Over hypnotherapie

Een tijdje geleden heb ik me laten hypnotiseren. Niet door iemand met een glazen bol en een paars gewaad in een schimmige yurt die blauw staat van de wierook, maar door een heel normale (nou ja, wat is normaal?) vrouw, in een kantoorpand.

Ik was wanhopig. Dat klinkt heel heftig, misschien veel heftiger dan nodig. Maar ik had het nare gevoel dat ik mezelf niet meer onder controle had met betrekking tot voeding.

Ik schreef er al eens over. Dat ik veel bagage meesleep rond dat thema. Ergens diep zat een overtuiging dat ik om het even wat kon doen, maar dat ik toch geen effect heb op mijn gewicht. Dat is natuurlijk bullshit, want er is een vrij grote correlatie tussen je eetgedrag en lichaamsbeweging en je postuur (ik weet wel dat het genuanceerder is, dat er hormonen zijn en aanleg en invloed van medicatie, …). Het klinkt ook allemaal alsof ik heel zwaar ben, wat ook niet het geval is (vreemd genoeg vind ik het raar om dit zinnetje te schrijven). Ik ben wel wat te zwaar, maar op dit moment zit ik aan een BMI van 24,5 – een verder niet zo relevant getalletje, maar het betekent wel dat mijn gewicht (terug) binnen de grenzen van het gezonde valt, doch dicht bij de bovengrens van 25.

Het was een soort kluwen in mijn hoofd. Gebrek aan zelfvertrouwen door het besef geen grip te hebben op mezelf. Voornemens maken, die telkens breken. Spiegels en foto’s vermijden. Me ongemakkelijk voelen in mijn lichaam. Een beroerde conditie. Frustratie, en net daardoor op zoek gaan in de keukenkastjes. Vermoeid, en net daarom telkens weer een stuk chocola. Soms ook verveeld of verdrietig, en wat troost er beter dan een koekje?

In de eerste sessie vertelde ik dit alles aan de hypnotherapeute. Ze bracht me onder hypnose: een soort ontspannen toestand waarin je ontvankelijk bent voor boodschappen en nog goed weet wat er om je heen gebeurt. Niets engs en ik heb mijn pincode niet gegeven, zeker weten. Ze werkte rond het loslaten van allerlei bagage, en ze verbrak de link in mijn hoofd tussen verveling/verdriet/frustratie/vermoeidheid en zoete dingen.

Het wonder geschiedde. Ik ging weg, en heb ik enkele aandrang meer gehad om de kast waarin nog drie pakken cote d’or liggen open te doen. Uiteraard eet ik wel eens een dessertje mee op een feestje en laatst bestelde ik op vakantie een stukje cake bij mijn cappuccino, maar er is een verschil tussen een ziekelijke drang naar zoet, of een normale volwassen omgang met een incidenteel dessert.

Na twee weken was ik twee kilo kwijt.

Ik ging terug, met een wenslijstje. Als ze even dit en dit en dit tegen me kon zeggen, dan zouden de kilo’s er af vliegen, zou ik nooit meer naar doen, zou ik alles onder controle hebben, … Nou ja, hoop niet te veel want zo werkt het niet. In die sessie vertelde ze mijn onderbewuste dingen over zelfvertrouwen en genoeg hebben aan gezonde goede maaltijden, maar toen ik buiten kwam was ik niet meteen supervrouw die per dag drie blaadjes sla en een wortel at en strak en shiny door het leven ging.

Domper op de feestvreugde – ik wil graag alles en liefst ook meteen! – ook al weet ik zelf best dat een gezonde gewone normale omgang met voeding op termijn de beste optie is, ook al vliegen er nu geen kilo’s af en kan ik ook niet plots een marathon lopen met een nieuw fitgirl-lijf (waar uiteraard de zwangerschapstriemen miraculeus van vervlogen zouden zijn). Ik had zo graag gewild dat het met een vingerknip allemaal opgelost was. Alles. Dat ik geprogrammeerd zou worden tot een soort supervrouw, de beste versie van mezelf.

En dat is niet zo.
Maar. Ik voel me wel rustig. Die chocolade ligt niet gillend en krijsend om mijn aandacht in de kast. Ik stop bij een lange autorit niet onderweg om kinderbueno’s te kopen. Ik bestel geen stuk taart bij elke koffie die ik drink. Ik kies ‘automatisch’ voor gezonde dingen in een vrij evenwichtig eetpatroon, met tussendoortjes en gewone porties. En ik eet wel eens mee als de Man een zak chips opentrekt. Of ik bestel wel eens een stukje cake bij een kopje koffie op een druilerige dag. Op dit moment weet ik niet hoe dat er op de weegschaal uitziet en dat is prima. In mijn hoofd is het alleszins rustig. De innerlijke strijd is voorbij. Ik ben de baas.

Advertenties

Het echte leven: verwachtingen versus realiteit

Aha, eindelijk was het zover. Ik ging weer werken! Alleen had ik geen baan meer, maar om één of andere reden heb ik altijd allerlei plannen. Ik had ook nog geen plek. En ik moest ook nog even een nieuwe telefoon en een nieuwe computer. Ik had me ingeschreven in een aantal opleidingen en ik had wat opdrachten als freelancer en een Plan om uit te werken, dus daar gingen we dan. De oppas-aan-huis startte na duizendenééninstructies (o luxe, o luxe) en ik… Ik ontdekte dat mijn verwachtingen en de realiteit niet altijd op elkaar afgestemd zijn.

  • Zoals die dag dat ik naar een opleiding ging. De oppas kwam om acht, dus dan zou ik de deur uit stappen, zonder file naar de opleiding rijden en daar mijn morning pages schrijven en e-mails beantwoorden voor de start om 10u. Easy! De realiteit? Om acht uur liep ik met natte en ongekamde haren te stressen, zaten de baby’s nog in hun romper aan de tafel (en niet klaar in de buggy zoals ik gehoopt had), moest ik de auto nog leeg maken van een eerder tripje en had ik nog niets gegeten. Om half negen zat ik met klotsende oksels in de auto, om meteen de file in te rijden en om vijf voor 10 met een knalrood hoofd de locatie binnen te rennen. Oeps.
  • Zeeën van tijd zou ik hebben, want geen echte baan meer en dus geen vergaderingen en alles zelf beslissen enzo. Vergeet het. Drie dagen per week is echt heel weinig, zeker als je in realiteit maar een 6 tot 7 echte werkuren per week over houdt. Resultaat: de eerste woensdag (vrije dag) van mijn werkende leven had ik al knallende ruzie met de Man, uit frustratie omdat ik van de vrijheid had geproefd en merkte dat al mijn ideeën tien jaar zouden vragen om uitgewerkt te geraken, aan een tempo van drie luttele dagen per week.
  • Eindelijk tijd voor alle grootse plannen! Maar de realiteit is dat er ook brood op de plank moet, want ik kan natuurlijk niet wat lanterfanten met leuke dingen en de Man alle rekeningen laten betalen. Het werk dat brood op de plank brengt, vult ongeveer mijn drie dagen per week, dus ik moet echt nog wat krachttoeren uithalen om diep-werk-gewijs ook grootse en andere zaken een plekje te geven.

    Het is dus even een ‘dingetje’. Ik vind het heerlijk om weer meer te zijn dan alleen mama, alleen is het ook raar dat ik niet echt kan benoemen wat ik dan wel ben op dit moment (vooral awkward tijdens een voorstellingsrondje in een kamer vol vreemden). Wordt vervolgd!

A room of one’s own

Irrationele beslissingen lijken het domst en voelen het best.

Zo. Ik zocht een plekje om mijn vage-zelfstandige-worden-plannen uit te voeren. Om boeken te lezen. Om niet gestoord te worden. Om mijn rommel te laten liggen. Om stiekem bij te slapen. Een plek die helemaal van mij is, in een wereld waarin alles van mijn Man is. Want de Man is de bezitter van het huis en de auto en bewoont de stad al jaren en hij deelt alles met me. Maar het is wel van hem. Soms hebben we ruzie en dan dwaal ik door de stad en dan pas besef ik hoe veilig het was in de nare single-mom-jaren dat ik een eigen plek had met de jongens waar alles van mij was. Ok, het was een lelijk huis en onze inboedel was ook nogal shabby, maar het was wel van mij.

Anyway.
Ik dacht verstandig te zijn en ging naar een tijdelijk pand kijken. Het was een directeurswoning van een gevangenis en het leek wel een spookhuis. Met een enthousiaste immo-man keek ik rond. Ik voelde het meest voor de slaapkamer, die een planken vloer had en twee grote ramen en waar de zon overvloedig binnen viel. Er lag ook een dode vlieg op de grond. Het gebouw was kaal, wachtte duidelijk op een herbestemming. Er was geen sprake van bezoek ontvangen, want daarvoor was het echt niet representatief genoeg. Maar het was plek, veel plek. Voor een huurprijs die meeviel. Tot de immoman er even de BTW achteraan mompelde en een heleboel servicekosten (voor welke service is me niet echt duidelijk) en inschrijfkosten en waarborgen en … Toch fietste ik vrolijk weg en zag ik me mijn bureautje al naar boven slepen, nadat ik de vlieg gestofzuigd had.

Ik had de afspraak met het kleine pandje in de oude stad waar ik op koningsdag langsgelopen was en waar ik meteen knettergek op was maar wat duur was en heel klein, uit een soort luiheid laten staan. Dus ’s avonds wandelde ik er met de kleine dochter heen en werd allerhartelijkst ontvangen door twee lieverds. Het mini-pandje voelde zo authentiek en lief en ik kan er prima bezoek ontvangen (bezoek dat zijn benen optrekt of blijft rechtstaan, haha). Het heeft een raam dat een etalage is en een houten buitenkant en een bankje voor de gevel en ik vergat ter plaatse al mijn bezwaren en ik deed het. Op wolkjes zweefde ik naar huis met miss mini.

De buurvrouw zei: ‘wat heb je nu weer gedaan?’. Ik vraag me nog steeds af waar dat ‘nu weer’ vandaan komt, maar ik zei haar dat ze koffie kon komen drinken op mijn bankje en dat er geen mannen en kinderen zijn en we moesten lachen en ik kan het niet uitleggen of verantwoorden, maar ik weet zeker dat ik een goede keuze heb gemaakt.

Lieverds. Ik heb een tiny werkplek. Ik verheug me op het inrichten en het er naar toe huppelen. Ik heb een risico genomen (want ik heb meteen een grote maandelijkse ‘last’ en nog weinig zicht op inkomsten, of zelfs op wat ik ga doen to be honest). Maar dit voelt prima. Heb ik eindelijk iets om op instagram te zetten. Haha.

Iets nieuws beginnen

Ik onderhandelde al een tijdje (met mezelf). Als ik een startbudget vind, dan neem ik ontslag. (Mijn bankrekening is best leeg doordat ik al een half jaar in onbetaald ouderschapsverlof ben en voordien natuurlijk lang alleenstaand ouder geweest ben.) Ik nam boeken mee van de bib over methodes om je leven op te schonen in de hoop dat daar duidelijk in zou staan dat ik moest springen. Ik praatte met verschillende mensen. Ik nam een besluit (ik ga terug in dienstverband en werk dan achter de schermen een eigen bedrijfje uit). Ik bleef piekeren. Ik sprak met allerlei mensen die de sprong gewaagd hadden.

Ik wist dat het wagen van de sprong, zonder zekerheid, zonder duidelijkheid, zonder 15000 euro in de pocket, zonder garanties, zonder beloftes, een wezenlijk deel was van de onderneming. Het komt allemaal weer neer op de tegenstelling tussen de wolvin en de trut. Leven volgens wat je voelt dat goed is, of leven volgens angst en vanuit zekerheden. Ik wil graag iemand zijn met een vrije ziel, en intussen was ik iemand die ik helemaal niet wou zijn: afhankelijk, moe, mopperig, bang.

Ik was bang om te blijven hangen in het durfde-ik-maar om dan op een gegeven moment te belanden in het had-ik-maar. Over te gaan van het nog-niet naar het niet-meer. Ik ben bang om financieel afhankelijk te blijven van de Man. Ik ben bang dat mijn plannen mislukken. Bang dat ik onze dure nanny niet kan betalen. Bang dat ik geen enkele opdracht zou krijgen. Bang dat ik niets kan, dat niemand op me zit te wachten. Dat iedereen me keihard gaat uitlachen.

Dus ik kniesde maar en vond mezelf een behoorlijke mieperd. Dat ik zou terug gaan naar een baan waar ze eigenlijk hadden geprobeerd van me af te komen, deed mijn zelfrespect geen deugd. Ik werd misselijk als ik er aan dacht.

En plots wist ik het. Ik ga niet terug. Ik volgde nog een familie-opstelling (maar toen had ik het besluit al genomen, dus daar werd het alleen maar bevestigd). De dag na het besluit lag er een tijdschrift op de mat dat kopte met ‘EEN NIEUW BEGIN’. Ik moest erg lachen. En een mooi cadeautje van een vriendin over je-vleugels-uitslaan. Het leek even alsof ze telepathisch begaafd was ofzo. (Ze is heel begaafd en bijzonder, dus dat boekje was geen toeval.)

De doorslag kwam van Clarissa Pinkola Estes. Een stukje over gezonde wolven en ongezonde vrouwenzielen. En van The Artist’s Way. Ik ben nu maanden bezig met het schrijven van morning pages, het doen van oefeningen, het onderzoeken van wat me dwars zit en wat ik echt wil. Het stuwt me naar handelen. En tenslotte zijn er mijn dochters. De grootste die me aankijkt en dol op me is, om wie ik nu al ben. De jongste die een soort hardnekkige bad-ass is geworden die al weken oefent met kruipen op de meest koppige manier en nooit opgeeft (bij het herwerken van dit stuk de update: ze kruipt). Natuurlijk hou ik ook ontzettend van mijn zonen, maar de puurheid van de baby’s en de spiegel die ze voor mij zijn, zetten me in beweging.

Het gekke is dat ik geen afgelijnd plan heb. Alleen veel ideeën en een soort urgent gevoel van wat ik wil betekenen in de wereld.

Sinds het besluit genomen is, voel ik me lichter & vrijer. Ik ben onderweg naar iemand die ik wel wil zijn, al heb ik nog geen enkele klant gehad, nog niets verwezenlijkt. Hell yeah. (Overigens ook niet helemaal waar. Ik heb als zelfstandige in bijberoep opdrachten, zij het niet om van te leven.)

P.s. Dit ging vooraf aan het schrijven van dit. Het is een beetje de weg er naar toe.

Het uur van de waarheid – en dat ik geen stoere millenial ben als het er op aan komt

Als het hier stil is (zoals de laatste tijd), is er meestal iets op til. Het grappige is dat ik zelf merk dat de interactie hier ook wat verstomd als ik met iets bezig ben dat ik nog wat verborgen hou. De voorbije stiltes kwamen door de miskraam, de tweelingzwangerschap, en natuurlijk ook even toen die tweeling er ook echt was. Intussen is er geen nieuwe tweeling in de maak, maar heb ik mijn baan opgezegd.

Ik zou dat dat zo stoer is als ik het mij voorgesteld had. Millenials-stoer, je weet wel. Zelfbewust, zonder een centje pijn. Het tegendeel is waar. Het doet echt pijn en ik heb er heel lang over gedaan.

Natuurlijk heb ik al een aantal jaren plannetjes in mijn achterhoofd die maar blijven smeulen, ook al probeerde ik het vuur regelmatig te blussen met mezelf streng toespreken dat niet iedereen als zelfstandige een inkomen kan verwerven, dat ik het me te rooskleurig voorstel, dat mijn plannen te vaag zijn. In heel de tussentijd cirkel ik rond vrouwen die de stap gezet hebben en kijk ik ademloos naar hoe ze het doen en dat ze het doen. Maar er was altijd wel een goede reden waarom ik niet nu. Maar het bleef smeulen. Ook al dacht ik vaak dat ik aan een soort escapisme leed. Natuurlijk is gaan werken niet altijd tof en het is heel leuk om in je achterhoofd te denken: wacht maar, ik ga zelf iets verzinnen dat WEL elke dag tof is.

Toen kwam het nare terugkeergesprek met de baas na mijn tweelingzwangerschap. Het liep met een sisser af en ik was weer welkom op kantoor. Intussen regelden de Man en ik een oppas aan huis met alles wat daarbij komt kijken, kreeg ik het Spaans benauwd bij de gedachte dat die vrouw (waar niets mis mee is – ze is lief) drie dagen per week voor mijn pupjes gaat zorgen en dat ze daar bruto van ons meer voor krijgt dan ik netto verdien (de toeslag nog niet ingecalculeerd). Maar hee, ik ben een modern wijf en ik ga werken! Ik krijg het net zo goed Spaans benauwd als ik er aan denk dat mij nog een paar weken thuis resten, want ik ben zo moe van het zorgen. Sommige dagen is het drinken van een glas water al een luxe. Een tweeling blijft zo ontzettend intens. (Zo intens dat ik as we speak een oppas heb ingevlogen om twee uur met mezelf te zijn en even te schrijven, want ik hoop dat ik zo wat tot rust kom en daarna weer voor iedereen kan zorgen. De kleinste kruipt en eet alles wat ze onderweg vindt en ze weigert te slapen overdag en ik hou het niet bij.)

Ik schreef dit stukje. En dat gevoel, dat ik ben wie ik niet wil zijn, dat knaagt en knaagt. Knaagde doorheen mijn besluit om flink te zijn en gewoon weer te gaan werken. En toen hakte ik de knoop door en nam ik ontslag.

Dat klinkt stoer, maar ik heb het huilend gedaan. Tranen en bijhorend geluid dat ergens heel diep vandaan komt. Dat was een mail. Het grootste tweelingkind zat naast me en keek verbaasd om het dierlijke geluid dat uit haar moeder kwam, en ik zei haar dat het niet aan haar ligt, dat ik blij ben met haar maar dat het soms zo pijn doet allemaal. (Het was ook een beetje familiaal bezwaard want in mijn vrouwelijke lijn worden banen opgezegd na het krijgen van kinderen met veel spijt en verdriet en dat werkt in mij door.) Vervolgens moest ik op gesprek. Ik reed de weg die ik goed ken, keek een laatste keer uit over die velden tussen al die rotondes, luisterde in de auto naar Dear Sugar over je eigen leider zijn, probeerde dapper en flink te zijn, had een kort gesprek, gaf mijn sleutels terug (wat een raar moment). Begroette nog wat collega’s die enthousiast vroegen of ik terug kwam (nee, ik ga weg). Dronk koffie op een plek waar ik zo vaak koffie had staan drinken met iedereen die voorbij kwam. Vluchtte het gebouw uit. Op de parking stond mijn idioot grote gezinswagen te wachten, en dat was zo vervreemdend want al die tijd daar had ik een klein gezwind autootje dat helemaal bij mij paste. Ik stapte in de grote gezinswagen en reed de parking af en luisterde 100 keer naar dit liedje en dronk koffie met een vriendin en reed naar huis en ik voelde me even vrij als wanhopig verdrietig en in de auto zong ik luid mee met 100 keer dat liedje omdat ik niet wist of ik moest huilen van verdriet of van trots.

’s Avonds was ik een soort trots en happy en vrij. De volgende dag viel de hemel op mijn kop. Ik voelde me zo weinig gewaardeerd en zo tekort gedaan en zo alleen en zo bang. Dat werk is zo lang mijn houvast geweest, mijn trots, mijn zekerheid. Er is geen tijd om het een plek te geven, alleen die paar uurtjes die ik koop bij een oppas. De spanningen tussen de Man en mezelf zijn te snijden. Gevolg van tweelingouderschap, uitputting, maar ook mijn gewroet in dit vel dat niet lekker zit en de boosheid en angst en onzekerheid die nergens naar toe kan.

Binnen een paar weken komt er een mevrouw die drie dagen per week voor mijn kinderen zorgt. Dan pak ik mijn spullen (ik moet nog een nieuwe pc en telefoon kopen – ook dat is allemaal zo ontwrichtend als je al nergens tegen kan) en ga ik. Ik zoek een plek waar ik naar toe kan gaan. Ik testte al een plek uit waar ik wanhopig weg ging omdat al die creatieve zzp-ers die er zaten luid en druk waren en ik met niemand van hen het gevoel had lekker te willen uitwisselen zoals ze op de website beloofden. Maar ik ga dus, ergens naar toe, en dan schud ik eindelijk al die plannen uit mijn mapje en is het uur van de waarheid daar.

Intussen ben ik 35 geworden en in de antroposofie tellen ze in periodes van 7 jaar met breukmomenten. Ik ga nu de fase van het ontvouwen in. Op mijn bureau slingert het boekje van Pinkola Estes dat me over de streep duwde en in mij ziet de wolfsvrouw het aan en weet ze dat het stof gaat liggen en voedt ze zich met mijn besluit dat niet uit angst genomen is, maar met moed en tranen.

Sponzen en hun moeder

Baby’s zijn sponsjes.
De toestand met mijn werk gaat maar niet over. Ik heb zelf een keuze gemaakt (waarover later meer), maar er is veel spanning. Ik ben nerveus en heb gewoon niet zo’n lange adem. Het sleept al maanden aan, en ik wil graag dat het klaar is en dat ik verder kan.

Allemaal niet zo gek.
Maar ik ben een moeder en ik heb twee baby’s.
Baby’s die als sponsjes de spanning opzuigen en niet meer slapen. Krijsen, brullen, elkaar aansteken in de onrust.

Het thema van de boekenweek is moederschap. Ik lees her en der dingen over moeders. Ik ben naar een opstellingsavond geweest en daar was een vrouw die zich niet gezien voelde door haar moeder. Ik heb zelf het idee dat mijn moeder met haar ontwikkeling mijn puberteit heeft gekaapt (*) (alternatief was dat ze gefrustreerd was gebleven en dat op mij had geprojecteerd). Ik lees een tijdschrift dat in GROTE LETTERS zegt dat DE BAND TUSSEN MOEDER EN DOCHTER DE MEEST FUNDAMENTELE IS VOOR DE VROUW. Of zoiets. Ik denk aan mijn eigen moeder, ik denk aan mijn dochters.

Ik denk aan de vrouw uit de opstelling tegen wie ik wou zeggen dat moeders ook maar mensen zijn. Mensen die niet uitgeslapen zijn, een slechte dag kunnen hebben, vast kunnen lopen in hun baan, hun relatie, hun psyche, hun leven. Ik begrijp dat het kind wil dat de moeder alles voor hem of haar is dat hij of zij nodig heeft, dat je wil dat je moeder er altijd is en altijd de juiste dingen doet en wijs is en gul en mooi en een voorbeeld en een rolmodel. Ik ben zelf zo een kind, maar ik ben ook een moeder en ik struikel soms over het leven, zeker in tijden dat er 24/7 zorg van mij verwacht wordt voor wezentjes die niets kunnen, behalve hun met zorg bereid papje in mijn gezicht blazen, huilen bij ongemak, door de kamer sluipen, tatataa roepen en dadadaaa en puh.

Nooit lees ik iets over vaders. Altijd over moeders. Moeders. Moeders. Ik word er nerveus van, want ik ben een moeder. Een moeder zonder vlekkeloos parcours. Een moeder die het soms spuugzat is en met de noorderzon wil vertrekken naar een hutje op de hei waar enkel boeken en koffie zijn en hertjes. Een moeder die dol op ze is, maar soms gewoon emotioneel niet beschikbaar (soms? vaak misschien zelfs) omdat het haar de keel uithangt dat het oud papier al weken klaar staat en ze het huis niet uit kan om het weg te brengen. Of dat ze niet kan sporten omdat ze overdag niet weg kan en ’s avonds bij elkaar te vegen is. Of dat ze niet kan slapen, omdat de kleine baby het grootste deel van het bed nodig heeft en aan haar haar trekt ’s nachts. Of omdat het gedoe met het werk maar niet opschiet en ze even niet meer weet hoe het allemaal verder moet. Of omdat ze kwaad is op de vader, soms.

Ik vind het ouderschap een geschenk, echt, maar het is zo omvattend. Het is zo omvattend, en ik ben maar een mens. Een moeder, ja, maar een mens. Misschien staan mijn kinderen binnen dertig jaar wel in een opstelling te vertellen tegen een vreemde dat hun moeder niet beschikbaar was, of onvoorspelbaar, of humeurig, of verveeld (**).

(*) Ik realiseer me vaak – later misschien iets om meer over te schrijven – dat mijn moeder zich geëmancipeerd heeft en dat ik dit proces van op de eerste rij heb meegemaakt. Het begon met een hobby uitoefenen. Eisen dat ze met haar voornaam aangesproken werd. Weer beginnen werken na een lange tijd thuis.
Ik zou om het even welke vrouw LOEIHARD aanmoedigen bij dit proces, maar ik neem het haar onbewust kwalijk, omdat er spanningen waren en ze er niet was en ze er steeds minder was en ik steeds meer op mij nam thuis. Parentificatie heet dat, en het heeft zo veel kreukels in mijn leven gebracht.
De tegenstelling (principes versus gevoel) verwart me.

(**) Ik probeer nu werk te doen (zoals TAW, opstellingen, …) zodat ik mijn kinderen minder gedoe laat erven.

P.s. Ik hoorde deze docu en het raakte me loeihard. Daarbij leerde ik dus dat er zoiets is als een huisvrouwensyndroom en dat je daar in het slechtste geval dood van kan gaan.

P.s. 2. Soms lijkt het alsof ik omring ben door parasieten die lak hebben aan het feit dat ik ook iemand ben die ook dingen nodig heeft. Zoals slaap. Zie ook dit stukje, over je een vreemde voelen in je eigen leven.

De buitenkant en de binnenkant

Soms is het donker in mijn hoofd.

Ik realiseerde me laatst dat ik een vrouw ben met acht kilo te veel, die rijdt in een auto die niet van haar is, leeft in een huis dat niet van haar is, geld uitgeeft dat ze niet zelf verdiend heeft en een hoofd vol plannen heeft waar ze maar over blijft twijfelen, terwijl ze terug gaat naar een baan waar ze haar hadden willen afschepen na een zwangerschapsverlof. En o ja, ik zit ook al weken tegen dezelfde op te ruimen spullen aan te kijken.

Er zit een discrepantie tussen wie ik in mijn hoofd ben/wil zijn en wat ik soms in werkelijkheid zie van mezelf. Je bent wat je doet, dat idee. Je bent niet wat je wil in je hoofd als je het niet realiseert. (Daar heeft Roos Vonk over geschreven, dacht ik.)

Als het over iemand anders zou gaan, zou ik die persoon wel wat credits geven, als ik zou zien dat ze vier kinderen heeft waaronder één tweeling van acht maanden, waaronder één ontzettend onrustig baby’tje dat amper twee keer een half uur per dag slaapt. Ik zou zeggen dat ze geduld moet hebben en dat voor alles een tijd is en dat Rome niet in één dag gebouwd is en dat het ook best een prestatie is om de hele meute in leven te houden en van vers voedsel te voorzien, en dan af en toe nog eens naar de film te gaan, wat freelance werk te doen en een rondje te gaan hardlopen en dat met zo weinig slaap. En elke dag drie machines was te draaien. O man, wat heb ik respect gekregen voor de Thuisblijfmoeder. Echt, hulde, hulde.

Ik wil vast te veel. Dat hoeven jullie niet meer in de comments te schrijven, want dat weet ik wel.

Tegelijkertijd is dat willen ook een soort motor, en ben ik blij dat die motor weer draait. Tijden waarin die niet draait en ik helemaal niets wil, zijn erger dan de dagen waarop ik gefrustreerd ben omdat ik te veel wil.

Ik wil veel en ik durf weinig.
Ik durf mijn baan niet opzeggen en iets van mezelf starten, want van zodra ik daarover begin na te denken, poppen er 1001 dingen in mijn hoofd op die eerst moeten gebeuren. (Zoals opleidingen volgen, 8 kilo afvallen, sparen, een website laten maken, alles 1000 keer uitdenken, geld lenen bij de Man om de eerste tijd door te komen, 5 km kunnen hardlopen – heeft overigens niets met de inhoud van mijn plannen te maken, maar als ik dat kan ben ik vast een wilskrachtig iemand … ). Tegelijkertijd word ik misselijk als ik er aan denk weer naar kantoor te moeten binnenkort, na alles wat er gebeurd is.

Ik wil even alleen weg. En even met de Man. Maar ik durf de kinderen nergens te ‘stallen’ want dan gaat heel de hechting vast mis. (Ik weet wel dat het zo’n vaart niet loopt, maar zowel de Man als ik verlangen naar even weg – samen en ik ook apart – maar we voelen ook beiden dat het te vroeg is voor de baby’s.)

Ik wil in een week waarin er heel veel bezoek komt, een paar uur voor mezelf claimen, ook al is er bezoek in huis, omdat ik soms het gevoel heb dat ik stik. Maar ik durf niet. (Update: ik heb het gewoon lekker wel gedaan, op een moment dat de Man thuis was.)

Ik wil alleen naar de sauna, maar dat durf ik niet.
Misschien daar maar eens mee beginnen.
Zucht.

Ik las laatst dat we onze eigen binnenkant altijd vergelijken met de buitenkant van anderen. Dat spookt al dagen door mijn hoofd. Dus keerde ik mijn hoofd nog een keer om en schreef ik die binnenkant van mezelf er eens uit in deze blog. Terwijl ik me realiseer dat het er aan de buitenkant vast goed uit ziet: een bende kinderen, een schattige tweeling, lekker thuis om van ze te genieten, binnenkort weer deeltijds aan de slag, comfortabele auto, leuk huis op een leuke plek, uurtjes oppas om wat voor mezelf te gaan doen, avondjes uit in m’n uppie omdat ik dat wil en het kan. Veel om blij mee te zijn en dat ben ik meestal ook. Maar soms, soms is het even donker in mijn hoofd. En daar wil ik best eerlijk over zijn.

De onverwachte wending

Eerder schreef ik al over het feit dat mijn terugkeer naar het werk bemoeilijkt/ontmoedigd werd. Zie hier en hier.

Hierbij het vervolg. Achter de schermen had ik me geïnformeerd bij het juridische loket, die erg moesten lachen met het doorzichtige van de situatie (een baas die een conflict uitlokt, dan gaat roepen dat het een arbeidsconflict is als je tegenwerk biedt, ze voorspelden dat stap drie het aanbieden van een regeling tot ontslag met wederzijds akkoord was). Ik was via de vakbond ook terecht gekomen bij het College voor de Rechten van de Mens, die graag een onderzoek wilden instellen naar zwangerschapsdiscriminatie, en me in contact brachten met een anti-discriminatie-organisatie die me kon ondersteunen bij de te zetten stappen.

De vrouw waarmee ik sprak, zette me meteen aan het werk: gespreksverslagen maken en die samen met de vraag om verheldering van de situatie sturen aan de bestuurder van de organisatie waar ik werk. Zo gezegd, zo gedaan.

Meteen alle poppetjes aan het dansen. Er volgde een gesprek met P&O waar duidelijk was dat ze wat hadden zitten wroeten maar niets hadden kunnen vinden dat ontslag zou rechtvaardigen. Vervolgens werd ik uitgenodigd bij de bestuurder, die luisterde, me meteen verzekerde dat ik terug verwacht word op kantoor. Mijn baas moest zijn excuses aanbieden, er volgt nog een verhelderingsgesprek en hij zal mijn leidinggevende niet meer zijn.

Dit was op zijn minst gezegd een nogal onverwachte wending. Er was opluchting, maar ook boosheid (zie je wel, hij zat fout, en heel deze toestand was niet nodig geweest). Ik heb eerlijk gezegd nog niet veel zin om terug te gaan na alles wat er gebeurd en gezegd is. Achteraf gezien was het echt heel naar en heb ik er heel veel negatieve emoties bij ervaren. En het heeft me veel tijd gekost. Ik laat het even bezinken en vraag me af waar het eigenlijk goed voor geweest is.

Voor mijn dochters/over eten

Het is een hectische dag als altijd. ’s Ochtends iedereen klaarstomen, naar school, terug via de winkel. Dan de baby’s hun tweede ontbijtje serveren, omkleden, in bed stoppen. Het gaat maar door: hapje maken, fruithapje klaarzetten, morning pages schrijven, was draaien tussendoor, vaatwasser uit- en inladen, soepje drinken met de buurvrouw, baby’s eten geven, oppas instrueren, paar uur werken (1 uur en drie kwartier om precies te zijn), rush naar de schoolpoort met nog een diarree-explosie tussendoor (de kleine baby, niet ik), en dan met vier kinderen naar de binnenspeeltuin. Onderweg ben ik trillerig. Haha, denk ik trots. Ik heb vandaag alleen nog maar een bordje mild en creamy met granola gegeten en een kopje soep. Het is vier uur. Oorlog aan de zwangerschapskilo’s!

’s Avonds lig ik totaal uitgeteld (en na avondmaal pizza – je kan immers niet tegelijkertijd in de keuken staan en in een binnenspeeltuin zijn) op de bank. Ik lees wat dingen, en kom op een artikel over intuïtief eten. Ik lees een tekst van een vrouw die cake eet als ontbijt en daarvan geniet. Ik lees over de koolhydraten eten die je lijf van je vragen. Ik klik door om de principes van intuitive eating te lezen, en ik begrijp nu pas hoe verstoord mijn relatie met eten en bij uitbreiding met mijn lijf is.

Wanneer heb ik geleerd dat honger hebben goed is en een teken van wilskracht?
Wanneer heb ik geleerd dat je verdriet of frustratie met chocola kan dempen?
Wanneer heb ik afgeleerd te stoppen met eten wanneer ik genoeg had? (I’ll tell you, bij mijn ouders waar de regel was dat je je bord moest leeg eten.)
Wanneer ben ik begonnen met stiekem lekkere dingen eten en ze dus schuldbewust weg te schrokken in plaats van ervan te genieten?

Ik heb nooit een eet-probleem gehad, maar als puber at ik vaak heel de dag niets (trots, wilskracht!) om me ’s avonds op de inhoud van de snoepkast te storten. (Wat niet echt uitmaakte, ik fietste elke dag een uur dus ik had een prima gewicht.)
Op kot deden we met alle meisjes samen wel eens uitdagingen om alleen maar groenten en fruit te eten gedurende dagen, tot een week, en bracht ik zo de 50,2 kilo die ik woog terug tot 47 in het ‘beste’ geval.

Toen ik zwanger was, was ik een intuïtieve eter. Tot in extremis: knolselderij (ijzer!), spinazie (ijzer!), veldsla (ijzer!), maar ook liters tomatensoep (kalium), aardappelpuree (?) en ook wel combi’s van zuurtjes met tomatensap in de auto. Of bananen met pepermunt en dan spugen op de pechstrook.

Intussen weet ik het even niet meer. Ten eerste ben ik zo afgeleid door het zorgen voor iedereen dat het heel moeilijk is om goed te voelen wat ik nodig heb. Ten tweede heb ik eindelijk consequent een systeem van weekmenuten geadopteerd, met boodschappen die aan huis gebracht worden. Efficiëntie ten top, maar ik kan natuurlijk niet voor een week intuïtief vooruit voelen wat ik op welke dag wil eten of nodig heb. En ten derde is mijn geest echt verziekt als het over eten gaat. Het denken in goed en fout, het ideaal van mager zijn (elke keer als iemand tegen me zegt dat ik er ‘goed’ uit zie, flap ik er uit dat ik nog niet op gewicht ben hoor), de angst om met overgewicht te kampen zoals mijn moeder, het onregelmatige (heel de dag bijna niets en vergeten lunchen, ’s avonds een bakje chips en een stuk chocola na het eten), het niet-genieten, het altijd schuldig, het benieuwd zijn hoeveel dat loopje waar ik ook gewoon van kan genieten in calorieën betekent.

Ik weet niet of je intuïtief kan eten als je een moeder bent van vier kinderen en altijd bezig en druk en met allemaal balletjes in de lucht. Maar ik wil het wel proberen. Wat ik thuis zag, was een moeder die met zakjes eiwitten twintig, dertig kilo afviel en ze er daarna weer bij at. De ups, de downs. De pilletjes die geslikt werden tegen eetlust. De avondlijke stops bij het frituur (‘niet tegen papa zeggen’). Wat ik mijn dochters wil tonen is wat anders. Eten is leuk, koken is heerlijk, voel wat je nodig hebt, geniet van wat je eet, stop als je genoeg hebt en wees nooit, nooit trots op jezelf als je een hele dag niets gegeten hebt, al schreeuwt je lijf om voedsel.

No woman no cry

Eerder schreef ik al dat ik een naar gesprek had rond mijn terugkeer op het werk na ziekteverlof, zwangerschapsverlof en ouderschapsverlof. Ik schreef ook over de boosheid.

As we speak zit ik er nog midden in. Dat betekent dat er een tweede gesprek is geweest (waarover in deze blog meer), en dat ik hulp zoek (daarover later meer).

Eerst twee dingen. Namelijk: ik vind het een heel vervelend proces. Ik heb het idee dat ik in een soort positie ben gebracht waarin ik stappen moet zetten die ik niet graag wil zetten (zoals juridische hulp zoeken), maar sommige spelletjes worden op een bepaalde manier gespeeld en je bent naïef en kwetsbaar als je het spel niet speelt volgens de gebruikelijke regels.

En ten tweede: ik kan best geloven dat ik niet de perfecte werknemer ben (geweest) en dat een afwezigheid van een jaar erg lang is voor een werkgever, maar wat er gebeurde (nl. het ontmoedigen om terug te komen door te vragen of ik nog wel pas, mij onzeker te maken en te suggereren dat ik beter als zzp-er zou werken want dat dat beter bij mij past – een oplossing die de organisatie niets zou kosten en waardoor ik geen recht op uitkering zou hebben) mag gewoon niet met een vrouw die terugkomt van haar verlof. Het is te zeggen: je kan het altijd proberen natuurlijk, maar ik ben beschermd tegen ontslag en er zijn ook geen redenen (zoals slechte beoordelingen) om mij te ontslaan. Lees dit anders.

Dus. Ik had een tweede gesprek met mijn werkgever. Dat had ik goed voorbereid. In het vorige gesprek hadden we het scenario: oudere man, jonge vrouw, man brengt boodschap, vrouw zit een uur te snikken, gesprek wordt opgeschort. Ik kon mezelf wel voor de kop slaan dat ik gehuild had, maar tegelijkertijd snap ik ook van mezelf waarom (het was zo onverwacht terwijl ik happy happy terug wou komen én zoals een lieve vriendin zei: de baas had eigenlijk moeten zeggen ‘welkom terug, wat goed dat je er weer bent! Hoe gaan we dit goed opstarten?’).

Een deel van de voorbereiding was het voornemen om niet te huilen dus. Vorige keer waren we (door de bril van transactionele analyse bekeken) in een kritische ouder – aanhankelijk kind- situatie terecht gekomen, en mijn voornemen was alleszins om nu een volwassene – volwassene- interactie te hebben.

Verder heb ik het inhoudelijk voorbereid. Wat ik heb gezegd waren de volgende dingen:

(1) Mijn baas had de vorige keer gezegd dat ik niet zo goed in een team pas omdat ik meer op mezelf ben. Hij had ook gezegd dat ik te perfectionistisch ben en dat hij vragen had bij mijn belastbaarheid gezien het feit dat ik kinderen heb. Daar ben ik op terug gekomen. Ik heb hem criteria gevraagd waaraan ik moet voldoen, en heb hem ook gezegd dat ik graag wil uitzoomen als het over sommige dingen gaat. Gedrag vindt altijd plaats in een context (een reden waarom ik bv niet zo uitblonk in samenwerking, is dat ik een hele tijd lang geen collega heb gehad om mee samen te werken in mijn afdeling) en ik wou heel graag de context mee bespreken (zoals bv de spanning tussen formeel en informeel leiderschap in het team). Dat leidde o.a. tot de absurde dialoog die als volgt ging:
Je had collega S. om mee samen te werken maar hij was niet goed genoeg voor jou!
– Euhm. Voor jou ook niet, want je hebt hem zelf ontslagen.

(2) Het niet-gevoerde gesprek. Er zit altijd zo veel onder en achter de dingen die we uitspreken. Misschien blijft het wezenlijke ongezegd. Dat heb ik benoemd. En ook dat het ongezegde zou kunnen zijn dat een bepaalde collega met veel invloed liever niet heeft dat ik terug kom; dat ik misschien wel te kritisch was in het verleden; dat ik me twijfelend en soms kwetsbaar heb opgesteld en dat ik daar nu op afgerekend word (twijfelend over wat we als organisatie doen en hoe); dat er te veel nieuwe mensen zijn aangenomen die kunnen blijven als ik niet terug kom. Of misschien wel onbewuste overtuigingen: een jonge vrouw met kinderen werkt beter niet. Of werkt beter niet in deze baan. Of de mannelijke vervangers die gezinshoofd zijn hebben meer recht op de uren?
Kortom: er zit zo veel onder en achter en ik ga niet doen alsof dat niet bestaat.

(3) Mijn vertrouwen is beschadigd door de manier waarop dit gebeurt, de timing. Maar vooral: omdat zijn voornaamste argument is dat ik zelf andere taken heb gevraagd. Wat inderdaad zo was, in het begin van mijn risico-zwangerschap. Hij heeft het me niet toegestaan en ik ben ziek geworden. Nu blijkt dat ik recht had op een aangepast takenpakket. Het feit dat hij me dit recht niet toegestaan heeft én het nu gebruikt als argument om me zelf te doen opstappen, vind ik schaamteloos.

Ik was kalm en heb geen traan gelaten. De baas? Die is woest de kamer uitgelopen, is teruggekomen om te zeggen dat hij niet meer met mij wou praten en dat hij zoiets nog nooit meegemaakt had, en dat we nu een arbeidsconflict hebben. Volgens het juridisch loket zou hij dit in elk geval gezegd hebben, en is de volgende stap dat ze me proberen weg te sturen met wat geld omdat we door het conflict niet meer kunnen samenwerken. We’ll see.