Een dag uit het leven van Prinses en cO: december 2015

Elke maand beschrijf ik een banale dag uit ons leven. De dagen die ik beschreven heb (hier vind je het lijstje) opnieuw bekijken, is voor mezelf best leuk om te doen. Het lijkt alsof het leven maar voortkabbelt, maar eigenlijk gebeurt er heel wat.

Een dag uit december, alsjeblief!

————————————————————-

De aandachtige lezer heeft gemerkt dat ik dit ‘rubriekje’ in november overgeslagen heb. De maand was druk, maar dat is niet de enige reden. Er gebeurde meer van hetzelfde. Ik had de keuze tussen (weer) een op hol geslagen werkdag beschrijven (bijvoorbeeld de dag waarop ik ’s avonds in een hotel onder de douche flauw gevallen was van vermoeidheid – heel fascinerend: de wereld kantelde en toen werd het zwart) of weer eens een nogal saaie dag met de kinderen.

Dus november ging voorbij, en ik beschreef geen dag uit ons leven.

December dan. Ik maak het goed.

Het is zondag. Ik besluit dat we naar zee rijden. 260 km, heen en terug. 

Er gebeuren hier nog weinig ‘zotte dingen’. Als je moe bent en/of het druk hebt en/of het niet zo breed hebt en/of alleen bent, krijgt het bestaan al gauw iets basic. Doen wat moet gebeuren is al spectaculair genoeg.

Maar vandaag rijden we naar zee. Een flinke inspanning, en totaal overbodig, luxe, zot. En toch.

Tijdens de ochtend krijg ik anderhalf uur cadeau. Anderhalf uur zonder kinderen. Als een tolletje zoem ik door het huis. Ik schrijf een rapport van vijf bladzijden, vingervlug. Ik doe wat huishoudelijke urgente taken en gun mezelf een ongestoorde vijf-minutendouche.

Iets eten, en daarna vertrekken we. Langs de bakker. Een zak sandwichkes in de auto kan geen kwaad. Ik koop een doosje gebakjes en we zetten koers, richting Westen. Op de achterbank wordt geslapen. Ik luister pianomuziek, zie het landschap steeds weidser worden. De lucht klaart op naarmate we dichter bij de zee komen. We rijden de grens over. Even later bellen we met onze taartjes aan bij vrienden daar, in wiens huis we deze zomer een weekje vakantie hielden.

Het weerzien is warm, hartelijk. De koffie is verrukkelijk, de gebakjes worden gesmaakt. We gaan naar buiten, het dorpje in. Het schemert zacht en we wandelen. De Peuter zoekt de zee en roept: ‘zee! zeetje!’

Even later volgt het strand. We kijken, we ademen, we wandelen. De zee golft krachtig. Herinneringen aan de zomer komen en gaan. Was het ooit zo warm? Liepen we hier echt op blote voeten?

We gaan koffie drinken als de duisternis definitief gevallen is. En dan stappen we in de auto, en heb ik weer 130 kilometer op de teller.  In  mijn zak zit de sleutel van het huis aan zee, waar ik mits afspraak toegang toe heb vanaf nu. Verbluffend. Het huis is me lief, de plek is me lief. Wat een geschenk.

Ik rijd kalm, beheerst naar huis. Ik voel me rustig en ontspannen. Helder. Het spreken met de vrienden heeft me deugd gedaan, mijn hoofd open gezet. Het zijn mensen die vrij en vrijgevig in de wereld staan. Een aparte kijk hebben op dingen. Het weerzien met de zee was goed. De ruimte. De lucht.

Ik denk aan Dirk. Dit soort uitstapjes was meer iets voor hem, hij hield ervan weg te gaan, droomde van allerlei bestemmingen. Ik had minder die drang. Naarmate onze situatie verslechterde (financiële druk, twijfels over de relatie) werd ik honkvaster. Ik wou alles op orde hebben en dan pas weer leuke dingen doen. Ik ben het type dat liever niet weg gaat als de afwas niet gedaan is. Had het iets uitgemaakt als we toen…? Als ik…?  … Een tijdje terug hadden een vriend en ik een lang gesprek. We hadden het over een koppel dat we beiden kenden, Mark en Marie. Mensen die een volstrekt vlekkeloos pad liepen. Netjes getrouwd, netjes twee kindjes, zij het huishouden, hij de banden plakken, … ‘Alle respect voor hen, maar ik heb geen talent om dat soort leven te leiden‘, zei ik tegen de vriend in kwestie. ‘Misschien‘, antwoordde hij, ‘ben je wel meer een Marie dan je zelf wil toegeven‘. Daar denk ik nog steeds over na (*). Als ik wat minder ‘Marie’ geweest was, was het dan anders geweest…?

De dag en de gedachten confronteren me met het vast zitten in mezelf. Mijn hoofd is zo een klein kooitje en misschien maak ik het kleiner dan wenselijk. Misschien moet ik meer leven vanuit overvloed, ontspanning, minder vanuit controle en hard werken. Naar de zee rijden, de muziek, het strand, het wandelen, de kleuren, de geuren. Het was zo zinnelijk. Misschien moet ik wat meer leven en wat minder nadenken, me zorgen maken, piekeren, kringetjes lopen in mijn hoofd, de afwas doen.

Thuis eten we, een pak later dan anders. Ik blijf er kalm bij. Na kinderbedtijd vouw ik de was op. Plots merk ik dat ik niet zoals meestal ’s avonds doodmoe ben, ondanks de kilometers, het wandelen en de lange dag. Ik sta versteld en ik weet dat ik op het spoor ben van een belangrijk inzicht over mezelf. Ik durf het alleen even niet denken nu.

(*) Aaarghl, het feit dat een uitstapje naar zee het event van de maand is hier, is mogelijk een bewijs voor de stelling. Verdorie toch.