Waarom ik geen prenatale tests laat doen

Mijn eerste afspraak bij de verloskundige had ik zonder de Man gedaan. Als ZZP-er kan hij natuurlijk niet heel de tijd vrij nemen om mee te gaan naar alle controles. Hij is er bij als we echo’s hebben, maar ook daarvan hebben we afgesproken dat dat op termijn niet hoeft, aangezien je met een tweeling in de tweede helft van de zwangerschap mogelijk tweewekelijks een echo hebt.

Anyway, ik was alleen en we moesten allerlei dingen invullen. Zoals handicaps in de familie, bloedgroepen, … Of ik tests wou? Nee, zei ik. NIPT kan trouwens niet bij een tweeling, just FYI. Anders had ik het nog niet gedaan, hoor.

Tijdens de eerste afspraak met de gynaecoloog zat de Man naast me, en keek me een beetje verbaasd aan dat de dokter in zijn computer had staan dat we geen tests wilden. Betrapt. Ik had het inderdaad niet overlegd met hem, en het zou eerlijker zijn dat gedaan te hebben, maar ik weet voor mezelf 100% zeker dat ik geen ‘beslissing’ zou kunnen nemen op basis van een test.

Omdat ik

a. niet over leven en dood wil beslissen, dat is niet aan mij.
b. omdat de baby’s onze kinderen zijn en ik het enkel maar passend vind die dankbaar te ontvangen.
en c. omdat ik niet wil uitgaan van een wereld waarin sommige mensen niet passen of welkom zijn.

Ik geloof in een wereld waarin er ondersteuning en zorg is, ook voor (de ouders van) een kind met een handicap.

De Man was niet echt blij met mijn standpunt. Zijn  idee is dat een kind met een beperking alles op de helling zou zetten wat we nu hebben, namelijk twee gezonde kinderen die ook zorg en aandacht verdienen en niet gebukt moeten gaan onder een kind dat grote zorg vraagt in ons gezin.

Dat snap ik. Ik ben zelf ook opgegroeid met twee broers met een handicap, en ik heb daar nog elke dag last van.

En toch.
Dan nog.

Ik kan het niet. Een kindje laten doodprikken in mijn buik omdat er mogelijk iets mee aan de hand is. Ik heb dat recht niet. Het druist in tegen alles wat ik belangrijk vind, alles waar ik in geloof.

En zoals dat gaat, komen er mensen op mijn pad. Een vriendin met een tweeling, waarvan één kindje het syndroom van down heeft. Ze weerstond alle druk van dokters om testen te laten doen omdat er een sterk vermoeden was dat er met één van de kindjes iets aan de hand was. Ik zit er niet mee, zegt ze terwijl ze haar schouders ophaalt. Het is gewoon haar kind. Ze had een keer ruzie gemaakt met haar man over de mogelijkheid, en daarbij had ze gezegd dat hij zelf een mongool was als hij geen kind met down wou. Daarmee was de kous af.

Een bestuurder waar ik mee praat vertelt over zijn zoon, ééntje van een tweeling. Ten dode opgeschreven. Moeizame kindertijd. Hij leeft, hij werkt in een bakkerij intussen, hij doet het goed.

En een buurmeisje met het syndroom van down scheldt regelmatig de jongste zoon hier uit voor ‘rotkop’. Ik moet er smakelijk om lachen, het is een pittige tante, die heel goed weet wat ze wil. Haar ouders waren erg geschrokken van haar komst, maar ze is de ster van de buurt, met haar mooie koppige gezichtje en haar vastberaden tred.

Ik heb zelf genoeg vrijwilligerswerk gedaan met mensen met een handicap om te weten dat ze niet enkel schattig zijn. Ik ben niet naïef.

En hier zit ik, futloos op de bank met die groeiende buik en razende honger. Natuurlijk hoop ik op twee gezonde baby’s, en gezien mijn leeftijd lijkt me dat ook vrij waarschijnlijk. Maar ik weet dat ze welkom zijn, mijn popjes. Wie en wat ze ook zijn.

10u ’s ochtends. Ik ga maar eens pizza halen geloof ik.

 

Advertenties