Ode

O, zonen. Wat zijn jullie prachtig.

De dag waarop we naar de zelfpluktuin gingen. Grote broer, je rende er vandoor met tomeloos veel energie, vastbesloten voor mij de mooiste pompoen te halen die je vinden kon. En kleine broer, je besloot je bang op te stellen en aan mijn rok te gaan hangen, waardoor ik innig diep kon genieten van jouw kleine hoofdje op mijn schouder terwijl ik je door de velden droeg op zoek naar spruiten en kolen.

De ochtend waarop jullie fris gewassen met z’n tweetjes piemelnaakt gingen springen in het grote bed. Die twee lieve lijfjes vol energie. In plaats van kwaad te worden, besloot ik gewoon mee te gaan doen en hadden we kriebelsessies all over en buikpijn van het lachen.

De keren dat ik wel kwaad word op jullie, jullie elkaar aankijken en het dan uitproesten van het lachen.

Het gegeven dat er stilaan wat meer ruimte ontstaat. Jullie kunnen wel eens even alleen blijven terwijl ik boven iets haal, of in de keuken iets doe.

Jullie onvoorwaardelijk broederschap.

Vaak, mannen, vind ik het niet zo makkelijk. Zo alleen met jullie. Maar jullie hebben het vast ook niet makkelijk, zo alleen met mij. Vooral als ik verdrietig ben en dan iets afwezigs heb. Of als ik moe ben en dus ongeduldig. Of als we weer eens pannenkoeken eten omdat ik door mijn timing of planning geen gezonde verantwoorde maaltijd op tafel krijg.

Over mijn uitbarsting van een tijdje terug, heb ik diep veel spijt. We praten er over met elkaar, ik probeer het uit te leggen. Zoekend of ik jullie kleine zieltjes daarmee ook niet te veel belast, of het net goed is het er gewoon over te hebben.

Ik merk dat ik jullie steeds meer ruimte geef. Mee ga in jullie verhalen en fantasietjes. Jullie bedank voor de fijne momenten. Niets vanzelfsprekend vind. Dingen probeer uit te leggen op jullie niveau.

Soms heb ik het gevoel dat ik het niet getroffen heb, met het alleen zijn, met de druk om werk en gezin te combineren, om het hier thuis alleen te redden, omdat zo veel onmogelijk is wegens geldgebrek. Soms lijkt het alsof ik diegene ben met het meeste pech van al de mensen die ik ken. Intussen ben ik veranderd, maar het tij niet. Het is nog steeds zwaarder dan nodig en ik ben zeer zeker overbelast.

Maar jongens, elke dag – ik herhaal: elke dag – met jullie, is er minstens één moment waarop ik denk dat ik het getroffen heb met die twee zonen van me.

Of zoals ons lievelingsboekje het zegt:

ik groot, jullie klein,
ik cool, jullie cooler!
ik sterk, jullie dapper,
ik moe, jullie wakker,
jullie JA, ik nee,
samen hebben wij het fijn,
zo moet het zijn

Kusjes, tot vervelens toe.

Jullie moeke