Heel

[Winter]

Ik ben helemaal opgefokt. Mijn plannen veranderen, niet één keer, maar tien keer. Op een gegeven moment zit ik dan toch in de auto, rijd ik naar M. toe en voel ik me in stukken gescheurd. Ik luister een podcast over een vrouw die een zware periode van duisternis beschrijft en ik herken elk gevoel. Ben ik gek, word ik gek, krijg ik mezelf nog eens op de rails?

Zware jaren + nieuw geluk + verandering + een miskraam = ik wankeler dan ooit. Ik slinger. Ik kan niet werken, ik kan niet denken. Ik kan niet rusten. Ik ben opgefokt.

Bij M. Zal ik eerlijk zijn of doen alsof het goed gaat? Soms helpt het je normaal te gedragen, dan gaat het na een tijdje ook zo voelen. We gaan (alweer) uit eten. Hij zegt me dat hij niet snapt dat ik enerzijds zo wijs ben en anderzijds zo in de knoop met mezelf. Hij vraagt me waarom het me niet lukt gewoon te accepteren dat ik nu even wat moet rusten. Waarom ga ik daar zo van overkop?

Ik ben bang dat ik stuk ben. Ik ben bang dat ik verscheurd ben. Ik moet zo vaak dingen doen die niet kloppen. Dubbellevens opzetten. Ik heb dingen verborgen gehouden voor Dirk omwille van mijn veiligheid, maar dat gaf me veel stress. Ik heb een masker gedragen op het werk maar de kloof tussen mijn professionele en mijn echte ik voelde schizofreen. Soms hadden mijn buitenkant en functioneren niets meer met mijn binnenkant te maken. Volstrekt losgekoppeld. En er is Dirk. Ik weet dat Dirk gevaarlijk is. Hij is zielsdood en parasiteert op levende zielen om in leven te blijven. Dat hij tijdens mijn autorit in de schoolvoorstelling van de kleine zoon zit, en hem meeneemt naar huis maakt me bang. Wat doe ik hier, ver weg? Hoe kan ik wat mij zo lief is toevertrouwen aan iemand waarvan ik zeker ben dat die niets goeds te geven  heeft?

We komen thuis. M. stelt voor dat we mdma gebruiken. Ik twijfel. Ik ben zo labiel. Ik heb nooit gerookt, nooit gedronken. Het past niet bij me. Maar het intrigeert me. En ik zit toch op een soort dieptepunt. Dus wat maakt het uit? Ik lik het spul op. Voor de smaak moet je het niet doen.

De uren die volgen zijn magisch en helen me. Ik praat en praat en praat, ik zeg alles tien keer. Ik ben roezig blij en hyperhelder. Ik kijk en ik zie. Ik heb visioenen. Die maken me heel.

M. en ik kijken elkaar aan. Hij is zo zacht en zo mooi en zo nieuw als een kind. Dat zeg ik, telkens opnieuw. Hij kijkt me aan en zegt me dat ik zo ontspannen ben. Dat ik zo mooi ben zonder die vermoeidheid, zonder dat ik getekend ben door zorgen en pijn. Ik voel hoe mijn middenrif vrij wordt en de spieren rond mijn bekken zich ontspannen. Ik ben vrij van pijn. M. staat op en ik zie hoe anders hij beweegt, vloeiend. Ontspannen. We nemen foto’s van elkaar omdat ze zo verrukt zijn de ander in deze staat te zien. De dag daarop kijk ik verwonderd naar mijn ontspannen, zelfbewuste en stralende gezicht. Geen wallen, geen lijnen, geen frons. Het gezicht dat ik op de foto zie, doet me denken aan wie ik als kind van twee, drie moet geweest zijn. Ondeugend en ondernemend. Ik wou dat ik altijd zo stralend kon zijn.

Hij praat en wat hij zegt toont me wie hij is en ik hou van hem, ik hou zo veel van hem. Ik kan hem dingen vragen in liefde en zachtheid en hij geeft me antwoord in liefde en mildheid en niets is nog taboe of pijnlijk. Alles is bespreekbaar.

Ik vraag hem of hij kwaad is dat ik zijn kindje ben verloren. Hij aait me, en zegt ‘nee, nee, dacht je dat dan?’. Ik denk dat hij huilde. Of misschien huilde ik. Ik weet het niet.

Ik vertel hem dingen. Ik vertel hem alles wat uit de plooien van mijn zijn komt. Ik vertel hem voor het eerst over deze plek (mijn blog) en wat het betekent voor me en ik vertel hem over de keren dat Dirk me verkracht had en over toen ik om hulp schreeuwde. Dat ik mijn moeder om hulp geschreeuwd heb, en dat ze nooit kwam. Ik zie mezelf, beschaamd en vol pijn op de trein naar het werk, smekend om hulp die niet komt. En dan helemaal verloren als enige optie gewoon de knop omzetten. Gaan werken. Ik schaamde me zo voor wie ik was en wat mijn leven geworden was. Maar in de roes en de nacht kan ik kijken naar mezelf en zie ik dat ik dapper was en alleen. Ik omarm mezelf met mildheid. De tranen stromen over mijn wangen maar ik voel geen pijn, alleen maar opluchting en liefde en diep besef en inzicht.

Ik zie dingen. Ik zie licht en duisternis. Ik zie dat M. licht is. En gevoelig. En liefdevol. Ik zie dat hij komt als ik om hulp schreeuw. Dat hij veilig is. Dat hij voor ons zorgt. Ik zie dat ik zelf gemaakt ben van heel helder licht. Ik realiseer me dat ik niet stuk ben, alleen maar even heel moe. Ik zie de kinderen en die zijn licht. Ik zie Dirk en die is duister en donker. Ik heb een visioen van M. die op de bank ligt met ons kind op zijn borst en ik weet dat het zijn kind is. Dat ik het draag en koester en ondersteun en voed, maar dat het zijn kind is, dat het hem heel zal maken. Het kind en hij horen bij elkaar en dat is zo mooi. Het is een meisjeskind. Ik vertel M. dat ik met hem trouw. Dat hij mijn man is in goede en kwade dagen. In ziekte en gezondheid. In armoede en rijkdom. Dat ik hem wil liefhebben en waarderen. Alle dagen van mijn leven, tot de dood ons scheidt. Het zijn grote woorden, maar ze voelen klein en oprecht en alles is volstrekt zuiver tussen mij en deze man. Wij die voor elkaar kiezen, ondanks en dankzij alles.

De nacht vliegt voorbij. We vallen in slaap op de bank in de ochtend. De volgende dag heeft hij een leeg gevoel. Mijn hoofd is een krater, maar ik heb gezien dat ik heel ben en ik ben in verbinding geweest met mijn diepste weten en intuïtie. Ik heb mijn sensitiviteit beleefd op een manier die me in mildheid en opperste zachtheid veel gaf en veel toonde.

Ik ben heel. Ik ben gemaakt van helder licht.

[Later: de heelheid houdt aan. Ik ben niet van plan dit vaak te doen, maar ik ben heel blij om deze ervaring.]