Kakmadam

Het is een dag waarop ik al moe ben na het ontbijt. Ik sluimer even, terwijl de jongens in de kamer ernaast spelen. De week voordien heb ik bijna elke dag geslapen. In de ochtend én de namiddag. Het is oneerlijk dat ik niet minder moe word van slapen. Ik draai kringetjes in mijn hoofd. Is het vermoeidheid van twee baby’s maken? Is het moe van de voortdurende pijn? Het gesleep met de megabuik? De bekkenpijn die met niets te vergelijken is, behalve met voortdurend stekende messen in je botten? Is het moe van de laatste jaren? Is het moe van depressief?

In de namiddag ga ik met de jongens naar de binnenspeeltuin. Ik app de Man een foto. ‘De hel,’ schrijf ik erbij. De tafeltjes zijn vuil en plakkerig, het is enorm druk, overal schreeuwen en huilen kinderen, en drinken ouders o.a. bier en eten friet. Geuren vermengen zich, ik voel me benauwd.

Ik kijk. De jongens zijn fysiek intensief aan het spelen. Samen en apart.
Ik zoom uit en voel me een kakmadam. Ik werk niet, ik heb tijd om met mijn bolle buik hier te zitten terwijl mijn kinderen spelen. Iemand poetst intussen ‘mijn’ huis en mijn Man verdient de kost.

Thuis neem ik enkele lepels Roosvicee Ferro, boven op de gewone ijzer die ik dagelijks slik. Ik heb de indruk dat ik er een beetje door kom. Mijn hoofd werkt. De zwaarte glijdt uit mijn ledematen.

Ik kook. We hebben een avond samen zoals die hier gaan. We eten. De jongens doen hun pyjama’s aan. We kijken samen Sesamstraat en eten dessert, sojayoghurt met aardbeien. Na het avondeten poetsen ze hun tanden. Ik lees nog een boekje voor.

De jongens zijn druk. De jongste probeert heel de tijd indruk te maken op de oudste. We verliezen alle contact met hem, hij ook met zichzelf. Het is bloedirritant omdat ik de hele dag de kwade moeder moet zijn als ze in die dynamiek zitten.

Later praten de Man en ik er over. Ik vertel dat ik mezelf er in herken. Jezelf niet meer kunnen voelen als er anderen zijn. Dat het zo gekomen is, met de ex. Dat ik niet goed bij mezelf kan blijven. Niet dat ik indruk probeer te maken op anderen, maar ik neig gewoon heel erg naar beantwoorden aan hun verwachtingen. Dat ik dat met hem ook heb. Dat ik bij zijn ‘verwachtingen’ mijn eigen plannen en voornemens heel makkelijk verlies. Maar hij maakt er geen misbruik van. De ex deed dat wel.
In mijn hoofd denk ik dat het daarom zo complex is voor mij om te werken en contacten met mensen te onderhouden. Ik moet bij mezelf leren blijven. Ik weet vaak gewoon niet wie ik zelf ben of wat ik wil. Ik ben schuw om mezelf te beschermen.
We praten verder. Dat het niet leuk is, de dynamiek met de jongens. Dat we het moeten doorbreken. We weten niet hoe. En verder. Over kinderen. Hij vertelt dat hij dat niet persé wou, een gezin met vier kinderen. Over zijn eigen thuis met vier kinderen en niet zo ideaal. Bij ons vroeger idem, zeg ik. Idem. De rommeligheid. De interacties. De dynamiek. De dingen van vroeger die kleuren hoe ik vandaag beleef. Ik snap plots weer zo goed waarom ik in opperste verwarring ben, heen en weer geslingerd tussen blij-en-dankbaar om de baby’s en dit gezin, en de angst dat er niets van me overblijft. De wens om hier te zijn en te zorgen, en het verlangen om heel ver weg te rennen. Het conflict van willen wat ik wil, namelijk voor mijn baby’s zorgen, thuis zijn.

Hij zegt dat ik een binnenspeeltuin de hel mag vinden. Dat ik mezelf niet moet verplichten dankbaar te zijn. Dat ik vast al leukere dagen heb gehad. Ik begrijp wat hij zegt, en tegelijk wil ik ook blijven beseffen dat ik geluk heb. Als je me jaren geleden dit als optie had gegeven, zeg ik hem, had ik er zonder meer voor getekend. Want eerlijk? Er waren tijden zonder geld voor binnenspeeltuinen, zonder energie, zonder auto om erheen te gaan. Er waren dagen die eindeloos duurden in een kil huis, en niemand die ’s avonds thuis kwam.

Dat het al anders is, zeggen we tegen elkaar. Dat ik mijn moeder niet ben, dat hij mijn vader niet is, dat ik zijn moeder niet ben en hij zijn vader niet is. Dat de rommeligheid meevalt tot nu toe. Dat we blij zijn met wat we krijgen, ook al krijg je soms meer dan je wil.

Later vouw ik de was (wanneer heb ik voor het laatst na het avondmaal nog op mijn benen gestaan?! Ik leg een infuus aan met roosvicee ferro!). Hij komt de kamer binnen. Ik omhels hem. Ik zeg hem dat ik mijn best ga doen, dat het anders wordt.