest van de avond gehuild. Ik weet dat het flauw is en ook best stom. Ik weet dat het allemaal tijdelijk is en ik weet ook dat er mensen zijn die geen kindjes hebben of hun kindjes verloren zijn, die met gemak willen ruilen. Maar zeven maanden in team nosleep doet wat met je hersenen en de regulering van je emoties. Echt.
  3. Financieel. We hebben mijn JAAR-loon ongeveer uitgegeven aan deze zwangerschap. Dat heeft vooral te maken met de zevenzitter (met massagestoelen, ok, dat had minder gekund – blame it on the Man). Maar jeetje, alles in tweevoud telt behoorlijk op. Bedjes, tweelingwieg, tweelingbuggy, stoeltjes, maxi cosi’s, isofix-systemen, … Ik doe mijn best om dingen tweedehands te zoeken en kopen, maar zelfs een vijf jaar oude bugaboo die lang gebruikt is, kost nog 1000 euro. Anyway. Ik mag niet klagen want we hebben niet echt iets te kort, maar mijn rekening is geslonken (laten we zeggen dat ik wat geld opzij had staan en dat daar een vierde van over is – gelukkig moest ik de auto niet betalen). Ik heb ook een soort weerzin gekregen tegen babywinkels en dingen kopen. Er is alsof iedereen in de sector getraind is in bangmakerij-van-de-toekomstige-moeder, want als je niet het duurste koopt van alles, gaat je kind zeker stikken/omkomen in een auto-ongeval/ongelukkig zijn/elke dag huilen/… Het hoogtepunt vond ik de trut (sorry!) van Babypark die het onverantwoord vond om de Bugaboo te kopen voor de baby’s, want die gaat daar uit het assortiment. Ik zei dat het mij een gerust gevoel gaf als de baby’s naast elkaar liggen zodat ik ze allebei kan zien en ik er niet één onderin achteraan moet leggen. Ik zei ook dat tweelingen wat meer risico hebben op wiegendood en dat ik daarom nogal graag dus beide kindjes in het zicht houd bij de lange wandelingen die ik binnenkort uiteraard ga maken (kuch). Begon ze hoog en laag te beweren dat het onzin was en dat tweelingen geen verhoogd risico hebben (goed dat ze meer weet dan mijn gyn) en dat een kind zeker stikt in een bugaboo omwille van de gebrekkige circulatie. Bovendien zou ik JARENLANG niet meer in een Kruidvat binnen kunnen. (Daar ben ik overigens als JARENLANG niet binnen geweest, dus ja.) ZUCHT. We hebben een bugaboo gekocht. Via markplaats. Zalzeleren. Hoorde trouwens van een andere tweelingmoeder dat de buggy waarbij ze achter elkaar zitten een grote draaicirkel heeft waardoor je in het Kruidvat alsnog alles van de rekken rijdt. Dus. Alleen jammer dat de bugaboo de volledige gang van onze stadswoning blokkeert. Ik verzin er nog wel iets op, als mijn hersenen weer werken.
  4. Bevallen. Noeste voorbereidingen met de bevalcoach. Ik weet dat het belangrijk is dat het goed zal gaan, dat er goed met mij gecommuniceerd wordt en dat er geen dingen gebeuren zonder mijn toestemming. De angst slinkt wel met de minuut. Ik zal blij zijn als het eindelijk zo ver is, denk ik nu, en ik deze periode met enige mentale en fysieke uitdagingen achter me kan laten. Ik ga er een beetje vanuit dat ik nog zes tot zeven weken zwanger zal zijn, omdat op dit moment niets wijst op een vroeggeboorte. Ik weet dat ik erg lucky ben, en ik denk vaak aan de andere tweelingmama’s die ik ken, die met dertig weken hun dagen al in een ziekenhuisbed sleten.
  5. To do. De babykamer inrichten. (Uiteraard komen ze gewoon op onze kamer te liggen, maar we richten een kamer in met bedjes, een logeerbed voor de Man als ze het te bont maken ’s nachts – of als wij wakker liggen van zijn gesnurk – en alle babyspullen). Bagage nemen voor iedereen. Maxi cosi’s en isofixen kopen. Adressenlijsten maken EN geboortekaartjes. En volhouden.

 

Plukbare dagen

Het is maandagochtend en ik begin aan mijn eerste week thuis.

Mijn hoofd is opengeklapt. Ik heb plots ruimte voor dingen.
Ik herken mezelf weer, ik heb weer ideeën.

En ik moet lachen om mezelf. Hoe heb ik ooit gedacht dat ik een drukke baan buitenshuis kon combineren met een goed draaiend huishouden?
(aan iedereen in die waan: VERGEET HET)

Klara staat aan, ik maak het weekmenu.
Ik heb al heel lang geen weekmenu meer gemaakt.
We eten deze week uit ‘Vegetarisch genieten’, nog steeds een topboek door de vele suggesties die je bij de gerechten krijgt en die op zich ook al gerechten zijn.

Dadelijk een dokterafspraak. In mijn hoofd ontwikkelt zich een basic weekstructuur. Ik ben er zo van uitgegaan dat er iets mis is met mij omdat ik niet kon volgen, maar nu ben ik thuis en is mijn hoofd erg overzichtelijk. Ik vind bijna dat ik weer moet gaan werken omdat ik me beter voel, maar ik realiseer me dat ik me beter mag voelen en dat dat ook beter is voor de baby’s.

Ik lees het Parool. Roos Schlikker schrijft: ‘Nooit echter in Amsterdam. Daar heb ik geen adem om te vertragen, druk doende om carrière te maken, kinderen op te voeden, aan zingeving te doen en o ja, ook nog de dag te plukken. Maar veel dagen razen ongeplukt voorbij. En niet alleen bij mij.

Ook hier zijn er te veel ongeplukte dagen. Wanneer fietste ik eens naar zee? Wanneer las ik eens een boek in een parkje? Wanneer bakte ik eens cakejes met mijn mannekes?

Stiekem hoop ik dat ik mijn bijberoep kan doorontwikkelen, en daar een leven op kan bouwen waarin de dagen wat meer plukbaar zijn. Waarin werk te managen is en een goede plek krijgt in dit leven. Waarin de ratrace niet meer bestaat. Waarin ik zelf de structuur bepaal.

Zou het kunnen?

[Voor de nuance. Het is makkelijk deze keuze te maken als je financieel beschermd bent door een uitkering en een Man. Ik weet hoeveel geluk ik heb.]

 

 

Intussen

Het is ochtend. Ik wandel door de stad. Haal een koffie. Slenter naar huis. We zijn anderhalve dag kind-vrij. De eerste avond verzink ik altijd in een soort van incompleet gevoel. Wat is dit onnatuurlijk. Maar intussen is de Man gaan lopen (hij komt wel terug), en ik gaan slenteren, en heb ik mijn eigen zolderkamertje ingericht en trek ik me daar terug met cappuccino en werk en boeken en ontdek ik dat het fijn vertoeven is in mijn eigen hoofd als ik gerust gelaten word.

Ik vind het moeilijk mezelf te voelen en de Man vindt het soms moeilijk anderen te voelen, denk ik. We hadden bezoek en het is vakantie. Feest. Maar ik geraak dan langzaamaan verwijderd van mezelf, omdat er geen alleen-tijd is. Ik kan dan niet meer voelen wat ik graag eet en wat ik wel of niet wil. Er komt geen letter meer uit mijn vingers. Het is moeilijk bij mezelf te blijven als ik veel bij anderen ben, en bij de Man lijk ik waar te nemen dat het omgekeerd is. Lijkt me best handig zo.

Het is een jaar geleden dat ik met de kinderen alleen in Amsterdam was (en deze! en deze). Laatst was ik met de bijna vierjarige zoon wat dingen gaan regelen in Amsterdam. Hij was buitengewoon bewerkelijk, ik denk dat hij een ontwikkelingssprong maakte. Hij oefende met afstand en nabijheid, dus laveerde tussen baby-staat en grote man, maar in en tempo dat ik niet kon volgen. En hij at de oren van mijn kop en wou niet wandelen. ’s Avonds snauwde ik tegen de Man omdat ik op was, en de Man snauwde terug dat je je humeur wat moet kunnen temperen als je samenwoont met anderen. Ik trok me terug met een boekje, verbaasde me over het feit dat ik vorig jaar een week alleen met twee kinderen in Amsterdam heb overleefd. Daarna zocht ik de Man op en we praatten en het was weer goed. Zo gaat dat.

Intussen blijft het een beetje sluimeren allemaal. Ik voel me fysiek beter, bouw weer wat energie op. Maar ik ben nog lang niet operationeel, ik vermijd veel dingen, vind normale dingen nog best zwaar en heb een hoofd vol ideeën waar ik niets mee doe, behalve er over twijfelen. Toen ik alleen moederde had ik niet de luxe te twijfelen over mijn werk en nu twijfel ik alleen maar over de verhouding tussen mijn vaste baan en de andere activiteiten. Wat wil ik worden, is de vraag. Terwijl ik al iets was, en er goed in was. Ik loop nog steeds en eindelijk voel ik mijn conditie beteren. Maar ik moet nog vaak opnieuw beginnen met mezelf omdat er roet in het eten zat en de dagen voorbij gingen zonder tijd of zin om mijn sportschoenen aan te trekken.

Ik ben kleiner dan ik dacht maar de wereld is groter. De Man en ik bezoeken musea. Ik laat me raken door portretten van pas bevallen vrouwen en aandoenlijke pubers. Ik wandel door een geschiedenis die niet de mijne is. En door geschiedenis die wel als de mijne voelt. Ik lees weer boeken. Ik koop zelfs weer boeken. Gewoon, in de winkel na lang lekker struinen.

En nog ongeveer elke dag denk ik dankbaar dat ik thuis gekomen ben. Hier bij hem, en hier in deze stad waar ik een mevrouwtje ben die stempelkaartjes van koffiezaakjes alfabetisch in haar tas heeft zitten en een zolderkamertje vol boeken heeft. De rest komt wel.

 

 

Fucking klein leven

Het is minstens de tweede keer dat ze dit voorheeft. Volledige blokkade, groot conflict. Totaal over de rooie. Crisis total. Iedereen zag het van ver aankomen, zij niet.

Ik probeer er voor haar te zijn, want zoals dat dan gaat, is alles ingestort. Ik zie dat ze alleen is tussen het puin.

Iemand die recht op een muur afrijdt om er tegen te pletter te rijden, kan andere mensen heel heel boos maken. Op het moment dat je op de muur afgaat, ben je meestal al in een soort tunnelvisie en niet echt te genieten. Je kwetst andere mensen, laat hen in de steek, neemt afstand.

Been there, done that. Maar dan anders. Ik denk dat ik op het moment dat ik overkop en uit de bocht ging, wel een spoortje van wat fouten heb achtergelaten. Vooral omdat ik mezelf niet realiseerde dat het me allemaal niet meer lukte. Onzorgvuldigheden. Verwaarlozingen. Maar wat zij gedaan heeft was nogal een frontale aanval op collega’s, en keert zich nu tegen haar.

En terecht. Als een collega van me zich zo zou gedragen tegen me zou ik er aan kapot gaan van onzekerheid. Als een collega van me me zou verbeteren en dingen overnemen, mijn werk opnieuw doen, zou ik afhaken, verward geraken, boos worden. En dat hebben haar collega’s gedaan. Collectief. En als je boos bent, is het moeilijk om te zien hoe hulpeloos iemand met goede bedoelingen zichzelf en een situatie totaal kan doen ontsporen. Hoe zij even erg gevangen zat dan ze hen gevangen heeft genomen.

Ze heeft niet door hoe erg het is gesteld met zichzelf. Ze is geobsedeerd door de situatie. Ze kan geen afstand nemen en geen perspectief ontwikkelen. Ze slaapt niet en ze eet niet. Ze huilt. De ene dag is het allemaal hun schuld want ze denken te traag en ze zijn zo dom dat ze wel moest ingrijpen, de andere dag is het de schuld van de baas die niet gereageerd heeft. Haar eigen schuld is het nog niet.

En schuld, tja, schuld. Who cares about schuld?

Mijn ervaren oog ziet dat dit een lange weg kan worden. De verloren kilo’s erbij eten. Uitrusten. Anders leren denken. Anders leren omgaan met anderen. Anders leren werken. Perfectionisme leren hanteren. Perfectionisme niet op anderen projecteren. Leven, niet alleen werken. Verbinden.

Ze wankelt. Tussen een andere baan gaan zoeken of vallen, en herstellen. Waarbij niets gespaard zal blijven. Ze zal moeten graven in haar verleden, ze zal overtuigingen in vraag moeten stellen, ze zal moeten kijken naar zichzelf, ze zal de triggers moeten leren kennen, ze zal moeten leren rusten. Het vallen is wat je niemand toewenst, maar ik weet ook dat een ander baan zoeken een garantie is op meer van dit. Binnen een jaar, twee jaar, drie jaar.

Ik ben de lange weg aan het gaan. Laatst moest ik mijn tussentijdse evaluatie invullen. Allemaal kolommetjes waar ik prestaties in moest proppen. Er zijn niet zo veel prestaties meer van het laatste half jaar, terwijl ik in mijn vorige evaluatie de tweede beste was van allemaal. Dus schreef ik een brief aan de baas. Waar ik een half jaar geleden stond. Over de frustratie van die kolommetjes vol prestaties willen proppen, maar voelen dat het niet kan. Dat een dag nog steeds zwaar is, dat ik zo veel vergeet, dat het overzicht vaak ver zoek is, dat de ene dag beter gaat dan de andere, dat ik mijn auto vaak aan de kant moet zetten omdat ik mijn benen niet vertrouw. Over de schaamte en de schuld omdat het niet gaat zoals ik zou willen en zoals het zou moeten. Maar ook over de hoop en het geloof. Dat ik keuzes maak en dingen ontwikkel waardoor ik die kolommetjes weer ga vullen. Niet zo uitbundig als ooit, maar wel op een manier die duurzaam is. Dat schrijf ik. Ik stuur mijn kolommetjes en de brief per mail en heb dezelfde avond al spijt omdat het kwetsbaar is en ik me een zeur voel die altijd wel een reden heeft om te zeuren. Een mankepootje dat meehinkt met de grote jongens.

De man en ik werken thuis en we praten even bij een kop koffie en ik vertel het hem. Dat er veel veranderd is en dat dat goed is. Maar dat het niet leuk is om minder te kunnen dan vroeger, om minder te zijn, om minder te verdienen. Jippie jee, wat een levenskwaliteit heb ik gewonnen door ontdekt te hebben hoe leuk het is om een gezin te hebben, meer te leven dan te werken en beter voor mezelf te zorgen (lees: elke avond om 22u naar bed). Maar tegelijkertijd: wat heb ik er aan op de lange termijn? Weinig flitsende perspectieven. En ik, ik heb nog steeds een zwak voor flitsende perspectieven. Toegeven dat dit het misschien wel is, elke dag ploeteren, je best doen, balanceren, buigen voor de grenzen waar je vroeger zingend overheen ging. Weinig glorieus. Het is een fucking klein leven geworden. Misschien wordt het nooit meer dan dit. Nooit die goed draaiende eigen praktijk. Nooit die drie boeken op mijn naam. Nooit dat doctoraat afgewerkt. Nooit het derde kind. Alleen maar dit fucking kleine leven.

Een fucking klein leven waar de vriendin in puin haar neus voor ophaalde. Maar wat ik haar met zo veel liefde ook toewens. En allez vooruit. Mezelf ook.

 

Een dag in het leven van prinses & co: februari 2017

Ik pik de draad weer op met een dag uit ons leven. Het is een ketting (af en toe onderbroken) van banale dagen. Maar door maandelijks een ‘banale’ dag bij te houden, zie je mooi hoe alles altijd in beweging is. Dit is een dag uit februari. Mijn blog en mijn leven lopen niet meer simultaan, en dat is prima zo.

07u30
Kindervoetjes op zolder. Ik lig naast M. Ochtenden, het is niets voor mij. De jongens willen dat we komen kijken naar het spoor dat ze gebouwd hebben. We bewonderen het uitgebreid. Onderweg naar beneden duik ik stiekem weer in bed terwijl M. cappuccino gaat maken. Zo horen de taken verdeeld te zijn.

11u00
Ik heb brood gehaald. Ik vind het moeilijk om me voor te stellen dat ik hier ga wonen, maar elke keer als ik de ochtend trotseer in deze stad, en vanuit het steegje van M. naar de bakker loop als een local, zonder bh en ongewassen, kriebelt het. Het lijkt vaak zelfs moeilijk te geloven dat mijn leven hier zou kunnen verder gaan, omdat het een context was waar ik zelf nooit van gedroomd zou hebben omdat het onbereikbaar was: een mooi huis midden in een mooie stad. Een leuke buurt. Alles op wandelafstand. Een geweldige gedeelde tuin achter het huis. Ik had het zelf niet mooier kunnen verzinnen en ik vind het soms nog steeds moeilijk te geloven dat het binnen bereik is.
We hebben samen ontbeten. De jongens hebben gespeeld en tv gekeken, ik heb soep gemaakt, we hebben gedoucht en nu gaan we op pad.

12u30
We hebben wat gewinkeld en zitten in een kindercafeetje waar de jongens leuk kunnen spelen. We lunchen tussen andere ouders en ander grut. Waarom het concept kindercafé in België nog onontgonnen lijkt is me volstrekt onduidelijk. Er is gewoon niets dat je je liever kan wensen als ouder dan lekker te kunnen praten met je lief, de krant te lezen of een boek, fijn koffie te drinken, terwijl de kinderen met zijn allen in het centrum van het café spelen met al het leuks dat er voor handen is. Je ziet ze enkel terug als ze een sipje van hun drankje komen nemen. Wat een luxe.

15u00
Ik loop chagrijnig van de H&M naar het huis van M. Ik heb kleding gekocht om te sporten en ik heb een soort diepgewortelde afkeer ten opzichte van sporten. Maar ik ben het ook eens met M. dat mijn conditie helemaal niet goed is. Ik heb elke dag pijn en ben niet bepaald in topvorm voor een vrouw van 32. Dus ja, daar moet ik wat aan doen. Maar nee, daar heb ik geen zin in. En ik hou ook al niet van de H&M, ik ben er jaren niet geweest en heb veel bedenkingen bij de herkomst en prijzen van de kleding. Ik heb een soort ideaalbeeld van mezelf, en in dat beeld ben ik inderdaad wat slanker en sportief en fit en energiek, maar het is best moeilijk om daar ook daadwerkelijk naar toe te werken.

15u30
Zwemmen met de jongens. Het is iets dat M. en ik vaak doen. De jongens vinden het geweldig en M. ook. Ik hou er minder van. Koud en nat. Maar ik zie ook in dat het een goede activiteit is voor mijn twee energiebommetjes. M. heeft me veel geleerd over mijn ouderschap. Zoals jullie hier hebben kunnen lezen, is er lang een situatie van schaarste geweest die gepaard gaat met het alleenstaand ouderschap. Schaarste van geld is één ding en misschien nog wel het meest relatief, maar ook tijd en energie  waren schaars. Het besef viel koud op mijn dak toen ik een tijdje terug van een opdracht naar M. reed en hem vanuit de auto belde dat ik een voorstel met offerte de deur uit moest doen en dat ik dus niet zou koken zoals ik eerder had aangekondigd. Ik werkte, daarna gingen we uit eten. En ik besefte dat dat voorstel dat belangrijk was en voor stress zorgde vroeger iets zou geweest zijn dat ik dan moest doen na het ophalen van de kinderen, koken, eten, bedrituelen. Meestal moest ik mezelf dan doodmoe nog proberen vooruit te branden, wat altijd een neiging tot uitstellen gaf en waarmee ik in de problemen ben geraakt.
Schaarste dus. Door die schaarste in tijd en energie zag mijn ouderschap er vaak zo uit: ik liet de kinderen een activiteit doen (bv een film kijken) zodat ik zelf wat anders kon gaan doen. Of: ik verwachtte van de kinderen dat ze leuk speelden terwijl ik uitgeput op de bank de krant las. Beide scenario’s zijn niet erg verbindend. Met M. is de tijd en energie drastisch toegenomen (hoewel we beiden ook niet zo’n sprankelende en energieke mensen zijn), en doen we ook echt activiteiten met de kinderen. Samen. Niet: jij neemt ze mee zodat ik kan werken en daarna doe ik wat zodat jij tijd voor jezelf hebt. Maar: echt met zijn viertjes. Dat is zo verbindend en gezellig en ik sta er nog steeds verbaasd van dat M. dat ook echt wil en er zelf van geniet.

18u00
Ik draag een vermoeid klein jongetje het huis in. De grote zoon schrijft in een schriftje dat hij van me gekregen heeft. Erg leuk om te zien hoe hij zich uit: hij maakt lijstjes van de namen van de kindjes van zijn klas, schrijft op wat we vandaag gedaan hebben, maakt sommetjes. Heerlijk. De kleine zoon kliert er een beetje tussendoor. Ik kook. We eten samen en gaan dan op de bank, met donsjes en ook weer met zijn vieren, naar een film kijken. De jongens liggen heerlijk tegen ons aan. Als ik ze na de film naar bed breng, zijn ze doodmoe en zielsgelukkig. Het is alsof ze alles gekregen hebben wat ze nodig hebben aan tijd, energie, liefde, uitdaging. Hoewel de grote zoon nog wel eens kwaad wordt (bij veranderingen of bij grapjes of als de kleine zoon hem een beetje in de weg zit), loopt het niet meer zo uit de hand. De kleine zoon haalt kattenkwaad uit, genre sleutels van kasten halen, maar is ook ‘los’ van me en vrij. Hij slaapt moeiteloos alleen en heeft het naar zijn zin.

21u30
Een dag met de kinderen is intens. M. en ik genieten nog even van tijd met ons tweetjes. We maken grapjes over zijn family-man-gehalte. Hoe je het ook draait of keert: ik vind het gek dat deze man die zo geniet van de tijd met de kinderen en er ook zo naturel goed in is op zijn eigen bescheiden manier, nog geen gezin met twintig kinderen had. Lucky us.

22u30
Van zodra mijn hoofd het kussen raakt, slaap ik. Ik merk amper dat M. naast me komt liggen. Ook ik ben erg voldaan. Alsof ik alles krijg wat ik nodig heb op deze mooie plek. Het ellendige gevoel van door mijn energie heen zitten waar ik al jaren mee vecht, is hier vervangen door een gevoel van totale vermoeidheid op het einde van de dag. Maar wel een gezonde, lekkere vermoeidheid na veel verbondenheid, liefs en actie. Heel anders dan het gevoel mijn energie verloren te hebben aan frustratie en vechten met mezelf. Lucky me Lucky uszzzzzzzz.

 

Ver weg

Dit stukje is geschreven in de winter. Ik besluit het na een gesprek met andere single moms te laten staan. Ik heb zelf geen troost of tips nodig, intussen is de situatie opgelost. Maar ik vind het nog wel een beetje mijn taak te getuigen van de onderbelichte zorgen van de ouder die er alleen voor staat met onze huidige maatschappelijke structuren, eisen en organisatie. Laten we alsjeblief een wereld creëren waarin deze wanhoop en uitputting niet meer nodig zijn! In Amsterdam zag ik laatst een soort huis voor alleenstaande ouders, waar ze kunnen verbinden. Blijkt in Nederland wel meer te bestaan. Mooi! Maar ik wil zo graag een samenleving waarin dit soort huizen en netwerken overbodig worden.

{Winter}

Het gaat niet al te best. Om eerlijk te zijn.

Het is winter. Het vriest. Het is koud.

De kleine zoon is ziek. Alweer weken. Of maanden. Hij gaat meer niet dan wel naar school. Hij is vermagerd en verzwakt. Deze week zat ik met hem in het ziekenhuis en werd hij in twee armen geprikt. Ik moest hem tegenhouden terwijl de druppels bloed in het buisje vielen. Ik probeerde wanhopig zijn aandacht naar het beduimelde boekje van Sneeuwwitje te verplaatsen.

Ik ben totaal out of control. Ik heb twee banen, een huishouden, twee kinderen, vier babysits en een lief. Ik krijg het niet meer geregeld. Mijn babysits laten het afweten. Voor mijn twee banen kom ik op vijf dagen tijd aan vijf werkuren. Vijf. Alles hoopt zich op. Ik ben in de vreemde combinatie van wilde paniek en totale uitputting.

Elke dag kijk ik uit naar de avond. Want dan drink ik drie koffies en neem ik een pilletje en kan ik vier uur werken. Of vijf! En het huishouden aan de kant! En de kleedjes en een brooddoosje voor morgen klaar!
Maar als ze dan eindelijk in bed liggen, ben ik leeg en op en moe en huil ik op de bank en ga dan slapen. Morgen beter, dacht ik een aantal avonden op rij. Nu denk ik zelfs dat niet meer.

De nachten breng ik door met teentjes in mijn neus. Twee kinderen die langs beide kanten zo dicht mogelijk willen liggen. Medicatie toedienen om drie uur of om vijf uur. Bekertjes water halen, slaapdronken. Eén keer, twee keer, drie keer per kind per nacht. Ik snak naar privacy, naar even niet ten dienste staan van. Ik wil alles en iedereen van me afmeppen, en weglopen. Ik ben zo oververzadigd van fysieke nabijheid. Ik wil alleen zijn, alleen, alleen. Ik wil gerust gelaten worden. Ik wil mezelf voelen. Ik wil voelen of er nog een mezelf bestaat.

Ik vind het ouderschap onmenselijk. Er blijft niets meer van me over. Ik ben iemand geworden die altijd moe is en geen energie en moed meer heeft. Ik ben iemand geworden die zeurt. Ik ben iemand geworden die geen afspraken meer nakomt, de boel laat versloffen, geen telefoontjes meer beantwoordt, geen mails leest, geen deadlines haalt. Ik heb een enorme drive voor mijn werk, om aan mezelf te werken, om dingen te lezen, doen, uit te zoeken die me boeien. Maar ik ben aan handen en voeten vastgebonden en ik ben woest gefrustreerd. Of ik volgende week naar kantoor kom? Wie zal het zeggen. Of ik nog eens iets ga afwerken? Wie weet. Ik ben zo kwaad, ik voel me vermorzeld.

Het werd tijd dat ik de berg eens te lijf kon gaan, maar in deze lege dagen met het zieke kind en de hele zooi, groeit de berg alleen maar. De berg met spullen, met taken, met mails, met verwaarloosde vrienden, met ongeopende post. Noem het maar. En ik? Ik word steeds kleiner. Alsmaar kleiner en kleiner. En ik krijg een hekel aan mezelf, want ik ben noch een lieve moeder, noch een fijn lief, noch een betrouwbare werknemer, noch een attente vriend. Ik ben niets meer van wat ik wil zijn.

Soms doe ik een poging om de berg te lijf te gaan. Dan maak ik plannen en voornemens. Maar de energie ontbreekt om ze uit te voeren en dan belanden de plannen en voornemens op de berg, bij al de rest. Nog meer mislukking. Plannen. Het is al niet mijn sterkste kant, maar het is ook zinloos. Elk plan dat ik de voorbije jaren heb gemaakt is gesneuveld door een ziek kind, een woedebui van een kind, een gebrek aan energie, een file, een idiote ex, … Leve de bullet journals, productiviteitsapps, zelfhulpboeken. Maar die zijn niet voor alleenstaande ouders gemaakt. Elke keer als ik weer een app heb geïnstalleerd waarmee het nu toch echt moet lukken, of een boek heb gelezen dat ik ga toepassen, voel ik me nog ellendiger omdat ik er weer niet in slaag.

Ik zie andere mensen. Met energie en levenslust en plannen en verwezenlijkingen. Ik heb een stapel boeken klaar gelegd die ik wil lezen om mezelf te voeden. Ik heb takenlijstjes. Ik heb schriftjes vol plannen en ideeën. Ik heb voornemens, soms nog een keer.

Als tip lees ik ergens elke avond het meest waardevolle moment van de dag te benoemen. Retrospectief leg ik mijn vinger elke keer op een moment met of van de jongens. Maar in de momenten zelf zijn mijn benen slap, voel ik me belabberd en wil ik alleen maar weg. Ver weg.

 

 

De gouden wikkel

Grote broer en ik lezen van Sjakie en de Chocoladefabriek. Sjakie heeft op volledig onwaarschijnlijke manier in een zeer penibele situatie een tientje gevonden onder de sneeuw, daar twee repen chocolade mee gekocht en de vijfde en laatste gouden wikkel bemachtigd die hem uiteindelijk een fucking chocoladefabriek oplevert.

Het is avond. M. en ik brachten de dag door met elkaar en met een vriendin. We ontbeten, bezochten het MAS, dronken koffie.

We gaan vanavond de stad in
En we drinken een glas
Ik zal nooit meer vergeten
Hoe het zonder jou was
Ik leg mijn hart in jouw handen
Dus knijp ze niet dicht
We gaan dwars door de nacht
Naar het ochtendlicht

Het lied van Stef Bos kende ik al lang, maar ik was het vergeten. Tot het vanzelf terug kwam. Want nee, ik zal nooit meer vergeten hoe het zonder hem was. En ja, ik leg mijn hart in zijn handen en dat doe ik sneller en rustiger dan ik voor mogelijk had gehouden. Ik ben zot snel gehecht aan hem. Ik voel me veilig bij M., in de rustige wetenschap dat er gewerkt zal moeten worden. En dat ik ongeveer weet waaraan. Vooral aan mezelf, vrees ik.

Sinds de miskraam ben ik fysiek en mentaal wankel. Meer wankel dan ik mezelf en hem toewens. De pijn danst door mijn gewrichten, op het einde van de dag zijn mijn schouders net staalkabels, mijn onderrug seint pijnsignalen uit en om de haverklap heb ik het gevoel dat mijn benen in spaghetti veranderen en dan moet ik heel hard mijn best doen rechtop te blijven en niet volledig in paniek te geraken. Ik ben emotioneel een soort jojo en reageer onredelijk op ongeveer alles. Het ergert me zelf. Ik hoor hem rustig uitleggen dat ik te lang in een te hoge versnelling heb geleefd en dat de miskraam daar een einde aan gemaakt heeft. Ik wou dat ik zijn exacte woorden kende, want het was helder en logisch en volledig acceptabel. Ik denk dat hij glashelder kijkt en denkt. Dat is uitzonderlijk, maar hij voegt er nog een zeldzame compassie aan toe.

Na de ervaringen uit het verleden ben ik voorzichtiger in relatie. Ik stuur niet meer op scherp. Ik hoed me voor het invullen van wat hij denkt of voelt. Ik probeer hem lief te hebben en te waarderen. Lief te hebben en te waarderen. En dat kan, omdat het veilig is. Het is niet eens erg moeilijk. Het graag zien komt vanzelf, en dat vind ik best lief van mezelf.

We lopen in het MAS. Ik kijk naar hem, en hij ontroert me zo vaak. Een plukje haar aan zijn oor. Zijn geur. Een grapje. Een woord. Een aanraking. Een blik.

Ik kijk naar hem en het voelt heel de tijd alsof ik onverwacht een gouden wikkel vanuit een chocoladereep heb gepeuterd.

Het minder werken-dilemma

Het is november. Een donkere avond. Ik haal de jongens op van school. Mijn werkdag heeft exact van 9u10 tot 15u10 geduurd. Dat zijn zes uren, waarvan ik minstens een veertig minuten heb besteed aan naar toilet gaan, lunchen, en koffie zetten.  Het gaat zoals zo vaak weer eens mis. De opvoedingsondersteunster is er, de oudste zoon krijgt weer eens een crisis waarin hij allemaal verschrikkelijke dingen tegen me zegt. De avond wordt weer eens wrang. Tijd om te koken is er niet, crises kosten tijd. Ik heb niet gegeten. De jongens hebben een croque gekregen. In opdracht van de opvoedingsondersteunster doe ik nu aparte bedrituelen voor beide kinderen waardoor ik dubbel zo veel tijd kwijt ben. Ik merk dat ik mentaal op ben, dat ik niets meer te geven heb. Dat ik koud en afstandelijk word naar de jongens toe. Ik sluit me af na de rotdingen die de oudste heeft gezegd. Geen goed plan volgens de opvoedingsondersteunster, maar ik ben ook maar een mens.

Ik moet nog werken. Uiteraard. Ik moet de was doen en de afwas. Ik moet twee studiedagen voorbereiden voor respectievelijk morgen en overmorgen. Mijn mails tikken aan. Ik heb al drie maanden geen uren meer kunnen doorgeven voor mijn projecten en verschillende organisaties wachten op een afspraak, verslag of voorstel. Ik moet nog zes mensen bellen in een poging de opvang van de kinderen de komende dagen te verzekeren. Dat gesmeek en geregel, ik word er gek van. Moet bijna kotsen als ik er aan denk.

Het lief, M., krijgt de volle lading via app. Als ik even heel eerlijk ben, maar dat zeg ik hem niet, kost een nieuwe relatie me vooral tijd op dit moment. Met de afstand tussen ons is het nog steeds zo dat ik mijn eigen huishouden draai en elke dag mijn eigen problemen moet oplossen. Terwijl hij gaat sporten.

Als ik moet doen wat iedereen vindt, moet ik nog meer en beter. Maar ik ben al lang voorbij het punt dat meer en beter een optie is. Ik verzuip al. Aparte avondrituelen kosten me tijd en energie die ik nergens vandaan kan schrapen. Met de oudste zoon aparte activiteiten ondernemen kost me nog meer planning, geregel, geld, babysit betalen voor de jongste. Het water staat me al aan de lippen met al het geregel en geplan om mijn werk te kunnen doen. Laat staan dat ik het kan opbrengen om het ook nog eens geregeld te krijgen dat ik de jongste ergens achterlaat om met de oudste wat te gaan doen, op een moment dat ik ook wel even de krant zou willen lezen of de was van de week wil wegwerken. Overdag of ’s avonds alvast koken zodat het niet moet in kinderspitsuur is nog zoiets. Ja, een slimme moeder zou dat doen. Maar moet ik van mijn te krappe werktijd nog eens een half uur afpitsen om ook dat nog voor elkaar te krijgen? Of moet ik niet alleen om 1 uur gaan slapen maar ook nog om 5 uur opstaan? Mogen er ook grenzen zijn aan wat mogelijk is voor me?

Het lief en ik praten veel over minder werken. Maar verdomme, ik wil niet minder werken. De voorbije jaren heb ik niet één dag acht uren kunnen werken zonder geregel, gedoe, zooi, tijdsdruk, schoolpoortgedoe. Mijn bijberoep interfereert met mijn vaste baan. Het zou goed zijn dat helder te scheiden en beter te balanceren, maar met wat ik verdien op de echte baan kan ik niet rondkomen dus moet dat geschipper met dat bijberoep er ook nog bij. Schuldgevoelens gegarandeerd.

Ik wil niet minder werken. Ik wil meer werken. Ik wil ongestoord en met een vrije kop meer werken zonder al die combinatiestress. En daarvoor heb ik structurele, betrouwbare en betaalbare oplossingen nodig. Die ik nog altijd niet gevonden heb.

Mysteries of life

In de herfst verloor ik een kindje. Dit is de vijfde en laatste post over de zwangerschap en miskraam.

Soundtrack

Ook een miskraam kan een soundtrack hebben. Tijdens de lange rit van het ziekenhuis naar het huis van M., toen alle hoop in de kille witte gangen achtergebleven was, draaide dit liedje van Coldplay in mijn hoofd. Op repeat.
The day after kocht ik het laatste boek van Claudel. Het was geen toeval dat het boek op mijn pad kwam. Het begint met een verhaal over dode kinderen die in bomen ten ruste worden gelegd. De boom voedt zich met het kind en groeit. Claudel reikte me een troostrijke soundtrack voor de herinnering aan de dagen van verlies aan. En over toeval en de mysteries of life: in het weekend dat ik het kindje verloor namen twee vrienden die ik al een jaar niet meer had gehoord spontaan contact met me op.

Meer verliezen dan er was

Het kindje was klein. Acht weken, kleiner dan de papieren vogel waarmee we het begraven hebben.

Een miskraam is iets van niets verliezen.

Het kindje dat ik verloren ben stelde nog niets voor, maar voor mij was het de baby waarmee ik deze zomer in het hofje achter het huis van M. zou zitten lezen. Het was een klein meisje dat ik vooraan bij M. op de fiets zag zitten. Het was het kindje waarvoor ik gezonder at. Het was mijn klein verstekelingetje dat ik verborg. Het was iemand die M. en mij voor eeuwig verbond als ouders van hetzelfde kind. Het was een reden om het roer om te gooien, onmiddellijk minder te gaan werken en M. en mezelf in hetzelfde schuitje te plaatsen waarin we de taken zouden verdelen op een zeer legitieme basis.

Oog

Ik heb me in de zomer na het vertrek van Dirk verdiept in het begrip bodhicitta wat erg onbevattelijk voor me is. De miskraam gaf me een soort ervaring die daarmee te maken heeft. Het was zondagavond. Ik lag met gespreide benen in een ziekenhuis, helemaal zwak en misselijk. De gynaecologe zei dat mijn baarmoeder ‘mooi leeg’ was, waarmee ze bedoelde dat er geen stukje meer was achtergebleven van het kindje waarvan ik het hartje nog gezien had op een ander scherm, de dag voordien. Ik had het koud, ik huilde, ik bloedde, ik snotterde. Ik was in het oog van de storm die de pijn was. Het daar uithouden en niet verharden in gedachtes of verwijten maakte dat ik me in een zachtheid en kwetsbaarheid compassievol verbonden kon voelen met iedereen die pijn of verlies ervaart in de wereld. Het was een grootse en heel diepe en pure ervaring en op die manier ook een soort diep geluk.

Eerlijk

Ik deel het nieuws. Met vrienden. Gewoon eerlijk. Dit is gebeurd en ik ben verdrietig. Vanuit het ziekenhuis appte ik mijn baas. Hij appte zijn standaard antwoord terug, zijnde: ‘dat vind ik vervelend voor je’. Buikgriep? Dat vind ik vervelend voor je. Kind in het ziekenhuis? Dat vind ik vervelend voor je. Miskraam? Idem dus. Ik vind dat een beetje een lauwe reactie, stel me altijd voor dat hij dat in een managementcursus heeft geleerd. Enkele dagen nadien appte hij me omdat hij vaak aan me dacht. En ik vertelde hem hoe het echt ging. Dat ik net het gevoel had dat het leven weer aan mijn kant stond. Dat ik zo blij was geweest en dus ook zo verdrietig. Dat het fysiek zwaar was en dat het heel belangrijk was om het kindje te begraven.
Enkele opdrachtgevers smsten me omdat een afgezegde afspraak en een afwezigheidsassistent voor een volledige week vragen oproept. Ik had geen zin in de complexiteit van er doekjes om winden. Aan J. die vroeg of hij bezorgd moest zijn, smste ik terug dat ik een kindje verloren had (ik ben dus niet burn out, haha). Ik kreeg een heel lief antwoord waarin hij vertelde dat hij en zijn vrouw ook ooit in die situatie waren. Zo zie je maar. Een collega wiens belangrijke presentatie ik mis, krijgt ook de waarheid. Ze vertelt me dat ze voor haar eerste kind twee kindjes verloor en mijn hart breekt, maar ik heb me nooit zo verbonden gevoeld met haar dan nu.
Er zijn vast redenen om vaag te doen en je pijnplek te verdoezelen, maar dat past niet bij me.

Tot slot

Blij om dit te lezen. En dit.
Wat ik graag had geweten voor het mij overkwam? Dat het vaak gebeurt maar er weinig over gesproken wordt.
Wat ik geleerd heb? (Alsof je overal iets van moet leren – zucht!) Dat het fysiek zwaarder is dan ik dacht. Het is meer dan even ongesteld zijn. Het is twee weken lang ongesteld tot de tweede macht. Met zwangerschapsmisselijkheid, want een vruchtje in een doosje betekent niet dat al dat hcg uit je lijf is. Helaas.

De dokters zeiden vrolijk dat ik binnen twee maanden alweer mag beginnen proberen, maar de lust ontbreekt op dit moment, pun intented. Gisteren lag ik naast M. in bed en omdat ik van hem hou vind ik het heerlijk om zijn lichaam te voelen, maar ik kan me voorlopig even niets voorstellen bij seks, omdat ik me een soort open wonde voel. Ik kan me niet voorstellen dat ik me binnen een afzienbare tijd minder kwetsbaar ga voelen en lustig nieuwe kindertjes ga proberen maken. Gelukkig is hij galant, wat vaak heel grappig is, maar in deze een zeer welkome eigenschap. Anyway, de helft van de mensen gaat ervan uit dat ik snel weer kan proberen of snel weer zwanger wil of kan of zal worden, maar dat is voor mij even niet aan de orde. De andere helft van de mensen suggereert dat er dan iets mis geweest is met het kindje en dat het beter is zo. Dat wil ik ook niet horen. Enkelen zeggen gewoon ‘wat erg’ of ‘wat naar’ (nog beter!) en dat is volgens mij het enige dat je kan zeggen.

En wat nog? Rituelen zijn belangrijk. Het kindje begraven en dat met zorg doen, er woorden aan geven, enkele elementen uitzoeken of maken, zoals een sterretje, het juiste kaarsje, een briefje en een zacht doekje, is troostrijk en helpt letterlijk en figuurlijk om alles een plek te geven. Wij konden het samen zelf en de kleine manier waarop we dat hebben gedaan was erg puur een paste bij ons en de situatie. Als het om iets gaat wat ik zelf niet kan, zou ik hier gaan aankloppen. Het kindje heeft me zo geleerd dat ik allemaal losse eindjes in mijn leven heb die ik heb veronachtzaamd. Dingen afsluiten en een plek geven maakt vrij om verder te gaan.

Post scriptum
Vrij om verder te gaan. Het klinkt nogal ‘tralalaaa’. Het kindje, ze heeft overigens ook een naampje, heeft een plekje in ons leven. Een klein, gepast plekje. Op oudjaar ontstaken we een sterretjesvuurwerkstokje op haar grafje. Ik moest lachen, en wist absoluut zeker dat het kindje een zieltje is die dat geknetter wel kon appreciëren.