Een dag uit het leven van Prinses en cO: mei 2016

Elke maand beschrijf ik een banale dag uit ons leven. Het leven zoals het is – Prinses & cO. (Co= kleuterzoon en peuterzoon).

Een dag uit meialsjeblief! 

Over een overspannen moeder en een overspannen zoon
Een dag van Prinses en cO waarin de ochtendstond geen goud in de mond heeft, Prinses onderduikt in een koffiebar en er gemijmerd wordt bij een bus bejaarden.

07u30
Ochtenden, het is mijn zwakke plek. Maar vandaag wordt een goede dag. Ik heb met pijn in mijn hart een afspraak afgezegd omdat ik het eigenlijk gewoon niet meer red, maar daarmee komt er een dag vrij om eens door te werken. Ik moet ook meer aan lichaamsbeweging doen, dus het plan is als volgt: ik ga de jongens met de fiets weg brengen, fiets dan door naar de stad, kan dan eindelijk even de winkelstraat in voor die paar dingetjes die al een tijdje op het to-buy-lijstje staan, en ga de hele dag werken in een koffiebar (stimulerende omgeving, goede koffie, geen afleiding, geen neiging in mijn bed te kruipen). Allemaal vliegen in één klap (win-win-win!) en hopelijk een oplossing voor de afschuwelijke frustratie van veel werk en geen tijd om het te doen.

07u45
Kleuterzoon komt vertellen dat hij ziek is. Ik zie mijn hele dag in duigen vallen en word instant gek. Ik geraak totaal overstuur, met roepen en huilen hoe ik in godsnaam mijn werk ooit eens af krijg en wat ik tegen mijn baas moet zeggen en dat ik het niet meer kan, ’s avonds en ’s nachts werken om toch maar gedaan te krijgen wat moet. Hij huilt (en terecht!), ik huil, de peuter doet voor de gezelligheid ook maar eens mee. Er is blijkbaar maar weinig nodig om me op dit punt te krijgen. Gisteren heeft de huishoudhulp afgezegd, het huis is vuil en voelt rommelig, ik zit chronisch achter met alles wat slapen, werken en huishouden betreft. En ik ben het zo beu, deze eindeloze frustratie, de schaamte, het spelen onder mijn niveau.

10u00
Intussen is er veel gebeurd. Ik heb met de zonen gepraat over mijn reactie. De kleuter is op, denk ik. Op van de stress. Ik denk niet dat hij fysiek ziek is, maar hij kan gewoon even niet meer. Het einde van het schooljaar is een te spannende periode met veel te veel bijzondere dingen. En ik weet dat hij gisteren uitgelachen is door zijn klasgenootjes – kleuters kunnen zo ongenadig zijn. Waar ik zo kwaad om werd, is dat hij me het gevoel geeft te doen alsof hij ziek is. Hij zei misselijk te zijn, maar vroeg wel of hij een boterham mocht met kaas en confituur die hij smakelijk op at, waarna hij nog één vroeg. Als ik rustig ben, weet ik dat hij overprikkeld is en gewoon snakt naar een dagje rust. Dat gevoel ken ik. Maar in mijn blinde paniek leek het alsof ik een kind had dat stokken in mijn wielen probeerde te steken. Omdat het altijd al zo een strijd is om gedaan te krijgen wat moet gebeuren, zelfs als niemand ziek is, ben ik daar wanhopig van geworden.
Ik heb een doktersafspraak gemaakt, ik heb wanhopig gebeld naar de CM kinderoppas. Ik heb huilend gevraagd of er vandaag nog iemand kon komen. Ik heb naar de opvoedingsbegeleidingsdienst gebeld om te vertellen dat ik geroepen had tegen mijn kinderen en of er nu eindelijk de hulp mag komen waarvoor ik intussen al een jaar op de wachtlijst sta. Ik krijg lieve mensen aan de lijn die me kalmeren, me vertellen wat ik nu moet doen voor mezelf en mijn kinderen en die me opvolgen door in de loop van de dag nog een paar keer contact op te nemen.

11u00
Ik heb de peuter weg gebracht en de CM heeft een engel gestuurd. Het is iemand waar ik onmiddellijk bij aanvoel dat ik haar kan vertrouwen en ik neem haar even apart en leg haar uit wat er aan de hand is. Een oversture moeder en een oversture zoon. Ik voel dat zij diegene is die in staat zal zijn om voeling te krijgen met de zoon, hem tot rust te brengen. Ik neem een korte douche om mijn tranen en mijn wanhoop af te wassen, maar ik blijf doodmoe. Ik vertrek naar de stad, niet met de fiets maar met de auto, om te gaan werken in de koffiebar. Ik heb een koptelefoon bij om me af te sluiten van het omgevingsgeluid. De jongen van de bar kent me en ik krijg mijn eigen melkkannetje en dat is nu net het kleine gebaartje dat een overspannen moeder nodig heeft. Het is al 12u00 als ik kan beginnen werken, ik heb tijd tot 16u00, voor ik weer de toer moet doen: kinderopvang, thuis, koken, doktersafspraak, bedritueel, … Vier uur werken, terwijl ik voor acht uur betaald word. Ik schaam me, ik ben diep ongelukkig. Ik haat het telkens weer rechtkrabbelen en elke keer weer door de omstandigheden neergetrapt worden. Via een groepsapp van mijn afdeling zie ik allerlei interessante dingen voorbij komen van mijn collega’s, en ik ben doodsbang dat ik in dit gezelschap van krachtige professionals niet mee kan.

16u00
Ik heb koortsachtig gewerkt en sluit mijn computer af. Ik haal de peuter op en onderweg naar huis belt mijn baas om allerlei dingen te bespreken. De peuter praat gezellig mee. De rest van de avond verloopt als gepland: koken, eten, naar de dokter, en veel te laat met twee heel erg vermoeide en dus behoorlijk drukke kinderen naar huis, alwaar warme sojamelk en het bed hen wacht.

20u45
Door de stress van vandaag sta ik weer even op scherp, de mist is weg uit mijn hoofd. Ik doe de was, de afwas, ruim het speelgoed op en stofzuig. Plots irriteert de kapstok me mateloos, ik gooi de helft van de jassen in de doos voor Wereld Missie Hulp. De meeste sjaaltjes en mutsen gaan dezelfde kant uit. Mijn hoofd slaat weer op hol en ik maak ambitieuze plannen voor grootscheepse opruim-, ontspul-, en schilderwerken.
Tijdens het ophangen van de was denk ik aan de bus oudjes die ik vanochtend heb gezien. Wat zit het leven toch absurd in elkaar. Ik ben op een leeftijd dat ik alles zou moeten kunnen, jaren die de mooiste zouden moeten zijn en waar ik later vast naar terug verlang als de jongens mannen zijn geworden en slechts af en toe hun verrimpelde moedertje komen opzoeken. Maar ik loop volledig leeg op de combinatie werk, huishouden en gezin. Soms lijkt het alsof er niets meer van me over blijft.

21u50
Met een kopje thee ga ik weer aan mijn bureau zitten. Ik werk verder waar ik om 16u gebleven was. Ik verfijn twee enquêtes en beantwoord nog een tiental mailtjes. Als ik dit weekend werk als de kinderen slapen, dan been ik toch een minibeetje bij. Maar wil ik dat? Ja en nee. Het geeft een fijn gevoel wat dingen af te vinken, maar soms wou ik dat ik een struisvogel was en dat ik met mijn kop in het zand de wereld en alles wat daarin schreeuwt om aandacht, tijd en energie die ik niet heb, kon negeren. Ik hoop dat reïncarnatie bestaat. Dan kom ik terug als struisvogel, of beter nog: poes.

23u50
Kersenpitkussen warmen, zonenzoenen. Hopen op een betere dag morgen. Nog een paar bladzijden lezen in bed. Ogen die dichtvallen. Eindeloos moe.

Nuance – naschrift

De volgende dag staat de kooi open. Ik weet niet waarom. Het is een dag waarin één en ander moet gebeuren, maar er geen planning is. Dus we doen ’s ochtends rustig aan, gaan dan brunchen op een feest waar me moeten zijn. Na een kwart glas cava kan je mij intussen wegdragen, dus we komen thuis en kruipen in bed en doen een overheerlijke luie middagdut. We worden wakker met uitgelopen schmink. We eten een boterham, niet aan tafel maar op het stoepje. Daarna gaan we de stad in, omdat we nog wat dingen moeten hebben. We eten ijs met spikkels en ik koop nieuwe rode schoenen met een bloem er op en een spel dat ik wil. Zomaar, ongepland. Bedtijd wordt met uren uitgesteld en na de pasta eten we goedkope macarons. Ik trakteer mezelf op een babysit en de nieuwste van Almodovar – in mijn uppie – (wat ik daarvan vind weet ik niet). Het is los, het is vrij, het is licht. Zo’n dagen zijn er ook. Dagen dat de kooi open staat. Die mentale kooi waarin strakke schema’s, to-do-lijsten en een financieel schrikbewind heersen. Waarin vanalles moet en ik zelfs bij een blikje fris biologisch sap inwendig oorlog voer over de vraag of ik wel recht heb op dat drinken (want het is blik dus niet ecologisch en er zit suiker in). Wie mij snapt, mag het zeggen.

 

 

 

Prinses heeft een moeder gehuurd

We zouden vast geen vriendinnen zijn in het normale leven. Er is niets mis met haar en ook niet echt met mij denk ik, maar het is gewoon niet zo iemand die ik ergens zou ontmoeten ofzo. Nou ja, ze spreekt wel over kleurlingen op een fluistertoon. Geen vriendinnen dus. Maar goed, dat over moeders die beste vriendinnen zijn van hun dochter, heb ik ook nooit geloofd.

Ze komt binnen. Het is een chaos. Peuter is erg ziek en voelt zich best buik tegen buik met mij. Dus ik ben ongewassen en loop in home wear (lees: een oude Cora Kemperman broek en een openstaande blouse). Er staat afwas, de was zit al twee dagen in de machine. Het bed is op zijn minst gezegd onopgemaakt. De koelkast is leeg op wat schijnbaar niet-compatibele elementen na. Het ergste van al: de koffie is op.

Ik verontschuldig me uitgebreid. Ben nogal warrig van de derde slapeloze nacht op rij en van dat hoofd dat overuren draait want morgen moet ik naar Brussel, en daar moet ik wat vertellen en waar laat ik het zieke kind en hoe bereid ik mijn verhaal voor en fatsoeneer ik mezelf?

Ze komt bij me zitten en luistert. Zegt dat het okee is. Vraagt of ik veel pijn heb (in haar papieren staat fibromyalgie), ik vertel haar over de nieuwe pijn op mijn borstbeen. Ze legt uit wat ze allemaal kan doen, waaronder ook mij wassen als dat nodig is (ok, ziet het er zo erg uit? 🙂 ). Ze vraagt me waar ik wil dat ze begint en ik weet het echt niet. Geen flauw idee.

Drie uur later gaat ze de deur uit. Ik ben gewassen (wat ik zelf heb gedaan, maar zij zorgde voor de Peuter zodat het kon). Er staat een pot soep op het vuur en een ovenschotel in de koelkast. Ze heeft de was opgevouwen, waarbij ze de badhanddoeken heeft gestreken – wat ik licht overdreven vond maar ook heerlijk. Ze heeft de was uit de machine gehaald en opgehangen. Ik heb een thuisoppas voor zieke kinderen geregeld voor de volgende dag, en de Peuter en ik gaan naar de supermarkt om de koelkast te vullen.

Nu snap ik waarom de dienst Familiehulp heet. Ik heb een moeder gehuurd.

Nog meer leven zoals het is: single mom

 

Het is 17u53. Binnen zeven minuten gaat de opvang dicht. Ik schuif aan voor een rood licht. Nog 4 km. Een peulschil, tegenover de 146 die ik net gereden heb. Ik voel me opgejaagd, maar blijf alert en voorzichtig.
Om 18u01 ren ik de opvang binnen. Op de weg naar binnen kruis ik een andere mama die begripvol kijkt. Ook zij is hier waarschijnlijk net in zeven haasten binnen gestormd. Peuterzoon staat daar. Als laatste. Hij lijkt het niet erg te vinden. Ik til hem op, kijk hem in zijn oogjes, zeg dat ik blij ben dat ik er ben. Zijn opvoedster vertelt me dat hij ziek is. Hij had voor de middag al veel koorts maar ze hebben me niet gebeld omdat ze wisten dat ik toch niet kon komen. Ze hebben me willen sparen. Het kind heeft een medicament gekregen en ik heb de kans gekregen rustig mijn werk te doen.

Om 20u is het stil in huis. Ik ben nog altijd wat beduusd door een mix van schuldgevoel en ergernis, en die ergernis is op zijn beurt weer een mix van verschillende ergernissen door elkaar heen. En dat schuldgevoel gaat in het kwadraat, want ik voel me ook nog schuldig omdat ik me schuldig voel. Don’t even ask.
Ik haal de vergeten bos bloemen uit de auto die ik vanmiddag gekregen heb. Vanmiddag stond ik op een podium en sprak ik tegen 70 mensen. Ik had vanalles voorbereid, zelfs een enkel grapje waar ze smakelijk mee lachten. Plots hoorde ik mezelf van mijn eigen script afwijken en vertelde ik daar, onvoorbereid, een verhaal uit het begin van mijn loopbaan. Ik gaf met knikkende knieën les op een lerarenopleiding. Ik had een student die lag te slapen de klas uit gezet om mijn gezag te etaleren. De hele klas dreigde mee te vertrekken. Met moeite hield ik ze binnen, maar het werd nooit meer wat. Later in de lerarenkamer hoorde ik dat de jongen die ik buiten had gezet, de zoon was van een alleenstaande werkloze moeder. Hij werkte ’s avonds en ’s nachts om de kost te verdienen voor hun twee. Dat hij in de les zat – zij het dan slapend – was al een prestatie. Ik wil het moment graag vergeten, maar kan dat niet. Nooit. Het is een moment dat me getekend heeft. Dat me geleerd heeft dat er altijd een verhaal is. En dat je daar altijd naar moet luisteren. En dat sta ik plots te vertellen op een podium en ze zijn allemaal stil en ik zie alle gezichten op mij gericht. Daar denk ik aan als ik de bloemen in een vaas zet. Over mijn script en voorbereiding waarmee ik mogelijk onhandig of oninteressant was. Over het vertelmoment wat duidelijk goed ‘werkte’, terwijl het helemaal geen truukje was. Het kwam gewoon uit mezelf. Ik weet niet goed hoe het ging vandaag, ik probeer het los te laten. Het is gewoon zo dat de aandacht van tijdens het verhaal zo anders was dan de energie die er tijdens de andere momenten hing, dat ik het gevoel heb dat het een slechte middag was. Ofzo.

Morgen zou mijn eerste thuiswerkdag in weken zijn. De eerste dag zonder lange rit, zonder gehaast, zonder vroeg de deur uit. De dag om de losse eindjes af te binden en rustig wat telefoontjes te doen en me voor te bereiden op de week die komt. Ik ben geërgerd omdat die dag wegvalt (door de zorg voor een ziek kind) waardoor ik alles wat ik die dag rustig wou aanpakken, weer eens tussen de soep en de patatten en na kinder- en moederbedtijd moet doen. Ik ben te moe. Fijn  dat de opvang me niet gebeld had om me niet te storen, maar de kans om een oppas voor zieke kinderen te regelen was er meteen ook mee verkeken. En dan zit ik op het bed en kijk ik naar het zieke kind en weet ik dat hij ook alleen maar wil dat ik voor hem zorg en hij mijn lappenpopje mag zijn tot hij zich beter voelt. En dat recht heeft hij. Ik ben zijn moeder, hij is mijn kind.

Ik voel de wallen onder mijn ogen letterlijk trekken na een drukke periode. Ik lig bijna drie uur op de bank, humeurig. Dan besluit ik me te herpakken en de pc weer op te starten en alvast het dringendste te doen om die stress voor morgen te beperken.

Dit is vloeken. En waarschijnlijk herkenbaar voor vele ouders. Maar mij geeft het heel even het gevoel dat ik eindeloos op de proef wordt gesteld. Alsof iets of iemand in dit universum wil weten hoe ver ik kan gaan en hoeveel wilskracht ik heb – want fysiek is er niets meer te halen-, door er elke keer weer een schepje bij te doen.

We’ll manage. Uiteraard.

 

 

Fragiel

Met vallen en opstaan gaat het hier. En met wat significante verbeteringen. Door de nieuwe therapie heb ik bijvoorbeeld veel Dirk-vragen en – gedachten kunnen loslaten. Wat oplucht en ruimte geeft, zonder twijfel.

Vandaag sprak ik met een lieve vriendin die vroeg hoe het met me ging. Dat vind ik altijd een moeilijke vraag, maar in het antwoorden ontwikkelde zich een inzicht. Dat inzicht is dat het leven als alleenstaande ouder in deze omstandigheden heel fragiel is en dat alles daarbij met alles samen hangt. Er zijn geen buffers, de verschillende levensdomeinen hangen iets te nauw met elkaar samen.

Drie voorbeelden.

  1. De zieke peuter. De Peuter is even ziek geweest. Dat betekende vier heel slechte nachten op rij (lees: vechten tegen de koorts van 1 tot 7), thuisblijven van het werk, … We zijn nu alweer een week later, maar de gevolgen wegen heel zwaar door. Ik ben nog steeds extreem vermoeid en heb erge hoofdpijnen en spierpijn (lees: ik voel me fysiek echt ellendig). Er is namelijk geen enkele mogelijkheid geweest om te recupereren. Maar ook: mijn  werk is blijven liggen en ik krijg het niet bijgebeend. Door de combinatie van de erge vermoeidheid en het achterstallige werk, voel ik dat ik weer wegzak en veel energie nodig heb  om mezelf mentaal ‘op de been’ te houden. Zo weinig is er nodig om alles hier op scherp te zetten. Het enige dat ik lijk te kunnen is op tijd naar bed gaan. Dagen na elkaar. Maar ik voel me niet beter en het werk dat ik ’s avonds zou moeten doen, blijft alweer liggen. Ik ben zo eindeloos moe…
  2. De opdracht. Ik had een maandelijkse opdracht als zelfstandige voor onbepaalde tijd. Ik ging er misschien te gemakkelijkheidshalve vanuit dat het even zou duren, dat de extra inkomsten dus structureel zouden zijn voor een tijdje. Vroeger dan ik verwacht had, werd de opdracht afgerond. Dat mag, maar het hakte er hier ongelooflijk in. Omdat ik er een klein gevoel van veiligheid aan verbonden had, denk ik. Maar ook: omdat het systeem heel fragiel is en een ruk aan dat touwtje meteen betekent dat de drie tot vier dagen vakantie die ik had willen plannen met de jongens in de zomer, niet haalbaar (of zeer weinig vanzelfsprekend) zullen zijn. Ik denk dat bij weinig mensen oorzaak en gevolg zo kort met elkaar verbonden zijn. Gelukkig maar. Ik werd eerlijkgezegd heel moedeloos van dit voorval. Omdat het een opdrachtje was dat vanzelf op me af gekomen was. Ik had er enige hoop aan ontleend, dat de omstandigheden wat begonnen te keren, dat ik ergens op kon rekenen, dat ik ergens in mocht vertrouwen. Het is vervelend dat ‘kleine’ dingen zo ongelooflijk veel uitmaken, dat ik niet in staat ben de impact van kleine dingen te bufferen. Ik voel me er ook slecht bij dat het me zo verdrietig maakt, ik vind dat ik er gewoon professioneel mee zou moeten omgaan. Maar een keuze die elders ‘licht – achteloos’ gemaakt wordt (veronderstel ik), hakt er hier stevig in. Dat voelt zo… Stom. Ik wil dankbaar zijn omdat het er was, maar ik ben vooral verdrietig omdat het weg valt.
  3. De plagende peuter. De peuter heeft een fase. Een fase die ik me ook herinner van de grote broer. Een fase waarin er geplaagd en getest wordt. Een fase waarin er vanuit het bed duizend keer geroepen wordt. Dat duurt allemaal tot mijn geduld op is. Want er is geen buffertje ander geduld voorradig. Dus riep ik tegen de peuter, dat het genoeg was. Waarna ik dacht dat hij als kind die ruimte moet kunnen voelen – de ruimte om te testen en te plagen. Toen keek ik een filmpje over de vreselijke aanslagen en er werd verteld dat een huilende peuter naast het levenloze lichaam van een moeder zat. Huilend, na twee explosies. Ik ben instant naar mijn peuter-met-een-fase gegaan en heb hem op mijn schoot tot rust laten komen tot hij in staat was om te slapen. Ver voorbij mijn eigen voorraad energie of geduld, maar wel wat ik op dat moment moest doen.

En zo. En zo.
Zo was er ook een oudercontact over de Kleuter, die in de kring weinig vertelt over zijn weekend. Onderweg naar huis dacht ik terug aan het weekend, waarin ik soms urenlang op de bank lig omdat alle energie of al het geld op is om wat leuks te gaan doen. Dat voelt vanbinnen heel breekbaar. Een gedachte die in je op komt, een besef, waarbij je probeert de gedachte niet te denken, het besef niet te hebben, omdat dat soort gedachten je in flarden scheuren als je ze te veel ruimte geeft.

En zo. En zo.
Zo lijkt iedereen vooruit te komen. Er worden huizen gekocht, babies geboren, reizen geboekt, nieuwe lieven voorgesteld en doctoraten verdedigd. En hier is het systeem zo fragiel dat ik bij momenten volledig lam gelegd ben en dat ik mijn uiterste best moet doen om alles hier niet te doen instorten (mijn gezondheid, mijn baan, …) in plaats van dat ik verder kan bouwen – zoals veel mensen rondom met gemak lijken te doen.

En ja, ik moet me wapenen, en nee, op een ander is het niet altijd beter, en ja, er is ook veel om dankbaar om te zijn, en ja hoor, het valt allemaal wel mee. Maar soms, soms, is het allemaal zo fragiel dat het vanbinnen uit elkaar spat.