Heilige boosheid

Hij en ik, we vechten de strijd van de angstige en de vermijder.

Er is pijn, want wat je ten diepste wil, kan je niet afdwingen. Je kan eisen dat iemand een keer per week met je uit eten gaat, maar je kan niet eisen dat hij dat met z’n hart doet. Je kan eisen dat iemand lief voor je is, maar je kan niet eisen dat iemand je graag ziet. Deze voorbeelden zijn trouwens fictief. Er zijn andere onvermogens en diepe wensen die hier vechten.

Ik hoor hem vragen te zien dat hij naar zijn vermogen zijn best doet en dat te erkennen. Ik hoor mezelf vragen te erkennen dat ik te kort heb en ik meer mag willen. Meer van de dingen die onmogelijk worden als je ze begint te vragen. Omdat ze krijgen als antwoord op de vraag al de bevrediging van het krijgen wegnemen.

Een voorbeeld is de kinderwens. Ja, ik wil graag een kind. Hij is voorzichtig, wil dat eerst alles onder controle is, vraagt zich af of we het moeten willen. En ik wil alleen maar dat hij zegt: ja, ondanks het feit dat nooit alles onder controle kan zijn en dat we niet weten hoe het uitpakt, wil ik een kind met jou.

Maar van zodra ik hem dat vraag, kan hij me dat nooit meer geven, want ik zal nooit meer weten of het van hemzelf komt, of dat ik het heb afgedwongen met mijn verlangen.

Het is een kluwen. Recent reageerde iemand op deze blog door te zeggen dat het jammer is dat het zo moeilijk blijkt voor mij om een relatie op te bouwen. Dat zinnetje spookt al weken door mijn hoofd. Is het gewoon moeilijk of ben ik specifiek iemand die het niet kan?

Ik denk dat we beiden (de Man en ik) voor elkaar willen kiezen en bij elkaar willen zijn. Dat er geen kwaadaardigheid is, alleen maar onvermogen aan beide kanten. Ik heb niet slecht gekozen en hij ook niet (haha), maar het is zo moeilijk.
In de auto besluit ik dat ik koppig vasthoud aan mijn keuze voor hem, want hij is een lieve, zorgzame Man die ons graag ziet en er voor ons is. Een Man die aan de schoolpoort staat als het nodig is, zal doen wat hij kan om me te helpen. Een Man die opstaat als de kleine zoon hoestbuien heeft. Ik hoor niet wat hij dan zegt, maar als ik zijn geruststellende stem hoor tegen het huilende kind, dan weet ik genoeg.

Maar ik verzuip bijna in boosheid. O, wat ben ik woest. Woest op hem, woest op het leven, woest om niet krijgen wat ik nodig heb.
En ik geraak verstrikt in mezelf want ik weet van sommige dingen niet meer voor wie ik ze nu eigenlijk doe. Voor hem, voor mij? Het lijkt alsof elke exercitie in mijn leven, werk, vriendschap, relaties, te maken heeft met het gevoel mijn best te moeten doen, het gevecht met mijn angst niet te voldoen, inderdaad niet te voldoen OF niet te krijgen wat ik ondanks mijn inzet zou willen. En dan trek ik me terug. En sinds enkele weken word ik ook gewoon boos. Existentieel boos. Het is lastiger voor mijn omgeving, maar het is beter voor mezelf.

Ergens is het zo basic en zo simpel. Als je in het begin de boodschap niet gekregen hebt dat je ok bent zelfs zonder dat je iets doet of geeft, blijf je altijd zoeken naar wat je moet doen en geven om goed genoeg te zijn voor de ander. En na een tijd weet je niet meer wat je doet omdat je het zelf wil en wat je doet omdat de ander het wil. Of omdat je denkt dat de ander het wil.

De therapeut waar ik voor het werk naar toe moet, heeft blinkende oogjes als ik zeg dat ik conflicten heb. Dat vindt hij een goed teken, terwijl ik er best veel last van heb. Hij is blij dat ik niet meer mee wil doen met al die gekke dingen die anderen normaal lijken te vinden. Dat ik niet meer drie dagen met buikpijn wil rondlopen omdat ik geconstipeerd geraak van de drukte. Dat ik de dingen niet meer op de voorwaarden van de anderen wil. Dat ik geen werkdagen meer wil van 500 km rijden en drie afspraken, met om 8u de deur uit en om 20u terug.

Maar wat mijn eigen voorwaarden zijn en wat ik dan wel wil kom ik niet bepaald op het spoor. Ik wil dat de dingen normaal zijn. Normale werkdagen waar ik niet total loss van geraak. Normale contacten met collega’s die me niet te dicht op mijn vel zitten of ideeën overnemen en ermee aan de haal gaan. Ik wil mijn kinderen zien en tijd met hen doorbrengen. Ik wil niet meer dat mijn jongste weer doodmoe en altijd bleek is. Ik wil tijd om voor te bereiden wat ik moet doen. Ik wil dat mijn lief mij graag ziet zoals ik ben en mij geeft wat ik nodig heb en van me aanneemt wat ik te geven heb. Ik wil een baby want ik ben zo verdrietig om het kind dat ik verloren ben en ik ben gewoon een jonge vrouw die een kind wil en dat mag, ik mag best een kind willen. Ik wil goed betaald worden voor het harde werk dat ik doe en liefst op tijd zonder dat ik er achteraan moet (specifiek het geval voor mijn bijberoep, waarom staken bijberoepers nooit?). Ik wil dat Dirk zijn schulden terug betaalt, niet elke keer uitstelt wat hij aan alimentatie moet betalen en dat hij niet alleen ouder is als het hem uitkomt en verder eindeloos zeurt om elke aanpassingen aan elke gemaakte afspraak. Laatst durfde hij tegen mij zeggen dat ik moest begrijpen dat schoolpoort-uren niet makkelijk zijn voor hem OMDAT HIJ ER ALLEEN VOOR STAAT. Ik dacht werkelijk dat mijn broek afzakte. (Ja, hij zal er best alleen voor staan maar ik stond er jaren alleen voor en toen was het maar normaal dat ik wel aan de schoolpoort stond.)

Ik wil dat de dingen normaal zijn en ik ben boos omdat ze dat niet zijn.

Zo.

Boosheid, boosheid is heilig. Sainte Colère, las ik ergens, lang voor ik het begreep. Met de acupunctuur-man werk ik aan mijn lever. Die werkt niet goed, zegt hij. Ik neem Mariadistel om beter te ontgiften en die lever te laten functioneren. Het resultaat is die heilige boosheid,  in plaats van eindeloos moe en altijd pijn zoals jaren het geval was.

Ik ben liever boos dan moe.

Maar het is hard werken.

P.s. Een onnozele boodschap tot slot. Ik ben mijn pincode van mijn telefoon kwijt en dus jammer genoeg onbereikbaar voor zij die afvragen waarom ik van de aardbol ben verdwenen.

 

Advertenties