Prinses heeft een paniekaanval

De processie van Echternach
… Maar dan met een bolide

Het leren autorijden is een verhaal van lange adem bij mij. Mijn laatste rijles een maand geleden, is geëindigd in een discussie van een uur met de rij-instructeur, of het dus al dan niet verantwoord was om mij met een voorlopig rijbewijs (18 maanden) de weg op te sturen. De Frits, want zo heet de rij-instructeur, heeft het me uiteindelijk gegeven, mompelend dat hij daar zijn licentie voor kon kwijt geraken. En bij het afscheid keek hij me smekend aan, en zei: ‘Gebruik het niet, gebruik het alsjeblieft niet.’

Nu, ik ben niet bepaald onbezonnen, ik ben een moeder van twee. Ik heb hem ook niet proberen overtuigen, maar ik heb hem wel om argumenten gevraagd waarom ik geen rijbewijs zou krijgen. En die had hij niet. Daar kon ik niet goed tegen. Het leek op een subjectieve beslissing, op willekeur. Hij kon me niet vertellen wat ik anders moest doen om het voorlopig rijbewijs wel te krijgen. Dus kreeg ik het, after all.

Grenzen verleggen
aan 95 per uur op de rechterrijstrook

Sindsdien tuf ik rond in mijn oude, gekregen bolide. In het dorp hier en de omgeving. Naar de Colruyt en terug (o, wat geweldig dat dat geen bakfietsaangelegenheid meer is!). Op secundaire wegen. Bij dat laatste viel me al meteen op dat ik makkelijk een uur doe over een ritje van pakweg 30 kilometer. En dat triggerde het verlangen om de autostrade te leren gebruiken, wat me lukte, en bij uitbreiding: de Brusselse en Antwerpse ring.

En dat heb ik vandaag gedaan. Na een slapeloze nacht doordat Babybroer gehoest heeft van 21u ’s avonds tot 6u ’s ochtends. Met braken van het hoesten en al.

De heenweg ging goed. Het was namiddag, de zon scheen. Ik kon alles vrij goed overzien. Ik was ‘die irritante’ die 95 bleef rijden op de rechterrijstrook, maar hee, dat is perfect reglementair. Euh, toch?

Rauwe paniek
Over een olifant die zich nestelt op je borst

Tegen de terugweg had ik opgekeken. Het zou donker zijn, en daar maakte ik me zorgen over. Ik reed richting Antwerpse ring, en toen ik de laatste afrit voor de ring gepasseerd was, en wist dat de enige optie nu was er overheen te rijden, kreeg ik een kanjer van een paniekaanval. Ik ben niet iemand die paniekaanvallen heeft, ik heb geen angststoornis ofzo. Maar het is met een paniekaanval als met een wee: het is je onbekend, je kan je niet voorstellen wat het is, maar je weet dat je er één hebt als je er één hebt. Man, man. Heel mijn lichaam verstijfde, het was alsof er een olifant op mijn borst zat, ik kon niet meer ademen en het leek alsof ik ging braken. Mijn waarneming werd een soort ‘tunnel’-zicht, wat het gevoel in paniek te zijn terug voedde. En toen ik het gevoel had uit elkaar te zullen spatten van angst, werd ik zo slap als een doek. Maar: ik reed gewoon door. Omdat er geen andere optie was.

Wat vreemd was, is dat ik niet aan mijn kinderen dacht op dat moment. Er was gewoon alleen maar angst, van het rauwe soort.

Thuiskomen op de noordpool
en beseffen dat je zelf je olifanten de baas moet worden

En net kwam ik thuis. De verhouding tussen mij en Dirk heeft op dit moment een noordpool-karakter, omdat ik hem uitgelachen heb toen hij mij pedagogisch incapabel noemde als moeder en hem verteld heb wat ik op dit moment echt van hem denk. Maar ik kwam dus thuis. En ik dacht: ‘ik ben nu al zo veel sterk geweest. Nu wil ik even in elkaar zakken en dat iemand me dan gewoon even vast houdt.’. Maar ik zakte niet in elkaar, en niemand hield me even vast. Ik liet Dirk uit, en deed verder. Met sterk zijn. Al zie ik in de spiegel dat elke tint kleur uit mijn gezicht verdwenen is. En naast de gewaarwording van een paniekaanval vandaag, heb ik dus ook de gewaarwording van het missen van een partner. Niet Dirk, maar iemand waar wat warmte te halen valt. Iemand om even tegen aan te schurken. Iemand waar je niet sterk bij moet zijn. Iemand die vertrouwd voelt. Een drama is het allemaal niet, en ik ben niet triest ofzo. Ik neem het waar, de paniek en de behoefte aan twee armen. En beiden verrassen me.
Op een gegeven moment in de auto vroeg ik me wat klagerig af waarom ik alleen door die paniekervaring moest. En toen bedacht ik dat dat vast volwassen zijn is. En dat de inzet is van heel de levenscrisis die ik nu doormaak: dat mijn eigen neiging op anderen te steunen vervangen wordt door de ervaring dat ik het zelf doe en zelf kan, er sowieso zelf doorheen moet. De kinderen opvoeden. Werken. Het huishouden. De Antwerpse ring. Een belangrijke vergadering. Er is geen partner meer om naar te bellen en te vertellen hoe bang ik ben. Ik moet mijn rug rechten, die olifant wegjagen, en het gewoon doen. En blijkbaar lukt dat. Aan 95 per uur, en voor de zekerheid toch maar op de rechterrijstrook.

Nou, Babyzoon. Ik heb een volledige nacht slaap verdiend. Wat denk jij ervan?