Rijkdom

DF5E90F4-5778-40D2-98FC-B54502948557.jpegWe zijn er een weekje tussenuit. De kleinste baby, Kruimel geheten, vult de week met huilen, spugen en ze blijkt spruw te hebben. Ze is net een klein magneetje, blij als ze aan mij mag plakken.

De grote baby, troetelnaam volgt, is rustig, stoer en slaat de wereld gade. En ze lacht, monkelt en slaapt ook wel eens.

Ongeveer 200% van onze energie gaat naar de dames. De jongens spelen heel de dag samen. Allerlei grappige fantasiespelen.

Ik loop heel de dag te piekeren over dat lijf dat vol strepen staat en waarvan de buikspieren zo uitgerokken zijn dat intussen al vier mensen gezegd hebben dat het leuk is dat er nog 1 op komst is. Snik. Maar op elke hoek van elke straat roepen mensen in extase hoe leuk, schattig en wat een rijkdom deze twee zijn, en dan lijken al die gedachten wel erg stom.

So far so good. Tot later!

Ik wou dat ik een octopus was…

… dan zou ik hier vaker kunnen schrijven en armen genoeg hebben voor twee baby’s, twee zonen, het huishouden en de Man.

Het leven met een tweeling. Ambitieus als ik was zou ik er een reeksje over maken, maar we zijn nu zes weken op weg met één dochter met krampen en één die spuugt, en ik ben helaas geen octopus. (Tijdens het typen van dit stukje ben ik drie keer opgestaan om een dochter te troosten.)

Anyway. Losse gedachten dus.

  • Borstvoeden. Al die propaganda moeten flesvoeders niet persoonlijk nemen. Je moet gewoon heel zwaar overtuigd zijn van het geven van BV om het vol te houden, dus borstvoeders moeten zichzelf behoorlijk oppeppen om het vol te houden. Gisteren heb ik gevoed om 01u15, 01u30, 04u30, 04u55, 07u05, 07u20, 09u25, 09u40, 12u45, 13u30, 16u30, 16u50, 18u35, 18u50, 21u30, 21u45 en 23u30. Dat houdt geen enkel weldenkend mens vol. Er staan rode blaasjes op mijn tepels, van overmatig gebruik. Tussen de voedingen door probeer ik per dag nog twee keer te kolven, omdat de melkstroom dan minder enthousiast is en de baby’s minder krampjes hebben/spugen. Het nieuwe borstvoedingsboek van Stefan Kleintjes is trouwens een aanrader. Ondersteunt de gedachte: het is waanzin, maar wel de beste waanzin.
  • Gisteren heb ik 60 euro uitgegeven. Ik heb iemand betaald om met de oudste kinderen naar een binnenspeeltuin te gaan, omdat ik niet voor vier kinderen tegelijk kan zorgen momenteel. Toen ze thuis kwamen, heb ik met één huilend kind op de arm en één huilend kind op de bank, thee gezet en tosti’s gemaakt. Vervolgens moesten de jongens alleen aan tafel eten, terwijl ik op de bank weer borstvoeding zat te geven. De jongste zoon zit vaak met zijn vingers in zijn oren om zich af te schermen van het geluid van de baby’s. Een ultieme tip voor elke wanna-be-tweelingouder: als het enigszins mogelijk is, moet je vooral geen tweeling krijgen in het begin van de zomervakantie als je nog andere kinderen hebt die bij gevolg thuis zijn. Doe je dat per ongeluk wel, heb je een probleem. De oudere kinderen thuis houden is vermoeiend, want de baby’s vragen alle aandacht. Maar hen inschrijven voor kampjes en dergelijke is ook een probleem. Momenteel ben ik aan het stressen over hoe ik de jongens volgende week op twee verschillende locaties ga afzetten voor kwart voor 9 ’s ochtends, met de meisjes erbij. En ophalen natuurlijk.
  • De baby’s huilen samen niet half zo veel als de oudste broer op zijn uppie, maar samen wel dubbel zo veel als de jongste zoon destijds. Ik ben blij dat dit niet mijn eerste kinderen zijn, dat ik weet dat het over gaat, dat ik weet dat ik moet genieten van elke fase en dat ik weet dat baby’s niet huilen/zeuren om je te pesten of je het leven zuur te maken. Ik ben ook blij dat ik weet dat je baby’s niet kan leren niet te huilen door hen niet op te pakken/te troosten en ik vind het soms vermoeiend dat anderen (de Man bijvoorbeeld) zeggen dat je niet altijd mag toegeven. Hoezo? Deze wezens zijn hulpeloos en willen liefst bij iemand zijn die hen helpt.
  • … En dat is niet om het even wie. Dat ben ik, of de Man. O, wat heb ik gruwelijke nachtmerries (als ik slaap, inderdaad) van bezoek dat ‘komt helpen’, en daaronder verstaat: met een baby op schoot zitten. Hulp is in dit geval enkel en alleen hulp aan de moeder (in dit geval en in elk geval met een kleine baby). Voor de moeder zorgen zodat zij voor de baby(‘s) kan zorgen. En het niet omdraaien: verwachten dat de moeder voor jou zorgt zodat jij egoïstisch met een baby op de bank kan gaan zitten. Ik treed niet verder in detail, maar er zijn logees geweest in dit huis (dat het zo ver is gekomen heeft te maken met onenigheid tussen de Man en mij en met mijn overmogen grenzen te stellen) waarvoor ik in angst en stress boodschappen deed en kookte, terwijl zij met mijn  baby’s op de bank zaten die steeds meer overprikkeld geraakten omdat ze dat spanningsveld ook wel kunnen aanvoelen én omdat het wezenlijk toch zo is dat het contact met mij of de Man essentieel is voor hen, en niet zozeer het contact met om het even wie die denkt dat het hier het Tweeling Attractie Park is. Het maakt echt verschil of ik de baby’s vasthoud of iemand anders, dus als je ooit een baby- en/of tweelingmoeder wil helpen, komt het er dus op neer dat je zorgt dat zij met haar kindje(s) kan blijven zitten, terwijl andere beslommeringen haar uit handen genomen worden. Anyway.  Stefan Kleintjes zegt het ook. Niets belangrijker dan veel met de baby(‘s) zijn als ouder en zo de signalen van de baby(‘s) goed leren kennen.
  • Tweelingen hebben vaak simultaan onrust. Zoals nu.
  • Ik ben zelf heel erg van de attachment-parenting en ik vind het frustrerend dat je met twee baby’s moeilijker komt tot samen slapen, draagdoek-wandelingen en veel huid-op-huid-contact. Ik lees vaak op de website van kiind, en ik kan me heel goed vinden in veel van hun opvattingen, maar vraag me vaak af of mensen dat wel eens geprobeerd hebben met twee kindjes. Bv het idee dat baby’s te veel op hun rug liggen en dus meer gedragen moeten worden is uitstekend als je één kind hebt, maar moeilijker met twee kindjes. Een beurtrol, zou je kunnen suggereren. Maar dat gaat voorbij aan het feit dat je niet één kind in de draagdoek kan hebben terwijl je het andere voedt of verzorgt.
  • Zelfgemaakte cadeaus zijn een hype, in tegenstelling tot de periode waarin de oudste of de jongste zoon geboren werden. Ofwel had ik toen foute vrienden. In ieder geval vervullen die zelfgemaakte dingen me met heel veel dankbaarheid.
  • Mensen zijn best attent als je een tweeling krijgt. Er was een zee van kaartjes en er kwamen boeketten bloemen en ballonnen en cadeautjes. Ik probeer nu zelf ook attenter te zijn want het is hartverwarmend (maar intussen liggen hier al drie kaartjes die ik wel gekocht heb maar niet bij de post heb gekregen omwille van de intensiteit met de dames).

Er is nog veel meer te vertellen, maar de tijd is op. Borstvoedingstijd, again.

Later meer. Echt, ooit.

Voeden, verschonen en in de wieg mikken (dl 1)

91E39D6E-76E0-4A6B-898E-3901762F359E

Voor iemand die 16 tot 20 voedingen per dag geeft, had ik een heel erg ambitieuze post in gedachten met vijf onderwerpen over het hebben van een new-born-tweeling. Ambitie opgeborgen, ik hak de post wijselijk in vijf. Met foto.

We maken het goed, hier. Eerst was er een intense dubbele roze wolk, daarna een soort vermoeidheid/vertwijfeling (OMG, gaan we dit echt kunnen?!). Opvallend was dat er veel intimiteit en intensiteit was de eerste week, en dat de vermoeidheid ervoor zorgde dat we allemaal weer wat op onszelf terug plooiden. Intussen groeien we naar het goede midden denk ik. Met verwondering en realisme. En veel dankbaarheid. 

Kramen met twee baby’s. Vandaag het stukje dat ik schreef over borstvoeding.

Borstvoeding. Uiteraard wil ik de baby’s borstvoeden, maar de eerste dagen is er geen melk (dat is gewoon zo maar waarschijnlijk duurt het iets langer bij mij omdat ik zo verzwakt ben door de bloeding). Dat bijvoeden des duivels was, had ik altijd begrepen. Een garantie op het mislukken van de borstvoeding! Maar met twee rand-premature kleine baby’s, was bijvoeden een must. De Man vingervoedt de kleintjes, met een sonde, zijn pink en een spuitje. De volgende stap is dat we een sonde naast mijn tepels plakken en de baby’s leren dat ze eten krijgen als ze zuigen. Wat mooie taferelen oplevert van de Man en ik die ingespannen naar de baby’s kijken om het juiste moment te pakken te hebben waarop hij wat voeding geeft met het spuitje. En na drie dagen is het plots goed. De baby’s drinken van de borst, de borst geeft melk, de Man mag doorslapen. Daarna stuwing en tepelkloven, maar gelukkig is er hulp. Een lieve vriendin en meter van de oudste dochter doorkruist de stad op zoek naar bh’s zonder beugels en tepelzalf. De kraamhulp zit eindeloos mee te kijken en in mijn borsten te nijpen (wat ik alleen de eerste dagen nog raar vind.) De lactatiekundige die langskomt en zegt hoe goed ik het doe.

Essentieel voor het voeden van een tweeling, is (naast techniek enzo) toch gewoon overgave. Tijdens mijn zwangerschap kwam ik eens een tweelingmama op straat tegen, die me zei dat je maandenlang ’s ochtends een thermos thee maakt en een stapel broodjes smeert en dan de rest van de dag op de bank gaat zitten voeden. En basically is dat het. De ambitie om nog eens wat anders te doen mag je opbergen. Alles wat wel lukt is mooi meegenomen. Ik geef me over. Wetend dat het eindig en en ook de eerste en de laatste keer dat ik deze mooie taak heb.

 

 

Geboorte: terugblik

Als je mij gevraagd had hoe ik de geboorte van de baby’s gewenst had, had ik het liefst helemaal zen gehad, vrij pijnloos, met kaarslicht en een muziekje op de achtergrond (ik had in spotify ook een vrij naïeve bevallings-playlist gemaakt, met o.a. muziek van Arvo Pärt en Yann Tiersen).

Hoe de geboorte ging, heb ik hier, hier en hier opgeschreven. Enerzijds voor mezelf. Het was zo een indrukwekkend gebeurtenis, en ik ben/was bang dingen te vergeten. Door het op te schrijven, wou ik de ervaring ‘bijhouden’. En ook een stukje ‘verwerken’.
Anderzijds ook voor andere vrouwen. Tijdens mijn zwangerschap heb ik nachtenlang gegoogeld op geboortes van tweelingen. Hoe gaat dat, wat kan er allemaal gebeuren, wanneer worden tweelingen geboren, … ? Ik wil mijn verhaal toevoegen aan de verhalen die on line te vinden zijn, voor de tweelingmama in spé die het even spannend vindt als ik en ’s nachts wakker ligt te zoeken naar ervaringen en verhalen van hoe zo’n dingen gaan.

Mijn bevalling is niet zo zen geweest als ik mezelf had toegewenst, maar guess what? Ik kijk er met een ongelooflijk goed gevoel op terug.

Hoe komt dat?

  1. Ik heb een geboorteplan gemaakt. Het lijkt absurd om een plan te maken voor een gebeurtenis waar je eigenlijk niets over te zeggen hebt. Soms was ik het ook wel kotsbeu, het doornemen van scenario’s, het nemen van beslissingen, het verwoorden ervan, de details doornemen met doula, dokters en Man. Maar het feit dat ik een plan had en dat dat gekend was bij mijn zorgverleners, gaf mij de veiligheid om me over te geven aan de gebeurtenis. Ik wist immers dat iedereen in de kamer wist wat ik belangrijk vond. Op een gegeven moment heb ik even moeten aangeven dat ik echt niet op bed wou liggen op mijn zij bij het persen (het ging zo snel dat de verloskundige vond dat ik maar beter bleef liggen). Er was maar een half woord nodig en de doula nam het over en binnen no time zat ik op de baarkruk, zoals ik graag wou. Dankzij het plan.
  2. Er was een doula. Iemand waar ik op voorhand goed contact mee had (goed en regelmatig, aanvankelijk hadden we gesprekken, later masseerde ze me ook waardoor er een fysieke connectie kwam). In een kamer vol onbekenden (verloskundige, verpleegsters, dokters, …) was zij een soort baken voor mij. Natuurlijk was de Man er ook, maar die was net zo overweldigd door het gebeuren als ik. De doula bleef ijzig kalm bij al het barensgeweld en loodste me er doorheen. Ze had een arsenaal aan kleine dingen die mijn comfort verhoogden, en waar niemand anders in de kamer zich mee bezig kon houden. Koude washandjes, slokjes appelsap, een voetmassage toen ik begon te ijlen van het bloedverlies, …
  3. Er is niets gebeurd zonder mijn toestemming te vragen. Voor elke handeling is toestemming gevraagd, zelfs voor het beluisteren van het hartje van de tweede baby tijdens het persen voor de eerste. Ik kreeg bij alles toelichting. Soms ging al dat verbale mijn petje flink te boven. In de oer-staat van het baren was een heel ander hersengebied actief dan het gebied waarmee je netjes gesprekken voert. Bij momenten zag ik allemaal monden bewegen en had ik geen flauw idee wat ze zeiden. Maar het was zo betekenisvol dat er met me gesproken werd, dat het mijn bevalling was op mijn voorwaarden. Leve de verloskundige die op haar knieën bij me zat. De gynaecologe die op een laag stoeltje achter haar zat en hands-off aanwezig was. Leve de doula met haar koude washandjes en de anderen die in de kamer waren maar niet bleven rechtstaan waardoor ik me minder een bekeken subject voelde. Leve de dokters die buiten bleven staan en niet midden in de baring de kamer binnen kwamen.Samengevat: bevallen doet pijn. Er gebeuren een hoop nare dingen fysiek. En dat kon ik prima aan, omdat ik me gerespecteerd heb gevoeld. Er is niets gebeurd dat ik niet wou, en dat maakt dat de bevalling (amper twee weken geleden) in sneltempo uit mijn geheugen verdwijnt. Het is gewoon helemaal ok. En daarmee ook een heel goede, krachtige ervaring.

After birth

Lees hier over de laatste zwangere week en hier over de supersnelle tweelinggeboorte.

De uren nadat beide baby’s geboren zijn, beleef ik in een soort waas. Ik kan me beelden herinneren van de Man en de doula die op de bank zitten, beiden met een kindje in hun armen. Beelden van mijn dochters aan de borst. Pijnlijke naweeën zorgen voor golven bloed. Ik ben zo overprikkeld van de pijn dat ik amper een aanraking kan verdragen. Er wordt me een epidurale aangeboden om te kunnen hechten, maar ik vraag tijd. Tijd waarin ik niet aangeraakt moet worden. De naweeën golven af en aan, er ontstaat nervositeit over de bebloede lakens. Ik krijg twee keer een injectie, maar ik zeil stoned van het bloedverlies weg. Het is niet eens een onaangenaam gevoel. Ik zweef boven het bed en heb hallucinaties. De kindjes liggen in glazen bedjes, de Man zoent me, de doula masseert mijn voeten en praat met me. Ik zie haar mond bewegen en heb geen flauw idee wat ze zegt.

Ik heb geen flauw idee meer van tijd en ruimte als ik moet proberen plassen. Dat lukt niet. Ik zit rillend en bloedend op de toiletstoel naast het bed. Ik snap dat ze een katheder nemen, maar ik had me het liever bespaard. Er wordt gehecht. Ik ben bijna verbaasd om wat je na een geboorte nog moet doormaken. Alsof de geboorte niet genoeg is. Er worden me koele druiven gevoerd, appelsap met een rietje, een kinderbueno en dan komt er eten, een vegetarische gehaktbal, spinazie en aardappelpuree en ik lig naakt in mijn eigen bloed en zucht dat het het beste is dat ik ooit gegeten heb.

Dan komt de boodschap dat we niet naar huis mogen omwille van het bloed. Ik krijg een infuus, er wordt bloed afgenomen om mijn hb te bepalen, we worden naar een kamer gebracht en daar zweef ik de hele nacht boven mijn bed, terwijl de Man zich bekommert om twee kleine huilende meisjes die onze dochters zijn. ’s Ochtends liggen we beiden in een ziekenhuisbed met een kleine baby. Ik heb geen idee welke van de twee op mijn borst ligt. Ik kijk naar de Man en de dochter. De zon komt op boven Amsterdam. En dat, dat was het begin.

 

De geboorte van de tweeling

Lees hier de proloog.

We komen in het ziekenhuis aan. Ook hier wil ik koppig lopen, in de hoop dat beweging de bevalling op gang brengt voor  de dokter dat zal doen. We hobbelen naar de boekenwinkel, waar ik het laatste boek van Renate Dorrestein koop en de Man ook een boek. Ik ga er vanuit dat we een lange dag tegemoet gaan.

Bij de Albert Heijn kopen we druiven en drankjes.

Dan melden we ons op de afdeling en moeten we even wachten in een wachtzaaltje. Wat erg onwezenlijk is op dat moment.

Er wordt een CTG afgenomen. De baby’s doen het goed. De doula komt toe en wacht met ons. Er is een verloskamer vrij en als blijkt dat ik nu 3 cm ontsluiting heb, krijgen we groen licht.

Op de verloskamer maken we kennis met de verloskundige. De gynaecologe komt mij toestemming vragen om me te opereren als bepaalde situaties zich voordoen. De doula masseert mijn voeten en op mijn vraag wordt er een klysma aangebracht, waarvoor de Man wandelen gestuurd wordt. De gesprekken met de verloskundige zijn best grappig. Hoe ze het allemaal mag noemen, vraagt ze. Mijn onderkantje? Of heb ik liever ‘kut’? Onderkantje will do, zeg ik, en ik bedenk dat ik niet echt opgegroeid ben met een adequaat woord voor… uh, mijn onderkantje (vagina dekt de lading niet helemaal). Ze raadt me ook aan hulp te zoeken voor mijn schaamte met betrekking tot ontlasting, wat ze afleidt uit het feit dat ik een klysma wil. Tja. Er lijkt me niets op tegen ‘opgeruimd’ te gaan persen.

De Man is terug. Mijn vliezen worden gebroken. Het vruchtwater is helder. Het is een raar gevoel, alsof je plast zonder dat je het tegen kan houden. De doula wil mijn voeten masseren zodat ik me ontspan. We vragen tijd om spontaan in arbeid te gaan. Er wordt onderhandeld over het tijdstip waarop er een infuus komt. Ik slaag er in een uur en een kwartier te onderhandelen. Ik ga onder de douche, de Man gaat nog even wat eten.

In de douche rommelt het wat. Ik ga terug de kamer in en vang op de bal een wee op. En dan gebeurt het. Op een schaal van 1 tot 10 krijg ik een eerste wee die als een zeven voelt. De tweede is een negen. De derde een vijftien. Ik schreeuw, lig op mijn zij op bed, bijt in een kussen en denk alleen maar ‘shit, ja, zo voelde het’ en ‘straks denken ze dat ik flauw ben omdat ik meteen lig te brullen’. Ik kijk op de klok en ben verbaasd dat de ene wee na de andere komt. Plots moet ik persen, ongeveer twintig minuten nadat ik uit de douche ben gestapt. De verloskundige heft mijn been op en ik snap dat ze denkt dat de baby komt. Ik schreeuw dat ik hier niet klaar voor ben, dat ik wil wennen, dat ze niet moet denken dat ik al ga bevallen, dat de Man moet komen, dat ik op de kruk wil baren. Om 13u03 bel ik de Man. (Komen, nu, hijg ik). Als hij minuten later binnen komt rennen, zit ik te persen op de kruk en is de kamer vol mensen gelopen. Hij komt achter me zitten en wil me vasthouden, maar ik maak me woest los. Ik wil niet aangeraakt worden, enkel koude washandjes, ik heb het te warm. Ik schreeuw dat het te snel gaat. Dat ik naar huis wil. De natuurkrachten doen hun werk en ik pers wanhopig tot ik een branderig gevoel heb. En dan nog meer tot ik voel dat er een lijfje uit me schuift. Het is 13u29. We hebben één dochter. Wat ben je klein, zeg ik, wat ben je klein, wat ben je klein. De Man huilt bij mijn linkeroor.

Veel vlugger dan ik wil, komt dat dringende gevoel terug. Ik pers en zeg dat ik nog niet wil, dat ik pauze wil. De Man gaat met de dochter op het bed zitten, houdt haar tegen zijn blote bovenlijf. De doula komt op zijn plaats zitten. Ik kijk schuin achter me en zie ons beboterde kindje. Het geweld van mijn lijf neemt toe. Ik houd mijn handen voor mijn mond, maak oergeluiden, besef dat ik behoorlijk ingescheurd ben, probeer de pijn tegen te houden. Maar het moet en ik pers en daar schuift weer een lijfje door me heen. 13u47. Nog een dochter. Ze ligt bewegingloos en blauw op de grond. Ze wordt afgenaveld en meegenomen. Help mijn kind, zeg ik, help mijn kind. Er komt nog een dokter binnen die naar me toe komt. Nee zeg ik, naar mijn kind. Help mijn kind. Een kwartier later brengen ze een uitgeteld kind binnen. Ze leeft, na een moeilijke start. Door de snelheid en het feit dat haar zusje eerst geboren is, is het vocht niet uit haar longen geduwd bij de geboorte, waardoor ze niet kon ademen.

… Wordt vervolgd.

 

Kroniek van een aangekondigde bevalling

Maandag. Ik heb een afspraak bij de osteopaat. Mijn bekken was al instabiel, maar is door een uitschuiver nog pijnlijker. Zelfs vervoer in de rolstoel is pijnlijk en vermoeiend. Na de afspraak met de osteopaat, komt de acupuncturist bij me langs. Hij masseert mijn bekken, en werkt op drukpunten. Als ik dit later aan de Man vertel, is hij geschrokken omdat ik actief probeer de bevalling op gang te brengen. Het is moeilijk om te schakelen. Al vanaf we wisten dat er een tweeling op komst is, hangt de dreigende wolk ‘vroeggeboorte’ boven ons. 28 weken halen. Dan liefst 32. Dan 34. Ik zat met mijn billen dicht genepen, bedacht op alles wat op een wee leek. En toen waren we plots de 36 weken voorbij en was er nog niets aan de hand. Een soort anti-climax maakte zich van ons meester. Alsof het een grap was allemaal. Bovendien geldt voor een tweelingzwangerschap dat er een optimaal punt is dat rond de 37 weken ligt, waarna de risico’s toenemen. Dus ik wil nu gewoon graag bevallen. De Man ziet dit echter als een teken van wanhoop en stelt dat het voor hem nog een week mag duren. Ik zink nog verder weg in mezelf.

Dinsdag. Ik lig bijna de hele dag in bed. Ik kan het niet opbrengen te lezen of tv te kijken. ’s Avonds gaat de Man hardlopen. Als hij thuis komt, zit ik aan de keukentafel. Mijn schouders hangen, ik ben zo moe en zo futloos. Hij vraagt of ik samen nog wat wil kijken, maar zelfs daar heb ik geen zin in. Ik sleep me naar bed.
In bed krijg ik rond 23u een eerste wee. En dan nog één. En nog één. Het wordt niet intenser, maar het blijft wel duren. Ik knip lichtjes aan, pak ‘Veilig bevallen’ erbij, en lees tussen de contracties door. Om half 2 maak ik de Man wakker. We zijn meteen in staat van alertheid, pakken spullen, bereiden een vertrek voor. Ik ben opgetogen. Maar de opwinding doet zijn werk en de weeën nemen af. Om vier uur liggen we beiden weer in ons eigen bed. Ik dut wat, en heb af en toe een vrij krachteloze contractie.

Woensdag. We gaan naar het ziekenhuis voor een geplande controle. Er wordt een echo gedaan om te kijken of de baby’s nog vruchtwater hebben en of de placenta goed werkt en de navelstrengetjes ook. Daarna word ik bij de dokter verwacht. Er wordt verbazing uitgesproken over het feit dat ik nog zwanger ben. Mijn baarmoederhals is verweekt en ik heb twee centimeter ontsluiting. De dokter begint over inleiden, en dat dat een heel valabele keuze zou zijn nu, aangezien mijn fysieke toestand bijna niet houdbaar is. We vragen hoe dat dan gaat, en krijgen toelichting over ballonnetjes en infusen. Ik schud nee. Ik wil het graag zo natuurlijk mogelijk. Op de gang komen we mijn eigen gynaecoloog tegen. Dat ze ons wil helpen, zegt ze, als het genoeg is. Ik geloof dat we er later op de dag nog even op uitgaan. We halen bloemen. Een klein boeketje voor in het vaasje naast mijn bed. ’s Avonds eten we met de buren. Na een uur is het voldoende en rolt de Man mij naar huis.

Donderdag.  Ik ga met de buurman zwemmen. In het water voel ik het gewicht van mijn buik niet en kan ik ontspannen. Weer thuis komt de crisisdienst. Daarna wil de Man met me praten. Dat hij niet meer durft gaan werken, om hoe ik fysiek en mentaal ben. Dat hij nu ook heeft begrepen dat elke-dag-telt ongeveer wel op is voor de baby’s. Of we morgen kunnen laten inleiden. Wat een verleiding. Ik ben in een tweestrijd. Ik wou alles zo natuurlijk mogelijk en een ingeleide bevalling kan veel zwaarder zijn dan een gewone, omdat de weeën geen of minder opbouw kennen. En tegelijk voel ik dat het fysiek en mentaal op is voor mij, maar dat de zorg en onzekerheid de Man ook vast zet in de situatie. Ik overleg met een paar mensen. Ik neem een besluit, maar wil graag dat ze eerst de vliezen breken en nog niet meteen met een infuus starten, zodat het nog steeds zo natuurlijk mogelijk kan. We bellen het ziekenhuis en krijgen groen licht. We mogen ons de volgende dag op de afdeling melden, en als er plek is, willen ze de vliezen breken. De acupuncturist komt weer langs, deze keer met naalden. Ik spendeer de middag met een busje scharlei-olie en kopjes met frambozenbladthee en vlierbessensiroop, om de laxerende werking. Geen effect. We kopen nog schoentjes voor de kleine zoon en vanaf vier uur zijn we met twee. We gaan uit eten, in een zwaar tegenvallend restaurantje. De Man rolt me nadien naar McCafe voor een stukje citroencake. We kijken een aflevering van de bake-off en gaan met een lichte opwinding slapen. Het is zo onwezenlijk. Ik hoop dat ik nog spontaan in arbeid ga. Ergens in de nacht word ik boos en chagrijnig om wat ik ga moeten doorstaan (ik ga er vanuit dat inleiden een moeizame exercitie wordt). Ik lees ‘Bevallen en opstaan’ nog een keer en dan vooral dat verhaal van Jesse Wonderhartje waar ik telkens om moet huilen. Om een uur of half zes komt de Man bij me liggen. In stilte wachten we de dag af.

En dan volgt er een rare ochtend. Hij in bad, ik in de douche. Een licht ontbijt. Naar de auto lopen – ik wil koppig lopen in de hoop de boel in gang te steken. Nog even tanken onderweg, en me verbazen over de Man die net dan ook de ruiten van de auto wil poetsen. De rit naar het ziekenhuis. De zon die doorbreekt.

 

 

Ze zijn er

2,7 kg & 2,4. Op vijf kwartier van de eerste wee tot de tweede baby. Ik dacht dat ik dood ging en ben de hele nacht stoned geweest van het bloedverlies. Maar heb het wel op eigen kracht gedaan en de Man is niet eens flauw gevallen. Nu thuis. Gauw meer, met foto.

Schemer

We zijn even terug waar we vandaan komen. In een kleine studio spelen we huishouden. Zonder de Man, want die gaat gewoon werken en schilderen en reist ons pas in het weekend achterna.

Ik rijd de glooiende heuvels op en af. Het is de beste periode van het jaar om hier terug te zijn. Alles staat in bloei, het groen ruist.

Alles is vertrouwd. De kale man van de supermarkt. Het rijden door deze streek. De kakafonie van bouwstijlen. De bossen – nooit ver weg hier.

Alles is hetzelfde gebleven en anders geworden. De buurjongen heeft plots een bos haar om u tegen te zeggen. De vrienden hebben dezelfde lach, maar een ander huis. We eten pannenkoeken op een Brussels dakterras. We drinken koffie op een nieuwe Leuvense plek. We zien de jonge mama met haar heldere blik, die zo vol professionaliteit over haar baan praat. De buurvrouw van toen heeft nog steeds heerlijke koffie en een mooie blik op de wereld. We praten met de vriendinnen die al twee keer onze kant uitkwamen en waarvan ik altijd denk dat ik zo ongelooflijk blij ben dat ik hen ken. We lunchen met een vriendin die ik vroeger wekelijks zag, meermaals. Waar is die tijd plots naar toe? We gaan langs bij vrienden uit een te ver verleden, en ik weet weer waar ik vandaan kom.  En hoe groot de spreidstand is met het leven nu, in de Nederlandse stad, met de Nederlandse Man.

Ik mis de Man. De dagen zijn zo gewoon geworden, en ergens in al die gewonigheid ben ik me heel erg aan hem gaan hechten. Ik schrik er bijna van hoe erg ik gehecht ben aan die Man die ik zelf niet had kunnen verzinnen. De Man zonder praatjes. De Man die elke dag op hetzelfde uur thuis komt. De Man die goed is in de dingen die hij doet. De Man die met de kinderen stoeit ’s avonds. De Man waar ik om heen sluip omdat ik leer hem zacht te benaderen.

Er zijn ook dutjes. Uren op bed omdat het te veel is. En nu is de avond gevallen. Schemer stijgt op uit de velden rondom. Alles doet pijn in mijn lijf. Ik lonk naar de fles roosvicee ferro. Mijn buik bolt en beweegt. Soms denk ik dat ik de meisjes niet genoeg voel. Soms doen hun bewegingen pijn. Ik kijk op tegen de nacht, want de nacht brengt meestal kramp, maagzuur, tintelde armen, gepieker en slapeloosheid. Ik weet dat alles wat hapert in mijn hoofd komt omdat ik al een hele tijd geen goede nacht meer heb geslapen. Dat het wel goed komt.

Toen ik doodziek met Kerst op het werk was, had een collega van een andere afdeling haar tweeling verloren. Het waren twee jongetjes. Ze hebben niet geleefd buiten haar buik. Tijdens de kerstviering zaten haar collega’s er verslagen bij. Mijn buik bolde al, ik wist al dat er twee kindjes op komst waren, ik wou me verbergen om niemand pijn te doen.
Op zaterdag koop ik ‘mijn krant’, De Standaard. Laatst knipte ik daar voorzichtig het stukje van Eva Mouton uit, over haar tweeling. Geboren en gestorven. Ze was slechts enkele weken minder ver dan ik. Ik volgde haar blijdschap en voelde me er natuurlijk erg mee verbonden, hoewel we in een ander schuitje zaten. En nu gaat er geen dag voorbij zonder dat ik aan haar schuitje denk. Het maakt me tegelijk nederig, dankbaar, intens verdrietig, kwetsbaar. Ik had het hen zo anders toegewenst.

Vaak durf ik niet geloven dat ze echt komen. Maar ze zijn er al. Als de Man zijn hand op mijn buik legt, zwemmen ze naar hem toe. Vooral de dame rechts is nogal dol op haar vader en reageert met uitbundig getrappel op zijn hand. Misschien heeft ze ook gewoon meer plek. De dame links ligt al tijden met haar hoofdje naar beneden, klaar om eerst op de wereld gezet te worden. Haar bewegingen zijn wat bedachtzamer en spaarzamer.
Ik wil het lot niet tarten. Maar op een dag zit ik toch naast de Man die het koopcontract van de zevenzitter tekent. Het flitst door mijn hoofd dat ik hoop dat de plekken ooit echt gevuld zullen zijn. Plots kan ik me ook voorstellen hoe we de kindjes meenemen uit het ziekenhuis, de maxi cosi’s in de auto klikken, op weg gaan, thuiskomen met hen. De tranen prikken. Het wiegje is slechts een paar muisklikken verwijderd. Maar durf ik het? Wat als het, of de helft ervan, leeg blijft? Idem voor de stoeltjes, de IKEA-bedjes, de maxi-cosi’s. Waarom zou het mis gaan? Waarom zou het zomaar goed gaan?