De pijnplekjes

Het is een wonder dat ik hier al jaren blog.
Het is een wonder dat ik al sinds het begin van de Corona-crisis (ik ben zo gedesoriënteerd in de tijd – geen idee hoeveel weken het alweer is) elke dag om zes uur ga werken.

Er zijn nog wel meer wonderen.

Ik kan vrij goed met dingen beginnen. Ik heb wel vaak ideeën en ook een mate van impulsiviteit. Maar volhouden? Doorzetten? Vastshouden?
Dat is echt een uitdaging voor mij.

Eens de energie van de start, van het nieuwe weg is, word ik overvallen door de complexiteit van dingen. Door het feit dat er ook negatieve kanten aan zitten. Vervelende reacties. Een mate van saaiheid. …

Het proces van loslaten gebeurt dan niet bewust, maar onbewust. De zin is weg, de energie. En dan glipt het door mijn vingers en ben ik het plots kwijt. Alleen bungelt er dan nog ergens een los eindje. Een pijnplekje.

En zo heb ik er helaas meer dan ik zou willen.

In de Tiny Podcast deel ik drie strategieën om (toch) door te zetten.

Prinses komt even uit haar hoofd

Hoe meer ik onder druk sta, hoe meer ik alles ga dicht timmeren. Ik heb een map op mijn bureau vol schema’s. Schema’s van hoe ik de avond moet indelen (welke activiteiten volgen op elkaar en hoeveel minuten spendeer ik aan elke activiteit?), van wat ik mag eten op een dag en wanneer en van wat ik mag uitgeven. Die schema’s maak ik als houvast, maar ik word er kierewiet van omdat ik het allemaal niet voor elkaar krijg zoals het in die schema’s staat en dan heb ik nog meer het gevoel dat ik controle verlies, terwijl er misschien niet eens iets ergs aan de hand is. Een voorbeeld: ik kan dan vreselijk in paniek geraken over geld, tot ik besef dat er geld op de rekening staat en we alles in huis hebben dat we nodig hebben dus dat er geen acuut probleem is, alleen maar dat ik van het schema ben afgeweken.

De peuter en ik zaten laatst bij de dokter voor de buikgriep. ‘Wat als hij hier overgeeft?’, vroeg ik benepen. Het absolute worst case scenario. ‘Dan geeft hij over. Hier geven elke dag mensen over,’ zei de dokter. ‘Wat als ik moet overgeven?’, vroeg ik aan de dokter. En ik ratelde er achteraan dat ik dat met een ziek kind en overspannen als ik al was niet aankon, dat ik dan zeker dood ging (dat heb ik echt gezegd, ja). ‘Dan moet je dat gewoon laten komen,’ zei de dokter.

‘Oh’, dacht ik. En ik realiseerde me dat ik in mijn hoofd de hele tijd heel vermoeide worst case scenario’s afspeel die misschien ook niet zo onoverkomelijk zijn als ik denk. Ik heb mezelf voor mijn geestesoog al duizend auto-ongelukken zien hebben, heb mijn kinderen al twintigduizend keer van de trap zien vallen.

Ik ben gewoon een heel bang iemand, misschien. Misschien ben ik gewoon een weinig moedig heel bang iemand.

Dat realiseerde ik me.

De laatste weken kwam er één en ander op mijn pad waar ik mentale kracht aan zou kunnen ontlenen als ik daar toe in staat zou zijn. Ik sprak voor mijn werk met een enorm inspirerend en mild iemand over stress en snapte plots veel beter waarom ik stress heb en hoe stress werkt en dat ik er ziek van word en dat ik er iets aan moet doen. Op het werk lanceerden we een nieuw plan dat ongelooflijk inspirerend en warm was. Als ik me mentaal aan deze dingen vastklink, dacht ik, dan gaan als die worst case scenario’s en schema’s overboord. Dan ben ik er gewoon vandaag met de jongens en zie ik wel wat er gebeurt en vertrouw ik gewoon op mezelf en het leven en mijn kinderen.

En aldus geschiedde. Ik proefdraaide vertrouwen. Ik deed iets zonder het vooraf kapot te denken. Heel erg not-me vroeg en kreeg ik onderdak bij een vriendin, en daar gingen we, 200 km heen. We aten met onbekenden en we zaten lang in een speeltuintje en we sliepen in een vreemd bed en douchten in een vreemde badkamer en ik verbrandde mijn mond aan de koffie. Maar er gebeurde niets onoverkomelijks, al had ik niets eens echt nagedacht over de hele onderneming. De tweede dag reden we nog eens honderd kilometer en gingen naar een festival, zonder plan, zonder worst case scenario’s in mijn kop, zonder geld op de rekening maar ook zonder dagschema en structuurtje om er het maximum uit te halen. We hebben bellen geblazen, gekuierd, acrobaten gezien, muziek geluisterd, wat gegeten en wat gedronken, ijs gedeeld, djembé gespeeld, in het gras gezeten en gepraat met onbekenden. We hebben frambozen gesnoept en rondgehangen. Daarna zijn we in de auto gestapt en ben ik terug gereden, driehonderd kilometer aan één stuk met slapend goud op de achterbank. Onderweg luisterde ik naar ‘Het lied’ van André Manuel en Geert Hautekiet en alle angst hield zich even enorm koest.

 

Vriendinnen

Femma is een eigentijdse en eigenzinnige vrouwenorganisatie met een duidelijke visie op mens & samenleving. Femma praat mee over wat vrouwen vandaag denken, voelen & beleven. Femma verdedigt de belangen van vrouwen met minder kansen en in het bijzonder alleenstaande vrouwen. De organisatie ijvert voor emancipatie van vrouwen en gendergelijkheid, o.a. via het informeren en sensibiliseren van vrouwen, beleidsmakers en andere actoren.

Onderstaand stukje is geschreven voor Femma en verschenen op hun website.
Meer over Femma? Neem hier een kijkje!

Vriendinnen

De eerste die ik me kan herinneren had twee staartjes en was de dochter van een vriendin van mijn moeder. Zo moeders, zo dochters. Ik timmerde eens een klasgenootje met een schepje van de zandbak op zijn hoofd in de kleuterklas omdat hij gewaagd had naast haar te gaan zitten. Dat was mijn plek.
In mijn puberteit was er die ene waar ik voor het eerst mee naar een festival ging. Ik had de kaartjes gewonnen en haar ouders kwamen ons ophalen. Bij de hoofdact (eindelijk!) moesten we ons na een kwartiertje uit de naar bier walmende menigte wringen, omdat taxi mama-en-papa klaar stond. Misschien was de hele voorpret waarin we ons vooral afvroegen wat we moesten aandoen op een echt festival, wel het leukste van alles. Dat we de dag zelf in weinig verhullende jurkjes en met teenslippers tussen de springende massa stonden, is intussen een glimlach waard.
Er waren er waarmee ik naar huis fietste, er waren er waarvoor ik een omweg reed, er waren er waarmee ik op kamp ging, er waren er waarmee ik mijn ouders analyseerde en er waren er waarmee ik mijn vriendje besprak en de eerste schuchtere stapjes op het pad van wat we dachten dat de liefde was.
Op de universiteit was er de zeer zeldzame en unieke luxe om samen te wonen met vrienden. Er werden taarten gebakken in het midden van de nacht, examens doorstaan, kaarsjes gebrand, oordopjes ingedaan als er achter het kartonnen muurtje een vriendje op bezoek was, getroost als dat vriendje van het toneel verdween en aardbeien gegeten, met slagroom.
En toen werd ik moeder, en toen waren er de moedervriendinnen. Van ‘mag ik er eens aan komen?’ over de zwangere buik, tot vereerd en plaatsvervangend trots haar kleintje koesteren of vol vertrouwen dat van mezelf in haar handen leggen, tot het sturen van smsjes naar elkaar met het aantal uren slaap van de voorbije nacht. Biep. ‘3’. Tikken: ‘3,5’. Send. Biep. ‘Wie zijn idee was dit?’. Tikken: ‘Nooit meer.’ Biep. ‘Wacht maar tot ze zestien zijn.’. Tikken: ‘Reken maar’.

Ze kwamen en gingen, in een eindeloze, bonte en kleurrijke stoet. Ze waren nooit met veel tegelijk, maar dat past bij me. Een tijd lang was ik triest als ik er weer één had zien gaan. Smsjes die op een dag stopten, en nooit meer terug op gang kwamen. Jaloezie bij jezelf bespeuren en het contact wat afhouden. De ander die het contact wat afhoudt, niet weten hoe dat komt. Of een conflict, een meningsverschil. Een fout woord gebruikt, een verjaardag vergeten. En soms gewoon niet begrijpen hoe die ander geworden is wie ze is en voorzichtig loslaten.

Op een dag merkte ik dat ze gingen, om plaats te maken voor de volgende. De volgende die beter aansloot bij het leven dat ik op dat moment had. Dat besef troost. Net als het idee dat je in elkaars eindeloze stoet mag flaneren.