Fucking klein leven

Het is minstens de tweede keer dat ze dit voorheeft. Volledige blokkade, groot conflict. Totaal over de rooie. Crisis total. Iedereen zag het van ver aankomen, zij niet.

Ik probeer er voor haar te zijn, want zoals dat dan gaat, is alles ingestort. Ik zie dat ze alleen is tussen het puin.

Iemand die recht op een muur afrijdt om er tegen te pletter te rijden, kan andere mensen heel heel boos maken. Op het moment dat je op de muur afgaat, ben je meestal al in een soort tunnelvisie en niet echt te genieten. Je kwetst andere mensen, laat hen in de steek, neemt afstand.

Been there, done that. Maar dan anders. Ik denk dat ik op het moment dat ik overkop en uit de bocht ging, wel een spoortje van wat fouten heb achtergelaten. Vooral omdat ik mezelf niet realiseerde dat het me allemaal niet meer lukte. Onzorgvuldigheden. Verwaarlozingen. Maar wat zij gedaan heeft was nogal een frontale aanval op collega’s, en keert zich nu tegen haar.

En terecht. Als een collega van me zich zo zou gedragen tegen me zou ik er aan kapot gaan van onzekerheid. Als een collega van me me zou verbeteren en dingen overnemen, mijn werk opnieuw doen, zou ik afhaken, verward geraken, boos worden. En dat hebben haar collega’s gedaan. Collectief. En als je boos bent, is het moeilijk om te zien hoe hulpeloos iemand met goede bedoelingen zichzelf en een situatie totaal kan doen ontsporen. Hoe zij even erg gevangen zat dan ze hen gevangen heeft genomen.

Ze heeft niet door hoe erg het is gesteld met zichzelf. Ze is geobsedeerd door de situatie. Ze kan geen afstand nemen en geen perspectief ontwikkelen. Ze slaapt niet en ze eet niet. Ze huilt. De ene dag is het allemaal hun schuld want ze denken te traag en ze zijn zo dom dat ze wel moest ingrijpen, de andere dag is het de schuld van de baas die niet gereageerd heeft. Haar eigen schuld is het nog niet.

En schuld, tja, schuld. Who cares about schuld?

Mijn ervaren oog ziet dat dit een lange weg kan worden. De verloren kilo’s erbij eten. Uitrusten. Anders leren denken. Anders leren omgaan met anderen. Anders leren werken. Perfectionisme leren hanteren. Perfectionisme niet op anderen projecteren. Leven, niet alleen werken. Verbinden.

Ze wankelt. Tussen een andere baan gaan zoeken of vallen, en herstellen. Waarbij niets gespaard zal blijven. Ze zal moeten graven in haar verleden, ze zal overtuigingen in vraag moeten stellen, ze zal moeten kijken naar zichzelf, ze zal de triggers moeten leren kennen, ze zal moeten leren rusten. Het vallen is wat je niemand toewenst, maar ik weet ook dat een ander baan zoeken een garantie is op meer van dit. Binnen een jaar, twee jaar, drie jaar.

Ik ben de lange weg aan het gaan. Laatst moest ik mijn tussentijdse evaluatie invullen. Allemaal kolommetjes waar ik prestaties in moest proppen. Er zijn niet zo veel prestaties meer van het laatste half jaar, terwijl ik in mijn vorige evaluatie de tweede beste was van allemaal. Dus schreef ik een brief aan de baas. Waar ik een half jaar geleden stond. Over de frustratie van die kolommetjes vol prestaties willen proppen, maar voelen dat het niet kan. Dat een dag nog steeds zwaar is, dat ik zo veel vergeet, dat het overzicht vaak ver zoek is, dat de ene dag beter gaat dan de andere, dat ik mijn auto vaak aan de kant moet zetten omdat ik mijn benen niet vertrouw. Over de schaamte en de schuld omdat het niet gaat zoals ik zou willen en zoals het zou moeten. Maar ook over de hoop en het geloof. Dat ik keuzes maak en dingen ontwikkel waardoor ik die kolommetjes weer ga vullen. Niet zo uitbundig als ooit, maar wel op een manier die duurzaam is. Dat schrijf ik. Ik stuur mijn kolommetjes en de brief per mail en heb dezelfde avond al spijt omdat het kwetsbaar is en ik me een zeur voel die altijd wel een reden heeft om te zeuren. Een mankepootje dat meehinkt met de grote jongens.

De man en ik werken thuis en we praten even bij een kop koffie en ik vertel het hem. Dat er veel veranderd is en dat dat goed is. Maar dat het niet leuk is om minder te kunnen dan vroeger, om minder te zijn, om minder te verdienen. Jippie jee, wat een levenskwaliteit heb ik gewonnen door ontdekt te hebben hoe leuk het is om een gezin te hebben, meer te leven dan te werken en beter voor mezelf te zorgen (lees: elke avond om 22u naar bed). Maar tegelijkertijd: wat heb ik er aan op de lange termijn? Weinig flitsende perspectieven. En ik, ik heb nog steeds een zwak voor flitsende perspectieven. Toegeven dat dit het misschien wel is, elke dag ploeteren, je best doen, balanceren, buigen voor de grenzen waar je vroeger zingend overheen ging. Weinig glorieus. Het is een fucking klein leven geworden. Misschien wordt het nooit meer dan dit. Nooit die goed draaiende eigen praktijk. Nooit die drie boeken op mijn naam. Nooit dat doctoraat afgewerkt. Nooit het derde kind. Alleen maar dit fucking kleine leven.

Een fucking klein leven waar de vriendin in puin haar neus voor ophaalde. Maar wat ik haar met zo veel liefde ook toewens. En allez vooruit. Mezelf ook.

 

Advertenties

Long days, short nights

De reden van mijn winterslaap was dat ik onverwacht en ongepland zwanger was geworden. Voor de toeters en bellen bovengehaald worden: ik heb het kindje verloren op acht weken. Bij deze toch het verhaal van het kindje dat niet mocht zijn in enkele blogs die ik geschreven en gepland had voor het mis ging. 

Herfst 2016.
Mijn blog is in winterslaap. Ik schrijf voor de lente die zal komen. Ik gok op vroeg dit jaar.

Ik zit in bed. Naast me ligt een koalabeertje. Hij is ziek en heeft me nodig en wil liefst in me kruipen. Ik geef er aan toe. De afwas blijft staan, de was blijft liggen, het werk ook weer eens. Ik realiseer me nu nog meer dat ik alle echte wezenlijke dingen, zoals de verplichtingen voor mijn werk, in de marge moet doen. Snel snel. Dat dat een enorme afkeer heeft tot stand gebracht ten opzichte van werken en van mezelf. Ik realiseer me ook dat mijn hele leven kreunt onder achterstallig onderhoud. En dat de relatie met M. (van Man) me zowel bodem geeft en perspectief, als dat het ook tijd kost die ik niet heb.

Ik denk na over de afgelopen week. Acht dagen van pieken en dalen.

Donderdag. Ik ben bij mijn therapeut. Of ik zwanger ben, vraagt hij. Ik haal mijn schouders op. Vorige week lag ik hier, met die vaste overtuiging. Maandag deed ik een negatieve test. Ik ben niet ongesteld, maar die test had maandag toch echt positief moeten zijn, één dag na mijn verwachte regels. Hoe dan ook, het zou te gek zijn om waar te zijn in deze extreem prille fase van mijn nieuwe relatie. Na de sessie ga ik langs de Delhaize voor lunch en lekkers voor vanavond. Ik neem een test mee. Die ik weer vergeet tot ik de boodschappentas leeg maak. O ja. Ik plas in een beker, zet de stick er in, ga wat anders doen, vergeet bijna te kijken. Als ik kijk zie ik twee streepjes en valt de hemel op mijn dak.

Donderdagnacht. Ik ben alleen. M. had aangeboden naar me toe te komen, maar we zien elkaar morgen dus wou ik dat niet van hem vragen. Het is alsof ik in de loop van een geweer kijk, geladen met alle pijn, angst en trauma van de voorbije jaren. Van het alleen zijn, van het alleen gelaten worden terwijl ik zwanger was, van het alleen voor kinderen zorgen, van meer verantwoordelijkheid dan ik wil en kan dragen. De zwangerschap heeft de vinger op de trigger. De nacht is gevuld met mijn eigen duisternis. Ik hou me vast aan lezen bij Coeur. Helemaal op kruip ik naast de kleine jongen in bed. Hij richt zich op. Moeke, zegt hij. Moeke. Wil je mijn hand even strelen?

Vrijdag. Ik rijd naar M. met de jongens op de achterbank. 230 km, in één ruk. We komen toe in zijn huis. Ik blokkeer volledig, wil weg lopen. Het idee een kind te dragen van deze man die ik net ken als partner… Het lijkt alsof niets nog klopt. Ik zie me plots met de jongens in dit huis bij deze man wonen, en wat me maandag nog het heerlijkste ooit leek, lijkt nu een afgrijselijke nachtmerrie. Liefst zou ik ze oppakken en meenemen en nooit meer terug komen. Ik ga trillend zitten. Hij legt een hand in mijn hals.

Zaterdag. Ik ben moe. Hij leest de krant, de jongens spelen, ik slaap op de bank. De dag is zo idyllisch als de pest, met buiten lunchen, tijd doorbrengen in zijn verrukkelijke tuin, zelf pizza maken met de jongens, een geweldige wandeling. Tussendoor slaap ik veel.

Zondag. Hij gaat even vijftien kilometer lopen. De jongens en ik halen ontbijt. Absurd genoeg denk ik er niet aan een croissant voor M. mee te nemen. Als hij terug is, krijg ik een huilbui. Hoe kan ik dit kind krijgen, hoe kan ik me verbonden voelen met deze man die zo vreemd en ver lijkt? Hij blijft rustig, praat met me. Hij is hier behoorlijk goed in. En ik zie dat hij zijn best doet. Loeihard. De dag wordt nog idyllischer dan de vorige, met een wandeling in de duinen, het prachtige herfstlicht, uit eten op het strand. De jongens die de golven uitdagen. En dan weer terug. Ik en drie kinderen. 230 km. Verdomme, wat ben ik sterk geworden.

Maandag. Een gesprek bij Fara. Over zwangerschapskeuzes. Voorstel om in gesprek te gaan bij het abortuscentrum. No way, no way. Ik oordeel niet over abortus, maar ik kan dit kind niet laten weg nemen. Ik krijg het, alleen of samen. Ook al zet dit mijn hele leven op zijn kop.

Dinsdag. Om half zes de deur uit. Om 12u ’s nachts de pc dicht geklapt. Misselijk, heel de dag misselijk.

Woensdag. Een vriendin komt langs. We spreken over een keuze die geen keuze meer is voor me. Die eigenlijk ook nooit een keuze was. Ik krijg ruzie met M. over iets stoms dat hij zegt. Onderliggend: hij heeft mijn weigering abortus te overwegen als irrationeel bestempeld. Ik ben kwaad dat hij dat geweer niet ziet dat op me gericht staat. Dat hij niet ziet dat al mijn angst, pijn en trauma in mijn gezicht gaan ontploffen. Dat kiezen om geen abortus te ondergaan veel meer moed vraagt dan de keuze om er wel één te nemen. Ik wil daarin erkend worden. Ik wil dat hij snapt wat dit me kost.

Donderdag. De ruzie escaleert. Tussen het werken door bel ik hem op. Mijn grootste angst is dat hij me in de steek laat. Maar die angst regeert me zo dat het bijna een self fulfilling prophecy wordt omdat ik hem wegduw. Ik moet me realiseren dat hij mijn vijand niet is, maar mijn partner. Dat hij dit kind nu niet wil en dat ik niet kan kiezen om het weg te doen, is een strop rond onze hals. Ik word een soort wolvin, en mobiliseer mijn kracht om mezelf en mijn jong te beschermen. Desnoods zonder je, ik kan het ook alleen. Deze vertoning van kracht is te agressief voor hem. Ik krijg hem bijna zover dat hij me inderdaad in de steek laat. Uren later zijn we deemoedig. ‘Ik wil het graag samen maar weet niet hoe.’ ‘Ik wil het nu niet maar respecteer je keuze en wil er het beste van maken.’

Vrijdag. Ik neem maatregelen. Ik heb een afspraak met een vroedvrouw die als een soort van therapeut psychisch zware zwangerschappen begeleidt. Ik maak een afspraak met mijn vaste vroedvrouw voor de medische opvolging. Ik bel een gynaecologe en leg de echo’s vast. Ik ga naar de huisarts om mijn bloedtest te bespreken. Het is niet goed. De zwangerschap wordt bevestigd maar de HcG-waarde is zwak. Nieuwe bloedname. Als het niet aanzienlijk gestegen is moet ik me voorbereiden op een miskraam. Ik realiseer me dat ik ook al verwonderd was dat ik me fysiek vrij goed voel, in plaats van hondsziek zoals de vorige keer. … M. leeft mee, is oprecht bang, bezorgd. We supporteren samen voor het kind, alsof het een marathonloopster is (het moet een meisje zijn, dat spreekt vanzelf). Als we na uren het bericht krijgen dat de zwangerschap progressief is, zijn we allebei opgelucht. ‘En nu doorpakken, Baby!’ appt hij. Mijn hart, mijn hart.

 

 

Een dag uit het leven van Prinses en cO: mei 2016

Elke maand beschrijf ik een banale dag uit ons leven. Het leven zoals het is – Prinses & cO. (Co= kleuterzoon en peuterzoon).

Een dag uit meialsjeblief! 

Over een overspannen moeder en een overspannen zoon
Een dag van Prinses en cO waarin de ochtendstond geen goud in de mond heeft, Prinses onderduikt in een koffiebar en er gemijmerd wordt bij een bus bejaarden.

07u30
Ochtenden, het is mijn zwakke plek. Maar vandaag wordt een goede dag. Ik heb met pijn in mijn hart een afspraak afgezegd omdat ik het eigenlijk gewoon niet meer red, maar daarmee komt er een dag vrij om eens door te werken. Ik moet ook meer aan lichaamsbeweging doen, dus het plan is als volgt: ik ga de jongens met de fiets weg brengen, fiets dan door naar de stad, kan dan eindelijk even de winkelstraat in voor die paar dingetjes die al een tijdje op het to-buy-lijstje staan, en ga de hele dag werken in een koffiebar (stimulerende omgeving, goede koffie, geen afleiding, geen neiging in mijn bed te kruipen). Allemaal vliegen in één klap (win-win-win!) en hopelijk een oplossing voor de afschuwelijke frustratie van veel werk en geen tijd om het te doen.

07u45
Kleuterzoon komt vertellen dat hij ziek is. Ik zie mijn hele dag in duigen vallen en word instant gek. Ik geraak totaal overstuur, met roepen en huilen hoe ik in godsnaam mijn werk ooit eens af krijg en wat ik tegen mijn baas moet zeggen en dat ik het niet meer kan, ’s avonds en ’s nachts werken om toch maar gedaan te krijgen wat moet. Hij huilt (en terecht!), ik huil, de peuter doet voor de gezelligheid ook maar eens mee. Er is blijkbaar maar weinig nodig om me op dit punt te krijgen. Gisteren heeft de huishoudhulp afgezegd, het huis is vuil en voelt rommelig, ik zit chronisch achter met alles wat slapen, werken en huishouden betreft. En ik ben het zo beu, deze eindeloze frustratie, de schaamte, het spelen onder mijn niveau.

10u00
Intussen is er veel gebeurd. Ik heb met de zonen gepraat over mijn reactie. De kleuter is op, denk ik. Op van de stress. Ik denk niet dat hij fysiek ziek is, maar hij kan gewoon even niet meer. Het einde van het schooljaar is een te spannende periode met veel te veel bijzondere dingen. En ik weet dat hij gisteren uitgelachen is door zijn klasgenootjes – kleuters kunnen zo ongenadig zijn. Waar ik zo kwaad om werd, is dat hij me het gevoel geeft te doen alsof hij ziek is. Hij zei misselijk te zijn, maar vroeg wel of hij een boterham mocht met kaas en confituur die hij smakelijk op at, waarna hij nog één vroeg. Als ik rustig ben, weet ik dat hij overprikkeld is en gewoon snakt naar een dagje rust. Dat gevoel ken ik. Maar in mijn blinde paniek leek het alsof ik een kind had dat stokken in mijn wielen probeerde te steken. Omdat het altijd al zo een strijd is om gedaan te krijgen wat moet gebeuren, zelfs als niemand ziek is, ben ik daar wanhopig van geworden.
Ik heb een doktersafspraak gemaakt, ik heb wanhopig gebeld naar de CM kinderoppas. Ik heb huilend gevraagd of er vandaag nog iemand kon komen. Ik heb naar de opvoedingsbegeleidingsdienst gebeld om te vertellen dat ik geroepen had tegen mijn kinderen en of er nu eindelijk de hulp mag komen waarvoor ik intussen al een jaar op de wachtlijst sta. Ik krijg lieve mensen aan de lijn die me kalmeren, me vertellen wat ik nu moet doen voor mezelf en mijn kinderen en die me opvolgen door in de loop van de dag nog een paar keer contact op te nemen.

11u00
Ik heb de peuter weg gebracht en de CM heeft een engel gestuurd. Het is iemand waar ik onmiddellijk bij aanvoel dat ik haar kan vertrouwen en ik neem haar even apart en leg haar uit wat er aan de hand is. Een oversture moeder en een oversture zoon. Ik voel dat zij diegene is die in staat zal zijn om voeling te krijgen met de zoon, hem tot rust te brengen. Ik neem een korte douche om mijn tranen en mijn wanhoop af te wassen, maar ik blijf doodmoe. Ik vertrek naar de stad, niet met de fiets maar met de auto, om te gaan werken in de koffiebar. Ik heb een koptelefoon bij om me af te sluiten van het omgevingsgeluid. De jongen van de bar kent me en ik krijg mijn eigen melkkannetje en dat is nu net het kleine gebaartje dat een overspannen moeder nodig heeft. Het is al 12u00 als ik kan beginnen werken, ik heb tijd tot 16u00, voor ik weer de toer moet doen: kinderopvang, thuis, koken, doktersafspraak, bedritueel, … Vier uur werken, terwijl ik voor acht uur betaald word. Ik schaam me, ik ben diep ongelukkig. Ik haat het telkens weer rechtkrabbelen en elke keer weer door de omstandigheden neergetrapt worden. Via een groepsapp van mijn afdeling zie ik allerlei interessante dingen voorbij komen van mijn collega’s, en ik ben doodsbang dat ik in dit gezelschap van krachtige professionals niet mee kan.

16u00
Ik heb koortsachtig gewerkt en sluit mijn computer af. Ik haal de peuter op en onderweg naar huis belt mijn baas om allerlei dingen te bespreken. De peuter praat gezellig mee. De rest van de avond verloopt als gepland: koken, eten, naar de dokter, en veel te laat met twee heel erg vermoeide en dus behoorlijk drukke kinderen naar huis, alwaar warme sojamelk en het bed hen wacht.

20u45
Door de stress van vandaag sta ik weer even op scherp, de mist is weg uit mijn hoofd. Ik doe de was, de afwas, ruim het speelgoed op en stofzuig. Plots irriteert de kapstok me mateloos, ik gooi de helft van de jassen in de doos voor Wereld Missie Hulp. De meeste sjaaltjes en mutsen gaan dezelfde kant uit. Mijn hoofd slaat weer op hol en ik maak ambitieuze plannen voor grootscheepse opruim-, ontspul-, en schilderwerken.
Tijdens het ophangen van de was denk ik aan de bus oudjes die ik vanochtend heb gezien. Wat zit het leven toch absurd in elkaar. Ik ben op een leeftijd dat ik alles zou moeten kunnen, jaren die de mooiste zouden moeten zijn en waar ik later vast naar terug verlang als de jongens mannen zijn geworden en slechts af en toe hun verrimpelde moedertje komen opzoeken. Maar ik loop volledig leeg op de combinatie werk, huishouden en gezin. Soms lijkt het alsof er niets meer van me over blijft.

21u50
Met een kopje thee ga ik weer aan mijn bureau zitten. Ik werk verder waar ik om 16u gebleven was. Ik verfijn twee enquêtes en beantwoord nog een tiental mailtjes. Als ik dit weekend werk als de kinderen slapen, dan been ik toch een minibeetje bij. Maar wil ik dat? Ja en nee. Het geeft een fijn gevoel wat dingen af te vinken, maar soms wou ik dat ik een struisvogel was en dat ik met mijn kop in het zand de wereld en alles wat daarin schreeuwt om aandacht, tijd en energie die ik niet heb, kon negeren. Ik hoop dat reïncarnatie bestaat. Dan kom ik terug als struisvogel, of beter nog: poes.

23u50
Kersenpitkussen warmen, zonenzoenen. Hopen op een betere dag morgen. Nog een paar bladzijden lezen in bed. Ogen die dichtvallen. Eindeloos moe.

Nuance – naschrift

De volgende dag staat de kooi open. Ik weet niet waarom. Het is een dag waarin één en ander moet gebeuren, maar er geen planning is. Dus we doen ’s ochtends rustig aan, gaan dan brunchen op een feest waar me moeten zijn. Na een kwart glas cava kan je mij intussen wegdragen, dus we komen thuis en kruipen in bed en doen een overheerlijke luie middagdut. We worden wakker met uitgelopen schmink. We eten een boterham, niet aan tafel maar op het stoepje. Daarna gaan we de stad in, omdat we nog wat dingen moeten hebben. We eten ijs met spikkels en ik koop nieuwe rode schoenen met een bloem er op en een spel dat ik wil. Zomaar, ongepland. Bedtijd wordt met uren uitgesteld en na de pasta eten we goedkope macarons. Ik trakteer mezelf op een babysit en de nieuwste van Almodovar – in mijn uppie – (wat ik daarvan vind weet ik niet). Het is los, het is vrij, het is licht. Zo’n dagen zijn er ook. Dagen dat de kooi open staat. Die mentale kooi waarin strakke schema’s, to-do-lijsten en een financieel schrikbewind heersen. Waarin vanalles moet en ik zelfs bij een blikje fris biologisch sap inwendig oorlog voer over de vraag of ik wel recht heb op dat drinken (want het is blik dus niet ecologisch en er zit suiker in). Wie mij snapt, mag het zeggen.

 

 

 

Dirk & de ultieme verrassing

Dirk en ik maken ruzie. De gemoederen lopen behoorlijk hoog op. Maar ergens is het ook heilzaam (alsof je pas kan helen in het gesprek tussen dader en slachtoffer), en in momenten lijkt er een soort doorbraak. Of hij beseft hoe bang ik van hem was? Of hij weet wat het voor me betekend heeft om die rotbevalling alleen te moeten betalen? Dat hij me verwoest heeft door weg te gaan, maar ook door de tijd daarvoor. Hij schreeuwt dat hij dat weet, dat hij het niet wil horen. Ik huil met lange halen. Hij vertrekt, ik loop achter hem aan en schreeuw dat hij het weer doet. Me alleen laten op een moment dat ik er niet alleen voor wil staan.

Tien minuten later is hij terug. Ik zit huilend en trillend aan de keukentafel, ver weg van de Peuter die een filmpje kijkt op de bank. De Kleuter is er niet, maar goed ook.

Dan zeg ik het. Wat ik al ongeveer 20 jaar weet maar waarin alles samen komt dat er met mij aan de hand is, dat me belemmert, waar al die onevenwichtigheden van dit leven, al dat zotte en grenzeloze en absurde en uitgeputte vandaan komt.
Ik moet al heel mijn leven meer doen dan ik kan. Jij bent de eerste die ooit echt voor me gezorgd heeft en toen werd het alleen maar erger en liet je me in de steek.’

Ik huil en tril en ben tegelijk beyond reason en behoorlijk scherp, want in mijn hoofd komt alles samen. De moeder met manische buien en altijd overstuur. De vader die zich kapot werkte. De opdracht uit te rekenen hoeveel uren mijn vader had moeten werken voor nieuwe spullen die ik kreeg. Het feit dat ik een brusje ben, een zus van meerdere kinderen met een handicap. Dat ik als kind al wist dat er geen draagkracht genoeg was om het normale kind, ik dus, ook nog te geven wat het nodig was. Dus ik verstopte me in boeken, hield me op de achtergrond, vroeg weinig, kreeg weinig, deed mijn best om te helpen, verantwoordelijkheden te nemen, te koken voor het gezin, te luisteren naar mijn moeder en haar problemen, op te ruimen, de was te doen, onzichtbaar te zijn. Ik deed als klein kind al wat ik niet kon. Ik had elke dag buikpijn waar ik niets over durfde zeggen, ik dacht altijd altijd altijd dat ik moest overgeven, ik was godganse dagen doodsbang dat ik moest overgeven. Ik voelde me nooit gewoon goed. Ik speelde niet, ik las. Ik voelde me ouder dan andere kinderen. Ik probeerde alles goed te maken thuis, maar het werd nooit beter – wat ik ook deed of liet.
En later, het onvermogen om een goede wederkerige relatie te hebben. De angsten die gepaard gaan met moeder zijn. Het grenzeloze in werk. De hoge eisen aan mezelf. Dirk die even voor me zorgde. Ik die finaal voor hem viel. De verandering, de hel, zijn vertrek. Elke dag de opdracht meer te doen dan ik kan. Het gevecht met faalangst en uitstelgedrag en werk en gezin en huishouden. Dat dagelijkse gevecht met mezelf – over mijn recht op verdriet en op rust en op dat het soms genoeg mag zijn. Dat ik al heel mijn leven moe ben. Dat ik niet voor mezelf kan zorgen, dat ik gewoon niet voel of ik honger of dorst heb. Ik voel alleen pijn en vermoeidheid en kou.

Dirk kijkt me aan en zegt dat hij me iets gaat vertellen. Ik hoor hem amper maar kijk hem aan, en hoor dan het woord ‘homoseksueel’. Hij heeft me verteld dat hij homoseksueel is.

Het huilen houdt op. Ik stel hem vragen. Nee, hij heeft geen relatie met een man gehad en ja, hij hield van me en … Ik ben volkomen verbluft. Ik had alles verwacht, alles al eens gedacht. Maar dit nooit.

De crisis is totaal. Een uur later lig ik uitgeput op de bank, rillend van de kou. Dirk is doodkalm, praat tegen me, besluit bij me te slapen, houdt me heel de nacht vast terwijl mijn hoofd duizend kringetjes draait en ik niets begrijp, niets meer begrijp. Ook niet mijn eigen reactie.

Het is alsof de hemel op mijn kop gevallen is, alsof de wereld ingestort is.

Omdat het nu uitgesloten is dat hij ooit terug komt? Nee, dat wil ik immers toch niet? Ik denk dat de verwarring er eerder in zit dat dit een ander licht werpt op alles dat was. Ik ga er al een tijd vanuit dat ik te maken heb met een ex-partner met een persoonlijkheidsstoornis. Daarom ben ik een rechtszaak begonnen, om bescherming te zoeken. De persoonlijkheidsstoornis zou verklaren waarom de relatie zo destructief is geweest voor mij en hij me in puin heeft achtergelaten, duizenden euro’s armer, zonder ooit echte verantwoordelijkheid genomen te hebben voor om het even wat. Ik snap er niets van. Maar hij ligt  naast me en houdt me vast en zegt dat hij nu eindelijk eerlijk is met me en dat hij nu mijn man weer kan zijn en dat hij vanaf nu voor me gaat zorgen en dat we nog een kind kunnen krijgen samen. Dat gaat op in de enorme soep in mijn hoofd. Pas de volgende dag realiseer ik me hoe absurd het is.

The day after

Ik zet de peuter af om 7u. Hij huilt. Ik huil. Ik moet naar Duitsland rijden om daar een studieochtend te geven. Ik heb geen letter op papier, ik heb niets voorbereid. Niets. Ik heb geen tien minuten geslapen. Ik ben mezelf niet en ik herken mezelf niet.

Hoe verder ik rijd, hoe witter de omgeving wordt. Ik bel een vriend die zelf homoseksueel is. Ik hoor hem bijna fronsen. ‘Hee, meid, too little, too late,’ zegt hij. Ik krijg een smsje van een vriendin die me vraagt waarom ik hier zo van overstuur ben, dat het toch niets verandert aan wat me te doen staat. Ik bel Amber, die spontaan in lachen uitbarst. ‘Nee, niet Dirk,’ zegt ze.

Ik geef een studieochtend zonder een letter voorbereiding op papier. Er is een bord. Ik luister naar het organisatieprobleem, zet heel oldschool het model dat ik ontwikkeld heb op het bord en licht toe hoe het werkt en waarom ik geloof dat het een antwoord kan zijn op hun problemen. Vervolgens laat ik heb kennis maken met methodes en werkvormen uit het model. Het is heftig, enkele teamleden huilen tijdens de werkvormen waarin ze uitgenodigd worden perspectieven te verbreden, te veranderen, en te vertellen hoe ze bepaalde zaken ervaren en duiden. Als ik weer vertrek zijn ze dankbaar, er is wat gebeurd, ze zijn in beweging gekomen. Ik zet mijn zonnebril op, ga de baan op, schud mijn hoofd uit ongeloof, en dan begint het. De lange rit, waarin ik mijn ziel uit mijn lijf huil, waarna ik hees ben van het janken. Bij momenten hoor ik mezelf diep en wanhopig brullen als een gewond dier. Mijn tranen zijn zwart van de mascara, ik krijs van ellende. Ik wou dat ik dit niet moest meemaken, het is zo genoeg voor me.

Dan krijg ik een sms van een vriendin die me vraagt of Dirk ziek is of aandacht nodig heeft. Ik schud mijn hoofd. Het lijkt alsof ik plots wakker word. Dirk zijn bekentenis deed geen enkel puzzelstukje op zijn plaats vallen, het verklaarde helemaal niets. Bovendien heb ik geen enkele aanwijzing gehad om dit ooit te vermoeden en de vrienden die Dirk kennen en die ik in vertrouwen heb genomen, vallen even hard uit de lucht. Ik realiseer me plots dat ik mezelf niet ben. Onvoorbereid en zonder een minuut slaap naar Duitsland rijden en daar een studiedag gaan geven? Dat is helemaal niets voor mij, dat ben ik niet. Dit gevoel van vervreemding van mezelf herken ik van vroegere crises met Dirk. Ik herinner me plots hoe hij genoot van mijn crisis gisteren, hoe het aanleiding was voor hem om de boel over te nemen. Hoe zwak ik me voelde, hoe weerloos tegenover zijn besluit bij me in bed te komen. Hoe afhankelijk ik werd van hem. Hoe willoos. Ijskoud en glashelder weet ik plots dat het niet waar is. Het is niet waar. Dirk is een psychopaat en dit is zijn ultieme manipulatie. Wat niet wegneemt dat ik geloof dat hij het zelf gelooft, dat hij homo is.

Enige achtergrond. Ik heb altijd het gevoel al gehad dat Dirk zijn buitenkant en binnenkant niet met elkaar in verbinding stonden. Hij gebruikt maskers. Dingen die hij zei en deed correspondeerden niet met zijn innerlijk. Een heel duidelijk teken daarvan is dat hij heel betekenisvolle momenten uit onze relatie niet meer weet. Hij heeft daar met zijn buitenkant gehandeld, maar hij was daar innerlijk niet eens bij.

We hebben het hier over gehad en hij heeft dit toegegeven. Ik heb het boek van Jan Storms (‘Destructieve relaties op de schop. Psychopathie herkennen en hanteren’) tientallen keren gelezen en alles herkend: de dode ziel vanbinnen, verborgen achter verfijnde overtuigende maskers, de binnenkant en de buitenkant die niets met elkaar te maken hebben.

Ik realiseer me dat hij verborgen homoseksualiteit aanhaalt als verklaring om die kloof tussen zijn buiten- en binnenkant te verklaren, en alle ellende die daaruit voor gekomen is.  Maar het is niet waar. 

Dat hij homoseksuele gevoelens heeft, kan best. Homoseksuele fantasieën, homo-erotische verlangens. Mij best, daar sta ik niet van te kijken. Ik ben er zelf van overtuigd dat seksualiteit niet zwart of wit is, maar dat je ergens op een lijn zit tussen hetero- en homoseksualiteit. Ik ben zelf twee keer tot achter mijn oren verliefd geweest op een vrouw. No big deal, ik geloof dat dat kan. Ik geloof niet zo in de etiketjes homo, hetero, lesbo. En ik wil best aannemen dat Dirk altijd al en nu homoseksuele gevoelens koestert. Maar het is niet waar dat dat de oorzaak is van de kloof tussen zijn binnen- en buitenkant. Ik denk terug over de avond en de nacht, en zie hoe hij me bewust in crisis heeft gebracht om vervolgens te kunnen floreren, invloed uitoefenen. Hij schakelt mij uit, doet me vervreemden van mezelf en slaat dan toe. Psychopaten zijn mensen die anderen kopje onder moeten duwen om zelf boven water te komen. Dat is Dirk.

Ik haal de kinderen op, ben plots doodkalm. De avond verloopt normaal. Ik bel nog even met Amber. Ik vertel dat ik al een tijdje op zoek ben naar hulp, dat ik te uitgeput ben geworden, dat ik zodanig verzwakt was dat Dirk vrij spel heeft gekregen en de boel weer eens totaal op stelten heeft gezet, mij van mezelf heeft vervreemd.

Dirk belt. Ik stel de grenzen. Dat dit noch voor mij noch voor de kinderen goed was. Dat er afstand nodig is. En dat hij niet homoseksueel is, al geloof ik dat hij wel homoseksuele gevoelens kan hebben. Dat moet hij vooral uitzoeken als hij dat nodig vindt, maar het verandert niets aan het onrecht, de pijn, alles wat er gebeurd is dat niet had mogen gebeuren. En nee, hij komt niet terug om voor me te zorgen, nieuwe kinderen te maken of mijn man te zijn. Wat een absurd idee was dat ook.

The day after the day after

Ik voel me sterk en rustig, neem een aantal maatregelen. Alles is glashelder in mijn hoofd, van de parentificatie waar ik net over schreef, tot hoe alles geworden is vandaag en wat me te doen staat, namelijk mezelf beschermen en in mijn kracht komen om voor eens en altijd een einde te stellen aan de zooi met Dirk en ondeugdelijke mannen en al die pijn en dat grenzeloze in mijn bestaan. Maar het erge is dat ik al vaker op een punt van absoluut bewustzijn ben geweest en dat bewustzijn, weten wat er aan de hand is, niet altijd genoeg is om de stappen te zetten die nodig zijn om te helen en te veranderen. Daarom schrijf ik dit nu op, hier. En druk ik dadelijk op ‘publiceren’. Als ik het nu niet opschrijf, geraak ik het kwijt. Ga ik twijfelen. Word ik moe. Wurmt Dirk zich hier weer binnen omdat ik geen wapens heb en ik te moe ben om te denken, te kijken, de burcht te verdedigen.

De vriend die homoseksueel is komt langs. Het gesprek resulteert in een sms aan Dirk. Dat hij zelf de knoop maar moet ontwarren die gevormd is door realiteit, illusie en rechtvaardiging. Dat ik afstand neem van hem om in mijn kracht te kunnen zijn.

Dat het een nachtmerrie is, denk ik. En tegelijk heeft het alles op scherp gezet. Scherper dan ooit. Ik hoop, ik hoop dat dit de doorbraak is. Dat ik nu eindelijk al mijn eigen k**patronen kan veranderen, orde op zaken stellen, Dirk buiten houden, de moeder zijn die ik moet en wil zijn.

 

 

 

 

De noordwester, het kastje en de muur

Het stormt. Het stormt echt. De storm heet ‘noordwester’ en rukt aan mijn bescheiden autootje. Het is donker, de regen striemt op mijn voorruit. Soms zie ik niets als ik een vrachtwagen inhaal. Ik heb twee uur in de file gestaan en nu rijd ik een lang donker stuk tussen Rotterdam en Bergen-op-Zoom. Mijn avondmaal bestaat uit een twix en een kitkat, net rillend in een tankstation in de middle of nowhere gekocht.

Ik ben alleen. De angst houdt me scherp en alert. Er is niemand naar wie ik kan bellen om me hier uit te redden. Het is mij en de duisternis, de striemende regen, het autootje om tussen de witte lijnen te houden hoe hard de wind ook stoot, de opdracht naar huis te gaan, de kinderen op te halen, ze kalm, beheerst in bed te leggen met verhaaltjes, knuffels en liefde voor ik zelf kan rusten. Kunnen we in een half uur inhalen wat ik vandaag weer gemist heb?

Ik ben in het hier en nu, in de storm.

Als ik Antwerpen nader en het weer wat rustiger is, denk ik aan het gesprek met de crisishulpdienst. Het was absurd. Ik legde uit wat er aan de hand was, en de vrouw aan de andere kant zei dat ze niet kon rusten in mijn plaats. Ik vertelde dat ik moeite heb met beslissingen nemen, bv over de school van de kinderen of over wat we vanavond eten. Voor mij is dat een symptoom van mijn vermoeidheid, het feit dat ik het overzicht niet meer heb. De vrouw aan de andere kant zei dat zij niet kon beslissen wat ik vanavond zou eten. Hahaha. Vervolgens verwees ze me door naar alle diensten waar ik al geweest ben, sommige meermaals, en die me op hun beurt weer doorverwijzen naar elkaar. Het kastje en de muur. Ik zeg tien keer dat ik dat al geprobeerd heb en daar al geweest ben. Ze blijft hameren. ‘Ik bel naar u omdat ik alles al geprobeerd heb!‘, zeg ik kwaad. Ik geef haar het voorbeeld van mijn zoektocht naar kraamhulp. ‘Aah, juist ja, dat heb je nodig! Regel dat dan maar voor jezelf, he mevrouw,’ is het antwoord. Uhm, dat dat dus niet bestaat, zeg ik. Hulp voor mensen die in de alarmfase zitten maar er nog niet onderdoor zijn. Er is geen kraamzorg voor alleenstaande vermoeide te drukbezette ouders. ‘O,’ zegt ze. En vervolgens vraagt ze of ik mijn vriendinnen niet kan bellen. Moet ik haar echt uitleggen wat structurele hulp is? Ze stelt ook nog voor het probleem in stukjes te hakken en voor elk probleem een aparte hulpverlener te zoeken. Uhm, integrale benadering, duurzame oplossingen, haalbaarheid voor mezelf. Iemand? Als ze ook nog voorstelt dat ik eens een lijstje kan maken met alles wat er aan de hand is, snauw ik dat ik al honderd lijstjes heb, dat ik ze allemaal kan tonen. Ik vraag haar mijn gegevens te wissen en mijn naam te vergeten, en beëindig het gesprek.

Twee dingen. Het klinkt arrogant, maar ik ben verstandiger dan sommige hulpverleners, waardoor ik te moeilijk te helpen ben. Ik ben te kritisch. En het tweede: er is geen hulp voor de fase waarin je weet dat je uitgeput bent en afstevent op iets ergers. Het stomme is dat de schade veel groter is als je eerst moet crashen voor er wat gebeurt. Ik geloof niet dat ik mijn kinderen iets zou aandoen, maar ik kan me voorstellen dat veel (familiale) dramatische dingen vermeden kunnen worden als er hulp is voor die laatste rechte lijn richting crash.

Via de reactie van Storm op een vorige post, kwam ik bij Maaike terecht. Een soort boost, zo veel wijsheid. Ik hoop dat ik binnen tien jaar Maaike ben. Maar tegelijkertijd ook elke keer weer die vraag of het echt zo is dat de realiteit gevormd wordt door hoe je denkt en dat anders denken, of anders kijken, alles kan veranderen. Ik geloof dat niet helemaal. Het helpt altijd als ik positief kan blijven, maar sommige dingen zijn gewoon te veel. Zoals alleenmoederen en werken en een boos kind en veel kilometers en issues en pfoe.

Het is avond. Ik scheur door de noordwester. Alleen. Er is niemand om op te bellen. Just me & the car. En een twix. En de radio. En de striemende regen. En twee zieltjes die op me wachten. En ik denk aan Roos, die me altijd vertelde dat je zelf weet wat te doen. En ik denk aan wat ik aan mijn holistisch therapeute vertelde, over al die vreselijke patronen die me ongelukkig maken. Ze vroeg me een nieuw patroon te noemen dat ik kan creëren en dat mij kan helpen. De wolfsvrouw, besef ik weer. Vertrouwend op innerlijke kracht & wijsheid. Dicht bij intuïtie en eigen natuur. Stoppen met rondbellen en verwachten dat iemand anders het gaat oplossen. Niet meer het kastje, niet meer de muur. Gewoon, contact krijgen met mijn innerlijk weten.

Ik zet de wagen stil. Bereid me voor op twee oversture kinderen omdat ik laat ben, en een vriendin die me subtiel zal duidelijk maken dat ik dit werk niet moet willen als moeder met twee kinderen. Maar niemand is overstuur of maakt verwijten, iedereen is blij me te zien. Op weg naar huis vertel ik de zoon over de noordwester, ik doe na hoe de noordwester tegen mijn auto blies en dat ik in een school ben geweest die naast het strand lag en we lezen een boekje en nemen ons voor op te zoeken hoe snel een vliegtuig vliegt en of we naar een planetarium kunnen, en even later slapen ze en het schuldgevoel slaapt ook en ik denk dat het allemaal maar even een noordwester is, deze fase. En dat ik er dwars doorheen scheur.

 

 

 

 

 

Het leven zoals het is: single mom (ii)

We belden lang, de coördinator van het cliëntoverleg en ik. Ik vertelde enkele dingen, die ik voor het eerst luidop zei. Ik realiseerde me onmiddellijk hoe absurd alles geworden is.

‘Soms ben ik blij als Dirk hier is en wil ik dat hij niet weg gaat, omdat ik dan weer alleen ben en er alleen voor sta. Ook al weet ik dat hij niet deugt en dat ik hem niet meer binnen zou mogen laten hier.’

‘Met de Kleuterzoon verval ik te vaak in het patroon van boos zijn en ruzie versus cadeautjes/snoep/andere dingen geven. Ik wil dat niet, maar om één of andere reden is het zover gekomen, door schaamte en schuld en moe en alleen. Het gekke is dat het met de Peuter helemaal anders gaat, dat ik helemaal geen moeite moet doen om een vrij evenwichtige en verantwoordelijke moeder te zijn voor hem. De Peuter krijgt nooit cadeautjes.’

‘Ik heb een jurk gekocht in de solden en pieker er al een week over of ik dat wel had mogen doen.’

‘Ik ga een keer per maand naar een voetreflexologe, terwijl ik niet eens weet of ik er wel in geloof, maar ze is zo moederlijk en ik voel mij daar een uurtje verzorgd en ontspannen. Vervolgens word ik weer gek van schuldgevoel omdat ik daar geld aan uit geef terwijl ik op elke euro moet letten.’

‘Ik lees mijn mails niet meer, ik kan het niet meer.’

‘Laatst was ik weg met de kinderen. Toen ik terug kwam in de ondergrondse parking na een date met twee schatten waarvan ik zo blij ben ze te hebben leren kennen, zag ik dat mijn portier wagenwijd open stond. Al uren, dus.’

‘Ik word moe van mensen zien.’

‘Ik snap niet hoe ik nog functioneer op mijn werk. In de dingen die ik doe, functioneer ik zelfs uitermate goed.’

‘Ik word gek van de gedachten die ik heb. Elke avond loop ik dezelfde kringetjes in mijn hoofd. Schaamte en schuld over wat voor moeder ik ben, schaamte en schuld om geld dat ik heb  uitgegeven aan de voetreflexologe, een keer naar de film of een jurk. Schaamte en schuld omdat ik Dirk binnen gelaten of opgebeld heb.’

‘Ik eet elke dag rommel omdat ik zo moe ben dat ik daar naar snak. Ik kan het mezelf niet ontzeggen, soms eet ik me bijna ziek.’

‘Ik moet morgen 500 km rijden en ben van huis van kwart voor 7 tot 9 uur ’s avonds.’

‘Ik heb bijna elke dag maagpijn van de pepdrankjes die ik drink om de dag door te komen.’

‘Ik heb geroepen tegen de kinderen omdat ik niets meer kon verdragen.Ik moest de neiging om ze weg te duwen toen ze troost bij me zochten, weerstaan.’

‘Ik heb een jurk gekocht terwijl ik niet weet hoe ik de elektriciteitsrekening ga betalen. Ik weet hoe stom dat is. Hoe komt het nu dat ik dat gedaan heb?’

‘Ik neem elke dag een overdosis aan ijzertabletten in de hoop dat ik er wat bovenop kom.’

‘Kleine dingen brengen me verschrikkelijk uit evenwicht, zoals geluiden, of de Peuter die koorts heeft, of de Kleuter die diarree heeft.’

‘Ik heb iets gehad met een man waarvan ik wist dat hij niet deugde. Hij had verschillende relaties tegelijkertijd en dat wist ik. Ik wou dat niet, maar ik liet het wel gebeuren.’

‘De kleuter is altijd kwaad op me, altijd.’

In november besloot ik dat ik hulp nodig had. Ik heb er even mijn schouders onder gezet, maar de mogelijkheden zijn nogal beperkt en mijn voornemen om nu echt te zorgen dat ik hulp zou krijgen, strandde.

Intussen ploeterde ik door, met ups en downs. Met een kerstvakantie waar ik letterlijk doodziek werd van de stress omdat er bezoek zou komen, zodat ik dat bezoek ook moest afzeggen en ik dus helemaal niets heb gedaan, anderhalve week lang. Toen ik had overgegeven van de stress omdat er bezoek zou komen, heb ik de kinderen filmpjes laten kijken op de tablet naast me in bed, zodat ik verder kon slapen. Ik heb hen pas om 11u ontbijt gegeven. Door een comment over zelfmedelijden op deze blog nam mijn gepieker in die periode nog toe en mijn schaamte en schuld zijn ongeveer verdubbeld.

Intussen trok ik weer aan de alarmbel, bij de coördinator van het cliëntoverleg. Hopelijk verandert er nu iets.

En verder denk ik vooral: what the fuck is wrong with me? Ik heb het gevoel dat ik alleen maar controle moet krijgen over mijn eigen denken, om de situatie terug in de hand te hebben. Om de stress van alleen/eenzaam, uitdagende combi werk & gezin, beperkt budget, boze Kleuter, Peuterachtige peuter, huishouden, rechtszaak tegen ex, onafgewerkt doctoraat, achterstallig werk en achterstallig huishouden, geen contact meer met mijn  familie, fysieke pijn… de baas te kunnen. Maar blijkbaar wegen net al die dingen  zo zwaar door op mijn mentale vermogens, dat ik de oplossing maar niet vind.

En in heel dit zootje zijn er ook nog heel normale dagen waarop ik content ben en alles onder controle lijk te hebben en we het gewoon leuk hebben samen.

 

 

 

 

 

Het leven zoals het is: single mom

Uiteraard heb ik getwijfeld vooraleer ik mijn post van zondag heb gepubliceerd. Het is meer dan met je billen bloot, vertellen dat je je kinderen de stuipen op het lijf hebt gejaagd omdat je hysterisch bent geworden.

Maar het is hier wel van ‘het leven zoals het is: single mom + kinderen’. En de crisis die ik beschreef was nu net heel erg ‘het leven zoals het hier is’. Op zijn slechts, wel te verstaan.

Hoe is het hier verder gegaan, sinds maandag?

-1- Normaal doen. Sommige mensen denken dat je in zo’n situatie best thuis blijft, bij voorkeur in bed. Ik weet voor mezelf dat het doen wat je normaal doet je snelst op de rails krijgt. Dus reed ik op maandagochtend richting werk, de volle 200 km, met een volle vergaderagenda voor de dag. Op de heenweg schoten er regelmatig tranen in mijn ogen, als ik dacht aan het geluid van mijn huilende kinderen. Een paar collega’s vroegen me hoe het ging. Bij enkelen zei ik er iets over (dat het moeilijk was thuis). Ik weet niet of dat een goed idee is, ik merk dat mensen daar ook niet echt op reageren. Mogelijk bedoelen ze dat niet met de vraag. Whatever. Daar kan ik me nu ook niet druk over maken.

-2- Ik besloot dat ik hulp nodig heb. Ik heb het voorbije anderhalf jaar aan heel veel deuren geklopt, maar ik heb een beetje een niet-voor-de-hand-liggend-profiel voor iemand die hulp nodig heeft. Ik ben namelijk iemand die hoog opgeleid is en een inkomen heeft, dus ik val eigenlijk overal een beetje door de mazen van het net (als je geen inkomen hebt, heb je ongeveer overal recht op) en met alle respect: ik ben verstandiger dan 80% van de resem stagiaires en hulpverleners die ik het afgelopen jaar heb gezien.
Wat wel goed is, is dat ik op een gegeven moment, toen ik al murw was van aan al die deuren te kloppen, elke keer mijn verhaal te vertellen en ook nog een keer aan de stagiaire want ik ben een goede casus, opgepikt ben door iemand die aan het hoofd staat van een dienst die ik nu niet verder ga noemen, en die de keuze maakte echt voor me te gaan. Die heeft o.a. geregeld dat alle betrokken hulpverleners samen aan tafel gingen met me en dat we op die manier samen wat stappen konden zetten (dat heet: cliëntoverleg).
Ik heb alleszins maandag die mevrouw opgebeld, eerlijk gezegd wat er gebeurd was. Ik heb haar ook gezegd dat het erg was (want ze zei ook dat ik onder zware druk sta en dat het begrijpelijk was dat het zo mis gegaan is, maar dat vind ik niet). En dat ik hulp nodig heb. Ze vroeg me wat ik in gedachten had. En weet je, als ik het zelf mag kiezen, zou ik zeggen: kraamhulp. Ik herinner me de dag waarop ik in eigen huis werd uitgenodigd aan een gedekte ontbijttafel door de kraamhulp die meteen ook op toverachtige wijze een ovenschotel voor ’s avonds had klaar gezet in de koelkast. Iemand die even voor me zorgt, heel even niet alles alleen doen, even niet alleen zijn met de mannen, iemand die in huis de boel even doet draaien zonder dat ik dankbaar moet zijn of een relatie met die persoon moet onderhouden. Kraamhulp dus, alleen mag dat niet als je jongste al 2 is denk ik. Wordt vervolgd.

-3- Ik had een taai gesprek met een vriendin. Ik weet nog altijd niet goed wat ik er van denk, maar het viel weer in de dynamiek die als volgt gaat: ik vertel dat het eigenlijk niet goed gaat en de andere bombardeert me met tips (van het genre: ga naar de Aldi in plaats van de Colruyt, hang toch gewoon een schema op voor die kleuter, geef je baan op, ga wat anders doen…).
Er zijn drie dingen waardoor dat voor mij niet goed werkt.
a. De situatie is complex, ik ben heus niet zo dom dat ik de tips die op me af gevuurd worden niet zelf kan bedenken. Maar elke mogelijkheid heeft weer een nadeel. Zoals mijn keuze om als zelfstandige in bijberoep te werken wat financiële ruimte heeft gegeven om mijn advocate te betalen, maar ook de werkdruk enorm verhoogd heeft. Alleszins geeft zo een bombardement aan tips me enerzijds een schaamtevol gevoel (ik voel me dan dom) en anderzijds val ik dan in de neiging me te gaan verantwoorden over vanalles en nog wat. Dan zit ik plots uit te leggen dat ik gewoon eens in Albert Heijn was omdat ik een brood nodig had en dat weet-ik-veel-wat voor kleins nog, en dan denk ik: waar hebben we het over? Ik wil helemaal geen verantwoording afleggen over mijn boodschappen.
b. Ik vrees dat ik onderhevig ben aan het effect van schaarste: ‘Armoede (langdurige schaarste) zorgt er bijvoorbeeld voor dat men moeilijk nieuwe vaardigheden aan kan leren en gebrek aan tijd leidt ertoe dat we op de lange termijn steeds onverstandigere beslissingen nemen.’ Zie hier. Ik ben al een tijdje onderhevig aan schaarste: geld, slaap (!!!), rust, tijd, liefde-warmte, zorg, … Ik vrees dat ik inderdaad niet zo ongelooflijk vermogend meer ben om veel slims te bedenken en stappen te zetten, ik ben ook niet zo vermogend meer om me goed te organiseren. Het frustreert me, het maakt me boos.
c. Zoals ik al zo vaak zei: ook ik heb de neiging tips te geven en alles wel eens snel op te lossen voor een ander. Maar soms is het goed om met elkaar even te concluderen: hee, wat vervelend allemaal. En dat dan uit te houden. Dat laat de ander meer in zijn waarde. Of zie ik het fout?

-4- De jongens. Ze zijn wat schrikachtig. Ik heb geprobeerd er met hen over te praten, alleen zijn ze vijf en vijf jaar oud. (De jongste is twee, maar hij zegt vijf. Vijf is het nieuwe twee.) Ik denk dat ik vertrouwen moet (her)winnen en zorgen dat het nooit meer gebeurt. Er is alleen nu zo’n risico tot overcompenseren, waardoor de verhoudingen hier in huis hoe-dan-ook scheef zijn. En dat mag niet. Ik de moeder, zij de kinders. Dat moeten we hebben. Stickers op de grond kleven en op tafel kleuren met stiften mag nog steeds niet. Ik mag niet bang zijn om daar een grens te trekken, en zij mogen niet verkrampen als ik dat doe.

-5- All of you. Dank. Jullie reacties waren erg betrokken, erg warm. Stof tot nadenken. Ook fijn van andere moeders te horen dat je jezelf niet altijd in de hand kan houden. Het voedt alleszins mijn overtuiging dat het goed is ‘het leven zoals het is: single mom + kinderen’ te hebben hier. Fuck fake, toch?

 

 

 

Een dag met vlaggetjes (proloog)

Een dag zonder vlaggetjes: terugblik
De eerste verjaardag van de Babybroer was, om even kort te zijn, één doffe ellende. Ik was die dag een moeder die niet de moed had om het huis te versieren of het huishouden te doen. Er was die dag een heftig conflict met Dirk. Ik heb hysterisch gehuild, in nood vrienden opgebeld en die dag met hen zitten bespreken of ze me naar een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis zouden brengen want het ging echt dramatisch slecht in die periode. Ik was bang om alleen te zijn en om alleen te zijn met de kinderen. Ik was verdrietig. Ik kreeg niets meer voor elkaar.

Tweedehands cadeautje
Ik kan er nog steeds niet goed aan denken, aan die dag. Het meest intrieste moment was het ontbijt, waar mijn zoon van vier stomverbaasd vroeg waarom ik geen vlaggetjes had opgehangen voor de babybroer omdat die toch jarig was. Het antwoord was dat ik het toen niet kon.
De kleuter en ik hadden wel een cadeautje gekocht. In een tweedehandswinkel hadden we een muziekje dat figuurtjes projecteert gevonden (de teddy projector). Als ik dat ding zie staan, krijg ik nog steeds een krop in mijn keel. Ik schaamde me omdat ik enkel maar een tweedehandscadeautje kon geven aan mijn kindje dat één werd.

Masterplan
’s Nachts in bed, leeg gehuild en ellendig, wist ik dat ik het anders wou. Dat de tweede verjaardag van de Babymans een dag mét vlaggetjes moest worden. Ik ben nog twee weken thuis gebleven omdat ik niet sterk genoeg was om te werken, en heb een soort masterplan gemaakt met alle soorten acties die ik moest ondernemen om de boel weer wat op te krikken. Enigszins tevreden kan ik zeggen dat ik veel van de plannen in dat masterplan gerealiseerd heb of aan het realiseren ben. Ik heb een nieuwe baan, een bijberoep, een rijbewijs, een auto, mijn sociale isolement is doorbroken, ik heb oplossingen om werk en gezin beter te kunnen combineren, … Er blijven werkpunten (zoals was rust in de financiële situatie krijgen, een leuke partner vinden en een wat beter evenwicht tussen werk en rust), maar het algemene beeld is positief.

Twee kaarsjes
En nu is het zover. Babybroer blaast gauw twee kaarsjes uit. En het moet een dag met vlaggetjes worden!
Dus vroeg ik een niet nader te noemen geniaal tekentalent om een uitnodiging te tekenen voor een feestje, in het bos. Picknick met koffie, sap, taart, vlaggetjes, ballonnen en kaarsjes is het concept. Ik nodigde een massa vrienden uit, waaronder de vrienden die me vorige jaar in de dofste ellende nabij zijn geweest, maar ook veel mensen waar ik niet zo dichtbij had gestaan als Dirk niet weg gegaan was of die ik niet eens gekend had als Dirk er nog was.
Dertig mensen komen er naar het feest-met-vlaggetjes. En … toen kreeg ik faalangst. Of ik het wel geregeld zou krijgen, of het wel zou lukken. Dus mailde ik een paar vrienden met de vraag of ze in ‘team verjaardag’ willen zitten, en probeer ik me geen zorgen te maken over het feit dat ik nog niet weet waar ik het gebak ga halen en dat ik nog geen cadeautje heb. Op zo’n momenten kan mijn hoofd struikelen over onnozelheden, zoals het besef dat er iemand komt die consequent suikervrij eet en dat ik niet weet waar ik suikervrij gebak kan halen. God-zij-dank hebben twee van de genodigden aangeboden om taart te bakken, en komt er iemand die foto’s wil maken.

Traktatie
Als voorproefje op zijn verjaardag mag de Babybroer alvast trakteren in de opvang. Het huis ruikt naar cakejes. Er staat een mandje klaar met lekkers, er zit een kaartje bij voor de mensen van de opvang en in een envelopje heb ik twee kaarsjes gestopt die ze op zijn cakeje kunnen zetten. (We hebben al weken geoefend met kaarsjes uitblazen.)

Net zag ik het mandje staan (dat ik gevuld heb na een dag waarop ik om half 7 in de auto ben gestapt, 500 km heb gereden voor besprekingen en pas om 19u weer binnen stapte met twee vermoeide kinderen en rammelend van de honger) en ik dacht: wow, dat had ik een jaar geleden niet voor elkaar gekregen. Het gaat maar om stomme eenvoudige cakejes, maar het was toch een blij besef. Dit jaar ben ik geen moeder meer die het niet voor elkaar krijgt vlaggetjes op te hangen of iets lekkers te bakken…

Wordt vervolgd…

5 dingen die ik geleerd heb het afgelopen jaar

Het is een jaar geleden dat Dirk weg gegaan is. Ongeveer. Over dat jaar als alleenstaande werkende moeder met twee kleintjes, kan ik veel zeggen. Maar ik kan ook zeggen dat ik wat dingen geleerd heb. Bij deze:

1. Het mechanisme van de breedbeeldtv.

In onze samenleving lijkt men er vaak van uit te gaan dat je zelf veel invloed hebt op wat er in je leven gebeurt, dat er altijd een keuze is die je kan maken. Gedeeltelijk is dat zo. Ik heb gemerkt dat je mentale instelling veel uitmaakt. De tijden dat ik daar geen controle meer over heb doordat ik vermoeid ben of weer een tegenslagje te verwerken heb gekregen, ben ik een ‘vogel voor de kat’. Anderzijds zijn er ook gewoon dingen die je niet kan kiezen. Onze samenleving is nogal gericht op tweeverdieners, en als je dan als alleenstaande vrouw alleen de rekeningen moet betalen, is dat gewoon niet makkelijk, hoe je het ook draait of keert. Kinderen hebben eigenaardige slaappatronen en worden heel de winter door ziek. Niets aan te doen, vooral niets in te kiezen. De combinatie werk-gezin is stevig in onze samenleving. Dat geldt bij uitstek voor alleenstaande ouders en daar kan je met alle shortcuts ter wereld weinig aan veranderen.

Vroeger dacht ik vaak bij vrienden die in de problemen zaten dat ze zichzelf bij elkaar moesten rapen,  er iets aan doen, en hun schouders er onder zetten. Ik voel dat veel mensen zo denken. Ik denk ook zo over mezelf: dat ik me bij elkaar moet rapen, iets moet doen en mijn schouders er onder zetten.

Maar er is een punt dat al je veerkracht op is. Dan kan je zelfs oplossingen die binnen handbereik liggen, zelfs niet meer aanraken. Dan denk je er niet meer aan de telefoon te nemen en iemand om hulp te vragen. Dan kan je niet meer rustig en helder denken, niet meer relativeren en beseffen dat het volgende week of volgende maand anders kan zijn. Of volgend jaar desnoods. Het is een punt waarop je alle contacten met de buitenwereld gaat opzeggen en afzeggen omdat je je schaamt en omdat je geen energie hebt. Het is een punt waarop je de boel begint te belazeren omdat je je schaamt. Dan antwoord je ‘prima’ als mensen vragen hoe het gaat, bijvoorbeeld en ben je blij dat je niet in huilen bent uitgebarsten.

Het is een heel akelig punt. Een punt waarop je stil valt. Een punt waarop een onbetrouwbare man daten nog beter lijkt dan nog meer avonden alleen. Een punt waarop een nieuwe jurk kopen niet meer uitmaakt, want je komt toch niet rond en die jurk maakt het verschil al niet meer en je hebt tenminste iets om aan te doen op de date met de onbetrouwbare man. Haha.

Wees gerust: meestal hou ik mijn verstand erbij, en ik heb niet eens één hand nodig om mijn ‘kemels’  van het afgelopen jaar te tellen. Maar ik heb vaak gedacht aan de cliché-uitspraken die er over armen gedaan worden. Geen geld voor eten en wel een breedbeeld tv. Dat soort schampere opmerkingen. Ik kan op dit moment perfect in het mechanisme van de breedbeeldtv komen, ook al is de situatie natuurlijk nog heel anders.

2. Stoppen met werken is niet voor iedereen de oplossing.

Als het niet goed gaat, rennen we naar de dokter en halen we een ziektebriefje. Voor sommige mensen is dat een oplossing, en met name mensen waarbij het probleem zich situeert rond het werk, of rond vermoeidheid, …. Voor mij was het nooit een echte oplossing, omdat a. het leven met kleine kinderen  toch altijd doorgaat, dus even niet werken is geen garantie op rust en b. mijn werk een domein is waar ik nog wat energie uit haal omdat ik het graag doe en er soms trots op kan zijn en c. ik het soort werk heb dat blijft liggen als ik weken niet ga werken.

Mijn werk is moeilijk te combineren met de zorg voor mijn kinderen. Ik krijg van dezelfde vrienden steevast dezelfde opmerking: zoek iets makkelijks, ga desnoods in de supermarkt werken. Maar als ik dat doe, kan je me wegdragen, gegarandeerd. Moet ik me daar schuldig om voelen? Moet ik me daar stom door voelen? Ik weet het oprecht niet meer.

3. Een crisis is een olievlek.

Het begint met je relatie die stuk gaat. Je krijgt je niet meer georganiseerd om te kunnen gaan werken, waardoor je daar in de problemen komt. Je kan niet meer ‘meedoen’ aan sociale activiteiten met vrienden (doordat je niet telkens babysit kan nemen, je het financieel niet trekt of omdat je te verdrietig bent en geen zin hebt in een avond met koppels), en je merkt dat je er voor veel mensen gewoon uit valt. Je familie helpt je, maar dat wordt hen op een gegeven moment te veel en samen met wat onuitgesproken spanningen en een erfenisje van het verleden, wordt dat ook een conflict waardoor dat contact weg valt. Je hebt geen energie om dat op te lossen, dus de radiostilte wordt oorverdovend. Je bent een verdrietige mama bij momenten en het is moeilijk om het fijn te hebben met de kinderen, waardoor je je zo vaak schuldig voelt. (…)

Er is niet veel nodig om in een situatie te komen waarin je het gevoel hebt alleen te staan, verdrietig en moe te zijn en weinig oplossingen te zien. Het begint ergens en breidt zich heel snel uit.

4. Logische oplossingen zijn enkel logisch en makkelijk vanuit het buitenperspectief.

‘School je om en ga een knelpuntberoep doen als je hier niet meteen werk kan vinden.’
‘Kom eens een weekje bij mijn gezin logeren.’ (Erg lief, maar een week bij een koppel met drie kinderen is niet de rust die ik nu nodig heb.)
‘Doe een ijzerkuurtje en ga eens naar de dokter.’
‘Begin een relatie met X, dan ben je niet meer alleen.’ (O, goede motivatie!)
‘Ga eens een paar maanden niet meer werken.’
‘Kijk, ik vond deze vacature voor je.’ (Een baan waar ik kippevel van krijg als ik er aan denk dat ik het zou moeten doen.)

Vast allemaal lief bedoeld, maar een gouden raad voor iedereen die kwistig gouden raad uitdeelt: HOU DAARMEE OP. Vanuit buitenperspectief lijkt alles een pak simpeler dan als je het echt moet doen. Je weet vast niet half wat er allemaal meespeelt aan factoren in een situatie. En de persoon aan wie je gouden raad verstrekt, is vast niet zo dom dat hij of zij er niet zelf op gekomen zou zijn, als het echt zo simpel was. Denk je niet?

5. Goede tijden, slechte tijden.

Ik dacht vaak dat het leven ups en downs kent en dat na een slechte periode een goede volgt. Omdat je dat verdiend hebt.

Ik denk dat er factoren kunnen zijn die maken dat een situatie verandert. Bijvoorbeeld een nieuwe relatie beginnen kan veel uitmaken, net als een professionele verandering, … Het feit is dat die dingen niet echt heel realistisch zijn als het niet goed gaat. Net dan zijn je kansen op verandering ook ‘afgesloten’ of toch minstens zwaar bemoeilijkt, omdat je zo met overleven  bezig bent dat je in een eventuele nieuwe relatie niets te bieden hebt, of dat je als sollicitant met wallen onder de ogen een te verwarde indruk geeft om een nieuwe baan binnen te halen.

Zaak is dat je vaak structurele oplossingen nodig hebt in een levenscrisis, wat niet altijd realistisch is op het moment dat je omver geblazen bent door het leven zelf.

Dat gegeven, het olievlekmechanisme en het jammere feit dat er geen simpele oplossingen zijn, maakt dat mensen heel lang in een heel vervelende situatie kunnen zitten. Ik ben zelf op zoek naar het knopje dat ik kan omzetten om het tij te keren, maar ik ben heel bang dat dat knopje niet bestaat.

Maar dan kan je natuurlijk nog steeds proberen kijken naar de goede dingen. Wat je geleerd hebt van zo een situatie bijvoorbeeld. Bij deze. Ik zal niet zo makkelijk meer oordelen. Van mij krijg je geen goede raad meer. Maar ik kan nu wel naast je komen zitten, luisteren en er gewoon zijn. Denk ik.

Vallen & opstaan

Ik parkeer mijn wagen, schuif mijn stoel naar achter, vervang mijn laarzen door nette hakjes, zoek mijn papieren bij elkaar en stap uit. Eenmaal binnen bij de organisatie waar ik verwacht word, schud ik handen, deel ik complimentjes uit (‘wat een bijzonder gebouw hebben jullie! Fijn dat ik u ontmoet na al die mails die we uitgewisseld hebben!’ …) en zit ik een vergadering voor.

Dansende zwarte vlekken

Het is zes dagen na de crisis waarin ik een vriendin moest vragen om mijn kinderen op te halen, omdat ik van vermoeidheid fysiek totaal gecrasht ben, en kamp met koude rillingen, braakneigingen en dansende zwarte vlekken. De nacht die volgt, één zonder kinderen, is een erg donkere. Ik huil, ik ben soms in rauwe paniek, ik fluister tegen mezelf dat ik niet meer kan. Er is een nacht waar ik alleen doorheen moet. Vrienden aan wie ik heb verteld dat ik uitgeput ben, verwijzen me door naar de huisarts of raden me een kuurtje ijzer aan. Ik voel me onbegrepen. Dit is way beyond een kuurtje ijzer.

Een lange weg terug

De volgende dag haal ik de kinderen op. Ik breng ze naar school en opvang, ga aan mijn bureau zitten, ga aan het werk. De crisis is onder mijn huid gekropen en blijft verder doorspelen. Het is moeilijk mij te concentreren, het is moeilijk geduld op te brengen, het is moeilijk alles onder controle te houden. Het is ook moeilijk om te slapen, omdat ik er te moe voor ben. Ik heb stress omdat ik het allemaal niet meer onder controle heb. Op een nacht zit ik om 4u aan mijn computer in paniek aan een rapport te werken. Ik voel dat het diep was en dat de weg terug lang is. Er moet heel wat gebeuren en ik moet vechten met mezelf om het gedaan te krijgen. Daardoor komt er druk op het hele zaakje, en kost het me meer tijd en energie dan nodig.

Het leukste dat in de aanbieding is

En dan is er de date, met de ondeugdelijke man. Het levert me geen energie op, maar het brengt een heel proces van twijfel op gang. Ik ben bezig met het onderscheid te leren maken tussen voelen en intuïtie. De date zelf voelde goed. Het is fijn even onversneden aandacht te krijgen, een complimentje, een aanraking, een warme arm. Maar mijn intuïtie doet alle alarmbellen tegelijk afgaan. Stiekem hoop ik dat mijn intuïtie fout afgesteld is na de Dirk-ervaringen, maar ik vrees ervoor. Ik voel me eenzamer dan ik was, terwijl er in se niets veranderd is. Ik verlang naar een weerzien met de ondeugdelijke man, want iets leukers is er op dit moment niet in de aanbieding. En tegelijkertijd weet ik dat het me niet gelukkiger zal maken en dat ik mezelf moet beschermen. Dat ik het voorbije jaar al meer verdriet heb gehad dan ik kon verdragen, en dat ik mezelf niet moet bloot stellen aan meer.

Twijfel als chocoladesaus

Ik vraag me vaak af of het wel verantwoord is om verder te werken, maar ik ervaar ook duidelijk dat mijn werk me terug bij mezelf brengt. Ik neem een rol op, wat anderen in de situaties waarin ik kom ook van me verwachten. In die rol ben ik even vrij van mezelf, vergeet ik de gitzwarte nachten en de twijfel die over alle aspecten van mijn leven druipt als chocoladesaus over een dame blanche. Neem me dat werk af, en ik ben pudding. Mijn werk helpt me om me bij elkaar te rapen, om er wat van te maken, om ergens een goed gevoel aan te ontlenen.

Masker

De laatste tijd trek ik vaak de kaart van het masker, op het werk. Als er gevraagd wordt hoe het gaat, antwoord ik glimlachend: ‘prima‘. In het verleden heb ik me kwetsbaarder opgesteld. Toen Dirk net weg was zat ik wel eens te snikken bij de baas. Maar ik heb ook geleerd dat het niet helpt. Het roept verlegenheid op bij de ander en jezelf, je geeft de ander een sterk wapen in handen op zo’n moment wat in een machtsrelatie toch ooit wel eens tegen je kan werken, en je wordt er zelf heus niet beter van.

Van ‘prima’ antwoorden als het echt niet gaat, van je rug rechten, van een leuke jurk uitzoeken en op hoge hakken een gebouw binnen wandelen, gaat het gek genoeg vaak wel beter. Wat ik toon slaat over op hoe ik me voel, en al na enkele seconden gaat het inderdaad prima. Het masker past, de rol zit als gegoten. Het gaat goed, ik functioneer, en dat is lekker.

Sterk of zwak

En tot slot. Tot slot vraag ik me vaak af of ik sterk ben of zwak. Ben ik sterk omdat ik het draaiende weet te houden, nipt, of ben ik zwak omdat ik in een situatie zit die ik nooit heb gekozen en er niet in slaag dat om te buigen, het uithoud-baar te maken? Meestal hebben andere mensen de dingen een pak beter op orde, waardoor ik me dan een soortement ploetermoeder en mislukkeling voel. Tegelijk weet ik dat het mij een vrachtwagen vol wilskracht en energie kost om het zo goed te krijgen als enigszins mogelijk is, en dan probeer ik trots te zijn dat ik dat voor elkaar krijg. Is die vriendin die werk en gezin combineert, haar ouders en schoonouders als hulptroepen coördineert en ’s avonds de hemden van haar man strijkt, sterker, omdat zij een leven heeft dat ik wil maar niet heb? Of is het doorzetten onder lastige omstandigheden net een teken van kracht? Of beiden? Er zijn momenten dat ik me zo stom voel. Met mijn soepactie om op vakantie te kunnen gaan, mijn gammele wagen, mijn jurk die ik van een vriendin heb gekregen, het kringloopspeelgoed op de mat, het voortdurende schrapen: tijd, energie, geld, kracht. En tegelijkertijd is er niets beter dan dit, en doe ik het toch maar.

Twijfels all over, zoals je ziet. Zucht.