Voeding

Ik ben verrukt over het nieuwe decor, maar ik kom slechts langzaam aan vooruit in deze bergachtige streek. Na acht uur lopen ben ik slechts achttien kilometer naar het oosten opgeschoven. Het is niet belangrijk. Het lopen gaat gemakkelijk op de steile wegen. De schoonheid van de omgeving draagt me.
Deze schoonheid is van wezenlijk belang voor het moreel. Ze voedt en inspireert me, ze zorgt ervoor dat ik me altijd richt op het huidige moment en op alles wat dat inhoudt.’

Uit S. De Fooz, Te voet naar Jeruzalem. Een solotocht van 184 dagen, Lannoo, 2006, p. 53.

– Vroege ochtend, treinrit. Donker vanbinnen doet terug grijpen naar bronnen, zoals dit boek uit het selecte clubje boeken dat ik al een tijdje met me meedraag. Het lezen verandert iets in mijn hoofd. Muziek die ik beluister, komt heel duidelijk ‘binnen’. Ik voel het donker wat plaats maken voor het mooie. Op momenten als deze besef ik dat het ‘helen’ een proces is dat tijd vraagt en me nog wel vaker door dalen zal sturen. En voor heel even kan ik dat aanvaarden. –