Scènes uit een tweelingleven #4 – stand van zaken

Het is altijd een beetje moeilijk om over kinderen te schrijven. Want het is zo ‘gewoon’ en tegelijkertijd voor mij en de Man het middelpunt van het heelal. Sowieso is het schrijven de laatste tijd wat moeilijk. Dat heeft te maken met het ongestructureerde leven met twee baby’s, maar ook met de zoektocht naar wat ik wil vertellen. Mijn uitjes bijvoorbeeld wil ik best opschrijven, maar ik weet niet of mensen echt zitten te wachten op lijstjes van films die ik zie, boeken die ik lees of anderszins. Wat ik denk ik hier altijd gedaan heb, is dat praktische niveau ‘overstegen’ (in de zin van: dat ik meer meta-dingen schrijf, bijvoorbeeld waarom het mij deugd doet alleen naar de film te gaan in plaats van welke films ik heb gezien deze maand), simpelweg omdat ik mezelf verre van een type vind dat advies of tips aan anderen kan geven. Ik voel me eerder de kluns of chaoot van blogland, en zoals we allemaal weten: verstandige blogs met slimme tips zijn er al genoeg.

Maar dus. De kinderen. Hoe gaat het daarmee? Enkele losse dingen.

  1. De jongens. We hebben de kerstvakantie met behulp van een whiteboard en post-its goed gestructureerd. Elke dag een activiteit, geen lange dagen hangen en spelen. Ik ben niet zo van het structureren en plannen, maar ik weet nu heel goed waarom het goed is. Eerst en vooral komen spontane acties er toch niet van. Nee, wij gaan niet spontaan eens schaatsen met de jongens. We hebben een tweeling van zes maanden die we immers niet alleen thuis kunnen laten. Vervolgens kan je door vooruit te plannen en te denken ook een evenwichtig programma opstellen. Een theater, een film, een keer schaatsen, een indoor-speelhel. Tenslotte ben ik niet iemand die ‘zin’ heeft in dingen, zoals een indoor-speelhel, maar als je er op ingesteld bent en je de dag er rond organiseert, doe je het en besef je dat het nog niet zo gek is om met een koptelefoon op en een cappuccino tijdschriftjes te lezen tussen de joelende kinderen, terwijl de Man thuis vader-dochters-tijd heeft.
  2. De jongste zoon heeft het wat moeilijk. Hij treuzelt met alles en gooit ongeveer overal met zijn pet naar. Het is ontzettend irritant en ik heb daar verschillende gedachten bij. Namelijk: hij heeft twee zusjes gekregen, alles is anders, dus hij heeft tijd nodig. Ook: hij heeft vast ADD zoals ik. Ook: fuck, hij lijkt op zijn vader (en dan zie ik hem al volledig van het pad afgeraken doordat hij zich nergens voor kan motiveren). Ook: het is vast ook iets in de interactie. M.a.w. het kind VRAAGT iets van mij of toont mij iets, misschien wel over mezelf. Maar ik ben ZO geïrriteerd dat het heel moeilijk is om hier constructief mee om te gaan. (Irritatie doordat ik elke opdracht drie keer moet geven, hij standaard niet luistert, hij sommige dingen wel doet maar er dan met zijn pet naar gooit – zo vind ik zijn vuil ondergoed standaard naast de wasmand in plaats van er in.) De grote broer heeft een excellente periode met veel zelfsturing. Ik hoor hem wel eens nare dingen zeggen tegen zijn broer (categorie: ‘jij bent diarree’), maar dat lijkt me broers eigen. Toch? Zeg gewoon ja.
  3. De baby’s zijn een half jaar. EEN HALF JAAR. Om de balans even op te maken. We zijn moe. Het huis is een puinhoop. De nachten zijn nog zeer sterk onderbroken. De borstvoeding is bijna op (ik geef nog vier keer per dag melk aan de baby’s, maar dat zijn eerder symbolische slokjes denk ik – het voelt gewoon alsof ik amper nog melk heb, heeft ook te maken met het feit dat ik telkens ik ongesteld word – sinds de geboorte al vijf keer – zucht – een enorme productiedip heb). De baby’s doen het vrij goed. Uitdagingen zijn momenteel: structuur (ze slapen om 9u30 ’s ochtends 1u tot 1,5 uur en rond 13u ook nog eens, maar veel te weinig/te kort, waardoor het laatste deel van de dag – tussen 16 en 19u, altijd ploeteren is). Slapen. De oudste baby zet het elke avond meermaals op een krijsen, het lijkt alsof ze bang is. Helaas heeft ze ook een enorm stemgeluid dus maakt ze haar zus ook wakker en dan is het echt lol, met twee overspannen baby’s. Laatst suggereerde iemand tien keer na elkaar: laat ze anders gewoon eens een avondje huilen. Maar dat kan dus niet met tweelingen, want dat escaleert enorm. De onrust slaat over en voor je het weet zijn ze beiden totaal over de rooie. Wat leuk is: ze spelen, ze zitten in stoeltjes, ze maken steeds beter duidelijk wat ze willen en wie ze kennen. En ze verschillen dag en nacht, uiterlijk (hoewel er mensen zijn die ze niet uit elkaar kunnen houden) en karakterieel. We hebben een zenuwachtig mager pittig dingske en een gezapige rondbillige lieve baby.

Waar ik vaak aan denk is dat het oneerlijk doch logisch is dat er vaak een conflict is tussen moeders en kinderen. Ik ben me met de baby’s aan het loswrikken uit de symbiose die een hele tijd geduurd heeft (vanaf de conceptie tot nu). Natuurlijk ben ik er meestal, maar ik ga dus ook wel eens alleen op stap of ga een paar uur werken (bijberoep). Het kost zo veel (o.a. verontwaardiging, angst, …) om dit loswrikken te realiseren en eigen ruimte op te eisen, en ik kan me voorstellen dat dit proces veel mixed feelings teweeg brengt bij de baby’s. Ik zie nu ook dat de Man zich niet hoeft los te wrikken, die moet net de omgekeerde beweging maken, namelijk zich binden. En in verhalen van vrienden over de band met hun moeder, hoor ik vaak dat het net wel of net niet (voldoende) verbreken van de symbiose, hen gevormd heeft tot wie ze zijn, en dat daar vaak een portie wrok ten opzichte van de moeder bij zit. Elke poging om eigen ruimte te claimen, stoot tegen een soort verzet. Zit ik eens een uurtje te bloggen, word ik zes keer gestoord. Ben ik een avondje weg, krijg ik berichtgeving over hoe het thuis gaat met al meermaals de suggestie dat ik terug zou komen om de boel te sussen (het is een tweelingding: vanaf ze beiden overstuur zijn, is het ontzettend hysterisch en bijna niet te managen voor één ouder). Sta ik in de douche, worden me vragen gesteld over waar dingen liggen of hoe dingen moeten. Tot en met dat ik wel eens billen afveeg vanuit de douche. Mijn voornemen om gewoon ruimte te nemen, alsof het normaal is, heeft hier nog wat voeten in de aarde.

Advertenties

De borstvoeding – update

Het moment waarop ik schreef dat ik twijfelde aan de borstvoeding, was een soort dieptepunt. De baby’s waren de slechtste versie van zichzelf, ze huilden echt heel veel, ik werd steeds meer moe en moedeloos en ik snakte (en ok, snak) naar equasym, waarmee ik mijn hoofd goed op orde kan houden. Er sloop en sluipt ook enige stress binnen. De tijd vliegt, voor ik het weet ga ik weer werken en met dit hoofd kan dat niet. Ik moet echt weer eerst mijn medicatie hebben of ik red het echt niet. ADD is een gemene afwijking, het is een soort constante strijd met jezelf. Al die goede voornemens, al die keren de mist in, al die chaos die je eigen schuld is, al die goede ideeën waar je moeilijk handen en voeten aan kan geven, al die drukte in je kop. En die moe-heid. Ik ben vaak zo f**** moe.

Ik was zo blij met alle reacties, getuigenissen, mildheid, verhalen. Sommige mensen schreven dat ik het wel wist, maar eerlijk: ik wist het niet. Nu weet ik het nog steeds niet, maar heb ik wel een soort plan van aanpak. 

Eerst heb ik het ziekenhuis gebeld. Zelfs als ik vandaag de borstvoedingsbh over de haag gooi, heb ik geen medicatie. Ik moet eerst getest worden en dan pas kan ik weer voorschriften krijgen. Ik heb nu een aanvraag voor een afspraak gedaan, dus dat wordt een tijdje afwachten. (Voordien ging ik twee keer per jaar naar mijn Belgische dokter die me meteen voor een half jaar van medicatie voorzag, maar ik denk dat ik het dus nu beter gewoon via de officiële weg doe en dus gewoon hier bij een psychiater in behandeling ga.)

Next: ik geef de baby’s groente- en fruithapjes. Heel basic: wat zelfgemaakte appelmoes. Een beetje courgette met aardappel gepureerd. Ze kunnen nu beiden een eetlepel eten in totaal, we bouwen het rustig op. Ik vul dus aan met borstvoeding, maar op termijn vervang ik zo twee borstvoedingsmomenten door vaste voeding. Vervolgens geeft de Man ook elke avond de ene baby een flesje om 19u (en ik de andere twee borsten in plaats van 1) en om 22u-23u doen we het omgekeerd (nee, niet de Man geeft dan borstvoeding, maar de andere baby krijgt een flesje). Doordat de baby die de borst drinkt twee borsten mag drinken in plaats van één, want de andere is normaal voor zus, hebben we een iets langere verzadiging. 

En verder heb ik wat tijd voor mezelf gekocht. Dat kan je hier lezen.

Ik ben blij dat ik nog borstvoeding geef, want ja, het is voor mij ook een relationeel iets. En het is waarschijnlijk de laatste keer. En ik geloof echt dat het goed is voor de meisjes. En voor mezelf. En ik vind het makkelijker dan flesjes maken.
Maar ook: het is zwaar. Ik ervaar de propaganda als oneerlijk, ook gewoon in de info die je krijgt. (Had laatst een oudere uitgave van LLL, waarin ook een stukje over borstvoeding aan tweelingen stond. Alleen maar gezellige hoera-verhalen, niemand liep ooit ergens tegenaan, het ging allemaal lekker vanzelf en alle mama’s uit het boek hadden mensen die hun huishouden overnamen zodat zij reuze gezellig heel de dag hun baby’s konden voeden – hallelujah.) Ik realiseerde me dat niet echt zolang ik zelf een succesverhaal was, maar toen het niet meer vanzelf ging en het erg zwaar werd, viel het me plots op dat dingen als te weinig melk bijna inbeelding worden genoemd in sommige publicaties.

Maar goed. Het plan gaat er dus wel naar toe dat ik geen lang-voeder word. Dat ik op een moment ga stoppen om weer mijn eigen medicatie te nemen. Dat de dagen van de borstvoeding geteld zijn. Alleen gaat het niet van de ene dag op de andere, maar wel gecontroleerd, gestuurd, afgebouwd over een langere periode. En dat met mixed feelings

Borstvoeding. De maffia in mijn hoofd.

Het is meer dan een jaar geleden dat ik nog eens meer dan twee uur aan een stuk heb geslapen, realiseer ik me.

Ik realiseer me ook dat ik geluk heb met de tweeling en ik ben dol op ze, maar de hormonale bescherming tegen vermoeidheid geraakt ‘op’ en ik weet soms niet meer waar mijn hoofd staat.

Ik ben helemaal pro borstvoeding, maar nu ik er aan denk te stoppen omdat ik uitgeput ben en omdat ik mijn add-medicatie terug wil opstarten om weer wat grip te krijgen op het leven en op mezelf (mijn hoofd is mijn grootste vijand bij momenten, en dat is heel naar), galmen zinnetjes uit het borstvoedingsboek van Stefan Kleintjes door mijn hoofd. Ik vond het trouwens een heel slecht gestructureerd boek met ‘valse’ beloftes. In het hoofdstuk over borstvoeding aan tweelingen staat bijvoorbeeld niets over borstvoeding aan tweelingen, maar wel over prematuurtjes. Anyway. Ik heb een aantal keer een lactatiekundige geraadpleegd, en ook daar heb ik gemengde gevoelens bij, want ze zijn een soort advocaten van de borstvoeding. Dat je nooit eens langer dan twee uur weg kan, en nooit langer dan twee uur kan slapen en dat over een best lange periode (intussen ongeveer 5 maanden) wordt niet echt in rekening gebracht. En ook niet dat borstvoeding een soort alles-of-niets is. Je kan geen dagje vrij nemen.

En eerlijkgezegd ben ik met twee baby’s, na een heel heftige zwangerschap en met een moeilijk te reguleren kindje waardoor mijn dagen allemaal onvoorspelbaar zijn, wel eens toe aan vakantie. (En rara, wie kwam er nadat ik deze zin typte een portie melk halen en weigerde weer in haar eigen bed gelegd te worden? Ze schrijft nu mee.)

Zolang het goed gaat, is heel die borstvoedings-propaganda ondersteunend. Je krijgt er een trots gevoel van, want je doet het toch maar even. Elke druppel telt wordt je toegefluisterd. Blinken van trots. Intussen heb ik al die propaganda geïnternaliseerd en weet ik niet meer of ik ook weer kan stoppen. Stoppen lijkt het egoïsme ten top. 

Ik heb een ongezond eetpatroon, van vermoeidheid. Ik ben zo fucking moe dat ik de hele dag zin heb in eten. Ik heb vanochtend tegen de Man gesnauwd omdat hij de kamer binnen kwam waar ik me heel even verstopt had toen ik iedereen gevoed en gesust en afgeschud had. We hebben al de hele dag ruzie omdat ik zo ‘uit mijn plaat ben gegaan’ om met de mooie uitdrukking van de buurvrouw te spreken. Ik heb vaak geen energie meer om ’s avonds een verhaaltje voor te lezen. Ik ben nooit meer alleen, op een kortstondig toiletbezoekje na. De baby’s bijten op mijn tepels. Ik slaap niet langer dan twee uur per keer en maximum vier uur per nacht, en dit al maanden. Mijn hoofd is een soep en mijn leven (huis, werk, inbox) is een soep geworden door de combinatie tweeling, (op dit moment dus onbehandelde) ADD en slaaptekort. (Zonder ADD-medicatie is mijn zelfbeeld echt verwoest. Ik kan niets meer starten en niets meer afwerken, ik stel echt niets meer voor. Wie was die vrouw die vroeger een 0,9 fte baan combineerde met een goedlopend bijberoep? Soms lijkt het alsof ik alles kwijt ben.) Ik weet niet meer wie ik ben en wat ik wil. Ik ben elke dag bang voor de dag dat ik weer naar kantoor moet en ik heb geen idee hoe ik er dan aan toe zal zijn (zoals het er nu uitziet: een wrak met een relatiecrisis en een huis in puin). Ik lust geen thee meer omdat ik er drie liter per dag van moet drinken. Ik ben vaak duizelig van uitdroging omdat ik geen thee meer lust en omdat ik al dat drinken ook wel beu word. En ik had ‘ik word’ met dt geschreven. Dat zegt genoeg.

Dus. 
Dus ik weet het even niet meer.

De baby’s wel. Die weten elke drie uur perfect wat ze willen. En dan zoom ik uit en denk ik: wat zijn die maanden nu op een mensenleven? En ook: elke druppel telt. 

Scènes uit een tweelingleven #2

Kleine broer kijkt hoe ik de grootste baby verzorg. Ik raak haar neusje aan en zeg ‘mooi neusje’. Ik raak haar oortjes aan en zeg ‘mooie oortjes’.
‘Waarom doe je dat?’, vraagt hij.
‘Dat deed ik bij jou ook,’ vertel ik. ‘Zo leren kindjes dat ze een lichaampje hebben en wat er allemaal op en aan zit, en hoe het heet. Doe jij ook maar als je wil!’
Hij kijkt bedachtzaam. Legt dan zijn hand op haar luier en zegt monter: ‘Mooi spleetje!’.


We gaan naar Antwerpen. Hij, ik en de baby’s. Een middag. Bij het ontbijt google ik de leukste en hipste koffie- en lunchplekjes. We sturen goed aan. Bad, drinken, auto, de beste garantie op een lange dut en dus een relaxte reis. Dat gaat vrij goed, enkel de laatste 30 km wordt er gehuild op de achterbank.
Anyway.
We parkeren tussen de Vlaamse en Waalse kaai. We laden de baby’s uit, vouwen de bugaboo open. Lopen richting het uitverkoren hippe en gezonde lunchplekje. En we kunnen niet binnen met de tweelingwagen. De baby’s hebben honger. Wij ook. Dus komen we terecht op de eerste de beste plek met een dubbele deur en behulpzaam personeel en dat blijkt een soortement pitabar te zijn. Nu heb ik geen instagram (laatst wou ik het wel starten, maar ik vond het confronterend dat ik alleen maar foto’s van mijn kinderen kon/zou posten, ik zag me gereduceerd tot een #mom of #twinmom en dat kwam loeihard binnen, dus verwijderde ik mijn account meteen), maar in mijn hoofd heb ik vaak idyllische en instagram-waardige voorstellingen. De Man vindt dat een afwijking, hij vindt dat ik alles ‘dille en kamille’ wil en dat dat ver af staat van de realiteit. Anyway. Falafel en borstvoeding. Het is reuze ongemakkelijk. We zitten beiden met een baby in onze armen en met één arm te eten, en uiteraard valt de inhoud van mijn broodje onder tafel. Zucht. Maar niet getreurd. Voor de koffie wandelen we verder naar een geselecteerde en instagramwaardige koffiezaak. Alwaar trappen blijken te zijn, niemand plaats wil maken voor ons en ik nog een sneer krijg van een dame omdat ik de deur vijftien seconden open laat staan om te kijken of we nog ergens terecht kunnen in een hoekje. Een dame die alleen in een hoekje zit waar wij makkelijk met de baby’s zouden kunnen zitten als zij een ander plekje zou uitkiezen, kijkt me minzaam aan en blijft zitten. Ik snak, snak, snak terug naar onze eigen stad, waar iedereen aardig is, waar mensen opspringen, we soms wat te veel complimentjes krijgen met de beebjes en waar we exact weten in welke koffiezaak we breed binnen kunnen én aardig bediend worden. (Overigens schrik ik elke keer als ik in B ben van de norsigheid van winkelpersoneel. Ik vind het onbeschoft. Ben het gewend in elke winkel hier aardig begroet en olijk geholpen te worden en ik wil niet veralgemeniseren, maar het contrast is soms best groot.)

(En ja, er zijn ergere dingen dan bijna nergens binnen kunnen. Dit is tijdelijk. Ik vraag me wel steeds meer af hoe het leven van iemand in een rolstoel er uit ziet. Maar Antwerpen voelde zo ongastvrij en zo onvriendelijk en dat was best een teleurstelling.)


Een yogaworkshop met ontbijt. De Man laat er zijn wekelijks ochtendloopje met vrienden voor schieten. De yoga doet pijn, mijn lijf is gammel, en tijdens het ontbijt krijg ik een niet mis te verstane emoticon van de Man, dus neem ik de benen. Maar wat voel ik me even vrij. Alle luikjes in mijn hoofd klappen open, ik ben weer even mezelf en niet alleen de Tepel, de moeder, de vrouw.
Meer van dat! Ik word uitgenodigd door een clubje buurvrouwen om samen te eten. Het is bijna onwennig, om onder volwassenen te zijn. Om de baby’s niet in de buurt te hebben. Om even weg te zijn. Maar het doet me oneindig veel deugd. En ondanks de extreem gebroken nacht die er op volgt, heb ik energie. Tijd doorbrengen met een clubje andere vrouwen kan zo goed zijn.

[Vraagje: de buurvrouwen hebben me tijdens mijn zwangerschap veel geholpen. Iemand een leuk idee voor een dankjewel-cadeautje?]

 

Over de poeperd van de dag en dat dat nu het spannendste is in mijn leven

In de begindagen van mijn zwangerschapsdepressie, kreeg ik hier een keer het ‘verwijt’ dat ik nooit ‘content’ zou zijn. Wel, ik ben toch niet zo gestoord, want ik ben op dit moment best content met het leven zoals het nu is. Al is het gezapig. Al geef ik per nacht minimum drie en maximum tien keer voeding. Al hebben de Man en ik wel eens ‘klinkenden ambras’ om het in mijn mooiste Vlaams te zeggen. Al zit ik ‘opgesloten’ in huis met minimum twee en maximum vier kinderen (en soms meer). Al werk ik nu even niet. Al maak ik weinig mee, buiten de huiselijke sfeer (laatst ging ik wel naar een prachtig huwelijk – ik denk er nog steeds met kippenvel aan! Verder: geen events). Als praten de Man en ik elke dag over wie de ‘poeperd van de dag’ was. (Met een tweeling kan je zo’n categorieën invoeren.) Al heb ik even geen inkomen (vind ik best eng). Ook al is het steeds duidelijker dat er iets aan de hand is met onze kleinste twinnie en denken we intussen in de richting van een oogprobleem dat invloed heeft op haar ontwikkeling. (En amaai, dat doet pijn. Ik zou het zo van haar overnemen. Ik wens haar toe dat ze zich gewoon helemaal goed kan ontwikkelen en nergens door geremd wordt. Ze heeft zo’n kraaltjes van stralende oogjes en het idee dat ze me daarmee niet ziet doet akelig veel pijn.)

Ik denk ook vaak et elors. Ik zou blogjes kunnen schrijven over hoe je twinnies structureert als twinmom. Ik zou huishoudelijke besognes kunnen delen. Weekmenu’s. Lijstjes met boeken die ik lees (ok, weinig, meer aandacht voor de poeperd van de dag). Ik zou over borstvoeding kunnen schrijven. Of over thuisblijfmoederen. Of whatever. Maar hoewel ik dat allemaal graag lees bij anderen, voel ik niet echt de nood me te profileren als twinmom of huishoudblogger of andere zaken. Ik doe maar wat.

Het leven is gewoon klein en goed en stil. Ik ben dol op de dagen thuis. Lekker rommelen met de baby’s. Op donderdagavond ben ik blij dat het weekend aanbreekt en dat de Man thuis is op vrijdag, zaterdag en zondag. En op zondagavond ben ik blij dat het weer week is en de twinnies en ik lekker saaie dagen tegemoet gaan.

Werk blijft wel een item. Ik kan me niet voorstellen ooit terug te gaan, en tegelijkertijd weet ik niet wat ik dan wel wil en snap ik ook niet goed waarom ik de lol in mijn werk zo kwijt ben geraakt. Ik was ooit best ambitieus en gedreven en snel enzo, en nu weet ik het gewoon allemaal niet zo goed meer.

Ik ontdek door contacten met andere moeders ook wat voor moeder ik zelf ben, en ik blijk verrassend behoudend. De kinderen liggen hier elke dag allemaal tussen 19 en 20u in bed, en ik probeer de tweeling te structureren (eten, slapen), door heel goed naar hun signalen te kijken en dat te combineren met wat kennis over slaap- en wakkercycli van de kleintjes en hoe hun hersenen ontwikkelen en slaap nodig hebben (lees: baby in een droomritme. Dan toch een tip!). In mijn hoofd was ik een knallende attachment parent, maar ik zie veel te veel attachment parents met vermoeide en overspannen kinderen en hondsbrutale kinderen soms ook. Ik geloof intussen niet meer dat kinderen alleen maar op je buik willen zitten en bij je willen zijn, maar ook dat ze rust willen en structuur en houvast en zelfs regels om zich veilig door de wereld te bewegen. Mijn baby’s huilen bijna nooit, alleen als er iets aan de hand is. Dus het is hier geen verhaal van gecontroleerd laten huilen. Maar wel een verhaal van liefdevol geven wat ze nodig hebben en beseffen dat dat niet enkel ik ben.

Zo.
Het leven zoals het is.
Saai. En vol contentement.

 

 

Aan Vala – over dat feminisme

Hoi Vala,

Wat ben ik dol op me-to-we, waar jij veelvuldig op publiceert. Het is ideaal leesvoer tijdens de nachtvoedingen, en die zijn er nogal veel met mijn drie-maanden-oude-tweeling.

Laatst las ik dit stuk van jou. Daar ben ik nu al dagen over aan het nadenken, dus ik schrijf je graag een reactie.

Tot mijn eigen grote verbazing ben ik eventjes thuis-blijf-mama, wat betekent dat ik zonder inkomen thuis blijf om voor mijn tweeling van drie maanden te zorgen. En de andere kinderen. Had het me drie jaar geleden gezegd, ik had je niet geloofd. Echt niet. Toen was ik kostwinner in mijn single-mum-gezinnetje, moest ik de kinderen elke weekdag uitbesteden en vaak ook ’s nachts. Ik reed 2000 km per week, was erg stoer en haantjes-achtig. En ik was permanent moe. Zo moe, zo moe dat ik er pijn van had in mijn spieren en gewrichten. Maar volgens jouw definitie was ik vast erg feministisch. Want ik liet me niet aan de haard binden met mijn kroost, verdiende mijn eigen inkomen.

Dat vond ik toen ook stoer enzo, maar nu niet meer.

Waarom niet?

  1. Hechting. Ik geloof dat mijn kinderen mij (en/of mijn partner) nodig hebben om te hechten, om een goede basis-veiligheid op te bouwen. En daarom ben ik het hartverscheurend gaan vinden dat we vaak niet anders kunnen dan na 10 tot 12 weken onze kleintjes voor volle dagen aan de opvang te droppen.
  2. Een clubje. Ik geloof dat wij als gezin een clubje zijn. Toevallig werkt het in dit clubje zo dat de Man meer verdient en dus buitenshuis gaat werken en ik heb borsten en ik blijf thuis omdat ik de baby’s zelf nog lang wil voeden. Het zou ook anders kunnen zijn (nou ja, dat van de borsten liefst niet natuurlijk). Ik wil mezelf niet meer als één of ander individu zien, maar ik zie ons als een clubje die samen de boel zo aanpakt zodat de meeste club-lidjes best tot hun recht komen. Dat is veranderlijk. Dat is binnen drie maanden anders dan vandaag. Dan sturen we bij.
  3. Feminisme. Ik vind feminisme niet hetzelfde als beantwoorden aan het mannen-ideaal (geld verdienen, buitenshuis werken, meedoen in de mannenwereld). Ik zou ook willen dat mannen dat niet sowieso hoeven te doen. Ik geloof dat een andere wereld mogelijk is, één waarin andere dingen belangrijk zijn. En bijvoorbeeld zorgen ook gewaardeerd wordt, en niet als een minderwaardige keuze voor een ambitieloze trien wordt gezien.
  4. Tijd. Verandering is de enige constante. Ik geloof niet dat alles nu en tegelijk moet. Nu is de tijd om hier te zijn en mezelf geen pijn te doen door mijn droppies elke dag bij iemand anders te laten. Binnen een paar maanden wil ik misschien wel weer de wereld in.
  5. Keuzes zijn niet individueel. Keuzes worden beïnvloed door onze samenleving, en door principes die we met de paplepel hebben meegekregen. Ik functioneer nu in een Nederlandse samenleving waar ik weinig context zie voor vrouwen om echte keuzes te kunnen maken. Ik ‘geniet’ nu bijvoorbeeld van onbetaald ouderschapsverlof. Mijn zwangerschapsverlof was na 12 weken alweer op. Mijn Man wordt niet gestimuleerd om tijd te nemen om zorg voor de kinderen te dragen. Opvang is in Nederland zo duur dat mijn hele loon er binnenkort naar toe gaat (er is belastingsteruggaaf, dan krijg ik ongeveer 40% terug denk ik). Het goedkoopste is dan nog een oppas aan huis nemen, maar dat is maar handig in een statuut voor drie dagen per week, dus moet er weer eens wat van mijn werktijd af. Of die van mijn Man natuurlijk. En ik heb net ontdekt dat we leges moeten betalen om iemand hier in huis voor de kinderen te laten zorgen, en dat ook die leges 700 euro is, te betalen aan de gemeente om ons huis goed te laten keuren als opvang-locatie, terwijl die kinderen hier natuurlijk gewoon wonen. En 100 euro per maand aan het bureau dat de thuisoppas aanneemt en de administratie doet. Niet echt heel handige maatregelen allemaal, en de keuzevrijheid neemt toe naarmate je ofwel een goed netwerk hebt OF je veel verdient.

Kunnen  we even niet zo simpel doen en alles bij het individu leggen? Mag er enige nuance zijn? En mogen we een nieuwe feministische bril opzetten?

Tot vannacht, ik lees je om 10, om 1, om 3, om 5 en om 7.

Hartelijk,

PodK

 

Happy happy

Niet alle dagen zijn ploeteren. Vandaag was een erg leuke dag met de baby’s. We dronken thee met bezoek terwijl ze sliepen in mijn armen, beurtelings. Daarna dronken ze terwijl ik een leuke serie keek. En na een beetje geknuffel (en lunch) op de bank, zijn we samen gaan shoppen. Borstvoedingsproof kledij! Veel modelletjes van King Louie hebben een goede decolleté waar je snel even een borst uit wipt, maar dit jurkje is ook bijzonder geschikt.

In de winkel wiegde de verkoopster de baby’s terwijl ik in het pashokje was. We praatten over haar kinderen en baby’s en mijn postnatale lijf en het was reuze gezellig. Daarna gingen de baby’s en ik de stad verder in. Soms heb ik er een hekel aan, de verrukte kreetjes, het aangesproken worden (soms heb ik haast, of geen zin om aan vreemden te vertellen dat ze inderdaad een tweeling zijn, zelf gemaakt ja, spontaan, twee-eiig, x aantal weken oud, inderdaad leuk ja, een rijkdom, dat ook, nee niet mijn eersten, ja twee meisjes). Maar soms is het ook erg grappig en lief. Zoals bij de dokter, waar ik in de wachtzaal borstvoeding gaf en een mevrouw naar me toe kwam en ze: ‘dankjewel, dat was zo mooi’. Of op open monumentendag, waarop een mevrouw mijn hand nam en stralend zei: ‘gefeliciteerd, he, gefeliciteerd’. (Ze had een zachte, warme hand.) Of toen de pubermeisjes kirrend voorbij reden (kijk, die baby’s!) en er één tegen de vlakte ging (gelukkig geen verwondingen). Het is een attractie.

Het lukte me avondeten te maken, de baby’s gingen om 20u naar bed (en vroegen alweer een voeding om 21u30 – ze eten nog steeds 8 tot 10 keer per dag!), ik heb alle was daarna nog opgevouwen en het grote bed nog verschoond. Dat is zowaar een succes te noemen.

Nog leuke banaliteiten.
– Nu ik hier 1,5 jaar woon heb ik EINDELIJK geleerd zelf melk te schuimen voor een cappuccino. Blijkt er (bijna) niets aan te zijn. Zucht.
– Tijdens de borstvoeding lees ik boeken van Helle Helle. Toevallig uit de bib meegenomen. Er gebeurt geen klap in die boeken en toch lees ik ze ademloos uit.
– Eén van de baby’s heeft een keer doorgeslapen. Het is een begin. Ik ben overigens niet zo uit op doorslapen, want ik vind het niet goed voor de borstvoeding.
– Kleine broer vroeg gisteren aan de Man of hij nog eens een pitje in mijn buik kon doen. Want hij wou nog wel een setje tweelingzusjes. Voor mij hoeft het niet zo nodig.
– Ik ben er aan toe een paar uur in de bib wat te gaan werken voor mezelf. Na 10 weken :). Ik vind het wel spannend.
– Ik ontdek telkens weer hoe goed het is af te spreken met andere mama’s. Dat breekt de dagen met kinderen.
– De osteopaat heeft Kruimel deugd gedaan. Ze spuugt minder! Ze lijkt zich ook wat beter te voelen. (Als ze spuugt, mikt ze exact tussen mijn borsten in. Dan druipt het in mijn bh. Ik kan daar voorlopig nog mee lachen.)
– De bib. Dat is dus een soort universum waar heel de dag allerlei soorten mensen rondhangen, waar je altijd naar toe kan en altijd mooie dingen vindt. Aaaaaah.
– Wat ik mis van België is a. het voedselteam en b. het bos. De Man neemt me nu op vrijdag regelmatig mee voor een boswandeling-met-draagdoeken, om te bewijzen dat hier ook bossen zijn (en warempel!). Het voedselteam is nog niet vervangen. Het zelfoogsten bleek niet voldoende op te leveren (twee bieten, drie wortels, tien aardappelen – tja). Maar afgelopen vrijdag heb ik een bio-dynamisch kraam gevonden op de markt en daar heb ik een keur aan groenten gekocht. Plots lijk ik weer te kunnen koken. Blijkbaar begint het voor mij met een resem groenten in de frigo, en dan goed nadenken wat ik daarmee kan doen.

 

Het postnatale lijf

Elke maandag ga ik op de weegschaal staan. Elke maandag ben ik opgelucht, want ik val per week iets tussen 0,8 kg en 1,5 kg af. Hoewel ik frietjes eet, taartjes, chocola en andere troep.

Ik was schandalig veel bijgekomen tijdens de tweelingzwangerschap. Een combinatie van hormonen, bedrust en eetlust. Of eetdrang. Intussen begrijp ik dat ik geen borstvoeding zou kunnen geven aan mijn duo als ik die vijftien kilo reserves niet had aangelegd. Vijftien kilo die ik nu geleidelijk aan verbruik. Ik hoop dat het afvallen doorzet en dat ik inderdaad op mijn pre-zwangerschapsgewicht uitkom. Soms neem ik me voor niet meer te snoepen, maar dat duurt meestal maar tot de eerstvolgende aanval van enorme vermoeidheid en dus zin zin zoet. Of tot de eerstvolgende keer dat ik geen tijd heb om iets deftigs te eten en een koekje of een boterham met choco het efficiëntst zijn. Of tot de eerstvolgende keer dat ik me realiseer dat koken met een huilende tweeling geen kattenpis is, en dat de Man om patat sturen soms de beste garantie is op warm eten.

Ik wou dat ik het bovenstaande had geweten, tijdens mijn zwangerschap. Dus ik vertel het hier voor toekomstige moeders: je lijf bouwt een reserveke op dat je opsoupeert als je borstvoeding geeft. De natuur heeft dat goed geregeld.

Verder kijk ik regelmatig op de instagram van kiind. Er zijn vrouwen die zo moedig zijn hun postnatale buik met de digitale wereld te delen. Ik ben niet eens moedig genoeg om mijn buik met de Man te delen en soms niet moedig genoeg om het aan te zien in de spiegel. Ik deel geen foto, maar als ik het in drie woorden zou moeten beschrijven: slap, strepen, bol. Ik heb allerlei truukskes, van een soort korset tot corrigerend ondergoed. Geen enkel truukske is ‘genoeg’. Ik blijf er zwanger uit zien, door de diastase waar ik maar eens voor naar de kine moet (maar wanneer, wanneer?).
Voor andere (twin)mama’s wil ik dit graag vertellen. Dat mijn buik nooit meer zal worden wat ie was (dus het is niet abnormaal als dat bij jou ook zo is – ik las laatst de Linda en daar stond een tweelingmama in die actrice is met een tweeling van twee en op één van de foto’s staat haar buik – de Man schoof het onder mijn ogen en zei dat het bij haar toch goed gekomen was – ze heeft de buik van een achttienjarig meisje, strak en plat en het is gefotoshopt, zeg ik u, want dat kan gewoon niet na een tweelingzwangerschap!). En dat op kiind moedige moeders hun buiken tonen en dat het echt helpt om dat te zien en zo heel langzaam je beeld te kantelen van hoe de realiteit is en hoe je ernaar kan kijken.

De fuik

Binnen 27 dagen heb ik een afspraak met de baby’s. Ze kunnen ook later komen, maar ik heb ze uitgenodigd op de dag dat de maan vol is. Ze zijn immers ook ontstaan toen de maan vol was, en ik hou van cirkels die rond zijn.

De voorbije week was er geen om over te schrijven, dus ik twijfel of ik het doe of niet. Maar a. het gaat hier over het leven zoals het is, remember? en b. schrijven helpt het ook bij elkaar te puzzelen in mijn eigen hoofd.

Op vrijdag werd ik verwacht bij de poppoli. Het werd een lange zit waarbij de pijn heel snel het gesprek behoorlijk vertroebelde. Toen ik na allerlei vragenlijsten en onderzoekjes bij de psychiater kwam, was de diagnose ‘prenatale depressie’ een feit. Voor alle duidelijkheid: onder invloed van hormonen, pijn en slaaptekort is er iets mis gegaan in mijn hersenen. Het heeft niets te maken met niet blij zijn met de baby’s of ondankbaarheid. [Als ik hier iets van geleerd heb, is het dat het niet helpt om tegen iemand met een depressie te zeggen dat hij/zij maar eens wat leuks moet gaan doen, blij moet zijn met wat hij/zij heeft of dankbaarder in het leven te staan. Dat zijn nu net de dingen die niet lukken, omdat je hoofd gewoon even niet meer meedoet.]

Anyway. Het verbaasde me niets. ‘Die sluier die overal overheen ligt,’ zei de dokter, ‘dat is depressie’. Ja, denk ik. De sluier die over de dagen ligt, waar ik amper doorheen kom omdat ik pijn heb, moe ben, weinig energie heb, me beperkt voel, de slaapkamer mijn actieradius is geworden. En de sluier over de nachten. Jeetje, de nachten. Elke nacht strompel ik een keer naar de bank of het logeerbed om de Man niet wakker te maken. Meestal tussen 1 en 2. Uitzonderlijk een keer om 4 uur. Ik ben dan klaarwakker. Tegen de ochtend komt de slaap weer, maar dan begint de dag. [De voorbije nacht keek ik naar de mooie docu Verlaten op de NPO-app. Ik kijk ook vaak naar Jeroen Meus. Trage tv, mooi, dicht bij het leven.] [ Soms is het alsof mensen van de tv mijn vrienden zijn ofzo. Klinkt ziekelijk, maar als je heel de dag alleen bent en je kijkt naar een serie, heb je om den duur het gevoel dat die personages werkelijker zijn dan die hele wereld buiten de slaapkamer ofzo.]

Het weekend was extreem warm. Mijn voeten en handen zwollen nog meer op, ik voelde me zwaar beroerd. De slaap werd nog minder. Dus op maandag had ik een huilbui om u tegen te zeggen, belde ik het ziekenhuis en vertelde ik dat ik ongerust was (wijzen dat ellendige gevoel en die dikke enkels en handen niet op zwangerschapsvergiftiging?) en reed ik naar daar voor controle. Monitor, allerlei checks. Bloeddruk was laag in plaats van hoog. Baarmoeder was iets te actief, en baarmoederhals iets te ver verstreken.

Anyway. Ik sleepte me naar huis, kroop in bed. De Man kwam terug uit het werk. De telefoon ging. De psychiater van het ziekenhuis vroeg of ze mijn Man mocht spreken. Ik gaf verdwaasd de telefoon door. Het verzoek werd gedaan om me op spoed binnen te brengen. De combinatie van de diagnose op vrijdag en ellende op maandag had wat alarmbelletjes doen rinkelen.

Babysit gezocht, naar het ziekenhuis gereden. En toen werd de fuik opgezet. Ik was somber, toch? (ja) Wanneer had ik nog eens een nacht geslapen? (geen idee) Ik had wel eens wanhoopsgedachten gehad, toch? (ja, in maart – het hielp om te stoppen met werken) Het was fysiek zwaar, toch? (ja, maar 32 weken en twee baby’s zijn daar een prima excuus voor) Wist ik dat prenatale depressie een verraderlijk ziektebeeld is? Door de combinatie van hormonen en slaaptekort zou ik mezelf zomaar iets kunnen aandoen. (tegen die tijd snikte ik al)

Even later werd ik in een rolstoel naar een psychiatrische afdeling gereden. Als ik niet minder uitgeput zou geraken, zou het een drama zijn voor bevallen en kraamtijd. Ik werd in een kamertje gestopt. Er werd op me ingepraat over het nemen van slaapmedicatie. Ik weigerde, dat vonden ze dom. Twee dagen later vond ik op een website van de Nederlandse overheid dat de medicatie die ze me wilden geven absoluut uit den boze is in het derde trimester van een zwangerschap.

Het werd nacht. Ik hoorde andere patiënten huilen in andere kamertjes. Het werd weer dag. Ik werd gewekt, onderzocht en ging ontbijten. Ik zat aan tafel met huilende anorexia-patiënten met buisjes in hun neus, twee verpleegsters aan elke kant om hen te overtuigen een schepje corn flakes te eten.

Weer in bed probeerde ik mijn gedachten op een rijtje te zetten. Het was me duidelijk dat ik hier niet hoorde. Mijn Man was jarig. De omgeving nodigde niet echt uit tot tot rust komen of me beter voelen. Er was wel een heel lieve verpleegster die thee bracht en mijn kussensloopjes ververste omdat het zo warm was.

Na een paar uur zat ik voor een peloton van zes dokters. Dat ik naar huis ging. Dat daar zijn me niet hielp. Er werd gesproken over verraderlijke ziektebeelden en mezelf iets aandoen. Ik kreeg het gevoel dat alles wat ik zei of deed verdraaid kon worden. Als ik bijvoorbeeld vertelde dat ik geen plannen had mezelf iets aan te doen en wel gedachten heb over hoe het gaat zijn als de baby’s er zijn, werd er priemend naar me gekeken alsof ik in ontkenning was.

Anyway. De Man kwam. De dokters hadden een plan. Voor medicatie en hulp thuis. We gingen naar huis. Ik was even verdwaasd als geschrokken.

De volgende dag moesten we naar de psychiater van de crisisdienst. Tegen die tijd was ik kwaad, om drie dingen:

  1. Wie bedenkt het dat een zwangere vrouw (of wie-dan-ook!?) beter wordt in zo een omgeving?
  2. Wie bedenkt het om een slaappil op te dringen (niet genomen) die gevaarlijk is tijdens de zwangerschap?
  3. En wie bedenkt het om medicatie voor te schrijven waar baby’s postnataal afkickverschijnselen van krijgen?

De psychiater van de crisisdienst zei dat hij zich ook niet lekker zou voelen, als hij het huis amper uit kon, elke dag pijn zou hebben en niet zou kunnen slapen. Hij vond het allemaal niet zo vreemd, zei hij.

En nu. Nu komt er om de zoveel dagen iemand langs om te kijken hoe het gaat. We proberen hulp aan te vragen in het huishouden, zodat mijn frustratie van niets-meer-kunnen en heel-de-dag-alleen wat getemperd wordt. Ik probeer onder die sluier uit te komen, zonder pillen. En ik tel de dagen af, tot de geboorte. Uitkijkend naar de baby’s. En naar het achter mij laten van deze tijd waarin ik zo veel kwijt ben geraakt (werk, bijberoep, fysieke en mentale vermogens, zelfvertrouwen, …) en in verwachting ben van zo veel nieuws.

 

In beeld

 

Ad 1. De  buik. Hij is immens. Nog ongeveer 11 weken te gaan – imagine. Soms gaat het prima. Soms voel ik me zo bedolven onder mijn eigen gewicht dat ik erg bang word – want de baby’s moeten nog drie en liefst vier keer gaan wegen wat ze vandaag wegen. In welke richting ga ik nog groeien? Mensen wijzen op straat. Kinderen zeggen luidop tegen hun moeder dat ik een dikke mevrouw ben. Een oud vrouwtje sprak me aan. ‘Twee?’, zei ze. ‘Dat is alles waard.’

Ad 2. Uren in een ziekenhuiskamertje. Er is al wat paniek geweest. Een keer een erg hoge bloeddruk. Een keer een soort weeënactiviteit – pijnlijk en veel te vroeg. Na negen uur in het ziekenhuis was de aanname dat ik nierkolieken had. Door de druk van de baby’s kan het afval niet goed weg, mijn linkernier bleek vergroot. De pijn was stevig, maar ik heb toch maar bedankt voor de portie morfine die me aangeboden werd. In een eerder stadium – toen nog niet duidelijk was dat het geen dreigende vroeggeboorte werd – werd er gesproken over welk ‘beleid’ we moesten voeren. Met andere woorden: we moesten kiezen tussen ervoor gaan en dan erg gehandicapte kindjes die maanden in de couveuse moesten (als ze het zouden overleven), en ze krijgen, wetende dat er enkel voor hun ‘comfort’ gezorgd zou worden. O my god. Wat een onmenselijke keuze om te maken. Mijn hart is bij alle moeders die voor deze verscheurende keuze staan of gestaan hebben.

Ad 3. In bed. Leve bob, het kussen dat tussen mijn knieën en enkels ligt. Dat desbetreffende moment lag ik te luisteren naar de jongens die in de tuin aan het spelen waren, dankbaar om de mij gegunde rust.

Ad 4. Het is absurd, maar er is iets hormonaals dat ervoor zorgt dat je dingen wil kopen. Voor de derde keer sta ik in mijn handen met hydrofielluiers/tetradoeken. Ik weet dat ik er veel nodig heb maar ik ben totaal vergeten waarvoor je ze ook alweer gebruikt.

Ad 5. Mijn eerste dag in ziekteverlof. Met de fiets op weg om mijn benen te laten meten voor de charmante steunkousen. Op de terugweg woeste honger, en beseffen dat ik gewoon tijd had voor taart op een doodgewone maandagochtend terwijl de hele wereld gewoon draait en draait en draait. Ik zat de Linda te lezen trouwens. Die ook in elke wachtkamer in Nederland lijkt te liggen. Ik ga de Linda nog missen als de baby’s er zijn.