Prinses verhipt: van kluns tot racepoes in drie verhalen

Dat het allemaal niet zo vlotjes ging met mijn rijbewijs halen, is intussen bekend. In februari lukte het me, tegen alle verwachtingen in, toch. Intussen rijd ik best veel voor mijn werk. Tegen al mijn ecologische principes in, vind ik rijden veel te fijn. Het voelt soms zelfs therapeutisch: aan het stuur zitten, meters maken. Alsof mijn leven weer in beweging is gekomen in een periode waarin ik steeds vaker en dus beter reed. Maar met auto’s had ik niets… Dacht ik.

Drie verhalen, over drie wagens!

1. Van cassettespeler naar usb-stick

Op het half jaar dat ik kan rijden (nog net niet, zelfs, mijn rijbewijs is nog niet half-verjaard) heb ik drie wagens gehad. De derde ga ik hopelijk nog even houden.
De eerste was een oude wagen, voor een klein prijsje (prijsje van het laatste onderhoud), gekregen van vrienden. Toen ik mijn rijbewijs haalde, zei de examinator: ‘toen ik je in deze wagen zag aankomen, wist ik dat je moest kunnen rijden.’ Het ding was ver van hip, had enige deuken, maar de auto en ik, wij hadden wat met elkaar. Hij mijn eerste wagen, ik zijn derde (vierde?) bestuurder. Ik gaf hem regelmatig na een lange rit een dashboardklopje. Zo van ‘goed gedaan, rakker’. We hebben samen ettelijke kilometers afgelegd (20 000 denk ik). Op een gegeven moment begon hij wat te sputteren, en heeft hij me behoorlijk wat gekost aan herstellingen. Ik vergaf het hem, en gaf hem nieuwe wielen. Toen ging het weer op rolletjes. Misschien was hij het blinkendst in mijn herinnering toen we naar Zeeland gingen, voor de soepvakantie. Alles kon er in: kinderen, bagage, buggy, kinderstoel, fietske, ik. En we brachten een emmer vol zand mee.

Die ouwe bak van mij, had een cassettespeler. Dat genre oud, ja. Op een gegeven moment kreeg ik Leasje bij een nieuwe baan. Leasje had een cd-speler, woe-hoew (tip voor mede-ouders: puk van de petteflet is om gek te worden in de auto). Leasje was een beetje een trutje, met een waarschuwingslampje als ik in de foute versnelling reed enzo. Ik was erg dankbaar omdat ik een leasewagentje kreeg, maar het werd nooit echt wat tussen ons. Leasje trok niet lekker op, viel erg vaak stil en ze miste wat karakter. Ik heb met haar trouwens een paaltje geraakt. Een smet op mijn blazoen en een deuk in Leasje.

Recent kreeg ik het bericht dat mijn echte wagen klaar stond. Dat hoefde voor mij nu ook weer niet, maar gelukkig heb ik dat niet gezegd.

Een nieuwe. Met drie kilometer op de teller. Slik. Het zei me allemaal niet zo veel. Op het moment dat ik hem had moeten kiezen en de kleur ook, had ik een erg groot ‘doe maar wat’– gevoel. En toen brak de dag aan dat ik Leasje blinkend en gestofzuigd binnen bracht, en de echte wagen ging halen. Groot was hij niet, en ik vond dat hij wat op Leasje leek, hoewel hij van een ander merk was. En toen mocht ik er in gaan zitten, en hield de verkoper met de hazelbruine ogen en tandpastaglimlach een verkoopspraatje (hoewel ik niets moest kopen!), toonde me allemaal knopjes en opties (ik kan een snelheidslimiet instellen voor mezelf, beste optie ooit!) en het touchscreen. Deze wagen heeft geen cd-speler meer, maar een usb-aansluiting voor muziek. Het moment dat ik met het ding met drie kilometer op de teller de garage uit moest rijden zonder de verkoper met de hazelbruine ogen of één van de andere auto’s te raken, had ik klamme handjes. Maar ik voelde het meteen. Deze, nog naamloze auto, was lekker stoer, sportief, reageerde goed. Liefde op het eerste gezicht! Hij valt overigens nooit stil en heeft geen irritatielampje.

Een paar dagen lang was ik in de wolken. Intussen weet ik: het is maar een auto.

Ik kreeg trouwens een fles cava bij de wagen. Toen vond ik dat heel normaal en feestelijk. Nu vraag ik me af of die autoverkoper gek is: mensen een fles alcohol geven als ze een nieuwe wagen kopen. Du-uh.

2. Racepoes

Het is maar een auto, ja. Een erg leuke en ik ben er danig mee verhipt, maar het is maar een auto. Toen ik er voor het eerst mee op het werk kwam en de parking op reed, applaudisseerden de rokers die net pauze hielden. Ik keek even achter me, maar toen begreep ik dat het applaus voor de auto bedoeld was. Ik werd luid gecomplimenteerd. Bevreemdende ervaring. Alsof ik plots heel even een popster was omdat ik een nieuwe auto reed. Jeeminee, ik zou het niet eens merken als één van de andere collega’s met een kruiwagen of een step zou komen.

Ik ging even bij de mannen van financiën langs, om te bekennen dat ik een deukje had gereden in Leasje, want dat had ik nog niet eerlijk durven zeggen. Dat was namelijk al na drie dagen gebeurd, in mijn eerste week op het nieuwe werk. Dat wil je echt niet gaan vertellen dan. Er ontspon zich een geanimeerd gesprek over de nieuwe wagen, waarbij de ogen van de financiënmannen blonken. Ik nam weer complimenten in ontvangst, bedacht dat ik precies wel goed gegokt had in de keuze van het wagentje, en ging verder werken.

Even later liep ik door de gang. Ik ben nogal vaak op weg naar het koffieapparaat. Eén van de financiënmannen mompelde iets toen we elkaar kruisten op de gang. ‘Wat?’, vroeg ik verward. ‘Racepoes!’, zei hij, en kleurde wat roze. ‘Om die nieuwe wagen, hé’, zei hij nog snel.

Ik heb weer wat bijgeleerd over de mensheid, dames en heren. Ik kan nog niet zo goed omschrijven wat exact.

3. Prinses geeft

Intussen stond de eerste wagen nog op de oprit hier. Ik had wat opties onderzocht om hem weg te doen, er nog een paar honderd euro uit te slepen. Toen kwam er een andere alleenstaande mama op mijn pad, voor wie mijn eerste auto een wereld van verschil zou zijn. Ik moest niet lang nadenken. Vandaag reed ze met mijn eerste liefde mijn oprit af. Mijn gps die ik nog on line wou verkopen voor een paar tientjes, gaf ik ook mee. Het is vast niet slim om dingen weg te geven als je die paar honderd euro en die paar tientjes heel goed zelf kan gebruiken. En toch was dat de enige juiste bestemming voor die wagen. Ik heb het laatste jaar in mijn leven moeten leren om te ontvangen. Ik heb geleerd wat genade is. Ik wil geen kans laten liggen om zelf genadevol te zijn voor iemand anders.