De noordwester, het kastje en de muur

Het stormt. Het stormt echt. De storm heet ‘noordwester’ en rukt aan mijn bescheiden autootje. Het is donker, de regen striemt op mijn voorruit. Soms zie ik niets als ik een vrachtwagen inhaal. Ik heb twee uur in de file gestaan en nu rijd ik een lang donker stuk tussen Rotterdam en Bergen-op-Zoom. Mijn avondmaal bestaat uit een twix en een kitkat, net rillend in een tankstation in de middle of nowhere gekocht.

Ik ben alleen. De angst houdt me scherp en alert. Er is niemand naar wie ik kan bellen om me hier uit te redden. Het is mij en de duisternis, de striemende regen, het autootje om tussen de witte lijnen te houden hoe hard de wind ook stoot, de opdracht naar huis te gaan, de kinderen op te halen, ze kalm, beheerst in bed te leggen met verhaaltjes, knuffels en liefde voor ik zelf kan rusten. Kunnen we in een half uur inhalen wat ik vandaag weer gemist heb?

Ik ben in het hier en nu, in de storm.

Als ik Antwerpen nader en het weer wat rustiger is, denk ik aan het gesprek met de crisishulpdienst. Het was absurd. Ik legde uit wat er aan de hand was, en de vrouw aan de andere kant zei dat ze niet kon rusten in mijn plaats. Ik vertelde dat ik moeite heb met beslissingen nemen, bv over de school van de kinderen of over wat we vanavond eten. Voor mij is dat een symptoom van mijn vermoeidheid, het feit dat ik het overzicht niet meer heb. De vrouw aan de andere kant zei dat zij niet kon beslissen wat ik vanavond zou eten. Hahaha. Vervolgens verwees ze me door naar alle diensten waar ik al geweest ben, sommige meermaals, en die me op hun beurt weer doorverwijzen naar elkaar. Het kastje en de muur. Ik zeg tien keer dat ik dat al geprobeerd heb en daar al geweest ben. Ze blijft hameren. ‘Ik bel naar u omdat ik alles al geprobeerd heb!‘, zeg ik kwaad. Ik geef haar het voorbeeld van mijn zoektocht naar kraamhulp. ‘Aah, juist ja, dat heb je nodig! Regel dat dan maar voor jezelf, he mevrouw,’ is het antwoord. Uhm, dat dat dus niet bestaat, zeg ik. Hulp voor mensen die in de alarmfase zitten maar er nog niet onderdoor zijn. Er is geen kraamzorg voor alleenstaande vermoeide te drukbezette ouders. ‘O,’ zegt ze. En vervolgens vraagt ze of ik mijn vriendinnen niet kan bellen. Moet ik haar echt uitleggen wat structurele hulp is? Ze stelt ook nog voor het probleem in stukjes te hakken en voor elk probleem een aparte hulpverlener te zoeken. Uhm, integrale benadering, duurzame oplossingen, haalbaarheid voor mezelf. Iemand? Als ze ook nog voorstelt dat ik eens een lijstje kan maken met alles wat er aan de hand is, snauw ik dat ik al honderd lijstjes heb, dat ik ze allemaal kan tonen. Ik vraag haar mijn gegevens te wissen en mijn naam te vergeten, en beëindig het gesprek.

Twee dingen. Het klinkt arrogant, maar ik ben verstandiger dan sommige hulpverleners, waardoor ik te moeilijk te helpen ben. Ik ben te kritisch. En het tweede: er is geen hulp voor de fase waarin je weet dat je uitgeput bent en afstevent op iets ergers. Het stomme is dat de schade veel groter is als je eerst moet crashen voor er wat gebeurt. Ik geloof niet dat ik mijn kinderen iets zou aandoen, maar ik kan me voorstellen dat veel (familiale) dramatische dingen vermeden kunnen worden als er hulp is voor die laatste rechte lijn richting crash.

Via de reactie van Storm op een vorige post, kwam ik bij Maaike terecht. Een soort boost, zo veel wijsheid. Ik hoop dat ik binnen tien jaar Maaike ben. Maar tegelijkertijd ook elke keer weer die vraag of het echt zo is dat de realiteit gevormd wordt door hoe je denkt en dat anders denken, of anders kijken, alles kan veranderen. Ik geloof dat niet helemaal. Het helpt altijd als ik positief kan blijven, maar sommige dingen zijn gewoon te veel. Zoals alleenmoederen en werken en een boos kind en veel kilometers en issues en pfoe.

Het is avond. Ik scheur door de noordwester. Alleen. Er is niemand om op te bellen. Just me & the car. En een twix. En de radio. En de striemende regen. En twee zieltjes die op me wachten. En ik denk aan Roos, die me altijd vertelde dat je zelf weet wat te doen. En ik denk aan wat ik aan mijn holistisch therapeute vertelde, over al die vreselijke patronen die me ongelukkig maken. Ze vroeg me een nieuw patroon te noemen dat ik kan creëren en dat mij kan helpen. De wolfsvrouw, besef ik weer. Vertrouwend op innerlijke kracht & wijsheid. Dicht bij intuïtie en eigen natuur. Stoppen met rondbellen en verwachten dat iemand anders het gaat oplossen. Niet meer het kastje, niet meer de muur. Gewoon, contact krijgen met mijn innerlijk weten.

Ik zet de wagen stil. Bereid me voor op twee oversture kinderen omdat ik laat ben, en een vriendin die me subtiel zal duidelijk maken dat ik dit werk niet moet willen als moeder met twee kinderen. Maar niemand is overstuur of maakt verwijten, iedereen is blij me te zien. Op weg naar huis vertel ik de zoon over de noordwester, ik doe na hoe de noordwester tegen mijn auto blies en dat ik in een school ben geweest die naast het strand lag en we lezen een boekje en nemen ons voor op te zoeken hoe snel een vliegtuig vliegt en of we naar een planetarium kunnen, en even later slapen ze en het schuldgevoel slaapt ook en ik denk dat het allemaal maar even een noordwester is, deze fase. En dat ik er dwars doorheen scheur.

 

 

 

 

 

Prinses snakt naar een nieuw schema

Mijn blog is niet zo makkelijk te categoriseren. Als je recepten, tips of shortcuts zoekt, moet je vooral niet hier zijn. Ik heb geen plan met mijn blog, geen strategie. Schrijven is fijn, het hoeft niet maar mag wel. Dus ik schrijf. Of ik gelezen wordt, kan me nog steeds weinig schelen. Waar ik in mijn leven anders nogal krampachtig ben over allerlei dingen, sta ik heel open in wat hier gebeurt. Op die manier is het geworden wat ik nooit had kunnen verzinnen, bedenken of plannen, namelijk een plek met een ‘echt’ verhaal. Ik wou dat ik kon zeggen dat het een verhaal over verandering en veerkracht is, maar het is een verhaal met iets meer ups en downs dan ik zou willen. Mogelijk zijn verhalen over verandering en veerkracht verhalen met ups en downs. Anyway, ik merk in de reacties dat er enerzijds meegedacht wordt en mooie ‘gesprekken’ ontstaan, en dat er anderzijds ook wat meegenomen wordt door anderen die doorgeven dat ze hier moed, inspiratie of inzicht uit putten.

Kathleen heeft al een paar keer in een heel rake comment de vinger net gelegd waar ik hem al lang probeerde puzzelen. Kathleen, wat kijk je met een scherpe blik, wat verwoord je goed, wat ben ik dankbaar om je inzichten en wijsheid.

In mij sluimerde al een tijd een intuïtief weten, waar Kathleen slechts enkele regels voor nodig had om het wetend voelen, voelend weten te maken: ‘Hoe we ons leven ervaren heeft niet alleen te maken met onze omstandigheden, maar ook met hoe we die omstandigheden interpreteren. En voor die interpretatie gebruiken onbewust schema´s die ons van kindsbeen af zijn aangeleerd. Je bewust worden van die schema´s en ze langzamerhand veranderen, verandert je hele leven. Ik spreek uit ervaring.’ Toevallig had ik over deze schema’s, of kaders – zoals ik ze zelf noemde – recent ook een goed gesprek gehad met enkele wijze dames (in zowel de gewone als de Gentse betekenis van het woord), waaronder deze.

Enkele gedachten over de schema’s:

  1. Heel veel van de pijn van het (mijn) alleenstaand moederen, heeft te maken met het feit dat ik hier geen schema voor heb. Ik ben – geloof het of niet – opgegroeid in een ‘wit’ dorp, met allemaal kinderen met getrouwde ouders en veelal thuisblijvende mama’s. Er was één moeder in het dorp die alleen een dochtertje had geadopteerd. Daar werd schamper over gedaan, en die werd zelfs een beetje verdacht gemaakt: ‘Waarom doet iemand zoiets? Het is toch een beetje eigenaardig – ik zeg verder niets hoor,’ dixit mijn eigen moeder (hoe durfde ze! Ik durf zelfs niet bedenken wat ze insinueerde – toen het later wat moeilijk werd daar met betrekking tot hechting, werden de onuitgesproken vermoedens nog wat nadrukkelijker). Er was een vrouw die verlaten was door haar man en die alleen woonde met haar dochtertje. De vrouw was niet de meest stijlvolle persoon in het dorp, maar om ze nu meteen in de categorie ‘hoer’ te plaatsen zoals werd gedaan (ze ging immers ook niet naar de kerk!), was misschien ook heel kort door de bocht. En de kinderen die elke middag bij hun grootouders aten en daar ’s avonds opgevangen werden tot de beide werkende ouders naar huis kwamen, waren ‘sukkelkes‘. In mijn eigen familie was iedereen getrouwd (met een partner van het andere geslacht), had men minimum 3 kinderen en een groot nieuwbouwhuis en een grote auto voor de deur.
    Mijn leven ging dus plaatsvinden in een groot nieuwbouwhuis, met minstens drie kinderen, een grote auto voor de deur en een immer hardwerkende en aanwezige husbie, zodat ik me halftijds om de kinderen zou kunnen bekommeren en ’s avonds een cursus bloemschikken zou kunnen doen ter ontspanning en ter vermaak. Uhm, de realiteit? Ongeveer het omgekeerde van bovenstaand scenario. In mijn hoofd zat geen enkel schema klaar voor wat ik meegemaakt heb met Dirk, en voor het alleenstaand moederen. Er zaten wel andere schema’s in mijn hoofd. Schema’s waar ik nog steeds naar lijk te streven, waar ik niet los van kom, maar waar ik ook niet aan kan beantwoorden in mijn uppie. Dat doet pijn, dat doet ongelooflijk, belachelijk veel pijn. Het is geen zelfmedelijden, het is pijn.
  2. Ik heb al geruime tijd een conflict met mijn ouders. Dat conflict is best complex, maar naast enkele andere factoren, spelen de schema’s ook een rol. Ik heb namelijk op een gegeven moment haarfijn aangevoeld dat ik beoordeeld werd met de schema’s die ik zelf opgelepeld heb gekregen. Mijn ouders keken niet naar me als naar iemand met verdriet, of naar iemand die mogelijk sterk genoeg was om alles op de rails te krijgen zoals het was geworden. Ik werd bekeken als iemand die mislukt was. Een schandvlek. Ook mijn grootmoeder zei laatst tegen me dat mijn ouders wel genoeg met me meegemaakt hadden. Een opmerking waar ik bijna van achterover sloeg, maar die heel logisch is vanuit de schema-theorie.
    Omgekeerd zit er in mij ook een grote boosheid ten opzichte van mijn ouders omdat ik niet voorbereid ben op wat er gebeurd is met me, doordat ik beperkte schema’s heb meegekregen. Er bestond geen schema van een sterke alleenstaande vrouw – een wolfsvrouw! – die haar leven leidt zoals ze het wil leiden en de moeilijkheden daarbij de baas kan. Een vrouw die zichzelf beschermt, die haar innerlijke stem boven sociale conventies stelt. Die bij zichzelf ten rade gaat in plaats van tot vermoeiens toe probeert te beantwoorden aan wat de wereld wil dat ze doet. Dat schema moet ik zelf uitvinden en ik heb de laatste tijd ontdekt dat ik daar jammer genoeg niet de sterkste in ben. Ergens is er een heel intuïtief aanvoelen dat er een wolfsvrouw in me schuilt, ééntje die los wil, die een enorme kracht bezit die alle pijn en vermoeidheid kan opruimen. Anderzijds zit ik verstrikt in … Tja, in het schema van de Libelle-vrouw, I guess.
  3. Ik ben de laatste jaren actief gestimuleerd door mijn ouders en mezelf uiteraard ook, om in het bekende schema te blijven passen. Dat heeft me veel meer schade toegebracht dan nodig. Ik had Dirk in een vroeger stadium met zijn (nu komt een mooie uitdrukking uit mijn jeugd!) ‘klikken en klakken’ buiten moeten zetten. Hij heeft me geen recht gedaan, hij is niet mijn man geweest. Hij heeft gelogen, geparasiteerd, me behoorlijk in de problemen gebracht, me gemanipuleerd en me psychisch mishandeld. Mijn ouders wisten dat – alles. En ze duwden me telkens met zachte hand terug. ‘Kies maar voor je gezin. Geef hem tijd. (…)’ Uiteraard had ik zelf sterker moeten zijn, maar oh, wat had ik gewenst dat iemand me had gezegd dat ik sterk genoeg was om het alleen te doen. Dat iemand me nu zegt dat ik sterk genoeg ben om het alleen te doen. Als ik vroeger zelf de beslissing had kunnen nemen mezelf en mijn kinderen te beschermen, en weg te gaan van een man die niet goed voor me was, had ik nu veel minder puin te ruimen – financieel, praktisch, emotioneel. Dan was ik niet zo zwaar beschadigd en uitgeput geraakt in die relatie, waardoor ik nog steeds akelig vatbaar ben voor die man en ander ondeugdelijk gespuis.

Het lijkt alsof ik telkens weer terug kom bij mijn wolfsvrouw-gedachte. Ik zie nu zelf dat ik de laatste jaren actief heb geprobeerd een ander schema te ontwikkelen voor mezelf, door o.a. boeken van Clarissa Pinkola Estes te lezen, een holistisch therapeute te zoeken en me te laten prikkelen in contacten met mensen die ‘anders‘ leven. Ik denk dat de ontwikkeling van een ander schema, en vooral het overboord gooien van de schema’s die me belemmeren, onrecht doen en pijn  brengen, een grote goed zou zijn.

Voor mij. En voor mijn kinderen. Als ik ook maar één iets goed mag doen in de opvoeding van de mini’s, laat het dan zijn dat ze zo vrij mogelijk zullen zijn van schema’s die hen klein houden.

 

 

 

 

Over wolfsvrouwen-in-wording die zich omver laten kegelen door ondeugdelijke mannen

Ik zit bij mijn holistisch therapeute met mijn hoofd tussen mijn schouders. Hoe is het mogelijk dat het weer zo’n soep is in mijn hoofd? Dat ik moe ben en niets gedaan krijg? Dat ik niet meer gestructureerd kan denken?

Ik ben niet hondsdepressief. En ik voel dat er verandering is, ook in deze dieptepunten waarin mijn hoofd niet meer lijkt te werken. Het is niet meer zo diep als het ooit was, het duurt allemaal korter, ik kan het beter interpreteren en ik weet ook dat het over gaat. Ik ken mijn kracht intussen.

Hoe het komt? Drukte en heel veel dingen die aan me trekken en die ik niet af krijg. Slecht voor mezelf gezorgd. Een aanval van fibro om u tegen te zeggen, elke beweging doet pijn en ik lijk vooral ’s ochtends wel kreupel. Slaap tekort (bedankt, zonen, ik herhaal: elke dag om 6 uur is te vroeg, en nee, dat vloeken hebben jullie niet gehoord vanochtend). En de ondeugdelijke man terug gezien. Nothing happened, maar hij liet me in totale verwarring achter.

Wat kan ik daarover zeggen? Het is alsof hij me open breekt en alsof dat ook heel erg nodig is want een effect van alleen zijn is ook wel dat je erg vast geraakt in jezelf. Hij is liefdevol, warm en gul in zijn omhelzen. Ik, die soms vooral uit hoofd lijkt te bestaan, voel mijn lijf weer, met die armen om me heen. Ik, die het zelden verdraag aangeraakt te worden, laat me vasthouden en geniet daarvan. Ik voel zijn lichaam, ik ruik hem. Hij is warm en ruikt lekker en voelt veilig en vertrouwd en nieuw. En het lijkt alsof er iets geopend wordt, in mijn buik, en alsof er energie gaat stromen en dat dat zo weldadig is dat ik helemaal warm en stuiterend naar huis rijd.

Dat alles wekt zo veel verlangen. Naar samen, naar dicht, naar verbonden, naar toekomst, naar zorg, naar rust. Het verlangen spat open in me. Eerst voelt het als ‘hoera x 1000’. Daarna wordt het rauw.

Want de ondeugdelijke, mogelijk zelf behoorlijk hechtingsgestoord, vult de ruimte die hij opent niet in. En dat is zo schrijnend, en daar ga ik van omver.

Dat ik dat niet mag toelaten, zegt de holistisch therapeute. Dat ik mijn hoofd er bij moet houden. Dat ik in staat moet zijn mijn eigen ruimte te vullen. Dat ik dit met hem moet bespreken. Dat ik mezelf veilig moet stellen. Dat ik dit nu niet aan kan.

Ja, denk ik. Ja, ja, ja, ja. Allemaal waar. Maar ik heb het nu gehad. Ik wil niet wijs zijn, ik wil niet meer groeien en evolueren en mezelf in vraag stellen en al mijn patronen doorbreken en sterker worden. Ik wil gewoon samen, dicht, verbonden, toekomst, zorg, rust. En trouwens, zijn al die andere mensen die wel relaties hebben daar nu allemaal zo klaar mee? Zijn die allemaal beter dan ik? Waarom ik niet en iedereen wel? Ja, hoor, ik heb een innerlijke Calimero.

De evolutie die ik de voorbije tijd gemaakt heb, noem ik ‘de weg naar binnen’. Steeds dichter bij mezelf, steeds echter, rustig aan meer in evenwicht, in verbinding met mijn eigen kracht. Ooit schreef ik over de wolfsvrouw die ik wou worden. Daar kom ik steeds dichter bij, waarbij ik merk dat ik ook een andere relatie ontwikkel met mijn eigen vrouwelijkheid, mijn instincten en de krachten die in de natuur spelen. Dat is krachtig en verbazend en tegelijkertijd heel normaal.

Maar nu dus terug naar af. Ik weet dat hier wat te leren valt en dat ik deze situatie met beide handen moet aangrijpen om iets over mezelf onder ogen te zien en ermee te breken. Het kan niet dat ik onderweg naar de ondeugdelijke in een rustige stabiele kracht ben, en dat ik na een ontmoeting met hem niets meer waard ben, ziek van onvervulde verlangens. Werk aan de winkel, dus. Maar niet vandaag. Alsjeblief, niet vandaag.

Ik vraag de holistisch therapeute wat me te doen staat. Ik hoop dat ze zegt dat het goed komt tussen mij en de ondeugdelijke, dat we samen zullen eindigen en nog tien leuke kinderen op de wereld zetten, dat hij elke dag bloemen zal meebrengen en dat we in goede en kwade dagen voor elkaar zullen kunnen kiezen. Maar dat zegt ze niet. Ze zegt dat ik voor mezelf moet zorgen, de ruimte zelf moet vullen. Of hier nu stoppen, met het proces. Maar dat is geen optie want het is onaf.

Ik vloek. En nog eens. Ik denk aan het bijna triomfantelijke schrijven over therapie en in proces zijn van een tijdje terug. Weer een lesje geleerd, I guess. Maar goed. Ik blijf voorlopig nog even met mijn hoofd tussen mijn schouders zitten, if you don’t mind.

Prinses is vlees noch vis

Hippie

Nachtpasta
Het is laat. Ik zit aan de tafel, wacht tot de pasta klaar is. Vandaag heb ik drie vergaderingen gehad op twee verschillende locaties, geen van beiden binnen een straal van 200 km rond mijn huis. Ik heb meer dan vijf uur in de auto gezeten. Ik heb me afgevraagd wat ik mijn kinderen aan doe met dit leven. En toen zei er een stemmetje dat het Dirk zijn schuld is. Hij had ook gewoon het thuisfront kunnen spelen, nietwaar?

Wolfsvrouw met telefoonverbinding
Net heb ik een half uur gebeld met iemand waarvan ik dacht dat het een wolfsvrouw is. Iemand die op een boerderij woont, zelf kruidenmengsels maakt om te genezen van kwaaltjes en maar liefst acht kinderen heeft groot gebracht tot types die met paarden werken en hun hart volgen. Het leven haalt rare fratsen met me uit de laatste tijd en er gebeuren met enige regelmaat heel absurde of onverwachte dingen, zoals dit gesprek en het contact met deze vrouw.

Dreadlocks en kleermakerszit
Ik voel me altijd aangetrokken tot dit soort types. Al heel mijn leven ben ik gefascineerd door hippie-achtigen. Mensen die in communes wonen, mensen die van die leefgemeenschappen opzetten, in een yurt overwinteren, van festival tot festival trekken met een kraampje met bio-pannenkoeken, hun eigen groenten kweken waarbij ze de maanstanden respecteren, leven van de wat de wind brengt, geen suiker eten want dat is vergif, zich terugtrekken in de natuur op hun uppie voor volledige dagen en nachten, op een matras in hun woonkamer liggen als ze een snee brood hebben gegeten omdat hun lijf moet rusten van die zware aanslag die brood is, hun haar nooit wassen omdat dat niet nodig is als je zuiver eet. Enzovoort. Als het maar dreadlocks heeft en in kleermakerszit zit, zeg ik altijd.

Ok, ik vergroot het een beetje uit. Maar dat van die aantrekkingskracht is waar en ik kom ook bijzonder vaak in contact met dat ‘soort’ mensen of hun plekken.

Hippiedirk
Ook Dirk was in zekere zin dat type. De vrije vogel die alles anders deed dan anderen. Die niet hoefde te werken (want dat deed ik, haha). Die in de natuur rondzwierf bij volle maan (I kid you not) en altijd wel een skeletje van een muis of iets dergelijks meebracht (fijne cadeaus, echt). Die naakt in rivieren zwom. Hij had ook absurde kennissen. Mensen die als beroep zandsculptuurmaker waren, of sjamaan. Hij had echter geen dreadlocks (wel woest haar) maar zat wel in kleermakerszit.

Minderwaardig
Anyway, ik voel me altijd minderwaardig in het contact met de hippie-achtigen. Alsof zij dichter bij het ware leven staan dan ik. Alsof zij de essentie benaderen terwijl ik in de materie blijf hangen. Alsof zij zuiverder leven en ik maar meeloop met de massa. Alsof zij durven en ik niet.

Binnenkort rijd ik naar die wolfsvrouw toe met mijn jongens. Ik schaam me al bij voorbaat voor mijn nieuw autootje en mijn hoge hakken. Mijn iPhone (van het werk) zal ik maar thuis laten.

Het roer om?
Dat minderwaardige gevoel wrijft en schuurt telkens een beetje. Het doet me vragen stellen over mijn eigen leven. Waarom ik het roer niet omgooi. Waarom ik dit jachtige drukke leven blijf leiden, in plaats van in een gemeenschap te gaan wonen, mijn kinderen in te schrijven voor het Freinetonderwijs, en met mijn handen in de grond te gaan wroeten in een poging zelfvoorzienend te leven, mijn ware ik te vinden en nooit meer vermoeid te zijn. We zouden een ander leven kunnen hebben, dan dit leven waar stress en drukte toch een rode draad vormen.

Geen talent voor het hippiebestaan
Het antwoord is simpelweg dat ik geen hippie ben. Ik heb geen talent voor zelfvoorzienend leven. Ik geniet met volle teugen van op het werk rond te kijken en de gezichten van mijn collega’s te zien en te beseffen dat ik van elk van deze sterke en gedreven professionals iets leer. Ik ben in mijn nopjes als ik een lange rit voor de boeg heb met mijn autootje dat lekker sportief en intuïtief rijdt. Ik word gek als ik een week thuis zit met mijn kinderen omdat ik het saai vind en mijn kinderen vaak zeuren of ruzie maken en altijd aandacht nodig hebben. En ik heb nu eenmaal geen talent om te knutselen met beukennoten of samen verhalen te verzinnen terwijl we in een zelfgestookt vuurtje porren. Ik ben op mijn privacy gesteld en mag er niet aan denken dat ik in een huis zou wonen met huisgenoten die niet mijn partner of kinderen zijn en geluiden maken en/of bewegen en de spullen in de keuken anders terug zitten dan het in mijn hoofd moet. (Over het delen van een toilet en badkamer denken we nu even niet eens na, ok?) Ik hou van brood en nog meer van brood met hagelslag. Ik heb geen dreadlocks en ga elke dag in de douche. Mijn kinderen zitten in een gewone school en een gewone opvang waar ze niet eens biogroenten geserveerd krijgen (dat laatste vind ik overigens wel echt jammer). Ik zit op een stoel terwijl ik dit schrijf, en niet op een bamboemat. Ik drink tien koppen koffie per dag in plaats van brandnetelthee.

Vlees noch vis
En dus besluit ik dat ik geen talent heb voor het hippie-bestaan, maar dat ik tegelijkertijd ook niet helemaal mee doe met het echte leven zoals de meeste mensen. (Ik heb overigens altijd al het buitenbeentjesgevoel gehad, nu weet ik dat dat eigen is aan hoogsensitieve mensen.) Ik heb bewust geen tv, we eten groenten via het voedselteam, we zijn vegetariërs op het veganistische af, we dragen tweedehandskleding (alleen zijn dat geen wereldwinkelbroeken), en uren op mijn uppie in de natuur dwalen is een groter cadeau voor me dan een avondje in een groep vrienden.

Vlees noch vis, ik. Villa noch yurt. Geföhnd haar noch dreadlocks. Hip noch alternatief. Trut noch wolvin so far. Ik haal mijn schouders op, weet even niet of ik iemand anders zou willen zijn als ik kon kiezen, en eet mijn pasta op.

Prinses pleit heel voorzichtig voor vertrouwen

Deze post zit als gevoel klaar in mijn hoofd en hart om geschreven te worden. Maar ik twijfel, want ik wil niemand kwetsen.

De laatste dagen, door de aankondiging van de zwangerschap van Kelly (hoera, van harte gefeliciteerd!) gonst blogland van de ongerustheid. Er worden volop ervaringen gedeeld over er onderdoor gaan, huilbabies, moed, er doorheen komen en hoe dat dan aan te pakken, bel-me-maar-als-het-te-erg-wordt, het kan ook meevallen, .. (Ook ik pleit schuldig.)
Mooie solidariteit, maar we vergeten iets.

Ik lees vaak een Facebook stukje van de Gentlemoms. Ze doen belangrijk werk, maar ik denk vaak dat ze iets vergeten. Ik word soms kregelig van het bezorgde zware sfeertje dat ik elke keer voel in de posts.

Er lijkt vaak zo’n ‘oe’ en ‘aaaah’-sfeertje te hangen rond moederschap. Als we het allemaal maar aankunnen, als we er maar niet onderdoor gaan, als de baby maar niet te veel huilt, als we maar niet crashen, als we maar zwanger kunnen worden, als we maar geen miskraam krijgen, als de bevalling maar niet te veel pijn doet, …

Ik heb ook mijn portie gehad, geloof me. Daarom durf ik bij deze spreken. Het is allemaal niet makkelijk. Kind 1 huilde en huilde en huilde, tot ik (na de osteopaat, dokters, kinderartsen, medicatie, homeopaat) desnoods bereid was hem op te geven voor één of ander toverritueel. Na vijf jaar heb ik nog steeds een boos kind waar ik de handleiding maar niet van vind. En dat is elke dag een strijd. Met hem, met mezelf.
De bevalling van kind 2 moest thuis plaats vinden. Na vruchteloos persen thuis (meer dan een uur, als een dier op handen en knieën) ben ik in volle persweeën naar het ziekenhuis gevoerd waar ze me helemaal plat gespoten en open geknipt hebben en ik het zweet zag parelen op de twee vroedvrouwen die over mijn buik heen lagen om het blauwe kind er uit te duwen. Het kan erger, dat weet ik. Maar het was niet leuk in de spiegeling van de raam te zien hoe de gyn mij down under uit alle macht openrok, het bloed gutste en dat het resultaat van dat brute geweld een punthoofdbaby was. Geweld, zo voelde het. Het leek wel een slachtpartij. Op het einde van de rit zat alles onder het bloed. Eenmaal wat opgelapt, lag ik alleen in een kamertje met mijn baby, was ik te zwak om hem te pakken, voelde ik me eindeloos schuldig en gefaald en kwam er een humeurige geïrriteerde vroedvrouw een half uur nadat ik op het belletje had gedrukt om te plassen. Ik had uiteraard amper spulletjes bij voor mij en de baby. Ik heb me zelden zo alleen en zielig gevoeld. Of misschien wel, maar dat is een ander verhaal. En ik heb nog weken op een zwemband gezeten.

Ok, too much information, ik heb me even laten gaan. Ik wil alleen even aantonen dat het hier ook geen hoera-verhaal is geweest.

Maar wat ik dus in het hele discours over het moederschap mis, is vertrouwen. Vertrouwen in onszelf als moeders. Vertrouwen in ons moederinstinct. Vertrouwen in onze veerkracht. Vertrouwen in onze omgeving en de mede-moeders die er voor ons zullen zijn. Vertrouwen in de vroedvrouw die met raad en daad als wijze vrouw aan onze zijde kan staan. Vertrouwen in ons lichaam dat heus wel weet hoe het moet baren en slimme truukjes heeft om de pijn te slim af te zijn zodat we niet standaard naar een verdoving moeten grijpen. Vertrouwen in onze borsten die melk maken. En in de kwaliteit van flesvoeding als dat niet lukt. Vertrouwen in heel dat hormonale huishouden dat je z’n gangetje mag laten gaan. In de volle wetenschap dat roze wolken uitzonderingen zijn, dat zwanger zijn zelden een feest is, dat bevallen altijd pijn doet, dat babies huilen (van zelden tot altijd en alles daar tussenin), en dat vrouwen dipjes hebben na de geboorte (van kraamtranen tot depressie en alles er tussenin).
Vertrouwen hebben ondanks de wetenschap dat het niet makkelijk is. Want er iets iets groters dan de dipjes, de depressies, de moeilijkheden, de pijn die allemaal heel ernstig en reëel zijn en die ik niet wil ontkennen of minimaliseren. En dat is onze natuur. Durven we ons daarmee te verbinden en daarin te vertrouwen?

Ooit schreef ik over de Libelle-trut en de Wolfsvrouw. De Libelle-trut die met allerlei truukjes perfect probeert te zijn, iedereen wil behagen en aan alle verwachtingen wil voldoen. De Wolfsvrouw die leeft vanuit haar eigen wijsheid en instinctieve natuur als vrouw en lekker doet wat ze zelf wil en in verbinding staat met de natuur, met zichzelf, met anderen.

Ik word steeds meer een Wolfsvrouw. Ik zeg steeds meer foert tegen wat iedereen vindt en wat moet. Ik aanvaard steeds beter dat het leven niet alleen happy en mooi is, maar dat je door diepe dalen trekt op weg naar hoge toppen en weer verder het dal in. Dat het leven zowel dor als vruchtbaar kan zijn. Dat je ontvangend in het leven kan staan in vertrouwen, in plaats van krampachtig controlerend en regelend. Dat de bron van wijsheid en energie in mezelf ligt, dat ik het niet moet halen uit wat ik hoop te krijgen als ik anderen behaag. Dat is een persoonlijke evolutie, en het pad is nog lang.

Maar ik ben nooit meer wolfsvrouw dan als ik zwanger ben en een afkeer voel van bepaalde voedingsstoffen omdat mijn lijf wijs is en weet dat ze niet goed zijn voor mijn ongeboren kind.

Ik ben nooit meer wolfsvrouw dan als ik me zwanger en doodmoe terugtrek in mijn hol waar ik rust om mijn kind te kunnen dragen en mijn krachten spaar voor het baren.

Ik ben nooit meer wolfsvrouw dan als ik op handen en knieën probeer te baren, de pijn door merg en been snijdt en ik in mijn volle kracht alles kan hebben en nog veel meer.

Ik ben nooit meer wolfsvrouw dan als iemand zijn hand uitsteekt naar mijn kleine baby in de draagdoek en ik instinctief voel dat ik het kind moet beschermen tegen alles en iedereen. Dat ik diegene die het ongevraagd aanraakt zou bijten. Dat ik een vage neiging voel mijn kind schoon te likken als het te veel naar het parfum ruikt van de vriendin die het op schoot heeft gehad.

Ik ben nooit meer wolfsvrouw dan als ik ’s nachts wakker word omdat er melk uit mijn borsten begint te stromen, en ik net op dat moment de eerste smakkende geluidjes van mijn baby hoor die honger begint te krijgen.

Ik ben nooit meer wolfsvrouw dan als ik met mijn roedeltje in het grote bed slaap en mijn armen beschermend rond mijn jongen leg.

Vrouwen, moeders. Het valt allemaal niet mee. We kunnen ‘oe’ zeggen. En ‘aaah’. En ‘oei’. En ‘wat als?’. Maar we kunnen er ook voor kiezen te vertrouwen. In onszelf, in onze natuur.

Bij deze hef ik mijn kop thee op de wolfsvrouw in elk van ons. Proost!