Play

large_flatwhitecortado-1

Mijn man is boven,’ zeg ik. Ik zie het haar denken en glimlach als ik met mijn rolkoffertje naar de lift ga. Kamer 123. Ik klop aan. Hij doet open. We vinden elkaar.

Soms worden mijn plannen doorkruist en zo ook nu. Ik dacht dat ik op een weekend zou zijn in verband met professionalisering, maar toen ging alles anders dan gepland. Ik moest langs bij de dokter die me prompt naar het ziekenhuis stuurde. Met mijn warrig hoofd en haast reed ik schade aan mijn auto. In de politiecombi overwoog ik nog even een selfie te maken, maar dat leek ongepast. Hoewel ik niet op een beklaagdenbankje zat maar gewoon een aanrijdingsformulier moest tekenen van een aanrijding waarbij ik vooral zelf schade heb geleden en waar ik ook niet helemaal aan kon doen. Iets met een auto die op de weg stond met zijn linkerachterhoek en tegenliggers en smal.

Dus ging alles anders dan gepland en daar kan ik niet goed tegen. In een opwelling besluiten we elkaar te zien. Daar, kamer 123. Ergens in between, wat dichter is bij mij dan bij hem, en toch doe ik er bijna twee uur over omdat ik langs Brussel moet en Brussel weer niet opschiet.

Ik voel me schuldig. Alsof ik aan het spijbelen ben. Want hiervoor heb ik mijn kinderen uitbesteed. Ik ben niet waar ik gedacht had te zullen zijn. Maar ik ben ook wel waar ik wil zijn. Bij hem. In kamer 123.

We gaan de stad in. We lopen van Noord naar Zuid en weer terug. We praten, we lachen, we eten. En daarna zijn we te moe voor een film, en slapen we. In kamer 123.

We drinken koffie op drie plekken. Ik vind het amusant. Ik heb een koffiebarman, die een mening heeft over de koffie en de sfeer in een koffiebar. Bij de derde kijkt hij maar me en zegt hij me dat hij dat nu zo heerlijk vindt. Op zo’n plek verzeild geraken. Ik begrijp wat hij bedoelt, al is het een raar soort van luxe die ik me een jaar geleden niet had kunnen voorstellen. En de koffieplekken zijn heel verschillend. De laatste is het mooist. Er hangt een zachte, vrouwelijke sfeer.

We checken uit. Voor de parking vraagt het meisje met neergeslagen ogen of we dus met twee auto’s zijn. Ja. Twee auto’s. Hij Nederlander, ik Vlaams. Ik zie wat ze denkt. Ik glimlach een beetje schuldig. Tegen hem grap ik dat hij zijn trouwring niet terug mag vergeten aandoen.

Het afscheid doet pijn. Zoals elk afscheid. Er is genoeg te doen in mijn eigen leven, maar spijbelen was best leuk. Onze auto’s staan naast elkaar. Ik open mijn raampje en vraag hem hetzelfde te doen ‘Groetjes aan je vrouw,’ zeg ik. We lachen. Want zijn vrouw, dat ben ik. En we gaan samen wonen. Very very soon.¬†En dan, dan rijdt hij naar het noorden. En ik naar het zuiden. Vooralsnog.