Om met twee te zijn moet je eerst gelukkig zijn met jezelf

In de nasleep van de Ondeugdelijk Man, heb ik het weer een paar keer gehoord. Mensen kijken je diep in de ogen, leggen eventueel een hand op je schouder en zeggen dan: ‘Weet je wat, om met twee te kunnen zijn moet je eerst gelukkig zijn met jezelf!‘.

Ik denk daar dan over na. Bij deze wat gedachten.

-1- Geluk is niet statisch

Bij momenten ben ik diep intens gelukkig en bij momenten ben ik ook diep intens ongelukkig. Niets in mijn leven is vlak. Dat was het ook niet toen Dirk er was en er eveneens periodes van geluk en ongeluk waren. Geluk is dynamisch.

Wat wel zo is, is dat ik geen partner nodig heb om gelukkig te zijn. Ik zit hier niet smachtend te wachten tot er eens iemand langs komt die me gelukkig zal maken. Dan zou ik wel meer moeite doen en bv datingsites frequenteren. Ik laat mijn geluk dus niet afhangen van een eventuele partner, maar ik zou wel heel graag een fijne relatie hebben.

-2- Ik red het al anderhalf jaar alleen

Ik geef toe dat ik soms een heel klein beetje chagrijnig word als iemand me zegt dat ik het eerst alleen moet zien te redden, alvorens ik weer samen kan zijn met iemand. Nou, ik red het al anderhalf jaar alleen. Dat is: kinderen opvoeden, het huishouden, werken, de rekeningen betalen, … Er is (incidentele en structurele) hulp waarvoor ik zeer dankbaar ben. Daardoor red ik het (net): door bv de kleedjes die ik krijg voor de kinderen of voor mezelf, door die buurvrouw die een keer eten komt brengen als ik er doorheen zit, door die vriendin waar ik de kinderen eens een nachtje naar toe breng, door het opvanggezin waardoor ik werk en gezin kan combineren, … Maar echt de zorg delen en ook even kunnen rusten bij iemand die het even van me overneemt? Nee, dat ken ik niet.

-3-  De lat mag lager

Laatst was ik aan het bedenken waar ik mezelf nog in moet bijspijkeren om ‘recht’ te hebben op nieuw geluk. Welke grote tekorten in mezelf ik nog moet oplossen en die mogelijk in de weg staan voor een nieuwe relatie. Een tekort van me is zelfzorg. Ik ben wat chaotisch en maak er dan soms een zootje van met mezelf en mijn behoeftes (right now zijn mijn schouders beton, branden mijn ogen, heb ik maagzuur van tankstationkoffie en zoets en heb ik keelpijn van vermoeidheid). Ik herinnerde me dat Dirk daar goed in was: in mijn zelfzorg. Met name in de good times. Hij kon me zover krijgen dat ik op de bank ging zitten, een kopje thee dronk dat hij me bracht, mijn voeten liet masseren en prompt in slaap viel. (Hm, zou hij terug willen komen?) Hij stopte eten en fruit in mijn tas voor op het werk. Hij kookte voor me. Hij nam me mee voor wandelingetjes en had dan een thermos gemberthee met honing in zijn rugzak. Hij hield die stramme spieren van me warm in bed met zijn warme lijf.

Nou ja, genoeg over Dirk. Ik had dus bedacht dat mijn volgende uitdaging zelfzorg was, en stond al helemaal in competitiestand om ook dat domein te veroveren. En toen dacht ik: moet ik echt alles kunnen? Moet ik nu echt niemand nodig hebben vooraleer ik bij iemand mag zijn? Moet de lat echt zo hoog?

-4- Samen is voor mij moeilijker dan alleen

Hoewel ik wat serviel word van de aanwezigheid van het type echte man, vind ik het heel erg moeilijk om bij iemand te zijn en iemand toe te laten bij mij te zijn. Om me over te geven aan het samen leven met iemand, om de controle te lossen, om de andere toe te laten in mijn leven hoe spannend dat ook is. Om mijn autonomie op te geven. Daar ligt voor mij een enorme uitdaging – daar liepen Dirk en ik ook best vaak tegenaan. Het alleen zijn nu en het alles alleen beredderen, geeft dat ik nog moeilijker toegankelijker word, dat ik nog moeilijker te benaderen ben, nog moeilijker iemand kan toelaten. Liever alleen want dat is veilig en onder controle, zoiets.

-5- Behoeftebevrediging versus groeien aan elkaar

Ik wil geen partner omdat ik iemand wil die me een theetje brengt, mijn voeten masseert en me toedekt als ik dan in slaap val. (Hm, alhoewel?) Een partner is geen instrument om mijn behoeftes te bevredigen en om de helft van de huur te betalen en om het af en toe eens over te nemen als ik kapot ben. (Hm, alhoewel?) Bij de Ondeugdelijke Man was er een moment waarop hij me zei: ‘Hee, jij, kom eens uit je hoofd’. Toen wist ik dat hij me doorhad, of toch iets van mij. Ik zag bij hem dingen die voor hem blinde vlekken waren en die hem ongelukkig maakten. Even heb ik gedacht dat we aan elkaar konden groeien. Dat de aanwezigheid van de andere iets in ons zou wakker maken waardoor we beiden beter zouden worden. Het mocht niet zijn, en misschien werkt het ook helemaal zo niet in relaties. Misschien zijn relaties wel gewoon constructen van verdeelde taken en wederzijdse behoeftebevrediging. Maar stiekem, stiekem hoop ik dat het bestaat: dat ik mag groeien met iemand en iemand met mij. En dan natuurlijk ook: babies, vuilniszakken buiten zetten en kopjes thee op de bank. En voetmassages, vooral dat.


Telkens als iemand me zegt dat je eerst gelukkig moet zijn alleen, voor je gelukkig kan zijn samen, heb ik even het gevoel alsof samen de toestand voor gevorderden is, en alleen de toestand van de onvolmaakten(*). Terwijl ik het net omgekeerd ervaar: alleen is alles zo veel moeilijker dan samen, en ik heb me behoorlijk moeten bekwamen in vanalles en nog wat om het alleen te kunnen redden. Het is natuurlijk ook weer enorm vicieus: alleen zijn maakt dat ik in een soort struggle zit, en dat ik in een soort struggle zit, zorgt ervoor dat er weinig kans is dat ik nu een leuke relatie kan starten op een relaxte wijze.

Tot slot: ik vind samen ook veel natuurlijker dan alleen. Ik blijf naïef geloven dat wij aan elkaar gegeven kunnen zijn, in dit leven. Daar hou ik zelfs koppig aan vast.

(*) Nuance: ik zie bij anderen en mezelf ook dat er momenten zijn in je leven dat er geen ‘ruimte’ is voor een relatie, omdat je zelf te hard bezig bent met bijvoorbeeld iets te verwerken of je plek te vinden of duidelijkheid over iets te krijgen. Bij anderen durf ik dus zeker ook wel zien dat hij of zij niet klaar is voor een relatie, en ook bij mezelf herken ik dat vaak. Op dit moment denk ik ook dat er in mijn leven zeer weinig ruimte is voor iemand anders, hoewel die ruimte snel gecreëerd werd toen ik verliefd werd op de Ondeugdelijke(**).

(**) Na een weekje hardnekkig verdriet, denk ik nu zelden nog aan de Ondeugdelijke. Hij is me eerlijkgezegd nogal tegengevallen tijdens onze laatste ontmoeting. Alsof zijn masker af ging. Wat er achter zat, hoef ik niet zo nodig. Die man heeft zelf nog wat boontjes te doppen.

Verdriet-mix, de light-variant

Het gevoel is terug. De light-variant.

Ik zette een punt achter de toestanden met de Ondeugdelijke. Ik weet heus dat het allemaal beter is zo (anders had ik het niet gedaan), maar hij tilde me wel even op uit met name mezelf, en dat was fijn. Bovendien had het ook gewoon mooi kunnen zijn, het had gewoon goed kunnen gaan. Dan begon ik nu aan een ander hoofdstuk met nieuwe perspectieven, terwijl ik nu weer verzink in mezelf.

Het gevoel is terug. Het gevoel dat me na het vertrek van Dirk akelig lang in de ban heeft gehouden. Het is een mix van desorganisatie, frustratie, verdriet en het verlangen mijn wonden te likken in mijn uppie. Jullie willen er vast meer over weten. Euh, duh, vast niet. Maar schrijven helpt, dus bij deze.

Desorganisatie. Op mijn nieuwe baan die ook alweer een half jaar oud is, kom ik in contact met mensen van allerlei afdelingen. Ik heb ontdekt dat ik een soort gebrek heb in mijn hoofd waardoor ik relatief eenvoudig te organiseren dingen complex vind. En dat ik ook afknap op relatief eenvoudige taken die dan toch complexer worden dan ik nodig vind (zoals: iets ontwikkelen en dat laten ontwerpen en dan tien mensen die in een bepaalde volgorde over het resultaat gaan en allerlei mails sturen, de levering, …). Ik heb het gebrek bij mezelf ontdekt door te zien hoe anderen moeiteloos voor mij onmogelijk complexe taken voor elkaar krijgen. De complexiteit heeft dan altijd met organisatie te maken (bv een studiedag organiseren voor 100 mensen en de catering, zaalindeling, en communicatie op orde hebben). Gelukkig kan ik die dingen op het werk dus uitbesteden, maar thuis kan ik dat niet. En ben ik in constante struggle met mezelf om de boel op orde te hebben (wat nogal een basic niveau is) en de dingen voor de kinderen goed te doen (je weet wel, laarzen meegeven als ze naar het bos gaan enzo). Mijn gebrek resulteert er in dat ik niet goed voor mezelf kan zorgen, omdat ik in chaos verzeil, en de dingen vaak niet goed of efficiënt aanpak waardoor ik nooit echt ‘vrij’ ben en ontspannen want altijd achterop met wat ik moet doen. Of ik vergeet steevast iets om te eten mee te nemen, of een flesje water of mijn jas. De dagen waarop ik om 15u ’s middags besef dat ik nog niets gegeten heb, zijn … Nou ja, geen uitzondering. Evenals de dagen waarop ik enkel koffie en pepdrankjes drink om te kunnen blijven functioneren.

[Herkent iemand dit?]

Als ik ongelukkig ben of moe, en beiden ben ik op dit moment – het eerste in de light-variant, het tweede gezien het verschil in bioritme tussen kinderen en mezelf gewoon hardcore – neemt mijn mentale vermogen rust te creëren door organisatie drastisch af en wordt het een soep in mijn hoofd en bijgevolg in mijn leven. Ugh. Het heeft vast ook te maken met overal alleen aan moeten denken, ik vind het nog steeds bijna onmogelijk om op mijn eentje een gezin te hebben, te zorgen dat de was en plas gedaan is, dat iedereen eten heeft, dat er boodschappen gedaan worden, dat het huis opgeruimd is zo af en toe, het organiseren van opvangregelingen, het beheren van een beperkt budget, en dan nog kwalitatief aanvaardbaar werk af te leveren, de vuilniszakken buiten te zetten op de juiste dagen etc etc. Ik kan dat niet. Punt.

Frustratie. Een tijd terug had ik heel veel last van een gebrek aan tijd en energie. Mijn kinderen zaten me letterlijk in de weg om te doen wat ik wil doen op een niveau dat ik wil bereiken. Ik had het gevoel keihard te werken maar voortdurend onder mijn niveau te spelen. Dat gevoel is terug. Light-variant, maar het is wel behoorlijk k**. Ik wil vooruit, maar ik lijk met handen en voeten gebonden en ben een godganse dag bezig met het stofzuigen van hagelslag van onder de tafel, vechten met een peuter die zijn kleren niet wil aandoen, discussiëren met een kleuter, speelgoed opruimen, koken en vervolgens de smurrie die het geworden is van het plafond afhalen, … Nou ja. Dat dus. Aaarghl.

Verdriet. Wat kan ik zeggen? Ja, de Ondeugdelijke was een heel slecht idee en ik weet dat ik het allemaal zelf gezocht heb en dat het stom en naïef was. Maar het had ook gewoon anders mogen lopen. Alleen zijn is bij momenten ook wat waard, maar het is de laatste tijd best eenzaam en hoe hard ik ook probeer de accepteren hoe dit leven geworden is, ik had het zo graag anders gewild. Ik kom weer bij verdriet uit, van dat heel oprecht, zuiver, complexloos verdriet. Zoiets waarvan je vergeet hoe het voelt tot het er weer is.

Het verlangen mijn wonden te likken in mijn uppie. Standaard. Ik moet echt even bekomen van de Ondeugdelijke Man en van alle gevoelens die weer opgeroepen zijn en de gedachten en het verdriet. En dat doe ik liefst alleen, lakens over mijn kop, gerust gelaten worden. Ik kan geen mensen verdragen dan – ik word zelfs wat boos van mensen die dan contact opnemen en iets willen, ik moet er even alleen door. Maar probeer dat maar eens met een Peuter en Kleuter in huis. Frustrerend, maar daar had ik het al over.

Het zijn allemaal geen drama’s. Ik weet dat dit even rauw is en dat ik vervolgens mezelf weer moet uitvinden en gesterkt verder kan. Ik loop tegen twee dingen aan die me al heel mijn bewuste leven achtervolgen en waarbij ik nu de kans krijg er komaf mee te maken, namelijk enerzijds de slechte organisatie en het daardoor slecht voor mezelf zorgen en anderzijds mijn (schijnbaar) onvermogen een gezonde relatie aan te gaan met iemand. In die zin is dit een boeiende kans om iets te overwinnen. Maar alweer… Ik had het zo graag anders gehad.

Prinses zet er een punt achter

We zien elkaar terug, de Ondeugdelijke en ik. Hij zit in een storm en vertelt me er wat over. Ik ben empathisch en kan me inleven, maar er klinkt ook zo veel ego door in zijn verhaal. Ik heb een week om u tegen te zeggen gehad. Veel pijn, veel kilometers, veel grote opdrachten, weinig tijd met de kinderen. Maar ook: een voorstel geschreven en verdedigd bij de nieuwe baas die na een korte stilte ‘prachtig!’ zei. Een resem ervaringen op het werk waardoor ik het gevoel kreeg dat we met z’n allen op een goede manier de juiste dingen nastreven. Daar word ik blij van. Ik probeer iets te vertellen, hij vraagt niets. Luistert hij? Ik weet het niet.

Ik vraag hem mee voor een soort date. Hij hapt toe. Ik kijk hem aan en vraag hem of dat echt is wat hij wil en of hij het ook zou zeggen als hij het niet wil. Ja, ja, zegt hij. Dingen evolueren, maar hij is zo bezig met zijn eigen leven, eigen behoeftes, eigen verlangens, eigen plannen. Ik voel me eenzaam in zijn nabijheid.

Op weg naar huis verlang ik innig naar mijn eigen leven met de jongens. Dat leven dat ik soms zo haat. Dat leven waar ik me net nog de rekeningen zat te betalen en dat er nog 120 euro overbleef voor de komende twintig dagen en dat ik daar alweer zo veel zorgen over had. Dat leven waar ik thuis kom na 400 km met twee drukke jongetjes en dan ook nog moet koken en ze in bed doen en de pc weer moet opstarten om nog wat te werken, dat leven waarin ik vaker alleen ben dan me lief is en ik verzuip in mijn eigen chaos en hoofd daardoor. Dat leven waarin ik nog altijd het gevoel heb dat ik onderpresteer omdat ik gewoon geen ruimte heb om tot volle ontwikkeling te komen. Dat leven waarin ik laatst met de peuter in bad stapte om half zes ’s ochtends omdat hij vuil was en ik al een paar dagen geen tijd had gehad hem te wassen. Dat leven, daar verlang ik nu innig naar.

Ik ga bij de jongens kijken. De oudste wordt wakker en vraagt of ik al terug ben. ‘Ja, want ik ben liefst bij jullie,’ zeg ik. Ik kus hem. Het kleintje slaapt.

Ik ga zitten en eet een reep chocolade en er meteen een zakje chips achteraan. Ik neem mijn gsm en sms de Ondeugdelijke. Dat ik genoeg pijn heb gehad, dat de dingen voor mij meer betekenis hebben dan voor hem, dat ik op zoek ben naar een verbonden relatie, dat ik besef dat ik dit zelf gezocht heb, maar dat het beter klaar is. Toch? Hij reageert niet en tot op dit moment twijfel ik of ik hem om een reactie ga verzoeken of hem de ruimte ga laten om niet te reageren. Ik bedenk dat ik het wel anders had kunnen aanpakken dan zo, midden in de nacht, via sms. Verder overheerst vooral de desillusie. Ik realiseer me zelfs even dat Dirk een veel attentere en aandachtigere partner was die echt contact met me probeerde te maken in the good times. Ik ga naast Babybroer liggen, gelukkig ben ik zo moe dat ik onmiddellijk in slaap val.

’s Ochtends zijn de jongens weer vroeg wakker. Ik wou zo intens dat ik gewoon de dekens over mijn hoofd kon trekken en er niet zijn. Ik ben moe, mijn lijf doet pijn, de rest ook. Ik weet dat ik gedaan heb wat moest, o.a. door de reacties op dit stukje – ook de reacties per mail, die me geholpen hebben de dingen scherp te krijgen en te bepalen wat ik wil. Of niet wil. Maar het is niet fijn jezelf een illusie te ontnemen.

Ik weet dat dit een overwinning is op mezelf en mijn patroon om in ongezonde relaties te verzeilen en me serviel op te stellen. Maar hoewel het voelt als het juiste om te doen en ik verder amper twijfel, had ik het liever anders gehad.

Prinses sluit de deur zachtjes (brief aan de ondeugdelijke man)

relationship

Hee jij, Ondeugdelijke man.

Het is een maand geleden dat je onverwacht bij me op de stoep stond, en ik mijn goed geoefend tekstje over dat wat we hadden niet was wat ik zocht, ergens verdween tussen je aanrakingen, je ogen, je stem. En toch stamelde ik het. Dat ik er niet gelukkig van werd. Er volgde nog één en ander en we namen afscheid.

In mijn hoofd ben je er vaak nog wel. Dan praat ik tegen je, of bedenk ik hoe het zou geweest zijn als je ergens bij zou zijn. Als je naast me in de auto zou zitten voor die lange rit. Als je met mij over het strand zou lopen. Als je naast me zou wakker worden. Ik weet heel goed dat jij het niet bent, in mijn hoofd. Dat het een soort van ideale versie is van jou. En ik merk ook dat vermoeidheid me een beetje aanhankelijker maakt. Ik heb niemand om aanhankelijk bij te zijn, dus dan gebruik ik jou in mijn hoofd en hang ik een beetje aan jou. (Denk jij overigens wel eens aan mij?)

Wat ik mooi vond aan je, ondeugdelijke man, was dat je me elke keer aankeek alsof je een cadeautje had gekregen. Bijtend op je lip, je blik geamuseerd en aandoenlijk happy. Je verheugend, helemaal in het moment, helemaal blij met mij.

Ik heb veel gepiekerd, ondeugdelijke, of ik nog eens verliefd zou kunnen worden na Dirk. Of er niet te veel verdriet zou zitten. Of ik nog zou weten hoe alles moest. Maar dat even af en toe bij jou zijn, gaf me genoeg vertrouwen dat alles vanzelf kan gaan. Voelen, willen, verlangen, overgave, delen, gesprekken, energie opbrengen om me ’s avonds laat nog te verheugen op je bezoek, … Dat het niet meer mocht en kon zijn, is goed zo. Liever wel natuurlijk, maar ik heb er een soort van vrede mee. Dat het beter is zo. Ik realiseerde me trouwens vandaag met angst en beven dat ik je helemaal niet zo aantrekkelijk had gevonden als je voluit voor me gegaan was. Ik heb geen ruimte voor een partner in dit leven. Ik kon alleen maar iemand erbij hebben die niet te veel tijd voor mij zou hebben, want ik heb noch tijd, noch energie en noch zin om te investeren in een relatie. Ik verwerf moeizaam een leven met mezelf, mijn jongens en mijn baan. No way dat iemand dat op zijn kop komt zetten.

Alleen, jij ondeugdelijke, had je me wel liggen met je laatste vraag. Of de deur nog op een kiertje mocht blijven. Verdorie, man. Ik heb niet eens geantwoord, maar door die vraag blijf ik altijd een beetje wachten op het moment dat je die deur wil intrappen, bijtend op je lip en helemaal happy.

Daarom en bij deze sluit ik de deur nu. Het is klaar. Ik wou graag bij je zijn maar kon het niet, en jij kon niet voor me kiezen. Het is beter zoals het is. Ik ben liever alleen dan af en toe iemands cadeautje. Ik wacht wel tot ik er iemand echt bij kan hebben, en dan wil ik iemand die bij mij wil zijn. In goede en kwade dagen.

Liefs. Zoen.

P.

Afscheid van de ondeugdelijke man in drie bedrijven

happyProloog

Ik heb het laten aanslepen. Zit dat in mijn aard? Ik had alleszins tijd nodig om een besluit te nemen. Om wegwijs te geraken in een wirwar van gevoelens die elkaar tegenspraken, zoals angst om alleen te zijn, onvermogen genoegen te nemen met wat er was, verlangen, hoop op verandering, …

Uiteindelijk besloot ik dat ik niet gelukkig werd van wat ik had met de ondeugdelijke man. Het was te los, te sporadisch, er was te weinig wederkerigheid, te weinig ruimte, geen plannen. Intens samenzijn en dan weer intens niets.

Ik nam afscheid van de ondeugdelijke man, en had daar drie bedrijven voor nodig.

{1}
Ik oefende wat ik tegen hem wou zeggen. (Jullie denken vast dat ik gek ben, maar eigenlijk doe ik dat vaker: moeilijke boodschappen tegen mezelf mompelen, om te oefenen. Bijvoorbeeld in de auto. Trouwens, het helpt niet. Of misschien enkel psychologisch ter voorbereiding.) Daarvoor moest ik voor mezelf helder krijgen hoe het zat, wat ik wou en wat ik niet wou, en waarom. Het boek ‘Blijven ademhalen’ leerde me het begrip ‘ahimsa’: geweldloosheid, in woord en gedachte, tegenover jezelf en anderen. Een begrip dat steeds meer een anker wordt in mijn leven. Omwille van die ‘ahimsa’ wou ik afstand nemen. Om mezelf geen geweld aan te doen in ‘iets’ dat niet was wat ik wou. Om hem geen geweld aan te doen in het verstrikt zitten in ‘iets’. Ik oefende en kon het aardig verwoorden.

En toen stond hij onaangekondigd voor de deur. Ik was behoorlijk mijn tekst kwijt. Ik had bij het oefenen ook geen rekening gehouden met dat leuke trekje rond zijn mond, hoe zijn ogen stralen met levenslust en ondeugd en hoe heerlijk het is om een stel warme sterke armen om je heen te voelen.

En toch slaagde ik er in het op een gegeven moment te stamelen. ‘Ik word hier niet gelukkig van.’ Oorverdovende stilte. ‘Ik wil niet iemand die af en toe op het toneel verschijnt, ik wil iemand die bij me wil zijn.’ Het was een behoorlijk beknopte versie van wat ik eigenlijk wou zeggen, maar het was er wel een beetje de samenvatting van. Hij zei dat we moesten praten, op een ander moment. En hij ging.

{II}
De ondeugelijke en ik zagen elkaar terug. Er was afstand, waar ik enorm van schrok maar die ik achteraf gezien zelf had uitgelokt door wat tactloze opmerkingen mijnerzijds. Tja, als iemand het heeft over vrienden zijn en je zegt ijskoud: ‘ik ben je vriend niet’, komt dat misschien niet zo aardig over. Hij kan mijn gedachten immers niet lezen, over de scheidslijn tussen vriendschap en liefde die ik hanteer.

Ik was er even totaal ondersteboven van. Gelukkig was er die avond taart & thee, een goed gesprek en voorzag Anna Klijn me ook nog van wat inzichten*. Anna zegt: ‘De relatie die we hebben, is de relatie die we willen en waar we voor kiezen. Dit is een relatie die we denken waard te zijn.’ Boodschap begrepen, Anna. *Slik*

* Soms is Anna heel raak, anderzijds is het wel heel vreemd dat ze alle mannen over één kam scheert. Alsof ze allemaal dezelfde handleiding hebben.

{III}
We zagen elkaar nog één keer. Ik zat in de auto, op weg naar hem, en sprak luidop tegen mijn dashboard: ‘Laat me in staat zijn hem te bereiken, afscheid te nemen zonder hem het gevoel te geven hem af te wijzen en hem los te laten.’ Ik had mijn tekst deze keer niet geoefend.

We spraken. Over wat in de weg stond. Onze start was het moment waarop ik hem vertelde dat ik een relatie wou vrij van alle mogelijke destructieve patronen. We hadden een boeiend gesprek, ik trok mijn stoute schoenen aan, vroeg hem uit voor een kopje koffie, hij ging er gretig op in, en hoewel ik hem erg aantrekkelijk en boeiend vind als mens, bevond ik me plots in een patroon waar ik niet gelukkig van werd. Te los, te onzeker, te weinig. Niet waar ik naar op zoek ben. Verre van. Leuke man, foute band. Dat zei ik hem.
Bij het afscheid omarmde hij me. Lang. Ik liet mijn handen over zijn rug glijden, zijn bovenarmen, legde mijn hand even op zijn wang. We glimlachten naar elkaar, ik zei hem dat ik hem zou missen en dat het toch erg vervelend is dat we in het leven niet alles kunnen hebben. Dat beaamde hij volmondig. Hij vroeg of de deur op een kier kon blijven. Ik antwoordde niet, probeerde te vermijden dat er een zaadje van hoop geplant zou worden vanbinnen. Ik ging.

Epiloog

Thuis wiste ik onmiddellijk zijn berichtjes en zijn nummer. Om niet in de verleiding te komen. Ik at chocolade, dronk koffie, zat een beetje lusteloos in de zetel. Het alleen zijn voelde als leegte en ruimte, leegte en ruimte. Soms flakkerde er iets in me op, iets van plannen, waar ik nu energie op kan richten omdat ik niet meer moet piekeren over de ondeugdelijke man, of wachten op zijn berichtjes. Dan weer dacht ik met spijt aan alle dingen die ik met hem had willen doen. Wandelingen, musea, gesprekken, reizen, babies krijgen. Maar ik bleef zitten. Ik realiseerde me dat er iets belangrijks gebeurd is. Ik heb een relatie beëindigd die niet goed voor me is. Dat ik er in verzeild geraakt ben en dat het een afscheid in drie bedrijven werd, maakt niet uit. Dat ik hoop dat hij morgen voor de deur staat, ook niet. Ik heb een relatie beëindigd die niet goed voor me was. Ik heb iets geleerd, uit het voorbije anderhalf jaar. Wat ik bij Dirk niet kon, kon ik vandaag wel.

Ik realiseerde het me, stond op, nam mijn autosleutels en ging de twee liefste jongetjes van de wereld halen.

De dagen

De dagen zijn vol. Lang leek het alsof alles stil stond, en nu lijkt het alsof alles in beweging is. Zo veel beweging dat het moeilijk is om te bevatten, te overdenken. Impressies van de dagen.

I. Je kent haar al vijftien jaar. Ze is een instant-oma die nooit kinderen op kleinkinderen gehad heeft. 85 nu. Soms gaan er maanden of zelfs jaren voorbij, maar ze komt telkens terug. ‘Als ik kan rijden, haal ik je op en kom je bij ons eten.’ De belofte wordt ingelost. Je schaamt je, want toen je haar vijftien jaar geleden leerde kennen zag de toekomst er licht en veelbelovend uit, en woog je vijftien kilo minder. Maar ze praat, en je beseft dat ze meer gezien heeft dan een vermoeide moeder die verdriet heeft om alleen zijn en de dagen doorploetert met twee kinderen. Ze deelt haar vijfentachtigjarige wijsheid, en op verschillende momenten denk je dat je een foto van het moment wil maken, om het niet te vergeten. ‘De geest is belangrijk. Laat de afwas soms staan, voed je geest met een boek of een tekst‘, zegt ze. Klik, vastgelegd. ‘Je bent 31. Je kaarten zijn niet uitgespeeld.’ Klik. En: ‘Heel mijn leven  al sta ik versteld van het regeneratief vermogen van de mens, fysiek, mentaal, psychisch.’ Klik. Je brengt haar terug, naar een appartement waarin boeken een hoofdrol spelen. Klik.

II. De buurvrouw met het gouden hart haalt je op en trakteert je op lunch. Zomaar, op een thuiswerkdag. Wat een genade, ongestoord eten, praten met een andere volwassene. Een volwassene die haar zaakjes op orde heeft en open en dankbaar in het leven staat. Ze vraagt je wat je nodig hebt, en je zegt ‘tijd‘. Dezelfde dag nog zit er een mailtje in de inbox, met een voorstel om tijd te creëren door iets over te nemen. De manier waarop is zo ‘gewoon’ en liefdevol tegelijk, dat je volmondig ja kan zeggen. Je vraagt je af waar je het aan verdiend hebt.

III. Je ziet de ondeugdelijke man terug, door omstandigheden. Het blijkt nog niet helemaal klaar te zijn en soms is het zo makkelijk om je te verliezen in een intens moment. Als je de deur achter je dicht slaat, door de koude buitenlucht naar je auto loopt en naar huis rijdt waar de babysit bij de slapende zieltjes wacht, voel je iets krachtigs opstaan in jezelf. Iets waardoor je kan zeggen: ‘dit niet‘. Nee, dit is het niet. Een man die er niet helemaal kan en wil zijn. Momenten die nergens toe leiden. Je beseft dat je wat te bieden hebt, maar ook wat wil halen in een relatie. Dat je iemand verdient bij wie je thuis kan komen. Iemand waarmee je je kan verbinden. En dat dat de ondeugdelijke man niet zal zijn. Dat ‘niets’ beter is dan iets waar je niet gelukkig van wordt, omdat trouw aan jezelf cruciaal is. Je besluit om er geen hartzeer van te hebben, hoe aantrekkelijk en fijn hij ook is. Soms is ook het hartzeer op.

IV. De tuin is een oerwoud, en jij bent madame Zsazsa niet. Jammer. De gedachte aan tuin doet de stress hoog oplaaien. Op een dag vind je een tuinmaatje, iemand met groene vingers en een appartement. Het tuinmaatje komt langs en de energie die ze meebrengt is heerlijk. Het gesprek duikelt de diepte in, en er worden plannen gesmeed. Plannen die resulteren in een tuinwerkdag, waarop je zonder blozen vrienden uitnodigt. ‘Komen jullie helpen? Ik kan dit niet alleen.’ Ze komen, en er wordt in de gietende regen gewerkt, koffie gedronken, cakejes gegeten, verhalen verteld, kennis gemaakt en alles blijkt wonderwel te klikken. Op het einde van de dag ziet het er naar uit dat de tuin een bron van vreugde en groenten zal worden, in plaats van een bron van stress. Maar belangrijker nog is dat het huis en de tuin een dag lang gegonsd heeft van leven en vriendschap en dat je zo dankbaar bent, om mensen die er zomaar zijn, bereid om de handen uit de mouwen te steken, te luisteren, de charme-offensieven van Babybroer aan te moedigen en Kleuterzoon te inspireren tot een slakkencirkus. Staf blijft als laatste, houdt moedig stand met de afwas, kruipt in het logeerbed en zet ’s ochtends koffie. Feest, all over.

Alles is heel intens, op dit moment. Ik voel dat intens veel is voor me, dat ik rust en ruimte nodig heb om het te verteren. En ik ben er zo dankbaar om. Op dit soort dagen durf ik geloven dat het allemaal nog eens ergens naar toe gaat. Naar een dag waarop de dingen gewoon goed zijn, bijvoorbeeld, en alles wat pijn deed en verdrietig was achter ons zal liggen.

Prinses moet vooral niet alles willen wat lijnrecht tegenover elkaar staat

Hij was intrigerend. En het was enigszins duidelijk dat hij niet deugde. Dus de belangstelling van Prinses was gewekt. Wat dacht je? Ook Dirk was intrigerend en anders en bleek niet te deugen. Prinses heeft namelijk een specifieke voorkeur voor intrigerende mannen, die anders zijn, die niet deugen. En ook een enorm verlangen naar nabijheid, een veilig, ‘gewoon’ normaal gezin. Iemand om er voor te zijn, iemand die er voor haar is. Iemand om op te rekenen.

Maar als je een gewoon, normaal gezin wil, moet je je niet aangetrokken voelen tot iemand die intrigerend en anders is en die een beetje niet deugt. Dan moet je een lieve huisvader hebben. Alleen zijn die meestal al bezet, door lieve huismoeders en een stel leuke kindertjes. En zelfs als ze niet bezet zijn, voelt Prinses weinig interesse voor zo’n lieverd.

Prinses zette dus een schuchter stapje en vond dat een overwinning. Ze realiseerde zich niet dat ze haar moeizaam verworven ik-heb-het-ook-leuk-met-mezelf daarmee in gevaar bracht. De Ondeugdelijke man ging er gretig op in, op dat schuchtere stapje. Er werd gesproken, verteld, geluisterd, aangeraakt. Dat voelde natuurlijk en mooi. En toen ging hij weg, en werd het alleen-zijn, wat al geruime tijd als een comfortabele ruimte voelde, een leegte. Het verdriet kwam terug en Prinses had een beetje medelijden met zichzelf, want ze herinnerde zich plots weer hoe erg het soms was geweest. Of misschien zelfs vaak. De frustratie zegevierde, de huid hunkerde, de nacht was slapeloos, en de stilte oorverdovend.

Prinses keek naar haar leven en zag dat ze er een handje van weg had te willen wat niet met elkaar verzoenbaar was. De ondeugdelijke man in een gezapig gezinnetje. De boeiende maar drukke baan en evenwicht in hoofd, hart en lijf. De baan op afstand en de kindjes altijd allerdichtst, binnen handbereik. Energie te over, en het huishouden op orde. Kwaliteit afleveren en voldoende slapen. Tijd voor zichzelf en geen hulp nodig hebben met de kinderen.

Verlangen, realiseerde ze zich weer, is de bron van veel ellende. Een verongelijkt stemmetje voegde daar aan toe dat het haar écht niet gegund was, dat het ook gewoon had kunnen meezitten, met die Ondeugdelijke. Dat het gewoon goed zou kunnen worden, zoals bij andere mensen.

Prinses zuchtte. Vocht met zichzelf. Dagen en nachten. En tikte uiteindelijk een stukje waarin ze het over zichzelf had in derde persoon enkelvoud. Ze besloot door te denken dat ze graag een keer normaal wou zijn en normale dingen willen die goed met elkaar te combineren zouden zijn in een normaal leven. In afwachting nam ze nog een stukje chocola, en probeerde vooral niet te verlangen.

Prinses hoort stemmetjes

Het was jaren geleden dat ik hem gezien had. Hij was weinig veranderd, ik veel. Mijn haarkleur, bijvoorbeeld. Het kind op mijn schoot, om nog een voorbeeld te geven. Hij zei blij te zijn me terug te zien, en viste een beetje expliciet naar mijn relationele status. Ik herinnerde me plots dat hij gescheiden was, enkele jaren geleden intussen. En vertelde hem kort over het alleen zijn met de kinderen. Hij gaf me drie complimentjes op rij, en een knipoog bij het afscheid.

’s Avonds probeerde ik er niet aan te denken. Maar soms trippelden mijn gedachten weg. In tegenstelling tot sommige andere mannen (zie mannen in de aanbieding) vond ik hem best interessant. En aantrekkelijk. Best aantrekkelijk eigenlijk.

Mijn wegtrippelende gedachten slopen langs hypothetische avondjes uit, avondlijke telefoongesprekjes en zelfs gezamenlijke nachten. Toen belandden de gedachten in een beeld van wij drie in een huis met hem en zijn twee grote kinderen, en dat we dan samengesteld gezin zouden moeten spelen. En ik schrok op: nee, nee. Zo’n verandering zou ons nu helemaal niet goed uitkomen. Alles valt wat op z’n plooi. Dan moeten we het écht niet opnieuw op z’n kop zetten. Ik riep mijn gedachten halt toe, en een stemmetje piepte dat we dan nog steeds wel leuke avonden konden hebben. En nachten, vulde het stemmetje grinnikend aan. Want niet met iedereen waarmee je date, moet je ook trouwen. Toch? Koest stemmetje, mompelde ik, koest.

De volgende dag zag ik hem terug, informeerde tussen neus en lippen even naar zijn situatie. Zijn gezicht klaarde op en hij vertelde me over zijn nieuw samengesteld gezin. Een uitdaging, maar wel fijn. *slik* Daar had dat stemmetje vanbinnen niet van terug.

Maar toch. Toch dacht ik: het zit in een erg klein hoekje. Was het een beetje anders uitgedraaid, zou dit een begin kunnen geweest zijn van iets. Iets dat onze beide levens zou veranderen. Iets dat me uit de situatie zou tillen die nu zo eindeloos lijkt.

En ik dacht terug. Aan dat andere kleine hoekje waarin ik Dirk had gevonden.
Als het die dag niet gesneeuwd had, dan…
Of verder terug: als ik die baan niet aangenomen had, dan was ik die dag waarop het sneeuwde niet op die plek geweest.
Als ik niet weg gegaan was bij mijn andere werkgever, had ik niet gesolliciteerd voor die baan.
Als ik voor die andere studierichting had gekozen, jaren eerder aan de universiteit, had ik ook die eerste baan niet gehad.
Enzovoort, enzovoort.

De dingen in ons leven die een erg diep spoor trekken, beginnen met een opeenvolging van gebeurtenissen die ook allemaal anders hadden kunnen zijn. Banale dingen, gebeurtenissen, keuzes.

Misschien, heel misschien, is er intussen ook alweer zo’n reeks bezig, in mijn leven. Een reeks waarmee ik uiteindelijk in een klein hoekje terecht kom, waar ik vind wat een nieuw diep spoor in mijn leven kan betekenen. Wie weet.

De ware liefde

Thee & troostvoer

Het is zo’n avond waarop ik het niet warm kan krijgen. Ik zet warme thee, struin de keukenkasten af naar alles wat zoet, ongezond maar troostend is. Ik schroei mijn keel als ik drink, en dat zit net op het randje tussen genot en pijn. Ik lees een stukje op Bieke’s blog en ben er even stil van.

De ware liefde

Ergens in haar stukje beschrijft Bieke wat de ware liefde allemaal doet, zoals om frieten rijden in de stad waar ze de tartaar vers maken. Ook schrijft ze over ontnuchtering.

Ik heb lang veel over liefde gedacht.
Dat de ware liefde de nukken van de ander verdraagt. Dat de ware liefde na drie dagen van zwijgen van die ander, om God weet welke reden, poogt om het gesprek aan te gaan, keer op keer op keer op keer op keer. Dat de ware liefde probeert om de ongenaakbaarheid die de ander steeds vaker en steeds langer in zijn macht kreeg, te doorbreken. Met een aanraking, met een woord. Met een brief in de keukenkast – tegen het koffieblik aan gepost. Vol angst en beven, want het kon zo’n mijnenveld zijn.
Ik dacht dat de ware liefde zich kenmerkte doordat ze niet opgaf. Doordat ze naar de buitenwereld toe de gordijntjes sloot, de vuile was binnen hield.

Kapot geanalyseerd

En ondanks de behoedzaamheid, ontploft het dan toch. En dan begint het analyseren. Wat zochten we bij elkaar? De ware liefde bleek een destructief patroon te zijn, waar de ene pool uit angst aanhankelijk en te verdraagzaam was, en de andere pool de poten van onder de stoel van die ene zaagde, wanneer het maar even kon. Omdat hij zichzelf ook niet zo groot en flink en stevig voelde als hij zou gewild hebben, en dan is het wel handig als er iemand naast je staat die klein is. Klein blijft. En die je kan neertrappen als die probeert op te staan.

Het analyseren duurt en duurt, en het begint soms op navelstaren te lijken. Er worden boeken gelezen, gesprekken gevoerd, dingen geschreven. Maar het is nodig.

Het groenere gras

En ook rondom sneuvelen er wat relaties, en koppels die twee jaar geleden nog straalverliefd op de bank zaten bij me met een zeemzoet verhaal over hun wonderbaarlijke eerste ontmoeting, vertellen nu – apart van elkaar – dat ze er te snel in gestapt zijn, omdat ze niet alleen konden zijn, omwille van wat ze geprojecteerd hebben op die ander, … Liefde als oorzaak of als lijm sneuvelt in elk van die analyses. Zinnen als ‘ik heb zijn behoeftes scherp aangevoeld en iets in mij wou daar aan tegemoet komen‘ klinken, in plaats van: ‘ik hield zo waanzinnig veel van hem‘. De magie heeft plaats gemaakt voor ontnuchterende inzichten, oorzaken en gevolgen.

En dan kijk ik eens goed rond naar de stabiele koppels die ik goed ken. Vanuit het buitenperspectief zie je dat ze elkaar een beetje klein moeten houden en wat moeten klem zetten in de rol die ze in de relatie hebben. Mannetje en vrouwtje spelen. Niets te gek, niets te anders, niets te nieuw, geen zotte dingen zoals eens twee dagen alleen op stap of een nieuwe baan die een grote verandering in het gezin zou teweeg brengen en het daarmee zou ontwrichten. En elke zondag bij de ouders en schoonouders op bezoek. Stabiliteit vraagt offers en snoeit groei.

Wat is waar?

Als alles kapot geanalyseerd is, is er niet veel meer om in te geloven. Niet in het verleden althans.

Momenten. Het station uitlopen met een bonzend hart en in de verte zijn krullen zien. Met spaghettibenen op hem aflopen, allebei niets kunnen zeggen maar eindelijk, eindelijk, die armen, die lippen. Gewekt worden terwijl je in een wirwar van dekens ligt, heel laat op de avond. Verlegen om naakt, terwijl er van verlegenheid een uur eerder weinig te merken was. Een bord eten voorgeschoteld krijgen en een glas wijn. Het bed dat opgemaakt wordt, de kussens opgeschud. De nacht die een eiland lijkt: het maakt niet uit hoe laat het is, want morgen bestaat niet. Fietsen in Zeeland met een erg bolle buik en bij het etentje later die avond ook een dessertje voor de baby nemen. Wandelen in het woud, zwijgend boterhammen met pesto en kaas eten en hete gemberthee met veel honing drinken. Een slecht moment hebben op het werk, een smsje sturen en een grapje terug krijgen.

Niets ervan voelt nog als ‘waar’. Het pijnlijke einde en de uitgebreide analyse, hebben er een waasje van ‘nep’ over gelegd. Een waasje van nep waardoor ik me naïef voel. Dom.

Niets meer om in te geloven in het verleden, maar ook zo weinig in de toekomst. Ik weet niet wat het is, liefde. Ik weet niet of het echt bestaat. Ik denk eerlijkgezegd dat het een sprookje is, waar we iets te graag in geloven. En in het beste geval een goede win-winsituatie van twee rustige mensen, die daar genoegen mee nemen.

Aangeraakt worden

Laatst kreeg ik een massage van iemand die overweegt ome en massage-opleiding te gaan doen en een proefpersoon zocht. Het was een man. Jonger dan ik en best leuk. Halfnaakt gaan liggen en wachten op die eerste aanraking van handen op mijn huid. Een ballon met herinneringen knapte open in mijn hoofd. Herinneringen aan aangeraakt worden, aan overgave, aan vertrouwen. En het besef dat ik al geruime tijd niet meer het gevoel ken van een slapend lichaam naast het mijne. Althans, een lichaam dat ouders is dan vier jaar.
Gemis ervaren. Want die magie krijg ik niet kapot geanalyseerd. Gelukkig zijn er ook zelden momenten waarop ik het me voor de geest kan halen. Hoe het was, hoe het voelt.

Wat overeind blijft

Ik maakte het flesje van Babybroer, dacht al deze dingen. Vroeg me af of ik ooit nog een keer kan geloven. En vertrouwen. Ik zit erg in mezelf, door de pijn die er was en het verdriet en de ervaring en al het navelstaren. Het wordt alleszins een lange weg naar buiten, als ik ooit al in staat zal blijken om al die beschermlagen die ik om me heen heb gebouwd, af te breken. Of toe te laten dat iemand er doorheen komt.

Wat overeind blijft? Geloof in een vorm van liefde. Eén die sterker is dan alles wat je kent en ook nog eens elke dag groeit. Het is de liefde van dat kleine plakkerige handje in het mijne, van samen met de Kleuterzoon in zijn bed verhaaltjes lezen en grapjes te maken over de dag, van Babyzoon die een stukje van zijn koekje in mijn mond stopt en me een kushandje toewerpt. En dan beseffen dat ik daar meer van wil. Veel meer. Een dochter, wie weet. Maar dan zal ik toch eerst in staat moeten zijn om mijn muren te slopen.