Happy happy

Niet alle dagen zijn ploeteren. Vandaag was een erg leuke dag met de baby’s. We dronken thee met bezoek terwijl ze sliepen in mijn armen, beurtelings. Daarna dronken ze terwijl ik een leuke serie keek. En na een beetje geknuffel (en lunch) op de bank, zijn we samen gaan shoppen. Borstvoedingsproof kledij! Veel modelletjes van King Louie hebben een goede decolleté waar je snel even een borst uit wipt, maar dit jurkje is ook bijzonder geschikt.

In de winkel wiegde de verkoopster de baby’s terwijl ik in het pashokje was. We praatten over haar kinderen en baby’s en mijn postnatale lijf en het was reuze gezellig. Daarna gingen de baby’s en ik de stad verder in. Soms heb ik er een hekel aan, de verrukte kreetjes, het aangesproken worden (soms heb ik haast, of geen zin om aan vreemden te vertellen dat ze inderdaad een tweeling zijn, zelf gemaakt ja, spontaan, twee-eiig, x aantal weken oud, inderdaad leuk ja, een rijkdom, dat ook, nee niet mijn eersten, ja twee meisjes). Maar soms is het ook erg grappig en lief. Zoals bij de dokter, waar ik in de wachtzaal borstvoeding gaf en een mevrouw naar me toe kwam en ze: ‘dankjewel, dat was zo mooi’. Of op open monumentendag, waarop een mevrouw mijn hand nam en stralend zei: ‘gefeliciteerd, he, gefeliciteerd’. (Ze had een zachte, warme hand.) Of toen de pubermeisjes kirrend voorbij reden (kijk, die baby’s!) en er één tegen de vlakte ging (gelukkig geen verwondingen). Het is een attractie.

Het lukte me avondeten te maken, de baby’s gingen om 20u naar bed (en vroegen alweer een voeding om 21u30 – ze eten nog steeds 8 tot 10 keer per dag!), ik heb alle was daarna nog opgevouwen en het grote bed nog verschoond. Dat is zowaar een succes te noemen.

Nog leuke banaliteiten.
– Nu ik hier 1,5 jaar woon heb ik EINDELIJK geleerd zelf melk te schuimen voor een cappuccino. Blijkt er (bijna) niets aan te zijn. Zucht.
– Tijdens de borstvoeding lees ik boeken van Helle Helle. Toevallig uit de bib meegenomen. Er gebeurt geen klap in die boeken en toch lees ik ze ademloos uit.
– Eén van de baby’s heeft een keer doorgeslapen. Het is een begin. Ik ben overigens niet zo uit op doorslapen, want ik vind het niet goed voor de borstvoeding.
– Kleine broer vroeg gisteren aan de Man of hij nog eens een pitje in mijn buik kon doen. Want hij wou nog wel een setje tweelingzusjes. Voor mij hoeft het niet zo nodig.
– Ik ben er aan toe een paar uur in de bib wat te gaan werken voor mezelf. Na 10 weken :). Ik vind het wel spannend.
– Ik ontdek telkens weer hoe goed het is af te spreken met andere mama’s. Dat breekt de dagen met kinderen.
– De osteopaat heeft Kruimel deugd gedaan. Ze spuugt minder! Ze lijkt zich ook wat beter te voelen. (Als ze spuugt, mikt ze exact tussen mijn borsten in. Dan druipt het in mijn bh. Ik kan daar voorlopig nog mee lachen.)
– De bib. Dat is dus een soort universum waar heel de dag allerlei soorten mensen rondhangen, waar je altijd naar toe kan en altijd mooie dingen vindt. Aaaaaah.
– Wat ik mis van België is a. het voedselteam en b. het bos. De Man neemt me nu op vrijdag regelmatig mee voor een boswandeling-met-draagdoeken, om te bewijzen dat hier ook bossen zijn (en warempel!). Het voedselteam is nog niet vervangen. Het zelfoogsten bleek niet voldoende op te leveren (twee bieten, drie wortels, tien aardappelen – tja). Maar afgelopen vrijdag heb ik een bio-dynamisch kraam gevonden op de markt en daar heb ik een keur aan groenten gekocht. Plots lijk ik weer te kunnen koken. Blijkbaar begint het voor mij met een resem groenten in de frigo, en dan goed nadenken wat ik daarmee kan doen.

 

Advertenties

Het postnatale lijf

Elke maandag ga ik op de weegschaal staan. Elke maandag ben ik opgelucht, want ik val per week iets tussen 0,8 kg en 1,5 kg af. Hoewel ik frietjes eet, taartjes, chocola en andere troep.

Ik was schandalig veel bijgekomen tijdens de tweelingzwangerschap. Een combinatie van hormonen, bedrust en eetlust. Of eetdrang. Intussen begrijp ik dat ik geen borstvoeding zou kunnen geven aan mijn duo als ik die vijftien kilo reserves niet had aangelegd. Vijftien kilo die ik nu geleidelijk aan verbruik. Ik hoop dat het afvallen doorzet en dat ik inderdaad op mijn pre-zwangerschapsgewicht uitkom. Soms neem ik me voor niet meer te snoepen, maar dat duurt meestal maar tot de eerstvolgende aanval van enorme vermoeidheid en dus zin zin zoet. Of tot de eerstvolgende keer dat ik geen tijd heb om iets deftigs te eten en een koekje of een boterham met choco het efficiëntst zijn. Of tot de eerstvolgende keer dat ik me realiseer dat koken met een huilende tweeling geen kattenpis is, en dat de Man om patat sturen soms de beste garantie is op warm eten.

Ik wou dat ik het bovenstaande had geweten, tijdens mijn zwangerschap. Dus ik vertel het hier voor toekomstige moeders: je lijf bouwt een reserveke op dat je opsoupeert als je borstvoeding geeft. De natuur heeft dat goed geregeld.

Verder kijk ik regelmatig op de instagram van kiind. Er zijn vrouwen die zo moedig zijn hun postnatale buik met de digitale wereld te delen. Ik ben niet eens moedig genoeg om mijn buik met de Man te delen en soms niet moedig genoeg om het aan te zien in de spiegel. Ik deel geen foto, maar als ik het in drie woorden zou moeten beschrijven: slap, strepen, bol. Ik heb allerlei truukskes, van een soort korset tot corrigerend ondergoed. Geen enkel truukske is ‘genoeg’. Ik blijf er zwanger uit zien, door de diastase waar ik maar eens voor naar de kine moet (maar wanneer, wanneer?).
Voor andere (twin)mama’s wil ik dit graag vertellen. Dat mijn buik nooit meer zal worden wat ie was (dus het is niet abnormaal als dat bij jou ook zo is – ik las laatst de Linda en daar stond een tweelingmama in die actrice is met een tweeling van twee en op één van de foto’s staat haar buik – de Man schoof het onder mijn ogen en zei dat het bij haar toch goed gekomen was – ze heeft de buik van een achttienjarig meisje, strak en plat en het is gefotoshopt, zeg ik u, want dat kan gewoon niet na een tweelingzwangerschap!). En dat op kiind moedige moeders hun buiken tonen en dat het echt helpt om dat te zien en zo heel langzaam je beeld te kantelen van hoe de realiteit is en hoe je ernaar kan kijken.

De fuik

Binnen 27 dagen heb ik een afspraak met de baby’s. Ze kunnen ook later komen, maar ik heb ze uitgenodigd op de dag dat de maan vol is. Ze zijn immers ook ontstaan toen de maan vol was, en ik hou van cirkels die rond zijn.

De voorbije week was er geen om over te schrijven, dus ik twijfel of ik het doe of niet. Maar a. het gaat hier over het leven zoals het is, remember? en b. schrijven helpt het ook bij elkaar te puzzelen in mijn eigen hoofd.

Op vrijdag werd ik verwacht bij de poppoli. Het werd een lange zit waarbij de pijn heel snel het gesprek behoorlijk vertroebelde. Toen ik na allerlei vragenlijsten en onderzoekjes bij de psychiater kwam, was de diagnose ‘prenatale depressie’ een feit. Voor alle duidelijkheid: onder invloed van hormonen, pijn en slaaptekort is er iets mis gegaan in mijn hersenen. Het heeft niets te maken met niet blij zijn met de baby’s of ondankbaarheid. [Als ik hier iets van geleerd heb, is het dat het niet helpt om tegen iemand met een depressie te zeggen dat hij/zij maar eens wat leuks moet gaan doen, blij moet zijn met wat hij/zij heeft of dankbaarder in het leven te staan. Dat zijn nu net de dingen die niet lukken, omdat je hoofd gewoon even niet meer meedoet.]

Anyway. Het verbaasde me niets. ‘Die sluier die overal overheen ligt,’ zei de dokter, ‘dat is depressie’. Ja, denk ik. De sluier die over de dagen ligt, waar ik amper doorheen kom omdat ik pijn heb, moe ben, weinig energie heb, me beperkt voel, de slaapkamer mijn actieradius is geworden. En de sluier over de nachten. Jeetje, de nachten. Elke nacht strompel ik een keer naar de bank of het logeerbed om de Man niet wakker te maken. Meestal tussen 1 en 2. Uitzonderlijk een keer om 4 uur. Ik ben dan klaarwakker. Tegen de ochtend komt de slaap weer, maar dan begint de dag. [De voorbije nacht keek ik naar de mooie docu Verlaten op de NPO-app. Ik kijk ook vaak naar Jeroen Meus. Trage tv, mooi, dicht bij het leven.] [ Soms is het alsof mensen van de tv mijn vrienden zijn ofzo. Klinkt ziekelijk, maar als je heel de dag alleen bent en je kijkt naar een serie, heb je om den duur het gevoel dat die personages werkelijker zijn dan die hele wereld buiten de slaapkamer ofzo.]

Het weekend was extreem warm. Mijn voeten en handen zwollen nog meer op, ik voelde me zwaar beroerd. De slaap werd nog minder. Dus op maandag had ik een huilbui om u tegen te zeggen, belde ik het ziekenhuis en vertelde ik dat ik ongerust was (wijzen dat ellendige gevoel en die dikke enkels en handen niet op zwangerschapsvergiftiging?) en reed ik naar daar voor controle. Monitor, allerlei checks. Bloeddruk was laag in plaats van hoog. Baarmoeder was iets te actief, en baarmoederhals iets te ver verstreken.

Anyway. Ik sleepte me naar huis, kroop in bed. De Man kwam terug uit het werk. De telefoon ging. De psychiater van het ziekenhuis vroeg of ze mijn Man mocht spreken. Ik gaf verdwaasd de telefoon door. Het verzoek werd gedaan om me op spoed binnen te brengen. De combinatie van de diagnose op vrijdag en ellende op maandag had wat alarmbelletjes doen rinkelen.

Babysit gezocht, naar het ziekenhuis gereden. En toen werd de fuik opgezet. Ik was somber, toch? (ja) Wanneer had ik nog eens een nacht geslapen? (geen idee) Ik had wel eens wanhoopsgedachten gehad, toch? (ja, in maart – het hielp om te stoppen met werken) Het was fysiek zwaar, toch? (ja, maar 32 weken en twee baby’s zijn daar een prima excuus voor) Wist ik dat prenatale depressie een verraderlijk ziektebeeld is? Door de combinatie van hormonen en slaaptekort zou ik mezelf zomaar iets kunnen aandoen. (tegen die tijd snikte ik al)

Even later werd ik in een rolstoel naar een psychiatrische afdeling gereden. Als ik niet minder uitgeput zou geraken, zou het een drama zijn voor bevallen en kraamtijd. Ik werd in een kamertje gestopt. Er werd op me ingepraat over het nemen van slaapmedicatie. Ik weigerde, dat vonden ze dom. Twee dagen later vond ik op een website van de Nederlandse overheid dat de medicatie die ze me wilden geven absoluut uit den boze is in het derde trimester van een zwangerschap.

Het werd nacht. Ik hoorde andere patiënten huilen in andere kamertjes. Het werd weer dag. Ik werd gewekt, onderzocht en ging ontbijten. Ik zat aan tafel met huilende anorexia-patiënten met buisjes in hun neus, twee verpleegsters aan elke kant om hen te overtuigen een schepje corn flakes te eten.

Weer in bed probeerde ik mijn gedachten op een rijtje te zetten. Het was me duidelijk dat ik hier niet hoorde. Mijn Man was jarig. De omgeving nodigde niet echt uit tot tot rust komen of me beter voelen. Er was wel een heel lieve verpleegster die thee bracht en mijn kussensloopjes ververste omdat het zo warm was.

Na een paar uur zat ik voor een peloton van zes dokters. Dat ik naar huis ging. Dat daar zijn me niet hielp. Er werd gesproken over verraderlijke ziektebeelden en mezelf iets aandoen. Ik kreeg het gevoel dat alles wat ik zei of deed verdraaid kon worden. Als ik bijvoorbeeld vertelde dat ik geen plannen had mezelf iets aan te doen en wel gedachten heb over hoe het gaat zijn als de baby’s er zijn, werd er priemend naar me gekeken alsof ik in ontkenning was.

Anyway. De Man kwam. De dokters hadden een plan. Voor medicatie en hulp thuis. We gingen naar huis. Ik was even verdwaasd als geschrokken.

De volgende dag moesten we naar de psychiater van de crisisdienst. Tegen die tijd was ik kwaad, om drie dingen:

  1. Wie bedenkt het dat een zwangere vrouw (of wie-dan-ook!?) beter wordt in zo een omgeving?
  2. Wie bedenkt het om een slaappil op te dringen (niet genomen) die gevaarlijk is tijdens de zwangerschap?
  3. En wie bedenkt het om medicatie voor te schrijven waar baby’s postnataal afkickverschijnselen van krijgen?

De psychiater van de crisisdienst zei dat hij zich ook niet lekker zou voelen, als hij het huis amper uit kon, elke dag pijn zou hebben en niet zou kunnen slapen. Hij vond het allemaal niet zo vreemd, zei hij.

En nu. Nu komt er om de zoveel dagen iemand langs om te kijken hoe het gaat. We proberen hulp aan te vragen in het huishouden, zodat mijn frustratie van niets-meer-kunnen en heel-de-dag-alleen wat getemperd wordt. Ik probeer onder die sluier uit te komen, zonder pillen. En ik tel de dagen af, tot de geboorte. Uitkijkend naar de baby’s. En naar het achter mij laten van deze tijd waarin ik zo veel kwijt ben geraakt (werk, bijberoep, fysieke en mentale vermogens, zelfvertrouwen, …) en in verwachting ben van zo veel nieuws.

 

In beeld

 

Ad 1. De  buik. Hij is immens. Nog ongeveer 11 weken te gaan – imagine. Soms gaat het prima. Soms voel ik me zo bedolven onder mijn eigen gewicht dat ik erg bang word – want de baby’s moeten nog drie en liefst vier keer gaan wegen wat ze vandaag wegen. In welke richting ga ik nog groeien? Mensen wijzen op straat. Kinderen zeggen luidop tegen hun moeder dat ik een dikke mevrouw ben. Een oud vrouwtje sprak me aan. ‘Twee?’, zei ze. ‘Dat is alles waard.’

Ad 2. Uren in een ziekenhuiskamertje. Er is al wat paniek geweest. Een keer een erg hoge bloeddruk. Een keer een soort weeënactiviteit – pijnlijk en veel te vroeg. Na negen uur in het ziekenhuis was de aanname dat ik nierkolieken had. Door de druk van de baby’s kan het afval niet goed weg, mijn linkernier bleek vergroot. De pijn was stevig, maar ik heb toch maar bedankt voor de portie morfine die me aangeboden werd. In een eerder stadium – toen nog niet duidelijk was dat het geen dreigende vroeggeboorte werd – werd er gesproken over welk ‘beleid’ we moesten voeren. Met andere woorden: we moesten kiezen tussen ervoor gaan en dan erg gehandicapte kindjes die maanden in de couveuse moesten (als ze het zouden overleven), en ze krijgen, wetende dat er enkel voor hun ‘comfort’ gezorgd zou worden. O my god. Wat een onmenselijke keuze om te maken. Mijn hart is bij alle moeders die voor deze verscheurende keuze staan of gestaan hebben.

Ad 3. In bed. Leve bob, het kussen dat tussen mijn knieën en enkels ligt. Dat desbetreffende moment lag ik te luisteren naar de jongens die in de tuin aan het spelen waren, dankbaar om de mij gegunde rust.

Ad 4. Het is absurd, maar er is iets hormonaals dat ervoor zorgt dat je dingen wil kopen. Voor de derde keer sta ik in mijn handen met hydrofielluiers/tetradoeken. Ik weet dat ik er veel nodig heb maar ik ben totaal vergeten waarvoor je ze ook alweer gebruikt.

Ad 5. Mijn eerste dag in ziekteverlof. Met de fiets op weg om mijn benen te laten meten voor de charmante steunkousen. Op de terugweg woeste honger, en beseffen dat ik gewoon tijd had voor taart op een doodgewone maandagochtend terwijl de hele wereld gewoon draait en draait en draait. Ik zat de Linda te lezen trouwens. Die ook in elke wachtkamer in Nederland lijkt te liggen. Ik ga de Linda nog missen als de baby’s er zijn.

Plukbare dagen

Het is maandagochtend en ik begin aan mijn eerste week thuis.

Mijn hoofd is opengeklapt. Ik heb plots ruimte voor dingen.
Ik herken mezelf weer, ik heb weer ideeën.

En ik moet lachen om mezelf. Hoe heb ik ooit gedacht dat ik een drukke baan buitenshuis kon combineren met een goed draaiend huishouden?
(aan iedereen in die waan: VERGEET HET)

Klara staat aan, ik maak het weekmenu.
Ik heb al heel lang geen weekmenu meer gemaakt.
We eten deze week uit ‘Vegetarisch genieten’, nog steeds een topboek door de vele suggesties die je bij de gerechten krijgt en die op zich ook al gerechten zijn.

Dadelijk een dokterafspraak. In mijn hoofd ontwikkelt zich een basic weekstructuur. Ik ben er zo van uitgegaan dat er iets mis is met mij omdat ik niet kon volgen, maar nu ben ik thuis en is mijn hoofd erg overzichtelijk. Ik vind bijna dat ik weer moet gaan werken omdat ik me beter voel, maar ik realiseer me dat ik me beter mag voelen en dat dat ook beter is voor de baby’s.

Ik lees het Parool. Roos Schlikker schrijft: ‘Nooit echter in Amsterdam. Daar heb ik geen adem om te vertragen, druk doende om carrière te maken, kinderen op te voeden, aan zingeving te doen en o ja, ook nog de dag te plukken. Maar veel dagen razen ongeplukt voorbij. En niet alleen bij mij.

Ook hier zijn er te veel ongeplukte dagen. Wanneer fietste ik eens naar zee? Wanneer las ik eens een boek in een parkje? Wanneer bakte ik eens cakejes met mijn mannekes?

Stiekem hoop ik dat ik mijn bijberoep kan doorontwikkelen, en daar een leven op kan bouwen waarin de dagen wat meer plukbaar zijn. Waarin werk te managen is en een goede plek krijgt in dit leven. Waarin de ratrace niet meer bestaat. Waarin ik zelf de structuur bepaal.

Zou het kunnen?

[Voor de nuance. Het is makkelijk deze keuze te maken als je financieel beschermd bent door een uitkering en een Man. Ik weet hoeveel geluk ik heb.]

 

 

Gestopt

Ik zit weer in haar praktijk. Ik check of het boek over dode kinderen nog steeds weg is. Dat is het, gelukkig.

Ik vertel haar hoe de voorbije week was. Even op adem gekomen toen ik me ziek gemeld had, daarna weer gaan werken en al vanaf de avond op voorhand tranen met tuiten gehuild. De dag zelf gered aan de buitenkant, maar vanbinnen leeg, leger, leegst, op. Van de auto naar bed.

‘Je kan het niet meer,’ zegt ze. ‘Je moet nu echt stoppen.’

In mijn hoofd zaten nog allemaal plannetjes. Een lijst met belangrijke dingen die ik wou afwerken om het in schoonheid af te ronden.

‘Je bent depressief. Je slaapt niet. Je bent zwanger van een tweeling. Je hebt pijn. Het gaat niet,’ zegt ze.

Ze heeft gelijk. Alle warrigheid waarmee ik binnen stapte, klaart op. Ik moet gewoon stoppen.

‘Wat wou je? Nog harder je best doen? Hopen op een goede nacht? Nog een tandje bij steken?’

Ja, dat was inderdaad het plan. Maar nu niet meer. Ik stop.

Ik vertel haar waarom ik niet kon stoppen. Omdat ik bang ben dat ik nooit meer terug zal gaan. Dat dit het is, met de leuke interessante en relevante baan. Dat ik in een soort niemandsland terecht ga komen en niet ga weten wat ik voor mezelf wil, wat ik wil worden, als de baby’s groot genoeg zijn om door iemand anders verzorgd te worden.
En ook: omdat mijn moeder gestopt is, toen ik geboren ben. En altijd overduidelijk gefrustreerd is geweest om die beslissing. Ik ben bang om een afwezige gefrustreerde moeder te zijn. Als ik verder graaf in mijn geheugen, zie ik dat ik na school boodschappen deed en kookte voor zes. Ik was 12, 13 misschien. Ik zie dat ik in het washok tussen de zurige kledij groef naar de kleding die ik nodig had voor de turnlessen of om morgen iets schoons aan te doen. Ik voel de klap weer die ik in mijn gezicht kreeg toen ik ’s ochtends naar school moest vertrekken en de brief vroeg die ik haar drie dagen geleden had gegeven en die gehandtekend mee moest. Uiterlijk vandaag. De brief was kwijt, ik kreeg een klap. Ik ben die dag niet naar school gefietst en heb me machteloos en woest opgehouden op mijn kamer.

‘Zo,’ zegt ze. ‘Het is wel duidelijk waarom je depressief wordt van zwanger zijn.’
Ja. Denk ik. Ik heb weinig vrolijk moederschap gezien. En de voorbije jaren voelde moeder zijn bij momenten ook als een kooi. Niet omwille van de kinderen, maar omdat ik het alleen deed. Ik vertel haar dat ik mijn kinderen wel zeg dat ik blij ben met hen. Dat ik wel naar musea ga, naar de film, dat ik op bankjes bij de speeltuin zit, dat we samen slapen en knuffelen. Ik denk aan de Man en hoe hij van ons clubje een gezin heeft gemaakt en daarin een zekere kwaliteit eist. Hoe hij ’s ochtends de jongens hun haren kamt en gezichten wast, hoe hij voorstelt op zondagmiddag iets samen te doen en ook op zaterdagmiddag. Hoe hij een weekendje centerparks in plant en dan zonder morren met de mannen van de glijbaan gaat terwijl ik beneden wacht. Hoe hij nieuwe kleding koopt voor de kinderen en hen meeneemt naar de kapper. Ik heb nu al een ander gezin dan het gezin waar ik in opgegroeid ben.

Ik fiets naar de fysio en het is alsof er duizenden kilo’s van me af vallen. De dagen daarop ben ik moe, hondsmoe, maar ik heb tenminste tijd om moe te zijn. Er flitsen dingen door me heen die ik kan doen (koken! lezen! fietsen!), maar ook zonder werk vullen de dagen zich vlot en is het puzzelen om eens een middagdutje te gaan doen. De baby’s groeien en schoppen en ik heb adem te kort. Na een gesprek met de fysio bouw ik een aangepast soort bed voor mezelf, waar ik rechtop zittend kan slapen, met ondersteuning onder mijn knieën waardoor mijn bekken zich licht ontspant en ik zowaar een keer drie uur aan een stuk slaap. Het huilen is gestopt. Ik voel de baby’s nu als een bijzonder project. De weken die ik nog te overbruggen heb, als te overzien. Ik parkeer de vraag wat na de baby’s komt. We zullen het zien.

 

Het licht is gewoon even uit

Mijn blog en mijn leven lopen niet helemaal simultaan (ook om mezelf wat te beschermen omdat sommige reacties momenteel niet zo fijn binnen komen). Dit stukje is enkele weken oud bij publicatie.

Het is maandag. Ik heb me ziek gemeld. Het gaat altijd gepaard met twijfel (kan ik nu niet een beetje meer mijn best doen?) en schuldgevoel. Maar hier zit ik. Thuis. Alleen.

Ik probeer wat structuur in de dag te brengen. Zet de wekker ’s ochtends een half uurtje om het huishouden wat op orde te brengen. Ga dan wat lastige klusjes te lijf. Ik ben helemaal stil de laatste dagen. En stil in stilte is wel passend.

De afgelopen week was hels. Wel moeten, niet kunnen. Al mijn zelfvertrouwen weg na maanden geploeter. Als je al maanden alles moet doen met te weinig lepels of zonder lepels, en je stapelt mislukking op mislukking, en je slaapt niet, en je hebt pijn. Dan wordt het wel eens heel heel donker.

Op donderdag huil ik de hele dag. 
Op vrijdag kom ik bij de therapeute van mijn antroposofische praktijk. Ik krijg paniek van een boek dat in haar kast staat over een dood kind. Ik weet dat ik niet normaal reageer op zo’n dingen, maar vraag haar toch dat boek weg te doen. Ze doet het zonder vragen stellen.
Ik vertel. Dat ik al ontregeld was toen ik nog niet wist dan ik zwanger was, maar het wel al was. Dat ik heus dankbaar ben, dat ik de baby’s wil. Dat ik een lieve Man heb en leuke kinderen en niets te kort. Maar dat het niet gaat.
Ze schudt haar hoofd. We kunnen niets doen, zegt ze. Dit is hormonaal. Ongeveer 12% van de vrouwen heeft er last van. Je kan van jezelf vinden dat je flinker moet zijn, dankbaar, blij of om het even wat, maar je hormonen hebben alles nu even op z’n kop gezet en het wordt niet beter dan het nu is door te praten of de druk op jezelf hoger te maken.

Dat ze dit zegt, is een opluchting. Het is dus niet mijn schuld. Ik ben niet ondankbaar, onvermogend om gelukkig te zijn wegens eens slecht of zwak karakter. Het ligt niet aan te veel willen of te weinig keuzes maken. Het licht is uit in mijn hoofd omdat de zekeringen niet meer werken.

Ze gaat bellen. Naar de huisarts. Naar de poppoli. Naar de gynaecologe. Naar mijn bedrijfsarts.

Ik mag nog even in het bibliotheekje zitten omdat ik te moe ben om naar huis te fietsen. Het is op de bovenste verdieping en het maakt me irrationeel bang dat er een deur is waarmee je op een terrasje komt waar je gewoon af kan stappen. Ik vang de fietstocht toch maar aan.

Het is nog maar half 11, maar ik ben gesloopt. De Man is 35 km gaan lopen. Ik lig op de bank. Ik wou dat alles normaal was, maar dat is het even niet. Ik wou dat ik blij kon zijn en gelukkig en stralend en hieperdepieper, maar het licht is even uit.

Op zondagmiddag vraagt de Man wat ik dan wil doen, thuis. De komende weken. Ik heb geen flauw idee. Koken, denk ik. Iets lekkers maken. Niet ’s avonds als ik al te moe ben, maar misschien in de ochtend? Een boek halen bij de bib en proberen wat te lezen misschien? Fietsen als het wat warmer wordt? Wat werken, maar niets waar ik stress van krijg?

Ik app met een kennis van de zwangerschapsyoga. Ze zit in een gelijkaardig schuitje. Ik kan zien dat ze niet incapabel is of dat haar situatie niet hopeloos is. Ze is gewoon zwanger en verdient wat rust en zorg. Ik probeer met dezelfde ogen naar mezelf te kijken.

En dan is het maandag en ga ik nergens heen. Nog 16 weken zwanger zijn, denk ik. Nog 2688 uren ongeveer. Ik voel de meisjes bewegen vanbinnen en ik ben blij dat ze er zijn. Ik kijk uit naar hun geluidjes, hun geur, hun gezichtjes (op wie gaan ze lijken?). Ik kijk uit naar die heerlijke oxytocine-roes die ik van de borstvoeding krijg. Ik kijk uit naar de kleine lijfjes in de draagdoek. Ik kijk uit naar de heilige rust in een huis waar twee kleine mensjes slapen onder bescherming en liefde van mij en de Man. Ik kijk uit naar alle eerste keren, maar vooral naar het koesteren van het begin van hun kleine leventjes.

Yoga light voor jankerds

De zwangerschapsyoga is een poging om bewust en  positief bezig te zijn met mijn zwangerschap. So far, so good.

Toen ik naar de stad verhuisde om met de Man te gaan samen wonen en de keuze maakte minder te gaan werken, dacht ik dat mijn leven zich zou afspelen in yogascholen en koffiebarretjes. Om één of andere reden was dat nog niet zo uitgedraaid. Maar nu stap ik één tot twee keer per week de yogaschool in en ben ik helemaal blij met die leuke plek. Het is er mooi en ze hebben lekkere thee.

De zwangerschapsyoga is yoga light. Met allemaal bolle buiken zitten we in een kring. Iedereen vertelt wat, we doen oefeningen, we doen een eindontspanning.

Vandaag was een bijzondere les. Dat kwam door drie dingen:
1. In het begin-rondje (hoe gaat het?) vertelden twee andere bolle buiken dat het helemaal niet zo fijn ging. Moeilijk om zwanger te zijn en te werken, moeilijk als je weinig energie hebt door de zwangerschap, frustrerend om elke dag van je werk naar je bed te gaan, tranen al dan niet met tuiten, maar wel dagelijks. Ik vond het zo erg voor hen, maar ik was zo opgelucht dat ik niet de enige was/ben die het niet zo makkelijk vind.
2. Tijdens de les moesten we oefeningen doen die asymmetrisch zijn, bijvoorbeeld op één been staan. Daar is mijn bekken te instabiel voor, ik vind de pijn van een wee lichter dan de pijn van mijn bekken als ik op één been ga staan nu. Dus ben ik in huilen uitgebarsten. Omdat ik zo moe was van dag en nacht pijn, van wel dingen willen en niet veel kunnen, van wakker te zijn sinds half 1 ’s nachts omdat de pijn aan mijn botten rammelt. De yogajuf reageerde heel lief. De rest van de les heb ik eigenlijk het einde afgewacht op mijn matje. Gaan liggen was jammer genoeg ook geen optie want liggen op een matje is ook te belastend voor mijn bekken en ik kom niet meer recht, wat vrij gênant is. Ik kan dus zelfs geen yoga light meer. Aaarghl.
3. Na de les probeerde ik wat ongezien weg te komen, huilen in het openbaar is altijd gênant. Maar de twee andere dames waarbij het niet zo fijn gaat, spraken me aan. En voor ik het wist, zaten we een uur te praten. ’s Avonds had ik een appje van één van hen. Betekent veel voor me, aangezien ik nog steeds in een vrij nieuwe stad mijn weg probeer te vinden, af en toe hevig verlangend naar alles en iedereen dat/die vertrouwd was in België.

 

Tot slot. Ik zat in de yoga, en keek rond me. Een vrouw die er ook zat deed me denken aan de ex van mijn Man. De ex waarmee hij in een vruchtbaarheidstraject zat. De ex die nu elders is, en pluskinderen heeft, maar nooit zelf met een bolle buik in een yogaklasje heeft gezeten. Ik dacht aan andere mensen die ik ken, voor wie het niet is weg gelegd. En ik realiseer me dat al die pijn en al het ongemak erg relatief zijn ten opzichte van dat verdriet, en daarvan moest ik uiteraard nog meer huilen (tja, hormonen). Ik vind het heel moeilijk om daar over te schrijven, omdat ik het absurde geluk heb twee baby’s te krijgen zonder dat er een dokter, spuit of behandeling aan te pas is gekomen. Maar ik wens iedereen toe dat zijn/haar diepste wensen vervuld mogen worden, en ik voel veel compassie (niet in de zin van denigrerend medelijden) met diegenen voor wie dat niet kan. Ik vind het heel moeilijk om daarover te schrijven omdat ik bang ben dingen in te vullen voor anderen, omdat ik niet kan weten hoe het voelt, en omdat ik absoluut niets pijnlijk of kwetsend wil zeggen of schrijven. Maar ik denk er vaak aan en ik wou echt dat iedereen mocht krijgen waar hij/zij naar verlangt.

 

 

Over zij die weet en zij die nog niet weet

De man en ik gaan naar de film. Het is altijd twijfelen. Enerzijds ben je er een hele avond aan kwijt (o help, niets ‘nuttigs’ doen?!), anderzijds is het altijd wel stof tot nadenken.

We zagen deze. Over een vrouw die te horen krijgt dat haar vader haar vader niet is en dat haar moeder stervende is. Maar daar gaat het niet eens echt over. Het is een kluwen van lijntjes door elkaar, waarbij je de vrouw ziet worstelen met haar huwelijk en niet-zo-deugdelijke echtgenoot, het moederschap, het beroep dat haar labiele vader op haar doet, de strijd met haar moeder, haar ambitie om te schrijven, de nood om brood op de plank te krijgen, een halfzusje dat op haar bank beland, haar eigen emoties, de aantrekkingskracht tot een andere man.

Het is een kluwen. In het kluwen zit veel codetaal verborgen omtrent vrouw-zijn. Op een bepaald moment wordt verwezen naar de moeder als zij die niet weet, wat natuurlijk een knipoog is naar Pinkola Estes, ‘zij die weet’. Vaak genoeg geeft het hoofdpersonage blijk van intelligentie. Ze is mooi. Haar intuïtie werkt goed. Ze ‘weet’. Maar ze is verstrikt in een kluwen en daar is ze zelf ook debet aan, door haar ambities op te bergen en daarover kwaad te zijn op de ander, en dan met name haar wat luizige echtgenoot en haar moeder.

De Man (de mijne) en ik hadden een gesprek achteraf. Hij vond de film chaotisch. Te veel thema’s door elkaar. Ik dacht dat de chaos net bedoeld was om net als de vrouw zelf ergens wel te weten waar het naar toe moest, maar die draad heel de tijd te verliezen in het appel van de 1001 dingen die voorbij komen. Scherp je ambities maar eens aan, zet je man maar eens buiten als terwijl je moeder sterft, je dochters puberen en de rekeningen betaald moeten worden. En dan nog, wat is het alternatief?

De Man vond de man uit de film fout begrepen. En inderdaad, hij deed vaak zijn best. En de  vrouw onthield hem seks (logisch om dan vreemd te gaan? …), en erkende zijn inspanningen voor het gezin niet echt. Maar dan stel ik me de vraag naar gelijkwaardigheid. Elkaar zien en erkennen is belangrijk, maar als zij zijn slordige pogingen wat verantwoordelijkheid op te nemen thuis moest honoreren, krijg je toch nog steeds een zeer asymmetrische relatie.

De film was enerzijds erg herkenbaar, en anderzijds totaal niet. Het gedeelte totaal niet gaat over onze thuissituatie. Mijn Man doet meer dan zijn deel in het huishouden, genereert een goed inkomen, biedt bedding en stabiliteit. We hebben eigenlijk nooit man/vrouw-issues in onze relatie, als in: wat is een taak van de man, wat is een taak van de vrouw. Hij werkt meer dan ik, maar dat zal voor hem nooit een reden zijn om bijvoorbeeld de kinderen niet in bad te doen of het afval niet weg te brengen.

Tegelijkertijd is er het element herkenbaarheid. Namelijk: zelf beschikken over een vorm van (jong) talent en enige ambitie, en dat ondergesneeuwd zien worden in de duizend dingen van elke dag. Werken aan een verhaal waarvan ik nog niet eens heel goed weet wat ik er dan mee moet als ik het echt opschrijf, verbleekt bij boodschappen doen en avondmaal koken voor het gezin en vervolgens honderd e-mails beantwoorden en op tijd in bed want morgen weer vroeg dag. Het ontwikkelen van een eigen praktijkje waarvoor ik nu een schamel stappenplannetje heb, krijgt de lakmoesproef wie-wacht-er-op-en-wat-brengt-het-op-dus-moet-ik-het-wel-doen-en-me-niet-gewoon-richten-op-hier-nu-de-dingen-die-ik-al-doe. Ik schrijf mijn plannen op, kom uit de flow en vraag me dan weer af of ik mezelf niet wat wijs maak. Zoiets.

Ik heb al weken ‘Playing big’ van Tara Mohr op mijn bureau. ‘Vind je stem, je missie en kom in actie!’. Een boek voor vrouwen die wat kunnen en willen en ondergesneeuwd geraken, niet alleen door alles rondom, maar ook door hun eigen innerlijke twijfels. (Ladies out there, KOOP DAT BOEK). Ik leer het onderscheid maken tussen mijn innerlijke criticus en mijn innerlijke mentor. Bij een visualisatie-oefening ontmoet ik mijn zelf, binnen twintig jaar, hier in dit huis, nog steeds balancerend tussen werk en kinderen met een doos vol opgeborgen plannen onder het stof. Dat, dat gaan we dus niet doen, denk ik. En nu weer over tot het kluwen van de dag.