Rots in de branding

Het gebeurt zomaar, plots. De jongens mogen me helpen koken maar moeten eerst hun handen wassen. Ik sleep twee stoelen aan zodat ze dat kunnen doen, en plots hoor ik de Kleuter heel pedagogisch uitleg geven aan de Peuter over hoe hij het moet aanpakken, hoe hij de zeep moet inwrijven en afspoelen. Ik gluur vanuit mijn ooghoeken en verbaas me. Hij is plots zo groot geworden, zijn gezichtje verandert. Het is een mannetje in de dop. En hij is kalmer, rustiger, minder explosief. We maken grapjes samen, en hij kan het geduld (soms) opbrengen om voor zijn broertje te zorgen en hem iets uit te leggen.

Dat broertje speelt met afstand en nabijheid. Hij kan een kwartier lang in de tuin verdwijnen, om dan hysterisch terug te rennen als er een bij voorbij gevlogen is (seriously). En dan gaat ie weer, na de moederlijke geruststelling, dapper met zijn schep en zijn laarsjes de zandbak in. Bij het naar bed gaan veel tranen, avonden op rij. Dan wil hij gewoon op mijn schoot zitten, gewiegd worden, mij voelen. Het ene moment is hij groot, het andere is hij ini-mini-klein. Hij heeft me zo overduidelijk heel hard nodig.

Het is raar om hun veiligheid te zijn, hun rots in de branding, diegene waar je naar toe rent als je bang bent, diegene waar je tegen schreeuwt als je boos bent, diegene aan wie je ’s nachts vraagt om je warm te houden, diegene met wie je in een kamer bent zonder wat te zeggen, diegene aan wiens rok je gaat hangen.

Ik bepaal of ze pannenkoeken eten of groentensoep. Of we wat gaan doen of thuis blijven. Of ze in de zandbak mogen of niet. Hoe laat ze naar bed gaan en hoe laat we opstaan. Of de iPad aan mag of niet. Het voelt steeds minder als een niet te torsen gewicht. Het voelt natuurlijk en goed.

Eindelijk, zou ik zo zeggen.