Run, baby, run

Hoe ik het weer voor elkaar gekregen heb om in één week te verhuizen, voor het eerst te gaan kamperen samen, mijn ouders op bezoek te krijgen en een loopwedstrijd mee te doen? Tja, dat kan alleen ik.

Ik zat aan lesje 14 van start to run. Pas op 30 kan je vijf kilometer lopen zonder doodgaan. Er was een loopje voor een goed doel. Overmoedig zei ik ja toen de Man vroeg om mee te doen.

En daar zit ik dan. In een veel te kort broekje met een lelijke oranje t-shirt en met een nummer op mijn buik gespeld. Rondom mij zijn geoefende lopers voor wie deze zes kilometer een lachertje is. Ik voel me klein. Het is alsof ik weer in het middelbaar zit en een ongelooflijk stomme fout heb gemaakt in mijn kleding. Iets totaal onhips, waar ik de rest van de dag mee moet doorkomen, zonder de mogelijkheid te ontsnappen of me te verbergen.

Ik klaag tegen de Man. Dat ik hier niet moet zijn, dat ik naar huis wil, dat ik me vergist heb, dat het stom van me was. Daarna word ik stil. Heel stil.

En dan moet er opgewarmd worden en klinkt er een startschot. De Man blijft bij me, hoewel hij veel sneller en verder kan dan ik. Ik ben één en al serieux. Ik plug mijn muziek in mijn oren om me op mijn tempo te kunnen focussen. En we lopen.

We lopen. We lopen. Na twee kilometer ben ik nog prima in orde. Nadat ik weet dat ik de helft heb gelopen ook. Na vier kilometer haal ik mijn muziek even uit mijn oren en hijg ik tegen de man dat ik het uitloop.

En dat doe ik. Met op het einde een shot energie waardoor ik nog enkele mensen inhaal. We finishen samen. Er is een foto van die spuuglelijk is en tegelijk ook wel grappig. Eenmaal over de finish omhelst hij me. Hij is oprecht heel blij en heel trots en ik ook en we moeten lachen en ik loop op wolkjes en ben opgelucht en heb kou en wil naar huis. Daar zitten we lang samen in bad en ik lach en ik lach en ik lach.

 

Advertenties