Een jaar

De Man en ik zijn een jaar oud.

Een jaar geleden logeerde ik bij hem omdat ik in zijn buurt moest werken. De eerste avond gebeurde er niets, behalve thee op de bank. Na het werken kwam ik bij hem thuis. Om één of andere reden herinner ik me nog aangebeld te hebben, en kijkend naar zijn fiets te wachten tot hij de deur open deed. De fiets die ik hip vond. Die me voor hem innam.

Die avond waren we precies een getrouwd koppel. We kochten samen een trui die ik koester want die me doet denken aan die avond. Ik werkte aan de keukentafel die nu de mijne is, hij ging lopen. Ik smste een vriendin dat hij ‘niets deed’. We gingen uit eten, en op de terugweg sloeg hij zijn arm om me heen. Schuchter. De volgende ochtend ging ik met een licht slaapgebrek de deur uit. Na het werken belde ik hem. We waren samen en dat voelde heel normaal.

De eerste maand raakte ik zwanger.
De tweede pendelden we tussen mijn en zijn land.
De derde kreeg ik een miskraam.
De vierde was ik ziek en zetten we een kerstboom op in zijn huis.
De vijfde was ik nog steeds ziek en gefrustreerd.
De zesde besloten we samen te wonen.
De zevende begon ik weer te werken.
De achtste verhuisden we.
De negende domicilieerde ik me op zijn adres. Daarvoor had ik een brief met zijn handtekening nodig, dat voelde gewichtig.
De tiende voelde niet alles meer ‘voor het eerst’ en vond ik stilaan de weg in zijn stad die de onze was.
De elfde reisden we samen met de kinderen.
De twaalfde maakten we ruzie en schreeuwde hij wel eens dat hij het gehad had met me.

Ongeveer. Zoiets.

En toen was het jaar rond en zaten we op de bank. We keken elkaar aan. Ik vroeg hem of hij er echt over nagedacht had uit elkaar te gaan. Hij zei nee, natuurlijk niet, maar als je ongelukkig bij me bent moeten we uit elkaar gaan, want dit is wie ik ben en ik kan mezelf niet veranderen. Ja, zei ik. En ook dat hij me niet ongelukkig maakte. Hij zei dat hij me soms niet goed begreep, met al mijn intensiteit. Het innig content en het grote verdriet. Ik zei dat ik hem niet zo goed begreep, dat het soms lijkt alsof hij enkel met zijn hoofd van me houdt, maar verder zo vermijdend kan zijn. We zwegen. We dachten na. We praatten nog meer. We wisten wat we aan elkaar hebben. En zoals elke avond ging ik naar boven, terwijl hij beneden de lichten uit deed. In bed praatten we nog even terwijl mijn hoofd weg zeilde. Ik zei dat ik al droomde en dat ik misschien rare dingen zou zeggen. Hij zoende me en ik sliep.