Trage dagen

Ik heb trage dagen nodig. Hoewel ik me tegen mezelf verzet daarin. Het is niet handig, het is niet praktisch. Behalve als ik alleen zou leven. Dan leiden de trage dagen tot gedachten, tot diep werk, tot creatie.

Maar ik leef niet alleen. Hoe romantisch sommigen ook over kinderen kunnen schrijven, de dagen met kinderen zijn niet traag en zelden uitgepuurd schoon. Ik zit op het grote bed en wil alleen maar even zitten en nadenken. Beneden hoor ik hen ruzie maken en schreeuwen. Ik wil even fijn douchen. Beneden hoor ik iets sneuvelen. Ik blader door de krant aan tafel. De oudste geeft de jongste een schop omdat hij iets fout deed, en ik niet reageerde.

Het gaat zo tegen mijn natuur in. In plaats van uit mijn schulp te komen, wat de situatie van mij vraagt, kruip ik alleen maar dieper. Ik verlang naar cocon, naar rust, naar stilte, naar een positieve energie, naar lezen, naar schrijven, naar ruimte in mijn hoofd om te denken. Ik heb een schrijnend tekort van jaren aan ruimte in mijn hoofd. Stilte. Traagheid.

Soms stem ik me af of hun tempo. Dan lukt het me, om vier keer het pontje over het IJ te nemen omdat ze dat willen. Om rustig te zoeken welke tram ze het leukste vinden. Om elke roltrap op onze weg op en af te gaan. Hun tempo. Hun dingen. Dat is mooi. Het schuurt dan minder. Maar mijn eigen honger is er niet mee gestild. Pun intented.

We zijn anderhalve week bij de Man. De eerste week doen we meer dan het voorbije half jaar. De Man blijkt ondernemend, mijn kinderen ook. Dus we wandelen door sprookjesparken, we zwemmen, we drinken koffie, we zien theater, we waaien uit in de duinen, en we kijken film met zijn allen op de bank.

Op het einde van de week ben ik gesloopt. Zo veel en zo veel samen. Maar ik ben ook heel dankbaar.

Na anderhalve week, bijna twee weken, zijn we weer thuis. Met drie. De eerste avond is al meteen een race, met twee overspannen kinderen, een opvoedingsondersteunster, geen eten in huis, janken, tranen. Name it. Vervolgens krijg ik het niet georganiseerd om opvang te vinden om naar mijn  werk te kunnen. Op enkele uren druipt alle opgebouwde energie van de afgelopen anderhalve week waarin ik niet alleen was, waarin we het samen deden, waarin ik niet hier was, waarin alles beter ging, weg. Ik realiseer me stomverbaasd dat ik al drie jaar het onmogelijke heb gedaan, met een ijzersterke garantie op schuldgevoel. Geen opvang vinden? Schuldgevoel naar werk toe. Gaan werken? Schuldgevoel naar thuis toe. Voor het eerst ben ik wat milder. Hoezo, ik had ook nog elke dag yoga moeten doen, het aanrecht schoon houden, vijf kilo afvallen, mails beantwoorden en mijn werk af hebben? Haha.

Van mijn werkgever moet ik een soort programma volgen. Een training. Omdat ik er even doorheen ging. Ik geloof er zelf niet in. Soms moeten de omstandigheden veranderen, waardoor je zelf ruimte krijgt om beter en anders te worden. Ik heb veerkracht opgebouwd. Misschien meer dan de jonge psychologe die me gaat vertellen dat ik positief moet denken en grenzen moet trekken. Daar ligt het niet aan. Als het daar aan lag, had ik het kunnen redden. Je kan iemand niet trainen om het onmogelijke te doen. Ik geloof best dat er single moms zijn die het goed doen, met twee kinderen. Maar ik niet, niet met deze kinderen, deze ex, deze combinatie van werk en gezin, dit energieniveau, dit beperkt netwerk, deze financiële situatie en mijn eigen persoon die een cocon nodig heeft en veiligheid en alleen zijn en rust.

I don’t belong here anymore. Ik ben klaar met alles alleen doen. Met de jaren van de lege bankrekening, van de eeuwigdurende stress, van pijn, van vermoeidheid, van conflict. De maanden die ik nodig heb om de overstap te maken, zijn er te veel aan. Alsof het niet meer kan, uithouden wat ik al drie jaar doe, voor die laatste maanden. Alsof ik niet meer weet hoe ik moet zwemmen nu de kust in zicht is.

Daar zal ik het lef moeten hebben een kamer in te palmen en er een cocon van te maken. Ik weet dat het geen rozengeur en maneschijn zal zijn. Er zal nog steeds vermoeidheid zijn, ik zal in een vreemde omgeving zijn, we zullen moeten wennen, aanpassen, veranderen, en de relatie met de Man zal ook het nodige onderhoud vragen.

Hij is geen reddingsboei. Hij is gewoon de juiste man op het juiste moment. Hij is verstandig, rustig, houdt het overzicht. Ik verbind me met hem, want dat heeft hij nodig denk ik. Verbinding. Hij heeft de plek, wij vullen de ruimte die anders een leegte is. We voegen de middelen samen. Niet letterlijk, maar figuurlijk. Samen hebben we voldoende tijd, zorg, geld, energie om het te laten werken. Fingers crossed.

 

 

Afscheid van de ondeugdelijke man in drie bedrijven

happyProloog

Ik heb het laten aanslepen. Zit dat in mijn aard? Ik had alleszins tijd nodig om een besluit te nemen. Om wegwijs te geraken in een wirwar van gevoelens die elkaar tegenspraken, zoals angst om alleen te zijn, onvermogen genoegen te nemen met wat er was, verlangen, hoop op verandering, …

Uiteindelijk besloot ik dat ik niet gelukkig werd van wat ik had met de ondeugdelijke man. Het was te los, te sporadisch, er was te weinig wederkerigheid, te weinig ruimte, geen plannen. Intens samenzijn en dan weer intens niets.

Ik nam afscheid van de ondeugdelijke man, en had daar drie bedrijven voor nodig.

{1}
Ik oefende wat ik tegen hem wou zeggen. (Jullie denken vast dat ik gek ben, maar eigenlijk doe ik dat vaker: moeilijke boodschappen tegen mezelf mompelen, om te oefenen. Bijvoorbeeld in de auto. Trouwens, het helpt niet. Of misschien enkel psychologisch ter voorbereiding.) Daarvoor moest ik voor mezelf helder krijgen hoe het zat, wat ik wou en wat ik niet wou, en waarom. Het boek ‘Blijven ademhalen’ leerde me het begrip ‘ahimsa’: geweldloosheid, in woord en gedachte, tegenover jezelf en anderen. Een begrip dat steeds meer een anker wordt in mijn leven. Omwille van die ‘ahimsa’ wou ik afstand nemen. Om mezelf geen geweld aan te doen in ‘iets’ dat niet was wat ik wou. Om hem geen geweld aan te doen in het verstrikt zitten in ‘iets’. Ik oefende en kon het aardig verwoorden.

En toen stond hij onaangekondigd voor de deur. Ik was behoorlijk mijn tekst kwijt. Ik had bij het oefenen ook geen rekening gehouden met dat leuke trekje rond zijn mond, hoe zijn ogen stralen met levenslust en ondeugd en hoe heerlijk het is om een stel warme sterke armen om je heen te voelen.

En toch slaagde ik er in het op een gegeven moment te stamelen. ‘Ik word hier niet gelukkig van.’ Oorverdovende stilte. ‘Ik wil niet iemand die af en toe op het toneel verschijnt, ik wil iemand die bij me wil zijn.’ Het was een behoorlijk beknopte versie van wat ik eigenlijk wou zeggen, maar het was er wel een beetje de samenvatting van. Hij zei dat we moesten praten, op een ander moment. En hij ging.

{II}
De ondeugelijke en ik zagen elkaar terug. Er was afstand, waar ik enorm van schrok maar die ik achteraf gezien zelf had uitgelokt door wat tactloze opmerkingen mijnerzijds. Tja, als iemand het heeft over vrienden zijn en je zegt ijskoud: ‘ik ben je vriend niet’, komt dat misschien niet zo aardig over. Hij kan mijn gedachten immers niet lezen, over de scheidslijn tussen vriendschap en liefde die ik hanteer.

Ik was er even totaal ondersteboven van. Gelukkig was er die avond taart & thee, een goed gesprek en voorzag Anna Klijn me ook nog van wat inzichten*. Anna zegt: ‘De relatie die we hebben, is de relatie die we willen en waar we voor kiezen. Dit is een relatie die we denken waard te zijn.’ Boodschap begrepen, Anna. *Slik*

* Soms is Anna heel raak, anderzijds is het wel heel vreemd dat ze alle mannen over één kam scheert. Alsof ze allemaal dezelfde handleiding hebben.

{III}
We zagen elkaar nog één keer. Ik zat in de auto, op weg naar hem, en sprak luidop tegen mijn dashboard: ‘Laat me in staat zijn hem te bereiken, afscheid te nemen zonder hem het gevoel te geven hem af te wijzen en hem los te laten.’ Ik had mijn tekst deze keer niet geoefend.

We spraken. Over wat in de weg stond. Onze start was het moment waarop ik hem vertelde dat ik een relatie wou vrij van alle mogelijke destructieve patronen. We hadden een boeiend gesprek, ik trok mijn stoute schoenen aan, vroeg hem uit voor een kopje koffie, hij ging er gretig op in, en hoewel ik hem erg aantrekkelijk en boeiend vind als mens, bevond ik me plots in een patroon waar ik niet gelukkig van werd. Te los, te onzeker, te weinig. Niet waar ik naar op zoek ben. Verre van. Leuke man, foute band. Dat zei ik hem.
Bij het afscheid omarmde hij me. Lang. Ik liet mijn handen over zijn rug glijden, zijn bovenarmen, legde mijn hand even op zijn wang. We glimlachten naar elkaar, ik zei hem dat ik hem zou missen en dat het toch erg vervelend is dat we in het leven niet alles kunnen hebben. Dat beaamde hij volmondig. Hij vroeg of de deur op een kier kon blijven. Ik antwoordde niet, probeerde te vermijden dat er een zaadje van hoop geplant zou worden vanbinnen. Ik ging.

Epiloog

Thuis wiste ik onmiddellijk zijn berichtjes en zijn nummer. Om niet in de verleiding te komen. Ik at chocolade, dronk koffie, zat een beetje lusteloos in de zetel. Het alleen zijn voelde als leegte en ruimte, leegte en ruimte. Soms flakkerde er iets in me op, iets van plannen, waar ik nu energie op kan richten omdat ik niet meer moet piekeren over de ondeugdelijke man, of wachten op zijn berichtjes. Dan weer dacht ik met spijt aan alle dingen die ik met hem had willen doen. Wandelingen, musea, gesprekken, reizen, babies krijgen. Maar ik bleef zitten. Ik realiseerde me dat er iets belangrijks gebeurd is. Ik heb een relatie beëindigd die niet goed voor me is. Dat ik er in verzeild geraakt ben en dat het een afscheid in drie bedrijven werd, maakt niet uit. Dat ik hoop dat hij morgen voor de deur staat, ook niet. Ik heb een relatie beëindigd die niet goed voor me was. Ik heb iets geleerd, uit het voorbije anderhalf jaar. Wat ik bij Dirk niet kon, kon ik vandaag wel.

Ik realiseerde het me, stond op, nam mijn autosleutels en ging de twee liefste jongetjes van de wereld halen.