Noem mij maar juf-moeder-zzper-huishoudster-kok

Gisteren lagen Pieter en ik op de bank. Te praten.
Dat we goed zijn in crisis, zei ik. Dat we dan als twee volwassenen echt doen wat we moeten doen.

En dat is zo. Daar zijn we goed in.
Ons schema is daarbij echt van levensbelang zodat we niet heel de tijd moeten onderhandelen. De kinderen weten stilaan ook waar ze aan toe zijn en bewegen mee in het schema. Dat helpt allemaal.

Maar toch was ik gisteren gevloerd. Echt gevloerd.
Er staat een berg schone was die ik moet opvouwen. Ik zou dagelijks drie uur intensief les moeten geven om dat deel goed te doen (lukt niet). Er moet vroeg opgestaan, gekookt, gewassen worden. Iedereen moet in bad. … Nou ja, ik hoef jullie niet te vertellen wat er in een huis moet gebeuren, maar het is dus een beetje de hoedanigheid van zzper-juf-huishoudster-moeder-kok die me echt te veel werd. Ik heb gedaan alsof ik naar toilet moest – uiteraard op een geschikt moment in het schema – en ben in bed gaan liggen. Het uur schoolwerk dat nog gepland stond hebben we laten varen.

Het verstikt me soms, de gedachte dat ik nog x aantal weken de hoedanigheid van juf in mijn portefeuille heb. De leerkrachten hadden een heel pak werk klaar gelegd gisteren met allerlei proefjes die we zouden kunnen doen, tekenopdrachten, … Ik ben meestal al blij als het lezen en rekenen lukt binnen de slaaptijd van de tweeling en de beschikbare aandachtspanne.

Anyway. Even iets anders.

Ik verzamel verhalen over synchroniciteit. Dat is toeval dat geen toeval is. De magie van het dagelijkse leven. Een trein missen en zo je grote liefde ontmoeten, zoiets.
Heb jij zo een verhaal voor mij dat ik anoniem of met je naam mee mag nemen in bijvoorbeeld mijn podcast? Wil je me dat dan mailen op Hade@theartistswayonline.com ?
Ik denk dat de wereld wel wat wonderen kan gebruiken :).

En uiteraard is er de Tiny Podcast. Die gaat vandaag over het moederschap en creativiteit:

Long days, short nights

De reden van mijn winterslaap was dat ik onverwacht en ongepland zwanger was geworden. Voor de toeters en bellen bovengehaald worden: ik heb het kindje verloren op acht weken. Bij deze toch het verhaal van het kindje dat niet mocht zijn in enkele blogs die ik geschreven en gepland had voor het mis ging. 

Herfst 2016.
Mijn blog is in winterslaap. Ik schrijf voor de lente die zal komen. Ik gok op vroeg dit jaar.

Ik zit in bed. Naast me ligt een koalabeertje. Hij is ziek en heeft me nodig en wil liefst in me kruipen. Ik geef er aan toe. De afwas blijft staan, de was blijft liggen, het werk ook weer eens. Ik realiseer me nu nog meer dat ik alle echte wezenlijke dingen, zoals de verplichtingen voor mijn werk, in de marge moet doen. Snel snel. Dat dat een enorme afkeer heeft tot stand gebracht ten opzichte van werken en van mezelf. Ik realiseer me ook dat mijn hele leven kreunt onder achterstallig onderhoud. En dat de relatie met M. (van Man) me zowel bodem geeft en perspectief, als dat het ook tijd kost die ik niet heb.

Ik denk na over de afgelopen week. Acht dagen van pieken en dalen.

Donderdag. Ik ben bij mijn therapeut. Of ik zwanger ben, vraagt hij. Ik haal mijn schouders op. Vorige week lag ik hier, met die vaste overtuiging. Maandag deed ik een negatieve test. Ik ben niet ongesteld, maar die test had maandag toch echt positief moeten zijn, één dag na mijn verwachte regels. Hoe dan ook, het zou te gek zijn om waar te zijn in deze extreem prille fase van mijn nieuwe relatie. Na de sessie ga ik langs de Delhaize voor lunch en lekkers voor vanavond. Ik neem een test mee. Die ik weer vergeet tot ik de boodschappentas leeg maak. O ja. Ik plas in een beker, zet de stick er in, ga wat anders doen, vergeet bijna te kijken. Als ik kijk zie ik twee streepjes en valt de hemel op mijn dak.

Donderdagnacht. Ik ben alleen. M. had aangeboden naar me toe te komen, maar we zien elkaar morgen dus wou ik dat niet van hem vragen. Het is alsof ik in de loop van een geweer kijk, geladen met alle pijn, angst en trauma van de voorbije jaren. Van het alleen zijn, van het alleen gelaten worden terwijl ik zwanger was, van het alleen voor kinderen zorgen, van meer verantwoordelijkheid dan ik wil en kan dragen. De zwangerschap heeft de vinger op de trigger. De nacht is gevuld met mijn eigen duisternis. Ik hou me vast aan lezen bij Coeur. Helemaal op kruip ik naast de kleine jongen in bed. Hij richt zich op. Moeke, zegt hij. Moeke. Wil je mijn hand even strelen?

Vrijdag. Ik rijd naar M. met de jongens op de achterbank. 230 km, in één ruk. We komen toe in zijn huis. Ik blokkeer volledig, wil weg lopen. Het idee een kind te dragen van deze man die ik net ken als partner… Het lijkt alsof niets nog klopt. Ik zie me plots met de jongens in dit huis bij deze man wonen, en wat me maandag nog het heerlijkste ooit leek, lijkt nu een afgrijselijke nachtmerrie. Liefst zou ik ze oppakken en meenemen en nooit meer terug komen. Ik ga trillend zitten. Hij legt een hand in mijn hals.

Zaterdag. Ik ben moe. Hij leest de krant, de jongens spelen, ik slaap op de bank. De dag is zo idyllisch als de pest, met buiten lunchen, tijd doorbrengen in zijn verrukkelijke tuin, zelf pizza maken met de jongens, een geweldige wandeling. Tussendoor slaap ik veel.

Zondag. Hij gaat even vijftien kilometer lopen. De jongens en ik halen ontbijt. Absurd genoeg denk ik er niet aan een croissant voor M. mee te nemen. Als hij terug is, krijg ik een huilbui. Hoe kan ik dit kind krijgen, hoe kan ik me verbonden voelen met deze man die zo vreemd en ver lijkt? Hij blijft rustig, praat met me. Hij is hier behoorlijk goed in. En ik zie dat hij zijn best doet. Loeihard. De dag wordt nog idyllischer dan de vorige, met een wandeling in de duinen, het prachtige herfstlicht, uit eten op het strand. De jongens die de golven uitdagen. En dan weer terug. Ik en drie kinderen. 230 km. Verdomme, wat ben ik sterk geworden.

Maandag. Een gesprek bij Fara. Over zwangerschapskeuzes. Voorstel om in gesprek te gaan bij het abortuscentrum. No way, no way. Ik oordeel niet over abortus, maar ik kan dit kind niet laten weg nemen. Ik krijg het, alleen of samen. Ook al zet dit mijn hele leven op zijn kop.

Dinsdag. Om half zes de deur uit. Om 12u ’s nachts de pc dicht geklapt. Misselijk, heel de dag misselijk.

Woensdag. Een vriendin komt langs. We spreken over een keuze die geen keuze meer is voor me. Die eigenlijk ook nooit een keuze was. Ik krijg ruzie met M. over iets stoms dat hij zegt. Onderliggend: hij heeft mijn weigering abortus te overwegen als irrationeel bestempeld. Ik ben kwaad dat hij dat geweer niet ziet dat op me gericht staat. Dat hij niet ziet dat al mijn angst, pijn en trauma in mijn gezicht gaan ontploffen. Dat kiezen om geen abortus te ondergaan veel meer moed vraagt dan de keuze om er wel één te nemen. Ik wil daarin erkend worden. Ik wil dat hij snapt wat dit me kost.

Donderdag. De ruzie escaleert. Tussen het werken door bel ik hem op. Mijn grootste angst is dat hij me in de steek laat. Maar die angst regeert me zo dat het bijna een self fulfilling prophecy wordt omdat ik hem wegduw. Ik moet me realiseren dat hij mijn vijand niet is, maar mijn partner. Dat hij dit kind nu niet wil en dat ik niet kan kiezen om het weg te doen, is een strop rond onze hals. Ik word een soort wolvin, en mobiliseer mijn kracht om mezelf en mijn jong te beschermen. Desnoods zonder je, ik kan het ook alleen. Deze vertoning van kracht is te agressief voor hem. Ik krijg hem bijna zover dat hij me inderdaad in de steek laat. Uren later zijn we deemoedig. ‘Ik wil het graag samen maar weet niet hoe.’ ‘Ik wil het nu niet maar respecteer je keuze en wil er het beste van maken.’

Vrijdag. Ik neem maatregelen. Ik heb een afspraak met een vroedvrouw die als een soort van therapeut psychisch zware zwangerschappen begeleidt. Ik maak een afspraak met mijn vaste vroedvrouw voor de medische opvolging. Ik bel een gynaecologe en leg de echo’s vast. Ik ga naar de huisarts om mijn bloedtest te bespreken. Het is niet goed. De zwangerschap wordt bevestigd maar de HcG-waarde is zwak. Nieuwe bloedname. Als het niet aanzienlijk gestegen is moet ik me voorbereiden op een miskraam. Ik realiseer me dat ik ook al verwonderd was dat ik me fysiek vrij goed voel, in plaats van hondsziek zoals de vorige keer. … M. leeft mee, is oprecht bang, bezorgd. We supporteren samen voor het kind, alsof het een marathonloopster is (het moet een meisje zijn, dat spreekt vanzelf). Als we na uren het bericht krijgen dat de zwangerschap progressief is, zijn we allebei opgelucht. ‘En nu doorpakken, Baby!’ appt hij. Mijn hart, mijn hart.

 

 

Moeders zijn ook maar mensen

Femma is een eigentijdse en eigenzinnige vrouwenorganisatie met een duidelijke visie op mens & samenleving. Femma praat mee over wat vrouwen vandaag denken, voelen & beleven. Femma verdedigt de belangen van vrouwen met minder kansen en in het bijzonder alleenstaande vrouwen. De organisatie ijvert voor emancipatie van vrouwen en gendergelijkheid, o.a. via het informeren en sensibiliseren van vrouwen, beleidsmakers en andere actoren.

Onderstaand stukje is geschreven voor Femma en verschenen op hun website.
Meer over Femma? Neem hier een kijkje!

Moeders zijn ook maar mensen

Het is 19u30. Ik heb 230 km gereden met twee boze kinderen op de achterbank, die zelfs met de verhaaltjes van Pim en Pom en Pippi Langkous niet te temmen waren. Thuis krijgen ze heel onverantwoord frietjes, en mik ik ze in bed(*). Het verhaaltje lezen lukt nog net, maar ik ga echt geen verklaring geven bij elk onbekend woord. En mijn knuffels zijn op. Met moeite pers ik er een kus uit voor beide heertjes. ‘Moeders zijn ook maar mensen,’ zeg ik. ‘Je bent lief,’ probeert de kleinste. ‘Ja,’ zeg ik, ‘ik ben immers je moeder. Maar nu ga ik beneden op de bank een kop koffie drinken, want het is genoeg voor vandaag.

Tussen de lappen vakantie door, mocht ik drie dagen gaan werken. Enthousiast trok ik mijn rode hooggehakte schoenen aan en reed ik naar kantoor. Aldaar verzuchtte ik in een vergadering hoe heerlijk werken is. Ik legde uit dat ik de vakantie met kleine kinderen best vermoeiend vond. Mijn collega keek me een beetje glazig aan, vertelde me dat ze vroeger genoot van elk moment en voegde er fijntjes de vraag aan toe waarom ik eigenlijk nog kinderen wil.

De voorbije weken heb ik bulten van kamelen en dromedarissen geteld, oude schepen verkend, gelachen om de idiote grapjes van Jan Klaassen, bootje gevaren, op het strand gezeten en de GVR gezien. Luxe, absoluut. Maar op een dag, toen ik op handen en voeten door een museum kroop, vroeg ik me af waar ik eigenlijk mee bezig was. Strikt gezien was het antwoord daarop dat ik op zoek was naar een schatkist, met een handpop van een eenhoorn om mijn hand. Met een stemmetje deed ik geluidjes en moedigde ik de kinderen aan, terwijl ik de handpop driftig bewoog. En alle dankbaarheid en luxe ten spijt, plots slaakte de eenhoorn een erg diepe zucht. De vakantie kostte niet alleen hopen geld en energie, maar ik was ook totaal onderprikkeld. Het is nu eenmaal niet mijn grootste wens om opdrachtjes uit schatkisten uit te voeren, aan de rand van zandbakken te zitten opletten dat mijn zonen andere kinderen niet de kop inslaan of omgekeerd, en een servetje onder het kinnetje van mijn peuter te houden om slierten smurfenijs op te vangen. Ik doe het met liefde en plezier. Maar ik ben ook een volwassen mens, en in die hoedanigheid wil ik ook wat.

Enkele weken geleden ging ik met mijn Femma-pas naar het museum M. Gefascineerd luisterde ik naar de audiogids terwijl ik de werken in me opnam en ik kwam helemaal opgeladen terug voor nog wat rondjes moederschap. Met die herinnering schud ik mijn Femma-pas uit mijn handtas en leg ze op de hoek van de tafel. Een reminder voor mezelf. Opladen voor gevorderden.

(*) Referentie aan ‘Voeden, verschonen en in de wieg mikken’ van A.M.G. Schmidt

Prinses wil een centrum in haar leven

Foto van ‘oogopnederland.nl’

Ik werd wakker en het was me plots glashelder. Ik moet met de kinderen in een yurt gaan wonen. Naast het feit dat er ongelooflijk veel energie gaat naar het betalen van de huur (daar moet ik behoorlijk voor werken) en het onderhouden van dit huis, snak ik naar een leven met een centrum. Een yurt is een spirituele plek. Er komt geen nagel aan te pas. Het is rond. Er staat een kachel in het midden. Het is geborgen. Het is basic. Mijn kinderen en ik zouden in één ruimte kunnen leven met elkaar, er zou rust en eenvoud zijn. Ik zou minder moeten werken. Ik zou koken op een kachel. Slow food. We zouden 80% van onze spullen weg doen. Ik zou geen huur meer moeten betalen, geen uitgebreid huishouden moeten draaien met kamers en kasten en vloeren en spullen, allemaal spullen.

Maar ik zou ook geen badkamer hebben. En daar komen we exact aan de tegenstelling in mezelf. Een deel van mij is het soort persoon dat in eenvoud in een yurt wil gaan wonen met allerlei principes over tijd en goed leven. Een ander deel van me wil zekerheid, vastigheid, de dingen netjes voor elkaar en een haantje zijn op het werk.

Uiteraard kan je vanuit een yurt op hoge hakken vertrekken in  je leasewagentje naar een bespreking met mannen in pak, maar eerlijk? Ik kan het niet zo goed samen denken, dat geitenwollensokkenleven waar ik naar snak en dat haantje dat ik ook ben.

Dirk was het soort man dat je kan hebben als je in een yurt woont, even los van zijn destructieve aard. Hij was een man die past bij een yurt. Iemand die zou opstaan op de kachel aan te steken en een kop koffie te zetten. Ik val voor die types. O, wat val ik voor het type man waarmee je in een yurt kan wonen. Het type man dat niet meedoet met de wereld, niet keihard wil werken, geen carrière wil maken. Het type man dat tijd neemt voor een goede kop koffie en een boek en de wereld de wereld laat zijn. Het leven vieren, in het klein.

En ik voel me evenredig zo veel aangetrokken tot zo’n snel haantje. In pak, snel, slim, zelfzeker. Altijd onderweg naar beter en meer. Het soort man waar je goed mee uit eten kan en een weekend naar Madrid om daar lange avonden wijn te drinken op een terras. Het leven vieren, in het groot.

En ook in mijn moederschap scheurt deze tegenstelling door mijn zijn. Ik wil de oermoeder zijn die draagt en baart en haar kinderen in een doek op haar buik knoopt met melk die stroomt en de wereld die verdwijnt. En tegelijkertijd vind ik een dag met mijn kinderen intellectueel een woestijnervaring en denk ik er niet over in onze yurt een keer te gaan zitten om samen een priegelig knutselwerkje te maken.

Kon ik mezelf maar in twee scheuren en twee levens leiden. Of kon ik de tegenstelling in me maar verzoenen.

Intussen overweeg ik serieus om in een yurt te gaan wonen. Lach maar. Iemand tips, ervaring? Ik vrees dat het er vooral op aankomt een plek te vinden om de tent op te slaan, de rest is een kwestie van lef. En dat lef kan ik misschien wel ergens opdiepen.

Verdieping
Mijn blogstukjes zijn nog zelden ‘vers’ bij u aangeleverd. Ik schrijf er soms vijf na elkaar en dan weer een week geen, maar ik plan ze in aan ongeveer twee tot drie per week, meestal zondagavond en woensdagochtend.
Ik twijfelde dus of ik dit stukje zou publiceren. En toen bedacht ik dat ik enkel voor wonen ongeveer vijftien dagen per maand moet werken. Als je gemiddeld twintig werkdagen hebt op een maand is dat onnozel veel. Ik heb daarbij de huur, gas, elektriciteit, water, poetshulp, verzekering en jammerlijke grote kosten die je soms hebt ongeveer bij elkaar opgeteld. Niet-wonen of anders-wonen zou me dus vijftien werkdagen per maand schelen.

En toen las ik dit bij mijn dierbare Kleine Atlas. Niets aan toe te voegen.

En ook las ik dit bij de o zo mooie Inkelspielchen. Alleen is zo onnozel, eigenlijk. Met twee halveer je minstens die werkdagen die je nodig hebt om te kunnen wonen.

Anyway, ik snapte mijn eigen intens verlangen naar ‘anders gaan leven’ (i.c. in een yurt gaan hokken) plots (nog) beter en ik durf het ook publiceren.

Dieper
In de weekendkrant las ik een stukje over de kinderwens van Halina Reijn (DS weekblad, 2-7-2016). Ergens kom ik dit tegen: ‘Er zijn veel meer voorbeelden van zeer hoogopgeleide vrouwen van onze generatie die hun plek niet vinden, en na een aantal jaren in de consultancy business plots yogalerares worden. Misschien vielen hun banen simpelweg tegen, maar het kan ook zijn dat het anno 2016 nog niet vanzelfsprekend is voor vrouwen om ook zelf te geloven dat ze naar de top willen.’
Ik vlak eerst even de toppen er af. Ik ben niet zeer hoogopgeleid, wel gewoon hoogopgeleid. Ik heb geen topjob, wel een job op niveau die moeilijk te combineren is met het ouderschap. (Mijn collega J. zijn vrouw waarschuwt hem met enige regelmaat dat het geen hotel is thuis – bij mij thuis geen hotelservice. Wat andere collega’s hebben thuisblijfvrouwen.)
Maar dan: mogelijk vielen de banen tegen, mogelijk geloven vrouwen zelf niet dat ze naar de top willen, maar misschien hebben die vrouwen wat ik heb: een verscheurdheid in hun ‘zijn’. Langs de ene kant in de aarde willen woelen (nou ja, daar heb ik minder last van), langs de andere kant de secretaresse een opdracht geven. Langs de ene kant aan het vuur willen zitten, langs de andere kant hun tanden zetten in een moeilijk dossier. Langs de ene kant de yurt, langs de andere kant een leuke jurk en pumps in plaats van de bij-de-yurt-horende kleding van Lamawol ofzo. (Vooroordelen? Ik beken 🙂 ). Langs de ene kant tijd met die kinderen, langs de andere kant uitgedaagd worden op intellectueel hoog niveau.

Ik geloof dat ik nog wel even bezig ben. Met het zoeken naar een manier om de tegenstellingen in mezelf met elkaar te verzoenen. Naar een manier om die wolfsvrouw te zijn, maar wel één met een kantoor.

 

 

Zes. Stress.

Jaren geleden schreef ik dit. En nu snap ik nog steeds (soms) niets van hem.

Het is zijn verjaardag. De kleuter wordt zes. Het is stress all over. Het trakteren op school. Het feit dat er een cadeautje bij hoort en en uitstapje.

Tegen de middag is hij al tien keer woest geweest waarbij hij acht van de tien keer onbereikbaar was. Hij was eerst een uur boos om zijn cadeautje omdat het niet was wat hij verwacht had. Het is soms zo moeilijk goed te doen voor hem.

Op het uitstapje laveren we tussen heel fijn en heel boos en niets daartussen. Fijn, boos, fijn, boos, fijn, boos. Ook al probeer ik er echt een dag op zijn maat van te maken. Niet te lang, een activiteit die hij leuk vindt, vrij spel in een uitdagende speeltuin included, picknicken, een ijsje.

’s Avonds douchen de jongens. Ik ben kapot. Dat ben ik altijd na een stevige werkweek en een dag er op uit met drie. Alles doet pijn in mijn lijf en er is weer een golf van boosheid omdat ik te moe ben om ze te wassen en in bed te stoppen maar tegelijkertijd ook geen andere keuze heb dan het gewoon te doen. De peuter is stout en plaagt de kleuter en ik geef de peuter na verschillende waarschuwingen waar hij smakelijk om lacht uiteindelijk een tik op zijn billen. Mijn vingers staan in zijn billetjes maar hij heeft geen kick gegeven, enkel hard gelachen. Hij maakt me soms bang, ik ben bang dat hij geen geweten ontwikkelt. Ik voel me diep schuldig om de tik. Wat voor moeder ben ik toch? Nou ja, duidelijk soms één op de grenzen van haar kunnen.

Hoe stouter de peuter, hoe rustiger en redelijker de kleuter is. We werken het ritueel af, de peuter wordt nog gestraft door geen verhaaltje meer te krijgen en ik ga nog even met hem praten en vertel hem dat ik verdrietig ben als hij plaagt en lacht als ik boos ben, en ook wat ik wel van hem verwacht. Hij wil graag vijf kusjes en die krijgt hij.

Ik kruip nog even bij de kleuter in bed. Dat ik trots ben op hem en dat hij nu de eerste avond zes is en hoe dat voelt. Dat hij liever vijf wil zijn, vertelt hij. En dan wat benepen: ik moet zo veel onthouden. Wat hij dan moet onthouden, vraag ik. ‘Dat ik niet mag roken en geen gemene papa mag worden,‘ zegt hij. Ik slik. Ik beloof hem dat ik hem er wel aan herinner indien nodig. En dat mensen een gemene papa worden als hun eigen mama en papa niet lief waren voor hen, omdat ze dan niet weten wat het is, lief zijn. Dat wij dat daarom in ons gezinnetje moeten leren met drie zodat hij en de peuter later lieve papa’s kunnen worden, maar dat ik nu al weet dat hij dat gaat worden.

Een uur en waarschijnlijk veel gepieker later, slaapt hij, met in zijn hand een lego-mannetje. Zes. Lang zal hij leven.

 

Verpletter(en)d

Ze staan onder de douche met twee. Wat hebben ze rare lijfjes, met die schouderblaadjes die uit hun rug steken, de grote buikjes, kleine piemels, dikke knietjes ten opzichte van de sprieterige beentjes, vierkante voetjes, ballonhoofdjes. Especially the little one.

Ik kijk en mijn hart krimpt. Ik denk dat de Peuter zich niet zo goed voelt. Hij is bleek, wit. Hij had koude voetjes. Hij at slecht, was hangerig. Heeft hij keelpijn? Is hij misselijk? Ik weet het niet, maar mijn hart doet letterlijk pijn als ik er aan denk dat hij ziek zou kunnen zijn. Niet alleen omdat dat voor de week die komt onoplosbare zooi geeft (ik heb namelijk geen baan waarin ik zo kan thuis blijven – wie wel?), maar ook en vooral omdat ik daar blijkbaar heel sterk op reageer, doodsbang en ellendig van word. Als ze ziek zijn, zijn ze nog kleiner en zo zielig en dan moet ik voor hen zorgen en slim zijn en verantwoordelijk en vooral heel kalm blijven terwijl mijn hart in duizend stukken breekt en ik me plaatsvervangend doodziek voel.

Hoewel ik het niet doe, begrijp ik plots waarom ik op zo’n momenten Dirk wel eens belde. Het is zo beangstigend voor me. Als ik iemand anders bel dan Dirk blijf ik nog steeds de ouder die het moet oplossen. Dirk is immers diegene op wie ik die rol kan afschuiven. Maar ik doe het niet. Zo ver zijn we al.

Ik zit voor de douche op de grond en kijk naar die kleine mannetjes met hun rare lijfjes onder de warme douche. In mijn hoofd tel ik de jaren. Hoe lang nog, dit verpletterende gevoel van verantwoordelijkheid?

Ode

O, zonen. Wat zijn jullie prachtig.

De dag waarop we naar de zelfpluktuin gingen. Grote broer, je rende er vandoor met tomeloos veel energie, vastbesloten voor mij de mooiste pompoen te halen die je vinden kon. En kleine broer, je besloot je bang op te stellen en aan mijn rok te gaan hangen, waardoor ik innig diep kon genieten van jouw kleine hoofdje op mijn schouder terwijl ik je door de velden droeg op zoek naar spruiten en kolen.

De ochtend waarop jullie fris gewassen met z’n tweetjes piemelnaakt gingen springen in het grote bed. Die twee lieve lijfjes vol energie. In plaats van kwaad te worden, besloot ik gewoon mee te gaan doen en hadden we kriebelsessies all over en buikpijn van het lachen.

De keren dat ik wel kwaad word op jullie, jullie elkaar aankijken en het dan uitproesten van het lachen.

Het gegeven dat er stilaan wat meer ruimte ontstaat. Jullie kunnen wel eens even alleen blijven terwijl ik boven iets haal, of in de keuken iets doe.

Jullie onvoorwaardelijk broederschap.

Vaak, mannen, vind ik het niet zo makkelijk. Zo alleen met jullie. Maar jullie hebben het vast ook niet makkelijk, zo alleen met mij. Vooral als ik verdrietig ben en dan iets afwezigs heb. Of als ik moe ben en dus ongeduldig. Of als we weer eens pannenkoeken eten omdat ik door mijn timing of planning geen gezonde verantwoorde maaltijd op tafel krijg.

Over mijn uitbarsting van een tijdje terug, heb ik diep veel spijt. We praten er over met elkaar, ik probeer het uit te leggen. Zoekend of ik jullie kleine zieltjes daarmee ook niet te veel belast, of het net goed is het er gewoon over te hebben.

Ik merk dat ik jullie steeds meer ruimte geef. Mee ga in jullie verhalen en fantasietjes. Jullie bedank voor de fijne momenten. Niets vanzelfsprekend vind. Dingen probeer uit te leggen op jullie niveau.

Soms heb ik het gevoel dat ik het niet getroffen heb, met het alleen zijn, met de druk om werk en gezin te combineren, om het hier thuis alleen te redden, omdat zo veel onmogelijk is wegens geldgebrek. Soms lijkt het alsof ik diegene ben met het meeste pech van al de mensen die ik ken. Intussen ben ik veranderd, maar het tij niet. Het is nog steeds zwaarder dan nodig en ik ben zeer zeker overbelast.

Maar jongens, elke dag – ik herhaal: elke dag – met jullie, is er minstens één moment waarop ik denk dat ik het getroffen heb met die twee zonen van me.

Of zoals ons lievelingsboekje het zegt:

ik groot, jullie klein,
ik cool, jullie cooler!
ik sterk, jullie dapper,
ik moe, jullie wakker,
jullie JA, ik nee,
samen hebben wij het fijn,
zo moet het zijn

Kusjes, tot vervelens toe.

Jullie moeke

Prinses pleit heel voorzichtig voor vertrouwen

Deze post zit als gevoel klaar in mijn hoofd en hart om geschreven te worden. Maar ik twijfel, want ik wil niemand kwetsen.

De laatste dagen, door de aankondiging van de zwangerschap van Kelly (hoera, van harte gefeliciteerd!) gonst blogland van de ongerustheid. Er worden volop ervaringen gedeeld over er onderdoor gaan, huilbabies, moed, er doorheen komen en hoe dat dan aan te pakken, bel-me-maar-als-het-te-erg-wordt, het kan ook meevallen, .. (Ook ik pleit schuldig.)
Mooie solidariteit, maar we vergeten iets.

Ik lees vaak een Facebook stukje van de Gentlemoms. Ze doen belangrijk werk, maar ik denk vaak dat ze iets vergeten. Ik word soms kregelig van het bezorgde zware sfeertje dat ik elke keer voel in de posts.

Er lijkt vaak zo’n ‘oe’ en ‘aaaah’-sfeertje te hangen rond moederschap. Als we het allemaal maar aankunnen, als we er maar niet onderdoor gaan, als de baby maar niet te veel huilt, als we maar niet crashen, als we maar zwanger kunnen worden, als we maar geen miskraam krijgen, als de bevalling maar niet te veel pijn doet, …

Ik heb ook mijn portie gehad, geloof me. Daarom durf ik bij deze spreken. Het is allemaal niet makkelijk. Kind 1 huilde en huilde en huilde, tot ik (na de osteopaat, dokters, kinderartsen, medicatie, homeopaat) desnoods bereid was hem op te geven voor één of ander toverritueel. Na vijf jaar heb ik nog steeds een boos kind waar ik de handleiding maar niet van vind. En dat is elke dag een strijd. Met hem, met mezelf.
De bevalling van kind 2 moest thuis plaats vinden. Na vruchteloos persen thuis (meer dan een uur, als een dier op handen en knieën) ben ik in volle persweeën naar het ziekenhuis gevoerd waar ze me helemaal plat gespoten en open geknipt hebben en ik het zweet zag parelen op de twee vroedvrouwen die over mijn buik heen lagen om het blauwe kind er uit te duwen. Het kan erger, dat weet ik. Maar het was niet leuk in de spiegeling van de raam te zien hoe de gyn mij down under uit alle macht openrok, het bloed gutste en dat het resultaat van dat brute geweld een punthoofdbaby was. Geweld, zo voelde het. Het leek wel een slachtpartij. Op het einde van de rit zat alles onder het bloed. Eenmaal wat opgelapt, lag ik alleen in een kamertje met mijn baby, was ik te zwak om hem te pakken, voelde ik me eindeloos schuldig en gefaald en kwam er een humeurige geïrriteerde vroedvrouw een half uur nadat ik op het belletje had gedrukt om te plassen. Ik had uiteraard amper spulletjes bij voor mij en de baby. Ik heb me zelden zo alleen en zielig gevoeld. Of misschien wel, maar dat is een ander verhaal. En ik heb nog weken op een zwemband gezeten.

Ok, too much information, ik heb me even laten gaan. Ik wil alleen even aantonen dat het hier ook geen hoera-verhaal is geweest.

Maar wat ik dus in het hele discours over het moederschap mis, is vertrouwen. Vertrouwen in onszelf als moeders. Vertrouwen in ons moederinstinct. Vertrouwen in onze veerkracht. Vertrouwen in onze omgeving en de mede-moeders die er voor ons zullen zijn. Vertrouwen in de vroedvrouw die met raad en daad als wijze vrouw aan onze zijde kan staan. Vertrouwen in ons lichaam dat heus wel weet hoe het moet baren en slimme truukjes heeft om de pijn te slim af te zijn zodat we niet standaard naar een verdoving moeten grijpen. Vertrouwen in onze borsten die melk maken. En in de kwaliteit van flesvoeding als dat niet lukt. Vertrouwen in heel dat hormonale huishouden dat je z’n gangetje mag laten gaan. In de volle wetenschap dat roze wolken uitzonderingen zijn, dat zwanger zijn zelden een feest is, dat bevallen altijd pijn doet, dat babies huilen (van zelden tot altijd en alles daar tussenin), en dat vrouwen dipjes hebben na de geboorte (van kraamtranen tot depressie en alles er tussenin).
Vertrouwen hebben ondanks de wetenschap dat het niet makkelijk is. Want er iets iets groters dan de dipjes, de depressies, de moeilijkheden, de pijn die allemaal heel ernstig en reëel zijn en die ik niet wil ontkennen of minimaliseren. En dat is onze natuur. Durven we ons daarmee te verbinden en daarin te vertrouwen?

Ooit schreef ik over de Libelle-trut en de Wolfsvrouw. De Libelle-trut die met allerlei truukjes perfect probeert te zijn, iedereen wil behagen en aan alle verwachtingen wil voldoen. De Wolfsvrouw die leeft vanuit haar eigen wijsheid en instinctieve natuur als vrouw en lekker doet wat ze zelf wil en in verbinding staat met de natuur, met zichzelf, met anderen.

Ik word steeds meer een Wolfsvrouw. Ik zeg steeds meer foert tegen wat iedereen vindt en wat moet. Ik aanvaard steeds beter dat het leven niet alleen happy en mooi is, maar dat je door diepe dalen trekt op weg naar hoge toppen en weer verder het dal in. Dat het leven zowel dor als vruchtbaar kan zijn. Dat je ontvangend in het leven kan staan in vertrouwen, in plaats van krampachtig controlerend en regelend. Dat de bron van wijsheid en energie in mezelf ligt, dat ik het niet moet halen uit wat ik hoop te krijgen als ik anderen behaag. Dat is een persoonlijke evolutie, en het pad is nog lang.

Maar ik ben nooit meer wolfsvrouw dan als ik zwanger ben en een afkeer voel van bepaalde voedingsstoffen omdat mijn lijf wijs is en weet dat ze niet goed zijn voor mijn ongeboren kind.

Ik ben nooit meer wolfsvrouw dan als ik me zwanger en doodmoe terugtrek in mijn hol waar ik rust om mijn kind te kunnen dragen en mijn krachten spaar voor het baren.

Ik ben nooit meer wolfsvrouw dan als ik op handen en knieën probeer te baren, de pijn door merg en been snijdt en ik in mijn volle kracht alles kan hebben en nog veel meer.

Ik ben nooit meer wolfsvrouw dan als iemand zijn hand uitsteekt naar mijn kleine baby in de draagdoek en ik instinctief voel dat ik het kind moet beschermen tegen alles en iedereen. Dat ik diegene die het ongevraagd aanraakt zou bijten. Dat ik een vage neiging voel mijn kind schoon te likken als het te veel naar het parfum ruikt van de vriendin die het op schoot heeft gehad.

Ik ben nooit meer wolfsvrouw dan als ik ’s nachts wakker word omdat er melk uit mijn borsten begint te stromen, en ik net op dat moment de eerste smakkende geluidjes van mijn baby hoor die honger begint te krijgen.

Ik ben nooit meer wolfsvrouw dan als ik met mijn roedeltje in het grote bed slaap en mijn armen beschermend rond mijn jongen leg.

Vrouwen, moeders. Het valt allemaal niet mee. We kunnen ‘oe’ zeggen. En ‘aaah’. En ‘oei’. En ‘wat als?’. Maar we kunnen er ook voor kiezen te vertrouwen. In onszelf, in onze natuur.

Bij deze hef ik mijn kop thee op de wolfsvrouw in elk van ons. Proost!

Triomf

timeout

Kleuterzoon was boos. Omdat ik zijn rugzak had toe geritst. Hij wou dat zelf doen.

Peutermans was moe. En hangerig. ‘Mamaaaa,’ huilde hij. ‘Mamaaaaaa’. Op schoot zitten met zijn knuffeltje en zijn tutje was overduidelijk zijn plan, terwijl ik nog even moest zorgen voor een verantwoorde maaltijd. Eén met broccoli. Dat soort verantwoord.

Kleuterzoon was boos. Omdat de peuter ‘mamaaaa’ huilde. En omdat er gekookt zou worden en dat altijd groenten impliceert. Dat het broccoli zou zijn, moest hij nog ontdekken.

Ik kocht beide heertjes om. Niet alleen met een youtubefilmpje, maar godbetert ook met een cracotte (voor het eten: ja) en een glas water. Ik negeerde vakkundig dat de peuter heel zijn cracotte in zijn water had gesmolten en er met een lepeltje schepjes van in de nek van de kleuter schepte. De kleuter die gebiologeerd naar Lucky Luke zat te kijken, tot hij doorhad wat de peuter deed en dus heel boos werd. (Het kind is boos geboren en gaat waarschijnlijk boos sterven. Er is geen uur waarin hij niet boos is, op mij, op de wereld, op zijn broer.)

We aten. Ik ga de strijd met de peuter niet meer aan over bord leeg eten, want die had al warm gegeten in de opvang. De kleuter moest echter wel, en … Was uiteraard boos. Geen braakneigingen vandaag. Waar hebben we dat aan verdiend?

Na het eten moesten beide heertjes in bad. De peuter stootte bij het omkleden zijn tandje tegen de badrand en zette het op een brullen. Kleutermans was… Juist, ja, boos. Omdat de peuter brulde. Toen ze samen in bad zaten, had de kleuter binnen de 30 seconden iets in het gezicht van de peuter gegooid, waarop de peuter het op een brullen zette en ik kwaad werd, met het type cliché-zinnen dat het nooit eens leuk en rustig kon zijn en dat ze elkaar altijd pijn moeten doen.
In mijn hoofd raasde ik verder. Dat vakantie een verderfelijke uitvinding is, dat alleen zijn met twee kinderen  een uitputtingsslag is, dat de kleuter altijd boos is, dat de peuter ambetant was, dat ik me weer zo moe en zo leeg voelde en dat er beneden nog een heuse op te ruimen bende op me wachtte, om maar niet te spreken over de berg afwas en was. Dat ik niet wist hoe ik het vandaag allemaal nog eens in goede banen zou leiden (of lijden, tja): twee kinderen in bed, het huis aan de kant, yoga, to do’tjes all over. Dat het monsters zijn, soms.

Mijn gedachtestroom werd onderbroken doordat de peuter ging rechtstaan in het bad. De sfeer was erg grimmig en totaal verziekt, maar zijn gezichtje lichtte op. Hij liet met een mooie glimlach een triomfantelijke en welgemikte scheet*, waarop de kleuter en hij in lachen uitbarstten. Magic! Avond gered. En even later twee blije kinderen in bed, het huis aan de kant, yoga en to do’tjes afgestreept. Hell yeah.

* Hebben ze niet van mij geleerd, ook niet dat ze daarmee lachen. Jongens vinden dat blijkbaar zelf uit. Iets genetisch?

De paradox van het ouderschap

Het is avond. Ik sta in de keuken en duw tomatenpuree door een zeef. Het is een meditatief werkje. Ik heb enkele kilo’s tomaten geroosterd met look, het resultaat ervan gemixt, een beetje kaneel en zeezout toegevoegd, en nu sta ik de pitjes en velletjes er uit te zeven. Ik ben moe en ik voel me leeg. Niet het genre moe en leeg van een paar maanden geleden. Er zijn twee dingen veranderd. Enerzijds denk ik niet meer in absolute termen (‘ik moet altijd alles alleen doen, ik ben altijd moe, ik kan nooit uitslapen, …’), anderzijds weet ik dat de bron voor hernieuwde kracht en energie in mezelf ligt en dat ik hem moet aanboren als ik me niet meer zo wil voelen.

Maar ik sta in de keuken, ik zeef tomaten, ik voel me moe en leeg.

Babyzoon is flink ziek geweest. Er was een ziekenhuisdreiging, hij leek wel anorectisch (een bijna twee jarige die enkele dagen eten weigert, vind ik eng), de nachten waren heftig, en tijdens de dagen zat ik vaak met een moe lappenpopje op schoot dat enkele keren door zijn beentjes was gezakt en dus maar het zekere voor het onzekere nam: moekeschoot.
Ik voelde me zo verbonden met hem, zo bezorgd, zo dicht, zo intiem met dat kleine zieke lijfje. Vanmiddag was er een kentering. Er werd een hele peer gegeten, het hangen sloeg om in mopperen, zeuren en huilen. Ik telde de uren af tot ik de kinderen in bed kon leggen en loste vanmiddag wel 200 ruzies op tussen de broers.

En nu sta ik in de keuken, ik zeef tomaten, ik voel me leeg en moe.

Mijn gedachten dwarrelen. Ik denk na over isolatie. Over de lange avonden alleen, waarin ik mijn huishouden doe, aan yoga doe en werk. Over input van anderen, wat op dit moment zo beperkt is. Over leven, over interactie. Over hoe leuk het zou zijn als er een partner zou zijn waardoor er wat dynamiek zou ontstaan, maar dat je natuurlijk niet al je hoop op een partner kan projecteren. Over het besef dat ik nog zo veel dingen moet oplossen en aanpakken, met de rechtszaak, met Dirk, met mijn ouders, en dat ik daar alleen door moet, wat ik nu eerder met een soort gelatenheid oppak. Over de ondeugelijke man en wat het betekent dat ik me zo aangetrokken voelde tot iemand die slechts sporadisch in me geïnteresseerd was, en over hoe moeilijk het is me los te maken van het verlangen naar hem, naar dat de dingen anders zouden zijn.

Ik denk na over relaties. Ik denk na over koppels die ik ken waar ik met een toverstokje zou willen langsgaan om hun ogen te openen, hen te laten kijken naar die andere, hen te laten appreciëren wat ze te vanzelfsprekend vinden. Datzelfde gevoel heb ik trouwens bij veel ouders en kinderen die ik observeer. Ik zie kinderen dingen doen om iets duidelijk te maken aan hun ouders, en dat die ouders dat niet oppikken. En omgekeerd. Ik doe het vast zelf ook. Wat zou er gebeuren als we in staat zouden zijn om met nieuwe ogen te kijken naar alles en iedereen waar we aan gewend zijn? Wat zou er gebeuren als we de signalen van de anderen dicht-bij-ons zouden kunnen oppikken en begrijpen? En in staat zijn om er adequaat op te reageren?

{In dat opzicht analyseer ik wat dingen die de ondeugdelijke man deed en zei tijdens onze laatste ontmoeting. Ik heb het gevoel dat er sleutels in die dingen zitten, maar dat ik de code niet kan kraken. Wonderwel begrijp ik vaak zo weinig van hem.}

Ik vind alles relatief. Ik zou graag een partner hebben want ik voel me vaak alleen. En tegelijkertijd weet ik dat een relatie een nieuwe resem uitdagingen met zich mee zou brengen, een nieuwe categorie zorgen. Het is alsof alles te relativeren is, waardoor er ook niets is om me met geloof en hoop aan vast te klampen. En tegelijkertijd is het ook heel goed dat ik me niet laat gaan in verlangen of dat ik me nergens meer aan vast klamp. Ik word er rustig van in mezelf.

Ik sta in de keuken, ik zeef tomaten en ik voel me moe en leeg.

Ik realiseer me dat ik door de zorg voor de kinderen in deze staat terecht gekomen ben. En dat deze staat over gaat. Dat vakantie niet persé een zegen is voor alleenstaande ouders, door het wegvallen van structuur en de daardoor ontstane noodzaak de dagen in te kleuren waarbij je telkens terug initiatieven moet nemen. Ik kijk rond in mijn leven en zie zo veel dingen die blijven liggen. In mijn huis, in mijn hoofd, in mijn werk, in mijn contacten. Ik weet dat de zorg voor de kinderen zo veel van me vraagt dat er vaak niets meer over blijft om elders te investeren, om vooruit te komen.

Het enige dat op dit moment nog als een paal boven water staat, is de liefde voor die twee kleine slapies boven. Dat is absoluut, onaantastbaar, neverending. Wat een paradox. Ze putten je uit tot je moe en leeg tomaten staat te zeven en niets meer van groot belang kan vinden. Behalve zij, de aanstokers van dat gevoel.