De eerste nacht

Negen maanden geleden hadden we onze eerste nacht samen. We kenden elkaar niet. En tegelijk door en door, want jij had negen maanden lang in mijn lijf gewoond en ik had jou negen maanden lang in mijn lijf gedragen.

Negen maanden. De eerste weken wist ik niets van je, jij verrassingskindje. En kerstcadeautje. Want op kerstavond bleek dat jij er was. Een speldenkopje klein, maar groot genoeg voor wekenlange misselijkheid. Het misselijke ging weg, de vermoeidheid bleef. Mijn hoofd was niet meer van mij, ik was niet meer van mij, mijn bekken viel uit elkaar, de eerste rit in de rolstoel snikte ik van begin tot einde en ik leerde ook nog dat mensen niet praten tegen iemand die IN een rolstoel zit maar wel tegen de persoon die de rolstoel duwt. Je vader ging. En kwam terug. En ging nog eens. En kwam weer terug.

‘De baby heeft de kraan open gezet,’ zei Grote Broer de ochtend dat het water brak. Ik wou je thuis krijgen en maar na meer dan een uur steeds radelozer persen in de hoop dat jouw hoofdje dat schuin zat goed zou draaien en jij geboren zou worden, gingen we richting ziekenhuis. Wat daar gebeurde herinner ik me als geweld. Het zweet op het voorhoofd van de vroedvrouw die over mijn buik lag, de dokter die knipte en trok, plots jij, een stilte, dan toch het huilen, mijn lijf kapot, jouw hoofd in een punt, de eerste borstvoeding en alle chocola uit de snoepautomaat die we konden betalen met ons muntgeld.

En dan de eerste nacht. Er is pijn en jij bent er. Ik verbaas me over hoe rustig je bent en hoe lief. En dat ik je ken en niet ken en dat ik me verantwoordelijk voel voor je en dat ik je graag bij me wil nemen maar zo weinig kan, dat de vroedvrouw je bedje nog verder weg rolt, dat ik er in slaag om je bij me te krijgen en de verdere nacht wakker blijf uit angst dat je van het ziekenhuisbed afrolt als ik in slaap val. Eindelijk zes uur, er komt slappe koffie die ik zelf niet kan inschenken en ze vergeten me te helpen, dus de blijdschap om de koffie was voorbarig. Om negen komt je vader binnen en denk ik ‘eindelijk, nu komt alles goed’.

En dan gaan we naar huis en ben jij mijn baby en ik jouw moeder en dat gaat prima. Je bent lief en rustig. De melk vloeit, je groeit, je slaapt, je bent warm en je ruikt lekker. Na zes weken lach je. En je vader gaat en komt terug en gaat en komt terug. En dan ben je acht maanden en hij gaat definitief, voor echt.

Nu ben je er negen. Even lang in mijn buik als uit mijn buik geleefd. Ik zit naast je, je slaapt. Je bent een gloeiend bolletje kind. Ik streel je handpalmpje, druk er een kusje in voor de nacht. En nog één om mee te nemen in je leven. Ik snuffel aan je haartjes, je gezichtje. Je ruikt zoet en lief, je kreunt in je slaap. Ik sluip er vandoor. Straks zal ik naast je slapen, kleine snuffel. Ik kijk om en denk aan je vader. Hij weet niet wat hij mist.

 

 

Advertenties

Over roze lakschoentjes en jurken-die-ik-zou-aankunnen-als-ik-5-kilo-zou-afvallen

Ze MOEST (ja, met grote letters) roze schoenen. ROZE. Van die lakschoentjes. Afgrijselijk, eerlijkgezegd. Dat dacht de moeder ook, maar ze kocht ze voor kleuterdochter en postte een verzuchting op facebook.

Ik las het en keek naar mijn kinderen. Twee stuks. Met tweedehandskleding aan, afkomstig van verschillende lieve vriendinnen die de te kleine kleedjes van hun kindjes in een tas stoppen en af en toe hier afzetten. Spelend met kringloopspeelgoed, niet nieuw, wel leuk. We lezen bibliotheekboekjes: altijd variatie! Mijn oudste zoontje vindt een bakfiets gelukkig nog ‘cooler’ dan een auto, want een auto heeft iedereen en rondom de school zoeken bijna alle ouders daar gestresseerd een plekje mee, zo rond half 9 en half 4, als onze bakfiets gewoon aan de poort zelf staat.

Ik voedde de jongste en dacht verder na.

Aan hoe ik wou dat het anders was. Dat deze kinderen twee ouders hadden die samen voor hen zouden zorgen, die samen de verantwoordelijkheid konden dragen. Dat ik nog eens in iemands armen in slaap kon vallen en zou mogen hopen op nog een keer Leven dragen en Leven geven. Dat ik me niet zo kwetsbaar zou voelen soms als ik denk dat als ik van de trap val en niemand me op tijd vindt, mijn jongste kind verhongert omdat de oudste nog geen hulp zou kunnen inroepen. Dat het handig zou zijn om geen zorgen over geld te hebben en op het einde van de maand te moeten hopen dat niemand ziek zou worden hier in huis.

Wat niet anders zou moeten zijn, is hoe we leven. Met het kringloopspeelgoed, de tweedehandskleedjes, de bibliotheekboeken, de vakantie-in-eigen-tuin. Geen tv, wel een zandbak.

Ooit was het anders. Toen waren er twee cultuurabonnementen omdat je toch echt alles gezien moet hebben (resultaat: toneel werd ‘moeten’ na een lange vermoeiende dag). Toen was er keuzestress want konden we nog een keer naar Italië of had Portugal ook wat? Toen werd er tijd verspild in winkels en kocht ik jurken die ik kon dragen als ik vijf kilo zou afvallen, wat uiteraard nooit gebeurde. Toen werd er afgekeken bij anderen (wat hebben zij dat wij niet hebben, wat doen zij dat wij niet doen?) en sloofde ik me uit in de keuken om een indrukwekkend menu op tafel te zetten voor vrienden, die ik helaas niet kon spreken omdat ik te veel werk had. En waar wij een maand later ook de deur uit liepen met de gedachte dat er lekker gekookt was maar weinig gezegd.

Laatst hoorde ik een moeder wiens dochter niet naar school wou na de vakantie. Alle andere kindjes hadden er een verre vliegreis op zitten. In de klas zouden ze aanduiden op de wereldbol waar iedereen geweest was. En dan is de Belgische kust niet zo indrukwekkend.

De moeder maakte zich zorgen. Ik dacht dat ze een kans had laten liggen om haar dochter te vertellen over de impact van de vliegreizen en dat als iedereen het normaal zou vinden er meerdere per jaar te ondernemen, de wereld nog sneller verwoest zou worden. En dat de armsten op deze wereldbol jammer genoeg de eersten zijn die met de klimaatproblemen geconfronteerd worden. Met de trein naar de Belgische kust is lang niet slecht, vanuit dat perspectief. Maar wat jammer dat we in een maatschappij leven waarin een niet-ecologische en sobere keuze zoveel hipper is dan een dure en vervuilende. En dat er schaamte is bij wie de laatste niet kan maken of wil maken.

Na het nadenken, kwam het voelen. Ik voel rust vanbinnen. De grenzen die hier zijn, financieel en praktisch, brengen zo veel rust. Ik heb weinig moeite om mijn leven te laten samenvallen met mijn principes, kom zelden in verleiding. Ik heb ontdekt dat zo veel dat mag en kan, niet moet. Ik consuminder en probeer ook mijn verlangens te verminderen, te kijken naar wat er is en daarmee te leven. En eerlijkgezegd ben ik daar heel rustig en tevreden mee. Soms vind ik het een beetje sneu voor anderen, waar ze zich allemaal zorgen over moeten maken. Italië of Portugal. Roze of paarse lakschoenen. Dit huis of dat andere. (…) Zelfs als het kon, zou ik mijn huidige zorgen niet ruilen voor dat soort zorgen. Been there, done that. Ik ben niet meer gejaagd, er is rust. Ik ben dicht bij mezelf en bij mijn kindjes. Er is nog wel wat dat ik wil, maar daar heb ik niet mijn creditcard voor nodig, maar daarvoor moet ik leren loslaten. En hopen. En misschien bidden. Wie weet.