Koffie en flarden week

Zaterdagochtend.

Koffie en flarden week.
Een week die begon met heel veel stress, want hopeloos achterop met werk.
Een week waarin ik het besluit nam de achterstand in te halen door mezelf wat regels op te leggen in verband met werk, waaronder het goede besluit om af en toe ontspanning in te plannen (de vraag is alleen: wat doe ik dan? Vaak weet ik niet meer wat ik leuk vind).
De week waarin ik op work-life-balance-cursus in tranen uitbarstte, en er één andere deelneemster heel subtiel tranen van haar wangen veegde toen ik met heel veel moeite om het huilen in te houden probeerde zeggen: single mom, since april, not my choice, two kids, four and one years old, so tired.
Een week waarin ik een lang gesprek had tijdens een lange treinrit met een Marokkaanse vrouw, die zich bekeerd had tot het katholicisme en gedoopt zou worden, maar daarvoor de prijs had betaald verstoten te zijn door haar familie, waarbij haar het contact met haar vier kinderen ontzegd was. We spraken in gebrekkig Frans. Ze vroeg naar mij, ik gaf er enkele woorden aan, en toen vroeg ze of ze voor mij mocht bidden. Ze nam mijn handen, bad in het Arabisch en zei dat mijn man ging terugkomen. Ik wist niet wat ik ervan moest denken, maar werd er wel rustig van. En ze had heerlijke Marokkaanse gebakjes bij die ze gul deelde.
Een week waarin ik mijn geliefde Rotterdam terug zag. En al was ik er slechts enkele uren voor een paar gesprekken en was er absoluut geen ruimte voor zelfs maar een wandelingetje, het was zo fijn daar terug te zijn.
Een week waarin ik een professioneel gesprek voerde, en iemand daarin me zei dat er voor de organisatie verdere begeleiding door mij gewenst was. En ik aangaf dat ik vanaf januari misschien niet meer in functie zou zijn, dus dat die begeleiding door iemand anders zou gebeuren. En toen zei hij dat hij me wel zou vinden.
Een week waarin ik een studiedag begeleidde waarin een team keihard werkte aan elke opdracht, en ik merkte dat ik er helemaal terug was, in het moment, in het werk. Dat was fijn.
Een week waarin ik een mail kreeg van de mevrouw van de B&B in Rotterdam, waar ik in de lente was. Ze vertelde me over haar ziekte, ik vertelde haar over mijn leven. Ik volg haar blog en reageer soms. En toen kwam er een mailtje waarin ze zei dat ze me graag een weekendje Rotterdam willen aanbieden, om even tot rust te komen. Kippevel.
Een week met een gesprek met iemand waar ik naar opkijk, die enorm veel kracht uitstraalt, en die vertelde ook gewoon bang en onzeker te zijn soms.
Een week waarin ik Babybroer een keer zo vroeg naar de opvang moest brengen, dat we door het donkere bos fietsten samen, en de reeën van voor de fiets sprongen als we aansnorden. Het was niet eng, het was eigenlijk heel één met de natuur. En ook Babyzoon voelde het, en was naar zijn doen erg stilletjes.
Een week ook waarin Babyzoon nog steeds diarree had, en ik op alle uren van de nacht pampers heb staan verversen. Pyamaatjes uitdoen, slaapzakjes vervangen. Zoon toch.
En de week waarin ik op vrijdagochtend van uitputting braakneigingen had.

We zitten aan het ontbijt.
‘Zo,’zeg ik tegen Kleuterzoon, ‘hier zit moeke dan, doodmoe.’
‘Ja,’ antwoordt hij. ‘Ik ook! Gezellig hé!’